Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2303

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-06-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
LEE 19-2630 e.v.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging natuurvergunningen gebaseerd op PAS. Herroeping primaire besluiten. Onverbindendverklaring artikel 7.1 van de Verordening wegens strijd met de Habitatrichtlijn. Ontbreken van een passende beoordeling per project. Gevolgen van de aangevraagde activiteit opnieuw in kaart brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

Zaaknummers: LEE 19/2630, 19/2641, 19/2644, 19/2672, 19/2676, 19/2679, 19/2680 en 19/2688

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2021 in de zaken tussen

1.a. [eiseres] gevestigd te [plaats], eiseres sub 1.a.;

1.b. [eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres sub 1.b.,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. V. Wösten),

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Fryslân, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.S. Pennekamp).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. [derde belanghebbende], te [plaats], derde-partij sub 1,

2. [derde belanghebbende], te [plaats], derde-partij sub 2,

(gemachtigde: [naam]),

3. [derde belanghebbende] te [plaats], derde-partij sub 3,

4. [derde belanghebbende], te [plaats], derde-partij sub 4,

(gemachtigde: B. de Boer),

5. [derde belanghebbende], te [plaats], derde-partij sub 5,

(gemachtigde: M. Zuidema),

6. [derde belanghebbende], te [plaats], derde-partij sub 6,

(gemachtigde: mr. R. Scholten),

7. [derde belanghebbende], te [plaats], derde-partij sub 7,

(gemachtigde: J. van Esveld);

8. [derde belanghebbende], te [plaats], derde- partij sub 8,

(gemachtigde: mr. R. Scholten),

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend aan derde-partij sub 1 voor het wijzigen van de vleeskalverhouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats].

Bij (afzonderlijk) besluit van 26 april 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend aan derde-partij sub 2 voor de uitbreiding van de veestapel door de bouw van een ligboxenstal op het perceel [adres] te [plaats].

Bij (afzonderlijk) besluit van 26 april 2017 (het primaire besluit III) heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend aan derde-partij sub 3 voor het uitbreiden van de melkrundveebezetting op het perceel aan de [adres] te [plaats].

Bij (afzonderlijk) primair besluit IV van 26 april 2017 heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend aan derde-partij sub 4 voor het wijzigen van de melkveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats].

Bij (afzonderlijk) besluit van 19 mei 2017 (het primaire besluit V) heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend aan derde-partij sub 5 voor het uitbreiden van de melkveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats].

Bij (afzonderlijk) besluit van 19 mei 2017 (het primaire besluit VI) heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend aan derde-partij sub 6 voor het wijzigen van de jongveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats].

Bij besluit van 25 maart 2016 (het primaire besluit VII) heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 19d, in samenhang gelezen met artikel 19km, eerste lid, aanhef en onder b, van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) verleend aan derde-partij sub 7 voor het uitbreiden van het melkrundveebedrijf op het perceel aan de [adres] te [plaats]

Bij (afzonderlijk) besluit van 19 mei 2017 (het primaire besluit VIII) heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend aan derde-partij sub 8 voor het wijzigen van de melkveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats].

Bij besluit van 31 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten om:

- zichzelf niet bevoegd te achten om te oordelen over de bezwaren voor zover gericht tegen (de rechtmatigheid van) het Programma Aanpak Stikstof (hierna: het PAS);

- de motivering van de (afzonderlijke) primaire besluiten aan te vullen met een herberekening met de geactualiseerde versie van AERIUS (2016L) die een aanvulling bevat van de leefgebiedenkaarten;

- de (afzonderlijke) primaire besluiten met die aanvulling in stand te laten; en

- de kosten van de bezwaarprocedure niet te vergoeden.

Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 3 juli 2018.

Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en H. Denters.

Ingevolge artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank besloten tot een heropening van het onderzoek ter zitting van 3 juli 2018 om de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof en de daaropvolgende uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) af te wachten.

Bij arrest van 7 november 2018 (ECLI:EU:C:2018:882) (hierna: het arrest) heeft het Hof de gestelde vragen beantwoord.

Bij uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) heeft de AbRvS geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien.

De rechtbank heeft bij brief van 29 juli 2019 de zaak gesplitst in 117 afzonderlijke zaken en 23 daarvan verwezen naar een meervoudige kamer.

De rechtbank heeft de derde-partijen als belanghebbende partij in de zin van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb aangemerkt.

De rechtbank heeft partijen verzocht om toestemming te verlenen om de zaak zonder nadere zitting af te doen.

