Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2082

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
18/034227-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van insluiping; alternatief scenario van verdachte wordt niet weerlegd door andere bewijsmiddelen. Veroordeling wegens winkeldiefstal gevolgd van geweld om de vlucht mogelijk te maken; geen sprake van noodweer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/034227-21

vorderingen na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 18-187276-19,
18-227568-19 en 18-830223-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 juni 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] juli 1979 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 mei 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Laatsman, advocaat te Oss.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. Hartogs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 5 februari 2021 te Groningen een aantal blikjes vis, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan het winkelbedrijf [benadeelde partij 1] (vestiging [straatnaam] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (andere) medewerkers van de [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te
maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door (nadat hij door personeel van de [benadeelde partij 1] op vorenstaande diefstal was aangesproken) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (andere) medewerkers van de [benadeelde partij 1] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, heeft geduwd en/of meermalen, althans eenmaal, (met hand(en) / vuist(en)) heeft gestompt en/of geslagen en/of meermalen, althans eenmaal, met een kettingslot heeft geslagen, althans getroffen en/of met een kettingslot om zich heen heeft gezwaaid;
2.
hij op of omstreeks 29 januari 2021 te Groningen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (rond 02.30 uur), in/uit een woning aan de [straatnaam] , terwijl hij, verdachte, zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een telefoon en/of een oplader, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen telefoon en/of oplader onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 en 2.

Met betrekking tot feit 1 heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de verklaringen van aangevers Justin [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), getuige [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) en de camerabeelden volgt dat verdachte probeert te vluchten nadat hem is verteld dat hij verdacht wordt van winkeldiefstal. Daarbij gebruikt hij geweld ten opzichte van de medewerkers die hem tegenhouden. Het personeel handelde rechtmatig en er bestond geen noodzaak tot verdediging. Een beroep op noodweer slaagt niet.

Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat verdachte binnen twintig minuten na de wegneming daarvan beschikte over de mobiele telefoon van aangever [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ). Verdachte stond namelijk op door deze telefoon gemaakte foto’s. Verdachte heeft hiervoor als verklaring gegeven dat een kennis genaamd [naam] aan hem vroeg om een telefoon te ontgrendelen, hetgeen hij heeft geprobeerd. Dit alternatieve scenario is naar de mening van de officier van justitie niet aannemelijk, nu alleen verdachte - en niet [naam] - is te zien op de door de telefoon gemaakte foto’s.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 betoogd dat de diefstal van de blikjes vis bewezen kan worden, maar dat verdachte moet worden vrijgesproken van het gebruik van geweld nadien. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat de medewerkers hem niet hadden verteld dat hij werd verdacht van winkeldiefstal. Toen het winkelpersoneel gewelddadig tegen hem werd, onder meer door hem bij zijn nek vast te pakken/te klemmen en hem een karatetrap te geven, voelde verdachte zich dusdanig bedreigd dat hij - vanuit overlevingsdrang - met een kettingslot heeft gezwaaid.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2, nu verdachte dit feit ontkent en een verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij te zien is op kort na de diefstal door de telefoon gemaakt foto’s.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2

De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten vast. Op 29 januari 2021 omstreeks 2:30 uur ging aangever [benadeelde partij 2] slapen in zijn kamer aan de [straatnaam] in Groningen. Zijn telefoon, een iPhone, lag toen naast zijn bed. Om 2:51 uur werden met deze telefoon foto’s - zogeheten selfies - gemaakt waarop het gezicht van verdachte is te zien. De telefoon bevond zich volgens de locatiegegevens van het apparaat op dat moment in de [straatnaam] .

Verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft ingebroken en dat hij geen iPhone heeft weggenomen. Als de politie hem confronteert met de eerder genoemde foto’s, verklaart verdachte dat hij een kennis genaamd [naam] op diens verzoek heeft geholpen om een telefoon te ontgrendelen. De politie heeft de identiteit van deze [naam] achterhaald en heeft hem gevraagd om een verklaring af te leggen over de diefstal van een telefoon. Dit heeft hij geweigerd.

De rechtbank constateert dat er geen rechtstreeks bewijs is voor het wegnemen van de telefoon door verdachte. Dat verdachte de telefoon in handen heeft gehad relatief kort nadat deze is weggenomen, en ook nog op een plaats in de nabijheid van de woning van aangever, zou daarvoor een sterke aanwijzing kunnen zijn. Echter, verdachte heeft hiervoor een alternatieve verklaring gegeven die niet afdoende door de overige bewijsmiddelen in het dossier kan worden weerlegd, in het bijzonder niet omdat de door hem genoemde [naam] niet over deze gebeurtenis heeft willen verklaren.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene was die de telefoon heeft weggenomen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

Bewezenverklaring feit 1

De rechtbank neemt bij de vaststelling van de feiten als uitgangspunt de verklaringen van de medewerkers van de [benadeelde partij 1] , te weten [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Deze verklaringen worden ondersteund door het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de camerabeelden van de [benadeelde partij 1] . Op deze camerabeelden is enkel te zien wat zich in de winkel afspeelde, maar de rechtbank heeft geen aanleiding om (wel) te twijfelen aan hetgeen de genoemde drie medewerkers hebben verklaard over hetgeen zich buiten de winkel afspeelde.

De rechtbank stelt op basis van de genoemde bewijsmiddelen - zoals hieronder opgenomen - de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Op 5 februari 2021 was verdachte in de [benadeelde partij 1] aan het [straatnaam] te Groningen, waar hij blikjes vis in zijn rugzak stopte en de kassa passeerde zonder de blikjes af te rekenen. Hierop werd hij aangesproken door diverse medewerkers van de [benadeelde partij 1] . [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] deelden hem mee dat hij was aangehouden. Verdachte liep desondanks door. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] probeerden dit te verhinderen, waarop verdachte hen duwde. Buiten de winkel werd verdachte naar de grond gewerkt door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Verdachte verzette zich en sloeg de medewerkers. Op enige moment gaf verdachte aan dat hij mee zou werken. Verdachte werd hierop losgelaten en stond op. Vervolgens haalde hij een kettingslot tevoorschijn en sloeg hiermee meerdere malen om zich heen. [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] werden door het kettingslot geraakt.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank - kort gezegd - diefstal gevolgd van geweld om de vlucht mogelijk te maken bewezen.

Voor zover de verdediging zich op het standpunt heeft willen stellen dat aan verdachte een beroep op noodweer toekomt, overweegt de rechtbank dat een dergelijk beroep niet slaagt,

nu de feiten en omstandigheden die de verdediging heeft aangevoerd niet aannemelijk zijn geworden. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen - kort gezegd inhoudend dat verdachte niet wist dat hij werd aangehouden en dat het winkelpersoneel hem bij de nek vastpakte en een karatetrap gaf - vindt zijn weerlegging in de aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden zoals hierboven reeds beschreven.

In het bijzonder wijst de rechtbank erop dat het winkelpersoneel meteen aan verdachte heeft meegedeeld dat hij werd aangehouden. Dat hij zich hier bewust van was, kan tevens worden afgeleid uit het feit dat verdachte zijn rugzak - waarin de weggenomen blikjes vis zaten - de winkel ingooide tijdens het voorval. Voorts wijst de rechtbank erop dat verdachte het kettingslot juist gebruikte op het moment dat hij had aangegeven mee te zullen werken en al was losgelaten (en er van een aanranding door het winkelpersoneel dus in het geheel geen sprake (meer) was).

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat het toepassen van enig geweld door burgers/winkelpersoneel bij een aanhouding op heterdaad niet wederrechtelijk is (en derhalve geen verdediging rechtvaardigt), tenzij dit buitenproportioneel is. Uitgaand van de geschetste gang van zaken was dat naar het oordeel van de rechtbank niet het geval.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past met betrekking tot feit 1 de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 18 mei 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb op 5 februari 2021 blikjes vis gestolen van de [benadeelde partij 1] aan het [straatnaam] in Groningen. Toen de [medewerker(s)] mij hadden losgelaten, heb ik een kettingslot gepakt en daarmee gezwaaid. Het zou best kunnen dat ik daarmee iemand heb geraakt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 februari 2021, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021032971 d.d. 5 maart 2021, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Vandaag, 5 februari 2021, was ik op mijn werk bij de supermarkt [benadeelde partij 1] gelegen aan het [straatnaam] te Groningen. Ik zag dat een man een blik vis in zijn tas stopte. Ik zag vervolgens dat de man naar de pinkassa's liep en zonder iets af te rekenen de kassa passeerde. Ik stond bij de uitgang. Ik zag dat de man, terwijl hij naar mij toe kwam lopen, de tas waarin hij het blik had gestopt, bij zich droeg. Ik sprak de man aan op het feit dat wij vermoedden dat hij bepaalde producten niet afgerekend had en dat hij bij deze staande was gehouden. Vervolgens is de man door mij verzocht om mee naar achteren te lopen en de komst van de politie af te wachten. Ik hoorde dat de man te kennen gaf dit niet te willen en zag plots dat hij mij begon te duwen. Ik zag dat de man mij meerdere keren met beide handen met kracht tegen mijn borstkas duwde, hierop voelde ik pijn. Tevens zag ik dat de man mij met een van zijn handen met kracht tegen mijn keel duwde, hierop voelde ik pijn. Daar de man mij pijn had gedaan en niet wilde stoppen, hebben [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: getuige [slachtoffer 3]) en ik geprobeerd de man naar de grond te werken. Dit naar de grond werken ging niet gemakkelijk. De man ging maximaal in verzet en sloeg hierbij ook om zich heen. De worsteling die vervolgens ontstond vond plaats net voor de ingang. Ik zag dat de man met kracht en gebalde vuist op verschillende delen op mijn lichaam sloeg waarop ik pijn voelde. Ik zag dat de man mij op mijn benen, armen en bovenlichaam sloeg. Ik zag tevens dat de man [slachtoffer 3] meerdere malen met kracht sloeg op verschillende lichaamsdelen.
Het lukte [slachtoffer 3] en mij om de man op de grond te krijgen. Eenmaal op de grond staakte de man zijn verzet niet en begon continue om zich heen te slaan. Op een bepaald moment had de man een rood kettingslot in een van zijn handen. Ik zag en voelde dat de man met kracht met het kettingslot mij op mijn rechterhand sloeg en op mijn kaak. Hierdoor voelde ik pijn.
Ten gevolge van de klappen op mijn lichaam voel ik nu pijn, tevens heb ik nu een rode plek op mijn borstkas, hand en rechterzijde van mijn gezicht (kaak). Later bleek dat de man in zijn rugzak een vijftal blikken John West rode zalm had, afkomstig uit onze winkel.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 5 februari 2021, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Vandaag was ik aan het werk in de [benadeelde partij 1] , [straatnaam] Groningen. Ik zag dat een man de winkel inkwam met een winkelwagen en een zwarte rugzak om zijn schouder gehangen. Ik zag dat de tas openstond en dat er niets in de tas zat. Justin [slachtoffer 1] , collega, vertelde mij over de portofoon dat de man spullen uit het schap nam en in de open tas deed. Daarna zag ik dat de man via een gesloten kassa de winkel verliet. Ik liep hem voorbij en sprak de man aan en vertelde hem dat hij was aangehouden voor winkeldiefstal. Ik zag en voelde dat de man mij opzij duwde en zag dat hij langs mij de winkel wilde verlaten. De man duwde en passeerde mij en buiten de winkel, in het portaal van de winkel, heb ik de man met hulp van collega's de man naar de grond gebracht, omdat hij zich probeerde los te rukken uit de greep die ik had op zijn polsen. Op de grond beland hoorde ik de man zeggen dat hij zich rustig zou houden en mee zou werken. Daarna hebben wij de man los gelaten en is de man opgestaan. De man bleef ongeveer een minuut rustig staan. Daarna zag ik dat de man plotseling met een kettingslot van een fiets in het rond begon te slaan. Ik voelde dat hij mij raakte met het slot op de knie van mijn linkerbeen. Ik zag dat hij ook andere collega's heeft geraakt met het slot. Daarna hebben wij de man weer overmeesterd en onder controle gebracht en overgedragen aan de politie.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 februari 2021, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op 5 februari 2021 was ik aan het werk bij de [benadeelde partij 1] supermarkt, gevestigd aan het [straatnaam] te Groningen.

Ik zag dat een man net voorbij de poortjes liep om de winkel zelf in te gaan en ik zag dat hij bijna bij de ingang/uitgang van de winkel liep. Ik zag dat de man met agressie weg probeerde te komen. Ik zag dat de man zich probeerde los te rukken en probeerde te ontkomen. Ik zag dat [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: getuige [slachtoffer 3]) ter hoogte van de winkelwagens de man naar de grond werkte. Ik zag dat [slachtoffer 3] achter de man stond en door zijn armen om de man heen te slaan vanaf achter, de man zo naar de grond bracht. Ik zag dat [slachtoffer 3] dit voor elkaar kreeg en dat de man en [slachtoffer 3] op de grond terechtkwamen. Ik probeerde op dat moment de man uit balans te brengen door aan zijn been te trekken.

Ik dook toen op een van de benen van de man samen met een collega. Wij probeerden de man samen op de grond in bedwang te houden. De man die op de grond lag, zei toen dat hij mee ging werken. [slachtoffer 3] wilde de man naar binnen geleiden in afwachting van de politie. Ik zag dat de verdachte ineens wild werd en ik zag dat de man uit het niets met een ketting begon te zwaaien. De verdachte was op dat moment losgekomen van [slachtoffer 3] . Ik zag dat hij met kracht om zich geen begon te slaan en zwaaien met die ketting. We doken op dit moment weer met zijn allen op de verdachte. De verdachte zwaaide en sloeg nog steeds met de ketting. Toen ik weer op de verdachte dook, sloeg de verdachte mij met die ijzeren ketting. Ik voelde dat hij mij op mijn linkerelleboog raakte en ik voelde dat hij mij met de ketting op mijn linkerzij raakte. Ik heb nu een bult op mijn linkerelleboog.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 februari 2021, opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Ik ontving van een medewerker van de [benadeelde partij 1] , [straatnaam] te Groningen, de camerabeelden van de [benadeelde partij 1] van 5 februari 2021. Op deze beelden was verdachte [verdachte] zichtbaar op het moment dat hij de winkel wilde verlaten en werd aangehouden door het personeel.

20:40:35 uur: Verdachte [verdachte] loopt met de donkere rugzak over zijn rechterschouder naar de kassadoorgang. Hij laat zijn winkelwagen achter in de winkel. Verdachte [verdachte] wordt aangesproken door een jonge vrouwelijke medewerkster van [benadeelde partij 1] .

20:40:36 uur: Deze medewerkster probeert een hekje te sluiten zodat [verdachte] de kassa niet kan passeren. (noot verbalisant: op dat moment was al het winkelpersoneel op de hoogte dat [verdachte] meerdere goederen in zijn rugzak had geplaatst.)

20:40:43 uur: [verdachte] blijft doorlopen en de [medewerker(s)] gaat hierdoor uiteindelijk achteruit aan de kant voor [verdachte] .

20:40:44 uur: [verdachte] loopt langs de kassa.

20:40:47 uur: [verdachte] loopt richting uitgang en gebaart naar een mannelijk personeelslid van de [benadeelde partij 1] .

20:40:52 uur: Er komt een tweede mannelijke medewerker van de [benadeelde partij 1] achter [verdachte] aangelopen en deze spreekt [verdachte] kennelijk aan. [verdachte] draait zijn hoofd om maar blijft doorlopen naar de uitgang.

20:40:53 uur: [verdachte] draait zich om en zwaait met zijn linkerarm in de richting van het hoofd van het personeelslid van de [benadeelde partij 1] .

20:40:55 uur: [verdachte] draait zich om en de medewerker van de [benadeelde partij 1] komt voor [verdachte] te staan.

20:40:56 uur: [verdachte] blijft doorlopen naar de uitgang.

20:40:56 uur: De medewerker van de [benadeelde partij 1] probeert [verdachte] dan wel de rugzak van [verdachte] vast te pakken aan de rechterzijde van [verdachte] .

20:40:57 uur: [verdachte] draait zich weg van de [medewerker(s)] .

20:40:58 uur: De [medewerker(s)] probeert [verdachte] bij zijn armen vast te pakken.

20:40:58 uur: [verdachte] probeert de rechterarm van de [medewerker(s)] vast te pakken

20:40:59 uur: Het lukt de [medewerker(s)] kennelijk niet om [verdachte] beet te pakken en hij doet een stap naar achter en staat zo tussen [verdachte] en de uitgang.

20:40:59 uur: De [medewerker(s)] maakt met zijn linkerarm een afwerend gebaar.

20:40:41 uur: De [medewerker(s)] loopt iets achteruit en blijft hierbij een afwerend gebaar maken.

20:41:01 uur: [verdachte] wil kennelijk langs de [medewerker(s)] lopen, deze doet een stap naar links, gaat voor [verdachte] staan en houdt beide handen tegen de borst van [verdachte] .

20:41:01 uur: [verdachte] probeert met beide handen de armen van de [medewerker(s)] weg te trekken. De [medewerker(s)] laat hierop [verdachte] los.

20:41:02 uur: De [medewerker(s)] loopt achteruit en [verdachte] loopt vervolgens in door in zijn richting. De [medewerker(s)] strekt beide armen en drukt deze tegen de borst van [verdachte] .

20:41:02 uur: [verdachte] duwt beide armen van de [medewerker(s)] weg en blijft doorlopen ‘op’ de [medewerker(s)] . De rechterarm van [verdachte] gaat hierbij richting de hals van de [medewerker(s)] .

20:41:03 uur: Beide armen van [verdachte] gaan omhoog in de richting van het hoofd van de [medewerker(s)] . [verdachte] duwt vervolgens kennelijk de [medewerker(s)] naar achteren. Beiden verdwijnen vervolgens links uit beeld.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 5 februari 2021 te Groningen een aantal blikjes vis toebehorend aan het winkelbedrijf [benadeelde partij 1] , vestiging [straatnaam] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een andere medewerker van de [benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, door nadat hij door personeel van de [benadeelde partij 1] op vorenstaande diefstal was aangesproken die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of andere medewerker van de [benadeelde partij 1] heeft geduwd en/of heeft geslagen en/of met een kettingslot heeft geslagen, en met een kettingslot om zich heen heeft gezwaaid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1. Diefstal gevolgd van bedreiging met geweld en geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, wat op het moment van de zitting ruim drie-en-een-halve maand was.

In het geval van bewezenverklaring van feit 1 volstaat een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Het uitgangspunt voor diefstal gevolgd van geweld is volgens de oriëntatiepunten een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden in geval van recidive. Daarvan dient ten voordele van verdachte te worden afgeweken, nu de gestolen goederen geringe waarde hebben en zijn teruggegeven, alsmede gelet op het tegen verdachte gebruikte geweld en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 9 april 2021, het trajectconsult d.d. 3 maart 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 april 2021, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal waarbij hij, nadat hij door winkelpersoneel werd aangehouden, heeft geprobeerd te vluchten. Daarbij heeft hij tegen drie medewerkers geweld gebruikt, door te duwen, door met de handen te slaan en door met een kettingslot te slaan.

Winkeldiefstallen berokkenen de gedupeerde winkeliers naast schade ook veel overlast en hinder. Daarnaast veroorzaakt een feit als het onderhavige gevoelens van angst en onveiligheid, doordat winkelpersoneel en omstanders worden geconfronteerd met het gebruikte geweld. Verdachte heeft door het plegen van dit feit geen respect getoond voor de eigendommen en de lichamelijke integriteit van anderen. De rechtbank rekent dit hem aan.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting geldt een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden als uitgangspunt voor een winkeldiefstal waarbij na betrapping geweld is gebruikt in de zin van slaan, schoppen of dreigen met een voorwerp. In het geval van recidive geldt als uitgangpunt een gevangenisstraf van vier maanden en in het geval van veelvuldige recidive een gevangenisstraf van vijf maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van verdachte sprake van veelvuldige recidive. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie volgt namelijk dat hij in de afgelopen vijf jaren twaalf keer is veroordeeld voor een (of meer) vermogensdelict(en). De rechtbank neemt een gevangenisstraf van vijf maanden dan ook als uitgangspunt. De rechtbank ziet aanleiding om hier een maand bij op te tellen omdat sprake is van meerdere slachtoffers en nu verdachte niet “slechts” heeft gedreigd met een voorwerp, het kettingslot, maar er ook meermalen mee heeft geslagen.

Alles overwegend zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 21 augustus 2019 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 dagen, waarvan 11 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 september 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

Bij onherroepelijk vonnis van 7 oktober 2019 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 dagen, waarvan 24 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 21 oktober 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

Bij onherroepelijk vonnis van 6 februari 2020 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan een maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De proeftijd is ingegaan op 21 februari 2020. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vorderingen van 28 april 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straffen.

Nu veroordeelde het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de proeftijden, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straffen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak geldt.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/187276-19:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 21 augustus 2019 te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 11 dagen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/227568-19:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 7 oktober 2019, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 24 dagen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/830223-19:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 6 februari 2020, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van een maand.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. H. Brouwer en

mr. C.J. Hoedt, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juni 2021.

Mr. Hoedt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.