Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2160

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
8778859
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

onrechtmatig handelen, aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen,

zorgplicht school,

maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm,

risicoaansprakelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 8778859 \ CV EXPL 20-6221

vonnis van de kantonrechter d.d. 4 mei 2021

inzake

de naamloze vennootschap

N.V. UNIVE SCHADE,

gevestigd te Zwolle,

eiseres,

gemachtigde: mr. G. Loman,

tegen

de stichting

STICHTING PALLUDARA,

gevestigd te IJlst,

gedaagde,

gemachtigde: mr. B.M. Paijmans.

Partijen zullen hierna Univé en Palludara worden genoemd.

Procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte overlegging producties

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2.1.

In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

Palludara is een stichting die basisonderwijs verzorgt in de gemeente Súdwest-Fryslân. Eén van de scholen die onder haar beheer valt is de Julianaschool te Sneek.

Op 20 juli 2017, de laatste schooldag voor de vakantie, hebben twee leerlingen van groep 7 van de Julianaschool, de elfjarige [X] en [Y] , van hun leerkracht bij opruimwerkzaamheden in de klas de opdracht gekregen om oud papier weg te brengen. Of zij daarbij de opdracht hebben gekregen om dit oud papier naar een rolcontainer bestemd voor oud papier te brengen of om deze rolcontainer op te halen is niet duidelijk. Wel is duidelijk dat de jongens op enig moment met de rolcontainer in een berging/opslagruimte terecht zijn gekomen.

2.2.

De berging dient als opslagruimte voor papier en andere zaken en tevens er is een printer in gestald. In de berging bevinden zich meerdere open stellingkasten. De berging bevat tevens een doorgang naar het naastgelegen klaslokaal van groep 5.

2.3.

Op één van de stellingkasten stonden, op een hoogte van ongeveer 2,10 meter twee potjes met kwik. [X] heeft één van de potjes gepakt en stiekem meegenomen.

's Middags na schooltijd is [X] gaan spelen bij een vriendje, [Z] genaamd. De jongens hebben daar op zolder gespeeld waarbij [X] het potje kwik heeft laten vallen waardoor een deel van de kwik op de vloer is gekomen. De moeder van [Z] heeft de jongens daarna naar buiten gestuurd.

2.4.

Aan het einde van de middag is [X] opgehaald door zijn moeder, mevrouw [A] (hierna: [A] ). [X] heeft [A] het potje laten zien en gezegd dat het een soort lasspul was. Onderweg naar huis kwamen [A] en [X] langs een gemeentelijk speeltuintje waar enige klasgenootjes speelden. [X] mocht daar nog even blijven van [A] . [X] heeft het potje met kwik daar uiteindelijk in de bosjes gegooid. Thuis gekomen heeft hij op vraag van [A] gezegd dat hij het in een vuilnisbak had gegooid.

2.5.

Kort nadien heeft de moeder van [Z] [A] gebeld met de mededeling dat er allemaal vlekken in haar woning waren waarvan het niet lukte om ze te verwijderen. De moeder van [Z] is er vervolgens die avond via een derde achter gekomen dat de substantie die de vlekken veroorzaakte mogelijk kwik was. Daarna is de politie ingeschakeld. Het speeltuintje is afgezet en er zijn kwiksporen in de grond aangetroffen. De gemeente heeft daarop het gebied rond de speeltuin schoon gemaakt, waarbij derden zijn ingeschakeld. De totale kosten van deze operatie bedroegen € 17.271,41. De gemeente heeft de ouders van [X] aansprakelijk gesteld voor vergoeding van de schade.

2.6.

De moeder van [X] is bij Univé verzekerd tegen aansprakelijkheid. Univé heeft een bedrag van € 18.921,62 (het schadebedrag vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten) aan de gemeente vergoed.

De vordering en het verweer

3.1.

Univé vordert veroordeling van Palludara, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 21.040,12, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 18.921,62 vanaf

18 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en over € 2.118.50 vanaf 13 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. Daarnaast vordert Univé veroordeling van Palludara in de proceskosten en de nakosten, alles te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis en indien niet tijdig wordt voldaan te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de termijn voor voldoening.

3.2.

Het bedrag van € 2.118,50 dat door Univé wordt gevorderd naast het aan de gemeente uitgekeerde bedrag betreft de kosten van het door Univé ingeschakelde expertisebureau Dekra, dat onderzoek heeft gedaan naar hetgeen is voorgevallen en naar aanleiding daarvan op 13 februari 2018 een onderzoeksrapport heeft uitgebracht.

3.3.