Derde-partijen hebben bij afzonderlijke brieven te kennen gegeven dat geen toestemming aan de rechtbank wordt verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

De zaken zijn gelijktijdig behandeld op de zitting van 13 april 2021.

Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. R.S. Boersma.

Derde-partij sub 1 is niet verschenen.

Namens derde-partij sub 2 is niemand verschenen.

Derde-partij sub 3 is in persoon verschenen.

Derde-partij sub 4 is niet verschenen.

Namens derde-partij sub 5 is [naam] verschenen.

Namens derde-partij sub 6 zijn [naam] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Namens derde-partij sub 7 is niemand verschenen.

Namens derde-partij sub 8 zijn [naam] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.

Inzake LEE 19/2630

1.1.

Derde-partij sub 1 heeft op 23 december 2016 een aanvraag om vergunning ingevolge de Wnb voor het wijzigen van de vleeskalverhouderij op het perceel [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend.

1.2.

Desgevraagd heeft derde-partij sub 1 aanvullende gegevens bij verweerder ingediend.

1.3.

Bij primair besluit van 14 april 2017 heeft verweerder aan derde-partij sub 1 een Wnb-vergunning verleend voor het wijzigen van de vleeskalverhouderij op het perceel [adres] 4 te [plaats].

1.4.

Tegen dit besluit hebben eisers bij (afzonderlijke) brief van 5 juni 2017 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Inzake LEE 19/2641

1.5.

Derde-partij sub 2 heeft op 23 december 2016 een aanvraag om vergunning ingevolge de Wnb voor het uitbreiden van de veestapel door de bouw van een nieuwe ligboxenstal op het perceel aan de [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend.

1.6.

Desgevraagd heeft derde-partij sub 2 op 20 januari 2017 aanvullende gegevens bij verweerder ingediend.

1.7.

Bij (afzonderlijk) primair besluit II van 26 april 2017 heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend aan derde-partij sub 2 voor de uitbreiding van de veestapel door de bouw van een ligboxenstal op het perceel [adres] te [plaats].

1.8.

Tegen dit besluit hebben eisers bij (afzonderlijke) brief van 5 juni 2017 een bezwaar-schrift bij verweerder ingediend.

Inzake LEE 19/2644

1.9.

Derde-partij sub 3 heeft op 2 december 2016 een aanvraag om vergunning ingevolge de Wnb voor het uitbreiden van de melkrundveebezetting op het perceel aan de [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend.

1.10.

Desgevraagd heeft derde-partij sub 3 op 29 december 2016 aanvullende gegevens bij verweerder ingediend.

1.11.

Bij (afzonderlijk) primair besluit III van 26 april 2017 heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend aan derde-partij sub 3 voor het uitbreiden van de melkrundveebezetting op het perceel aan de [adres] te [plaats].

1.12.

Tegen dit besluit hebben eisers bij (afzonderlijke) brief van 5 juni 2017 een bezwaar-schrift bij verweerder ingediend.

Inzake LEE 19/2672

1.13.

Derde-partij sub 4 heeft op 27 december 2016 een aanvraag om vergunning ingevolge de Wnb voor het wijzigen van de melkveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend.

1.14.

Desgevraagd heeft derde-partij sub 4 op 9 februari 2017 aanvullende gegevens bij verweerder ingediend.

1.15.

Bij (afzonderlijk) primair besluit IV van 26 april 2017 heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend aan derde-partij sub 4 voor het wijzigen van de melkveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats].

1.16.

Tegen dit besluit hebben eisers bij (afzonderlijke) brief van 5 juni 2017 een bezwaar-schrift bij verweerder ingediend.

Inzake LEE 19/2676

1.17.

Derde-partij sub 5 heeft op 19 december 2016 een aanvraag om vergunning ingevolge de Wnb voor het uitbreiden van de melkveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend.

1.18.

Desgevraagd heeft derde-partij sub 5 op 20 februari 2017 aanvullende gegevens bij verweerder ingediend.

1.19.

Bij (afzonderlijk) primair besluit V van 19 mei 2017 heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend aan derde-partij sub 5 voor het wijzigen van de melkveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats].

1.20.

Tegen dit besluit hebben eisers bij (afzonderlijke) brief van 5 juni 2017 een bezwaar-schrift bij verweerder ingediend.

Inzake LEE 19/2679

1.21.

Derde-partij sub 6 heeft op 17 maart 2017 een aanvraag om vergunning ingevolge de Wnb voor het wijzigen van de jongveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend.

1.22.

