Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2042

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
AWB - 19 - 462
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opbrengstlimieten zuiveringsheffing en watersysteemheffing. WOZ-waarde.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.

De rechtbank overweegt dat verweerder voldoende inzicht heeft verschaft in de baten en lasten van beide heffingen. Eiser heeft tegenover deze uitleg geen (gemotiveerde) stellingen ingebracht. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de opbrengstlimieten zijn overschreden.

Beroepen ongegrond. Wel ISV en PKV. De rechtbank heeft meerdere zaaknummers aangemaakt, maar voor zowel ISV als PKV is er sprake van één zaak omdat er sprake is van één aanslagbiljet, waartegen één bezwaarschrift is ingediend en waarop vervolgens in één geschrift uitspraak op bezwaar is gedaan waartegen eiser in één geschrift beroep heeft ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: 19/462, 21/972, 21/973, 21/1270 tot en met 21/1272

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 27 mei 2021 in de zaken tussen

[eiser 1] , te [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, verweerder

(gemachtigde: [medewerker 1] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming (de Minister).

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2018 heeft verweerder op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [plaats 1] (de onroerende zaak) vastgesteld voor het kalenderjaar 2018 op € 237.000. Tegelijk met deze beschikking zijn de aanslagen afvalstoffenheffing, rioolheffing, zuiveringsheffing, watersysteemheffing gebouwd en watersysteemheffing ingezetenen voor het jaar 2018 opgelegd.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 21 december 2018 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep gesplitst in afzonderlijke beroepen met de volgende zaaknummers 19/462 (zuiveringsheffing), 21/972 (watersysteemheffing ingezetenen), 21/973 (WOZ beschikking), 21/1270 (watersysteemheffing gebouwd), 21/1271 (afvalstoffenheffing) en 21/1272 (rioolheffing).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2021. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [medewerker 2] , [medewerker 3] , [medewerker 4] en taxateur [taxateur 1] . Ter zitting zijn de beroepen gelijktijdig behandeld met de beroepen van [eiser 2] met zaaknummers 19/459 en 21/971. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

De onroerende zaak is een vrijstaand woonhuis met een inpandige garage, een berging en een woonoppervlakte van 158 m2. De onroerende zaak heeft een kaveloppervlakte van 622 m2.

1.2.

De aanslag zuiveringsheffing is gebaseerd op de Verordening zuiveringsheffing Noorderzijlvest 2018, gepubliceerd in het Waterschapsblad van 13 november 2017, nr. 10424 (hierna: Verordening zuiveringsheffing).

1.3.

De aanslagen watersysteemheffing gebouwd en watersysteemheffing ingezetenen zijn gebaseerd op de Verordening op de watersysteemheffing waterschap Noorderzijlvest 2018, gepubliceerd in het Waterschapsblad van 13 november 2017, nr. 10414 (hierna: Verordening watersysteemheffing).

1.4.

Het jaarplan 2018 van het waterschap Noorderzijlvest (hierna: het jaarplan), met daarin de begroting van het waterschap, is op 29 november 2017 door de vergadering van het algemeen bestuur van het waterschap Noorderzijlvest vastgesteld.

1.5.

Over de geraamde opbrengsten van de watersysteemheffing en de zuiveringsheffing is in het jaarplan onder meer het volgende opgenomen (pagina 41 van het jaarplan):

Tabel: Dekkingsoverzicht

Taak

Belasting

heffing

Kwijtschelding +oninbaar

Onttrekking

Reserve

Totaal

dekking

Te dekken

saldolasten

Dekkings-verschil

Watersysteem

Heffing/Categorie

Verontreinigingsheffing

324.896

324.896

Ingezetenen

9.880.866

-856.500

9.024.366

Gebouwd

20.572.592

0

20.572.592

Ongebouwd

6.760.862

0

6.760.862

Natuur

71.450

71.450

Totaal watersysteem

37.610.666

-856.500

0

36.754.166

36.763.891

-9.7321

Zuiveren

26.091.648

-1.593.500

624.000

25.122.148

25.120.621

1.527

Totaal NZV

63.702.314

624.000

61.876.314

61.884.518

-8.204

De saldokosten van de taak watersysteem stijgen in 2018 met 7,4% ten opzichte van 2017 en de bruto belastingopbrengst met 7,0%, dus 0,4% minder. Dit komt door de lagere toerekening van kwijtschelding en oninbaarheid. Voor deze taak wordt in 2018 niets onttrokken uit de reserves.