Palludara heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan. Hetgeen zij hebben aangevoerd en gesteld zal daarbij, voor zover dat voor de beoordeling van belang is, in samengevatte vorm worden weergegeven.

De beoordeling van het geschil
4.1. Univé wenst via deze procedure de schade die zij aan de gemeente heeft vergoed vermeerderd met de in dat verband door haar gemaakte kosten op Palludara te verhalen.

Univé stelt zich daarbij op het standpunt dat Palludara, althans haar (niet)ondergeschikten, toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gemeente omdat zij heeft nagelaten om te voorkomen dat een uitermate giftige stof in handen van kinderen heeft kunnen komen, waardoor schade bij derden kon ontstaan. Palludara is daardoor (hoofdelijk) aansprakelijk jegens de gemeente op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). Verder is Palludara jegens de gemeente (hoofdelijk) aansprakelijk op grond van artikel 6:175 BW. Dit alles volgens Univé.

Daarnaast stelt Univé dat Palludara toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] , dan wel toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis jegens [A] , omdat Palludara had moeten voorkomen dat het kwik bij [X] in handen kon komen.

4.2.

De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat de vervuiling bij het speeltuintje is veroorzaakt door de handelwijze van [X] . Het daar weggooien van het potje met kwik kwalificeert als onrechtmatig handelen jegens de gemeente (als terreineigenaar) en leidt tot een aansprakelijkheid ten aanzien van de schade die de gemeente heeft opgelopen vanwege de met het opruimen gemoeide kosten. [X] was elf jaar en zijn handelwijze kan hem gelet op het bepaalde in artikel 6:164 BW niet als een onrechtmatige daad worden toegerekend, nu deze bepaling dat uitsluit met betrekking tot kinderen die jonger zijn van 14 jaar. Op grond van het bepaalde in artikel 6:169 lid 1 BW rust op de ouders van [X] in een dergelijk geval echter een risicoaansprakelijkheid. Univé heeft op grond daarvan in haar hoedanigheid als (aansprakelijkheids)verzekeraar uitgekeerd.

4.3.

Voor de beantwoording van de vraag of Palludara naast de ouders van [X] ook aansprakelijk is jegens de gemeente op grond van een onrechtmatige daad zal moeten worden beoordeeld of is voldaan aan de daaraan in de artikelen 6:162 e.v. BW gestelde vereisten. Niet is ter discussie gesteld dat het kwik ooit, volgens Palladura wel zeker 17 jaar voor het voorval, door personeel van de school, derhalve ondergeschikten van Palludara, in de berging moet zijn gezet en daar nadien is blijven staan. Vast staat dat het kwik in een berging stond die ook voor leerlingen toegankelijk was.

4.4.

Van een school mag worden verwacht dat zij gevaarlijke stoffen op zodanige wijze bewaart dat de leerlingen die stoffen niet in handen kunnen krijgen. De wijze waarop het kwik in dit geval werd bewaard voldoet daaraan naar het oordeel van de kantonrechter niet. Palludara heeft in dit kader ter verdediging aangevoerd dat de potjes in een gedeelte van de berging stonden die uitsluitend voor leerkrachten bestemd was, dat de plank waarop de potjes stonden zodanig hoog was dat de potjes niet konden worden opgemerkt en dat de potjes achter boeken stonden. Zelfs als dit alles juist is waren de potjes desalniettemin op betrekkelijk eenvoudige wijze toegankelijk voor leerlingen en daarmee is Palludara tekort geschoten in de door haar in acht te nemen zorgvuldigheid.

4.5.

Hiermee is echter nog niet gegeven dat Palludara daardoor onrechtmatig jegens de gemeente heeft gehandeld. Univé verwijt Palludara dat zij een maatschappelijk zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden met de wijze waarop zij het kwik bewaarde. Maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen hebben echter een contextgebonden karakter. De norm waar het hier om gaat, die voorschrijft dat de school ervoor moet zorgen dat giftige stoffen buiten bereik van de leerlingen blijven, heeft naar het oordeel van de kantonrechter tot doel om de leerlingen te beschermen tegen de gevaren die deze stoffen kunnen meebrengen voor hun gezondheid en welzijn en niet om een willekeurige derde als de gemeente te vrijwaren van een gebeurtenis zoals zich in dit geval heeft voorgedaan. Als hierover anders wordt geoordeeld geldt dat de waarschijnlijkheid van de schade waar het in dit geval om gaat niet zodanig groot was dat Palludara om die reden anders had moeten handelen. Palludara heeft zich hier naar het oordeel van de kantonrechter in haar verweer terecht op beroepen.

4.6.

De kantonrechter is kortom van oordeel dat Palludara niet op grond van de algemene norm uit artikel 6:162 BW onrechtmatig jegens de gemeente heeft gehandeld, zodat daaraan geen aansprakelijkheid kan worden ontleend.

4.7.

Het beroep dat Univé op het bepaalde in artikel 6:175 BW (aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen) heeft gedaan slaagt evenmin omdat naar het oordeel van de kantonrechter niet is voldaan aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden. Uit de door Univé niet betwiste stelling van Palludara dat het kwik al heel lang niet meer voor onderwijsdoeleinden werd gebruikt, al jaren in de berging moet hebben gestaan en dat niemand meer wist dat het kwik zich daar nog bevond, volgt dat Palludara deze stof niet gebruikte of onder zich had in de uitoefening van haar bedrijf, namelijk het lesgeven aan kinderen in de basisschoolleeftijd. Ook van professioneel bewaarderschap door Palludara zoals bedoeld in artikel 6:175 lid 2 BW was geen sprake. Reeds hierom slaagt het beroep op artikel 6:175 BW niet. Daar komt bij dat Palludara het kwik niet meer onder zich had toen de vervuiling ontstond, zodat ook aan dat uit genoemde bepaling voortvloeiende vereiste niet is voldaan.

4.8.

Met betrekking tot de eveneens door Univé ingenomen stelling dat Palludara toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] en op grond daarvan aansprakelijk is voor schade waar het in deze zaak om gaat, overweegt de kantonrechter het volgende. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen, is Palludara bij de wijze waarop het kwik werd bewaard tekort geschoten in de door haar ten opzichte van haar minderjarige leerlingen in acht te nemen zorgvuldigheid. Daarmee is zij naar het oordeel van de kantonrechter ook tekort geschoten ten opzichte van de ouders die hun minderjarige kinderen aan Palludara hadden toevertrouwd. Maar dit oordeel leidt niet per definitie tot aansprakelijkheid van Palludara voor schade zoals die zich in dit geval heeft voorgedaan.

4.9.

Univé stelt dat [A] is benadeeld, omdat zij vanuit haar kwalitatieve risicoaansprakelijkheid als ouder schadeplichtig werd jegens de gemeente. Het onrechtmatig handelen van Palludara heeft in deze visie geleid tot schade bij [A] .

Univé verliest hierbij naar het oordeel van de kantonrechter, zoals door Palludara terecht is aangevoerd, uit het oog dat het wegnemen van het potje kwik door [X] een onrechtmatige handeling jegens Palludara betreft die [A] op grond van artikel 6:169 lid 1 BW in volle omvang wordt toegerekend. Verder was ook het weggooien in het speeltuintje door [X] van het potje onrechtmatig, in dat geval jegens de gemeente. Er is gelet op deze aan [A] in haar hoedanigheid als ouder toe te rekenen keten van onrechtmatige daden naar het oordeel van de kantonrechter geen grond om Palludara jegens [A] aansprakelijk te achten voor de schade die zij de gemeente diende te vergoeden. Verder heeft Palludara gewezen op de eigen rol van [A] . [X] heeft haar het potje met de voor haar onbekende substantie getoond, maar [A] heeft daarin kennelijk geen aanleiding gezien om [X] (op indringende wijze) te ondervragen naar de herkomst en ook niet om het potje van [X] af te nemen. Verder heeft zij nadat zij tegen [X] had gezegd dat hij het potje moest weggooien zich er niet van vergewist dat hij dat op ordentelijke wijze had gedaan, maar heeft zij in feite toegelaten dat [X] handelde zoals hij heeft gedaan. [A] heeft hiermee naar het oordeel van de kantonrechter niet gehandeld zoals van haar als ouder had mogen worden verwacht en die nalatigheid kan niet op Palludara worden afgewenteld. Dat [A] mogelijkerwijs niet heeft onderkend dat het potje kwik bevatte doet daar niet aan af.

4.10.

Ook deze door Univé gestelde grondslag kan niet tot aansprakelijkheid van Palludara leiden. De slotsom is derhalve dat de vordering van Univé ongegrond is en daarom zal worden afgewezen. Dit geldt daarmee ook met betrekking tot de gevorderde expertisekosten en wettelijke rente. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd behoeft daarom geen bespreking.

4.11.

Univé zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Aan de zijde van Palludara worden deze kosten vastgesteld op € 996,00

(2 punten, € 498,00 per punt) vanwege salaris gemachtigde.

Beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt Univé in de kosten van dc procedure, aan de zijde van Palludara vastgesteld op € 996,00 vanwege salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling.

Aldus gewezen door mr. M.C Groenewegen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 324