Bij (afzonderlijk) primair besluit VI van 19 mei 2017 heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend aan derde-partij sub 6 voor het wijzigen van de jongveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats].

1.23.

Tegen dit besluit hebben eisers bij (afzonderlijke) brief van 5 juni 2017 een bezwaar-schrift bij verweerder ingediend.

Inzake LEE 19/2680

1.24.

Derde-partij sub 7 heeft op 8 maart 2017 een aanvraag om vergunning ingevolge de Wnb voor het project (omschrijving) bij verweerder ingediend.

1.25.

Bij (afzonderlijk) primair besluit VII van 19 mei 2017 heeft verweerder aan derde-partij sub 7 een Wnb-vergunning verleend voor het wijzigen van de melkveehouderij op het perceel aan de [adres] te Parrega.

1.26.

Tegen dit besluit hebben eisers bij (afzonderlijke) brief van 5 juni 2017 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Inzake LEE 19/2688

1.27.

Derde-partij sub 8 heeft op 17 maart 2017 een aanvraag om vergunning ingevolge de Wnb voor het wijzigen van de melkveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend.

1.28.

Bij (afzonderlijk) primair besluit VII van 19 mei 2017 heeft verweerder een vergunning ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb verleend aan derde-partij sub 8 voor het wijzigen van de melkveehouderij op het perceel aan de [adres] te [plaats].

1.29.

Tegen dit besluit hebben eisers bij (afzonderlijke) brief van 5 juni 2017 een bezwaar-schrift bij verweerder ingediend.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn wordt in op grond van deze richtlijn genomen maatregelen rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn treffen de Lid-Staten voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn treffen de Lid-Staten passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de Habitatrichtlijn neemt de Lid-Staat, indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De Lid-Staat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.

Wanneer het betrokken gebied een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat en/of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, na advies van de Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd.

2.1.

Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb leggen gedeputeerde staten, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, aan degene die in hun provincie een handeling verricht of het voornemen daartoe heeft, een verplichting op om:

a. informatie over de handeling te verstrekken;

b. de nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen;

c. de handeling overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften uit te voeren, of

d. de handeling niet uit te voeren of te staken.

Ingevolge artikel 2.4, tweede lid, van de Wnb kunnen gedeputeerde staten, ingeval in het belang van de bescherming van een Natura 2000-gebied een onverwijlde tenuitvoerlegging van een besluit als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is, het besluit bekendmaken door mondelinge mededeling aan degene die de handeling verricht of het voornemen daartoe heeft. Gedeputeerde staten stellen het besluit zo spoedig mogelijk alsnog op schrift en zenden dit toe of reiken dit uit aan de belanghebbenden.

Ingevolge artikel 2.4, tweede lid, van de Wnb is het verboden te handelen in strijd met een verplichting als bedoeld in het eerste of derde lid.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb stelt een bestuursorgaan een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid.

Ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is het verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

Ingevolge artikel 2.7, derde lid, van de Wnb verlenen gedeputeerde staten een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan:

a. artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid, wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, of

b. artikel 2.8, negende lid, wanneer zij betrekking heeft op andere handelingen dan projecten als bedoeld in onderdeel a.

Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudings-doelstellingen voor dat gebied.

Ingevolge artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb hoeft, in afwijking van het eerste lid, geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.

Ingevolge artikel 2.8, derde lid, van de Wnb stelt het bestuursorgaan het plan uitsluitend vast, en verlenen gedeputeerde staten voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Ingevolge artikel 2.8, negende lid, van de Wnb houden gedeputeerde staten voor een andere handeling als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, bij het verlenen van de vergunning rekening met de gevolgen die de handeling kan hebben voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

2.2.

De vergunningverlening is verder gebaseerd op nadien ingetrokken bepalingen van het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming.

Overwegingen

3. In procedureel opzicht overweegt de rechtbank als volgt.

3.1.

De rechtbank stelt vast dat derde-partij sub 1 te kennen heeft gegeven dat hij het bedrijf aan een ander heeft verkocht en dat de door verweerder verleende Wnb-vergunning op diens naam dient te worden overgezet. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder, zoals ter zitting door de gemachtigde van verweerder is bevestigd, nog geen besluit heeft genomen tot het overschrijven van de vergunning van derde-partij sub 1 op een andere naam. Gelet hierop heeft de rechtbank derde-partij sub 1 terecht als belanghebbende partij in de zin van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb aangemerkt.