1.6.

De te dekken lasten voor de zuiveringsheffing en watersysteemheffing zijn nader gespecificeerd in de bijlagen bij het jaarplan. In deze bijlagen staan het jaarplan naar kosten- en opbrengstensoorten (bijlage A), de kostenverdeelstaat (bijlage B), de verdeling saldokosten per programma (bijlage C), de gecomprimeerde staat van financiële vaste activa (bijlage D), de vaste schulden (bijlage E), het overzicht investeringen per programma (bijlage F1), het overzicht voorgenomen investeringen jaarplan 2018 (bijlage F2), het overzicht lopende kredieten jaarplan 2018 (bijlage F3) en het overzicht kerngetallen jaarplan 2018 (bijlage G). Daarnaast staat er in de bijlagen een toelichting op de investeringen 2018.

1.7.

De wijze van toerekening van kosten aan de zuiveringsheffing of de watersysteemheffing is vastgelegd in het Besluit interne kostentoerekening van het waterschap Noorderzijlvest van 7 mei 2014. In de bijlage bij dit besluit zijn de toerekeningspercentages opgenomen op basis waarvan de diverse kosten aan beide heffingen worden toegerekend.

1.8.

In de Tarievennota 2018 van het waterschap Noorderzijlvest (hierna: de Tarievennota) is opgenomen op welke wijze het waterschap Noorderzijlvest de tarieven voor de watersysteemheffing en zuiveringsheffing heeft vastgesteld. De Tarievennota is op 29 november 2017 door de vergadering van het algemeen bestuur van het waterschap Noorderzijlvest vastgesteld.

1.9.

Op pagina 3 van de Tarievennota is als volgt gespecificeerd hoe het tarief van de zuiveringsheffing is vastgesteld:

“Tarief Zuiveren

Op basis van het voorgaande, bedragen die door de tarieven opgebracht dienen te worden:

Aandeel in het Jaarplan 2018 op basis van de programma’s

25.120.600

Af: bijdrage vanuit de reserve

624.000

24.496.600

Bij: kwijtschelding/oninbaar

1.593.500

Te dekken door omslagen

26.090.100

Op basis van het aantal vervuilingseenheden van 417.600, bedraagt het tarief 2018 voor zuiveren:

Het tarief per V.E. bedraagt in 2018 € 62,48

1.10.

Op pagina 39 van het jaarplan staat op welke wijze de kostentoedeling van het waterschap heeft plaatsgevonden, te weten 25% aan de ingezetenen, 18,9% aan de zakelijk gerechtigden van ongebouwde roerende zaken niet zijnde natuurterreinen, 0,2% aan de zakelijk gerechtigden van natuurterreinen en 55,9% aan de zakelijk gerechtigden van gebouwde roerende zaken. Deze kostentoedeling is in de vergadering van het algemeen bestuur van het waterschap van 16 oktober 2013 vastgesteld.

1.11.

Op pagina 2 en 3 van de Tarievennota is als volgt gespecificeerd hoe de tarieven van de watersysteemheffing volgens de kostentoedeling (zie 1.10.) zijn vastgesteld:

“Tarief Watersysteem

Op basis van het voorgaande hieronder de bedragen die door de tarieven opgebracht dienen te worden. De specifieke kosten worden rechtstreeks aan de betrokken categorieën toegerekend en zijn niet in de kostentoedeling opgenomen. Daarom worden ze in onderstaande tabel apart gepresenteerd.

Aandeel in het Jaarplan 2018 op basis van de programma’s

36.763.900

Af: bijdrage vanuit de bestemmingsreserve

-

dekking door verontreinigingsheffing*

324.900

36.439.00

Bij: kwijtschelding/oninbaar

856.500

Te dekken door omslagen

37.295.500

*tarief is gelijk aan tarief zuiveren (5.200 eenheden)

Waarvan specifieke kosten voor:

Ingezetenen (verkiezingen + kwijtschelding/oninbaar)

937.800

Zakelijk gerechtigden gebouwd (perceptiekosten WOZ)

584.100

1.521.900

In artikel 2 van de Kostentoedelingsverordening is

opgenomen dat de resterende kosten als volgt worden

verdeeld over de vier categorieën belastingplichtigen:

Ingezetenen (25%)

8.943.000

Zakelijk gerechtigden gebouwd (55,9%)

19.998.200

Zakelijk gerechtigden ongebouwd (18,9%)

6.760.900

Natuur (0,2%)

71.500

35.773.600

37.295.500

De tarieven 2018 voor watersysteem zijn als volgt:

Ingezetenen

65,61

per woonruimte

Zakelijk gerechtigden gebouwd

Binnendijks

0,0608%

van WOZ waarde

Buitendijks

0,0152%

van WOZ waarde

Zakelijk gerechtigden ongebouwd

Binnendijks

62,62

per ha.

Buitendijks

15,65

per ha.

Wegen binnendijks

152,22

per ha.

Natuur

3,36

per ha.

Verontreinigingsheffing

62,48

per VE

Geschil en beoordeling

2. Partijen verschillen van mening over de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2017. Daarnaast is in geschil of de opbrengstlimieten die zijn begrepen in artikel 117, eerste lid, en artikel 122d, eerste lid, van de Waterschapswet zijn overschreden en of om die reden de Verordening watersysteemheffing en de Verordening zuiveringsheffing van waterschap Noorderzijlvest (gedeeltelijk) onverbindend dienen te worden verklaard. Ten slotte zijn de aanslagen afvalstoffenheffing 2018 en rioolheffing 2018 in geschil.

WOZ

3. Eiser voert aan dat verweerder de waarde van de onroerende zaak te hoog heeft vastgesteld. Verweerder stelt dat hij de waarde van € 237.000 niet te hoog heeft vastgesteld.

4. Op verweerder rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de door hem voorgestane waarde per 1 januari 2017 niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer op die datum. Als verweerder niet aan deze bewijslast voldoet, komt de vraag aan de orde of eiser de door hem bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, zal de rechter als regel de waarde zelf vaststellen.1

5. Eiser voert aan dat verweerder met het taxatieverslag niet aannemelijk maakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Volgens eiser biedt het taxatieverslag onvoldoende inzicht in de mate waarin rekening is gehouden met de verschillen tussen de onroerende zaak en de vergelijkingsobjecten, zoals ligging, staat van onderhoud en voorzieningen. Volgens eiser moet de WOZ-beschikking worden vernietigd, omdat verweerder niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan.

6. Verweerder heeft ter onderbouwing van de door hem vastgestelde waarde in beroep een waardematrix (hierna: matrix) overgelegd. In de matrix is de woning vergeleken met vier vergelijkingsobjecten. Het betreft de volgende, alle in [plaats 1] gelegen, referentiewoningen: [adres 2] (verkocht voor € 330.500), [adres 3] (verkocht voor € 265.000), [adres 4] (verkocht voor € 280.000) en [adres 5] (verkocht voor € 285.000). In de matrix wordt geconcludeerd tot een WOZ-waarde van de onroerende zaak van € 237.000.

7. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser zo dat hij van mening is dat verweerder onvoldoende inzicht heeft gegeven in de waardebepaling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met de inhoudelijk niet betwiste matrix en de daarop gegeven toelichting ter zitting echter wel voldoende inzicht verschaft in de waardebepaling. Zoals volgt uit de matrix heeft verweerder de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan verkoopgegevens beschikbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat de in de matrix genoemde vergelijkingsobjecten goed vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak. Het betreft vrijstaande woningen met ongeveer dezelfde woonoppervlakte als de onroerende zaak, die rond de waardepeildatum zijn verkocht. Verweerder heeft verder met de matrix en de daarop ter zitting gegeven toelichting duidelijk gemaakt op welke wijze hij rekening heeft gehouden met de verschillen in onder meer ligging, staat van onderhoud en voorzieningen tussen de onroerende zaak en de vergelijkingsobjecten. Hiermee is verweerder er naar het oordeel van de rechtbank in geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep tegen de WOZ-beschikking is ongegrond.

Aanslagen watersysteemheffing en zuiveringsheffing

8. Eiser heeft ten aanzien van de aanslagen watersysteemheffing gebouwd en ingezetenen en ten aanzien van de aanslag zuiveringsheffing aangevoerd dat voor deze heffingen sprake is van een opbrengstlimiet en dat deze wordt overschreden. Specifiek ten aanzien van de zuiveringsheffing heeft eiser aangevoerd dat de baten de lasten overschrijden. Ten aanzien van de zuiveringsheffing, de watersysteemheffing gebouwd en de watersysteemheffing ingezetenen heeft eiser aangevoerd dat een specificatie van de kosten ontbreekt en verweerder er daarom niet in geslaagd is de redelijke twijfel weg te nemen of ten aanzien van bepaalde posten sprake is van een bate of last ter zake. Daarom moet worden aangenomen dat de opbrengstlimieten zijn overschreden en reeds om die reden dienen de Verordening watersysteemheffing en de Verordening zuiveringsheffing onverbindend te worden verklaard, aldus eiser. Eiser wijst daarbij op een uitspraak van deze rechtbank van 18 december 2014.2

9. Verweerder heeft ten aanzien van de watersysteemheffingen en de zuiveringsheffing aangevoerd dat voor het belastingjaar 2018 de ramingen van de opbrengsten niet hoger waren dan de lasten. In dit kader heeft verweerder verwezen naar het jaarplan (zie 1.4.), het Besluit interne kostenverrekening van 7 mei 2014 en de bijlage bij dat besluit (zie 1.7.) en de Tarievennota (zie 1.8.). Verweerder stelt hiermee voldoende inzicht in de geraamde baten en lasten te hebben verschaft. Ten aanzien van de door eiser gestelde overschrijding van de opbrengstlimiet bij de zuiveringsheffing voert verweerder aan dat de totale lasten € 25.120.621 bedragen. De geraamde opbrengsten bedragen volgens verweerder € 26.091.948, maar daarvan wordt een bedrag van € 1.593.000 voor kwijtschelding en oninbaar geraamd. De netto baten bedragen aldus € 24.498.848. Voor het tekort van € 624.000 is een onttrekking aan de reserves geraamd (zie 1.5.). De geraamde lasten overstijgen dus de geraamde baten. Er is geen overschrijding van de opbrengstlimiet.

10. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat bij zowel de zuiveringsheffing als de watersysteemheffing sprake is van een opbrengstlimiet en dat deze niet mag worden overschreden.

11. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden, de bewijsregels van belang zijn zoals deze door de Hoge Raad in een aantal arresten zijn vastgelegd.3 Die regels kunnen als volgt worden samengevat. Uitgangspunt is dat de bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding op eiser rust. Indien eiser overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om inzicht te verschaffen in de raming van baten en lasten die in de begroting zijn opgenomen. Hierbij behoeft niet ten aanzien van alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan. Van de heffingsambtenaar mag niet worden verlangd dat hij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd. Omdat de bewijslast van de feiten die overschrijding van de opbrengstlimiet onderbouwen op eiser rust, dient hij, nadat de heffingsambtenaar inzicht heeft verschaft, voldoende gemotiveerd te stellen waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Vervolgens dient de heffingsambtenaar voor die posten nadere inlichtingen te verschaffen. Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat de heffingsambtenaar naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van eiser betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door eiser opgeworpen twijfel ongegrond is. Indien eiser vervolgens stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, komt bewijslevering aan de orde en draagt eiser de bewijslast. Na bewijslevering dient de rechter, uitgaande van de feiten die hij bewezen acht, de rechtsvraag te beantwoorden welke posten kunnen worden beschouwd als een 'last ter zake' en in het licht daarvan te beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden.

12. De rechtbank overweegt dat verweerder met de door hem overgelegde stukken, zoals het jaarplan met bijlagen (zie 1.4. en 1.6.) en de Tarievennota (zie 1.8.) en de daarop gegeven toelichting voldoende inzicht heeft verschaft in de ramingen van baten en lasten van de verschillende heffingen. Eiser heeft tegen deze uitleg geen stellingen ingebracht of gemotiveerd waarom er naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de ramingen redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Eiser heeft enkel verwezen naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank.4 Het beroep op die eerdere uitspraak van de rechtbank kan echter niet slagen, omdat verweerder, anders dan in de zaak waar eiser naar verwijst, in dit geval wel documenten heeft overgelegd waarin de lasten gespecificeerd zijn (zie 1.6.). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de opbrengstlimieten van de zuiveringsheffing en watersysteemheffing zijn overschreden. De beroepen gericht tegen de aanslagen zuiveringsheffing, watersysteemheffing gebouwd en watersysteemheffing ingezeten zijn ongegrond.

Aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing

13. Eiser heeft in de motivering van zijn beroepschrift geschreven dat zijn beroep zich ook richt tegen de aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing. Eiser heeft echter geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de hiervoor genoemde aanslagen. Om deze reden zijn de beroepen tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing naar het oordeel van de rechtbank ongegrond.

ISV
14. Eiser heeft verzocht om immateriële schadevergoeding (ISV) wegens overschrijding van de redelijke termijn. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. De ISV bedraagt € 500 per half jaar overschrijding. Voor zaken die zijn verenigd op één aanslagbiljet, waar één bezwaarschrift tegen is ingediend en waarop vervolgens in één geschrift uitspraak op bezwaar is gedaan waartegen eiser in één geschrift beroep tegen heeft ingesteld, is er voor de toekenning van ISV sprake van één zaak.5 Dat de rechtbank in verband met interne richtlijnen meerdere zaaknummers heeft aangemaakt in verband met het door eiser ingestelde beroep, maakt dit niet anders.

15. Verweerder heeft het bezwaarschrift op 12 april 2018 ontvangen. Tot de datum van deze uitspraak zijn er dus afgerond 3 jaren en 2 maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met afgerond 14 maanden is overschreden. De rechtbank ziet geen reden om de redelijke termijn wegens bijzondere omstandigheden te verlengen. Dit leidt tot een ISV van € 1.500.

16. Voor wat betreft de toerekening van de ISV aan verweerder en de rechtbank overweegt de rechtbank als volgt. De uitspraken op bezwaar zijn gedaan op 21 december 2018, dus ruim 8 maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. In de bezwaarfase is de redelijke termijn dus met afgerond 2 maanden overschreden. De resterende 12 maanden termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de rechtbank. Daarom veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van de immateriële schade voor een bedrag van € 214 (2/14 van € 1.500) en de Minister voor een bedrag van € 1.286 (12/14 van € 1.500).

17. Omdat het bedrag van de ISV minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.6

18. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van wettelijke rente indien de immateriële schadevergoeding niet aan eiser wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak. De rechtbank wijst dit verzoek toe.

Proceskosten en griffierecht

19. De rechtbank ziet vanwege de toegekende ISV aanleiding tot het toewijzen van een vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsprocedure. Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding, aangezien de uitspraak op bezwaar volledig in stand is gebleven.7 Voor de proceskostenvergoeding is sprake van één beroep tegen de uitspraak op bezwaar tegen meerdere op hetzelfde aanslagbiljet vermelde besluiten.8 Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding in de beroepsfase op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 267 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 0,59).

20. Ook het griffierecht van € 47 wordt aan eiser vergoed vanwege de toekenning van ISV.

21. Nu zowel verweerder als de Minister worden veroordeeld tot het betalen van een deel van de ISV moeten het griffierecht en de proceskostenvergoeding door ieder voor de helft worden vergoed.10 Dit betekent dat verweerder en de Minister aan proceskostenvergoeding ieder € 133,50 verschuldigd zijn. Aan griffierecht zijn verweerder en de Minister elk € 23,50 verschuldigd.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 214, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;

- veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.286, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht tot een bedrag van € 23,50 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 133,50;

- draagt de Minister op het betaalde griffierecht tot een bedrag van € 23,50 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 133,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, en mr. G. Kattenberg en mr. J.F.H. van den Belt, leden, in aanwezigheid van mr. L. van Eijk, griffier, op 27 mei 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

1 Zie Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4300 en Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2132.

2 ECLI:NL:RBNNE:2014:6587.

3 In (onder andere) de arresten van 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777 en 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938.

4 ECLI:NL:RBNNE:2014:6587.

5 Vlg. Hof Amsterdam, 14 januari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:242.

6 Beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Staatscourant 2014, nr. 20210.

7 Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660.

8 Vlg. Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822.

9 Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660.

10 Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.