4. Inhoudelijk wordt ten aanzien van alle beroepen als volgt overwogen.

4.1.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie, ten grondslag gelegd dat in het kader van een volledige heroverweging de (afzonderlijke) primaire besluiten zijn aangevuld met een herberekening op basis van de geactualiseerde versie van AERIUS (2016L). Verder heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd niet bevoegd te zijn om te oordelen over het (systeem van het) PAS, mede gelet op de principiële (prejudiciële) vragen die door de AbRvS aan het Hof zijn gesteld met betrekking tot die systematiek.

4.2.

Eisers betogen, samengevat, dat de onderhavige vergunningen niet konden worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt, omdat de passende beoordeling en het PAS niet voldoen aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn.

4.3.

Ingevolge artikel 7.1, eerste lid, van de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân (hierna: de Verordening) is als categorie van handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de Wnb, voor zover hier van belang, aangewezen: het weiden van vee.

4.4.

De rechtbank overweegt dat de AbRvS in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603, heeft geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien. Hierbij verwijst de rechtbank naar de rechtsoverwegingen 32.5. en 32.6. van voormelde uitspraak van de AbRvS.

Verder is de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van 28 november 2019 van deze rechtbank (ECLI:NL:RBNNE:2019:4951), van oordeel dat de in artikel 7.1, eerste lid, van de Verordening opgenomen uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee onverbindend is omdat die in strijd is met artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Voor zover het bestreden besluit mede is gebaseerd op artikel 7.1, eerste lid, van de Verordening dient die daarom vernietigd te worden.

5. Dit betekent dat verweerder de in geding zijnde vergunningen niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt en, voor zover van toepassing, naar artikel 7.1, eerste lid, van de Verordening. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.8 van de Wnb. Dit brengt met zich dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

Omdat deze beroepsgrond slaagt, hoeven de overige beroepsgronden niet meer te worden besproken.

6. Aangezien dit gebrek ook kleeft aan de (afzonderlijke) primaire besluiten van

14 april 2017, 26 april 2017 en 19 mei 2017 van verweerder, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door voormelde besluiten van verweerder te herroepen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de ingevolge artikel 6 van de Habitatrichtlijn verplicht voorgeschreven passende beoordeling van de afzonderlijke projecten in dit geval ontbreekt. Verder neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat uit rechtsoverweging 39.8. van de uitspraak van 29 mei 2019, kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2019:1603, volgt dat de gevolgen van de aangevraagde activiteit opnieuw in kaart moeten worden gebracht en dat bovendien alsnog dient te worden beoordeeld of een passende beoordeling is vereist en indien dat het geval is deze alsnog dient te worden opgesteld.

De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Dit brengt met zich dat verweerder opnieuw dient te beslissen op de afzonderlijke aanvragen van de vergunninghouders, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. Aangezien de beroepen gegrond verklaard, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ingevolge artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eisers te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten worden begroot op € 2.002,50 in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat bedrag bestaat uit 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor het bijwonen van de nadere zitting, waar-aan met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij het Bpb onder C2 een wegingsfactor van 1,5 wordt toegekend.

Eisers hebben tevens verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van de bezwaren. Nu de rechtbank de (afzonderlijke) primaire besluiten van 14 april 2017, 26 april 2017 en 19 mei 2017 herroept wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, bestaat er aanleiding verweerder op grond van artikel 7:15, in samenhang gelezen met artikel 8:75, van de Awb te veroordelen in de kosten in bezwaar van eisers. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten worden begroot op in totaal € 8.544,-- (8 x € 1.068,--, bezwaar-schrift 1 punt, verschijnen ter hoorzitting 1 punt) in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eisers gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 14 april 2017 van verweerder met het kenmerk 01409116;

- herroept het primaire besluit van 26 april 2017 van verweerder met het kenmerk 01413627;

- herroept het primaire besluit van 26 april 2017 van verweerder met het kenmerk 01413797;

- herroept het primaire besluit van 19 mei 2017 van verweerder met het kenmerk 01418614;

- herroept het primaire besluit van 19 mei 2017 van verweerder met het kenmerk 01418412;

- herroept het primaire besluit van 19 mei 2017 van verweerder met het kenmerk 01418613;

- herroept het primaire besluit van 19 mei 2017 van verweerder met het kenmerk 01417289;

- herroept het primaire besluit van 19 mei 2017 van verweerder met het kenmerk 01417164;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eisers in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van in totaal

€ 2.002,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen verweerder aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de kosten in bezwaar van eisers ten bedrage van € 8.544,--, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen verweerder aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2021.

De griffier De rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden op: