Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2034

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
17/885038-08 DNA
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 21 mei 2021 een bezwaarschrift gericht tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde ongegrond verklaard. De raadsvrouw had aangevoerd dat gelet op het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte het bezwaarschrift gegrond verklaard moest worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

rekestnummer 21/003306

parketnummer 17/885038-08

beschikking van de enkelvoudige raadkamer d.d. 21 mei 2021 op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, ingediend door:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1988,

wonende te [woonplaats], [straatnaam],

raadsvrouw mr. A.R.H. Baas.

Procesverloop

Het bezwaarschrift is op 15 maart 2021 ingekomen ter griffie en richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde.

Gelet op de maatregelen die de rechtspraak heeft genomen om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, is de officier van justitie verzocht een schriftelijk standpunt in te nemen. Op 13 april 2021 is dit schriftelijke standpunt ontvangen.

Voornoemd schriftelijke standpunt is op 19 april 2021 naar de raadsvrouw gezonden, met het verzoek of de raadsvrouw akkoord kan gaan met een schriftelijke afdoening. Voorts is de raadsvrouw in de gelegenheid gesteld te reageren op het standpunt van de officier van justitie.

Op 3 mei 2021 heeft de raadsvrouw laten weten dat zij akkoord gaat met een schriftelijke afdoening van de zaak en heeft zij gereageerd op het standpunt van de officier van justitie.

Motivering

Klager is ontvankelijk in zijn bezwaarschrift nu dit binnen de wettelijke termijn is ingediend.

Bij arrest van 30 maart 2009 is klager door het Gerechtshof Leeuwarden veroordeeld voor een poging tot zware mishandeling en een mishandeling. Aan klager is -onder meer- een werkstraf van 100 uren opgelegd.

Klager is derhalve veroordeeld wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering waarbij hem een gevangenisstraf, jeugddetentie of taakstraf is opgelegd zodat kan worden overgegaan tot afname van celmateriaal ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel.

Standpunt van de raadsvrouw

In het bezwaarschrift en de toelichting daarop heeft de raadsvrouw -zakelijk weergegeven- gesteld dat klager enerzijds meent dat de ernst van het begane strafbare feit niet dermate groot is dat het bepalen, verwerken en bewaren van het DNA-profiel een preventieve werking heeft ten opzichte van klager althans dat dit niet proportioneel is ten opzicht van het doel van het voorkomen en opsporen van serieuze misdrijven. Anderzijds meent klager dat de oproep voor DNA-afname niet meer gegeven had mogen worden, gelet op het forse tijdsverloop en het feit dat klager een positieve ontwikkeling in zijn leven heeft doorgemaakt.

De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat weliswaar in de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden geen termijn is opgenomen voor het geven van het bevel tot afname van DNA-materiaal en dientengevolge ook geen sanctie is verbonden aan het (te) laat afgeven van dit bevel, maar in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel (Kamerstukken II 2002-2003,28 685, nr. 3 p. 32) is wel degelijk af te leiden dat de wetgever heeft beoogd dat het bevel zo spoedig mogelijk en derhalve kort na de veroordeling wordt afgegeven (productie 2). Een veroordeelde zou niet langer dan nodig in onzekerheid te moeten leven.

In de onderhavige zaak bedraagt het tijdsverloop tussen de veroordeling en het bevel tot afname ongeveer 12 jaren. Dit forse tijdsverloop is onwenselijk en onbegrijpelijk. Kennelijk heeft het openbaar ministerie het bepalen, verwerken en bewaren van het DNA-profiel van veroordeelde niet van groot belang geacht, nu zij pas 12 jaren na de veroordeling heeft bevolen tot afname van het DNA-materiaal van klager.

Van belang is daarbij ook de jonge leeftijd van klager, immers was hij destijds jong meerderjarig. In de tussenliggende tijd heeft klager een zeer positieve ontwikkeling doorgemaakt, waarbij hij heeft gewerkt aan zijn psychische problematiek (wo. traumatherapie). Klager is na diens veroordeling niet opnieuw in aanraking gekomen met politie en justitie, althans niet voor zware misdrijven waarop DNA-afname voor mogelijk is. Gelet op deze omstandigheden, in onderling verband bezien, wordt aannemelijk geacht dat het recidiverisico (zeer) klein is.

Het grote tijdsverloop tussen de veroordeling en het bevel van afname, bezien in het licht van de overige omstandigheden, maakt dat het bepalen, opnemen en verwerken van het DNA van klager disproportioneel is. Dit zou tot gegrondverklaring van het bezwaarschrift dienen te leiden. In het kader van rechtszekerheid is het bepalen, verwerken en bewaren van het DNA-profiel in de databank thans ook niet meer gerechtvaardigd.

Klager verwijst naar een vergelijkbaar geval waarin tot gegrondverklaring van het bezwaarschrift is geoordeeld, maar waar de termijnoverschrijding overigens minder fors was (slechts 29 maanden): ECLI:NL:RBNHO:2016:629 (productie 3). Deze uitspraak sterkt hem in zijn stelling dat zijn bezwaarschrift gegrond zou moeten worden verklaard.

De raadsvrouw verzoekt het bezwaarschrift gegrond te verklaren, met bevel aan de officier van justitie om ervoor zorg te dragen dat het reeds afgenomen celmateriaal van klager terstond wordt vernietigd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft -zakelijk weergegeven- het volgende geconcludeerd.

Het uitgangspunt van de Wet DNA-V is dat van iedere veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van zijn DNA profiel (artikel 2 Wet DNA-V). De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij (kort gezegd) van deze persoon reeds een DNA-profiel is verwerkt dan wel het redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Aan de uitzonderingen genoemd in artikel 2 lid 1, aanhef en onder b van de Wet geeft de Hoge Raad een beperkte uitleg.

De Hoge Raad overweegt dat de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ blijkens de wetsgeschiedenis ziet op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt volgens de Hoge Raad samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat dan om de situatie dat een DNA-onderzoek, ondanks een veroordeling wegens een misdrijf, in de gegeven omstandigheden niet kan worden gerechtvaardigd. Andere dan deze maatstaven doen volgens de Hoge Raad afbreuk aan het door de wetgever beoogde systeem van ruime afname van DNA-materiaal, waarin slechts plaats is voor de twee bovengenoemde beperkt uit te leggen uitzonderingen. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de Wet DNA-V geen plaats.

Tijdsverloop

In december 2020 is de officier van justitie gebleken dat klager na zijn veroordeling in 2009 ten onrechte geen bevel tot het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel heeft gekregen. Omdat dit gelet op (de ernst van) het feit wettelijk wel had gemoeten, heeft klager alsnog een bevel tot het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gekregen. Het forse tijdsverloop is onwenselijk, maar het belang van een juiste toepassing van de Wet DNA-V (en de doelen van deze wet zoals eerder genoemd) moet prevaleren boven de bezwaren van de veroordeelde. De veroordeelde is door dit tijdsverloop niet door enig door de wet DNA-V te beschermen belang geschaad. Het feit dat daders van gepleegde strafbare feiten mogelijk sneller kunnen worden opgespoord is immers geen rechtens te beschermen persoonlijk belang. Daarnaast begint de bewaartermijn te lopen vanaf het moment van de einduitspraak. Bij een late DNA-afname is het dus niet zo dat het DNA van de veroordeelde langer in de DNA databank bewaard blijft.

De Hoge Raad heeft op 13 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2073) een arrest in cassatie in het belang der wet gewezen dat ziet op dit punt. Hierin beslist de Hoge Raad dat, ook al dient de officier van justitie het bevel zo spoedig mogelijk te geven, de wet niet in de weg staat aan het geven van een bevel tot het bepalen en verwerken van het DNA-profiel in geval van (onnodig) lang tijdsverloop tussen de veroordeling en de datum van het bevel. Wanneer het bevel niet spoedig na de veroordeling is gegeven, kan volgens de Hoge Raad niet worden gezegd dat de veroordeelde daardoor in enig, door vermelde Wet beschermd, belang is geschaad. Daarnaast ligt in de door de wetgever beoogde voortvarendheid bij DNA-afname primair het belang van de opsporing en voorkoming van misdrijven. De Memorie van Toelichting vermeldt niets over een belang van de veroordeelde bij een spoedige afname van het DNA en opname daarvan in de DNA-databank.

Voorts heeft de officier van justitie gemotiveerd verwezen naar een van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2017:11567) en een uitspraak van deze rechtbank van 8 april 2021 (rekestnummer 20/000641).

Proportionaliteit

Voor de beoordeling van de vraag of klager alsnog een bevel tot het bepalen en verwerken van het DNA-profiel moest krijgen, heeft de officier van justitie gekeken naar geldend recht op het moment van veroordeling. De Wet DNA-V is gefaseerd ingevoerd en in 2009 gold de Wet DNA-V - en daarmee ook de verplichting voor de officier van justitie voor het geven van een bevel - voor veroordelingen vanwege onder meer ernstige geweldsdelicten, waaronder (poging) zware mishandeling en mishandeling. Gelet daarop acht de officier van justitie een bevel tot het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van klager dan ook proportioneel. Dat klager van mening is dat er in zijn geval geen preventieve werking uitgaat van een bevel tot het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel doet niet ter zake.

Deze preventieve werking is een beoogd doel van de wetgever met de Wet DNA-V. Er hoeft niet in een concreet geval te worden vastgesteld dat dit doel daadwerkelijk bereikt wordt.

Recidiverisico

Een concreet recidivegevaar hoeft niet te worden vastgesteld. Het bevel tot DNA-afname blijft alleen achterwege als vaststaat dat elk opsporingsbelang of recidivegevaar ontbreekt. Dit zou het geval zijn wanneer vaststaat dat veroordeelde nooit meer een misdrijf zou kúnnen plegen (Kamerstukken II 2002/03, 28685, 3, p. 11). Hier is in het geval van klager geen sprake van. Verder benadrukt de officier van justitie dat het voorkomen van nieuwe strafbare feiten niet het enige belang is dat ten grondslag ligt aan de wet DNA-V. De Wet DNA-V beoogt namelijk ook bij te dragen aan de opsporing, vervolging en berechting van reeds begane strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande concludeert de officier van justitie dat het bezwaarschrift ongegrond moet worden verklaard.

Nader standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft aangegeven dat klager persisteert in zijn eerder aangegeven standpunten. In aanvulling daarop merkt de raadsvrouw op dat de uitspraak waaraan de officier van justitie refereert, niet is bijgevoegd en niet gepubliceerd. Bij gebrek aan wetenschap wordt dat standpunt betwist. Voorts constateert de raadsvrouw dat in de onderhavige casus het tijdsverloop groter is dan in de andere genoemde zaken. Tijdsverloop is niet uitsluitend maatgevend. In casu spelen naast dat forse tijdsverloop ook andere omstandigheden mee. De strafzaak op basis waarvan DNA is afgenomen betreft (zoals het lijkt) een jeugdstrafzaak. De zaak is in ieder geval zo oud dan klager niet meer beschikt over het arrest van het Hof. De raadsvrouw verwijst verder naar de bijzondere omstandigheden zoals weergegeven onder punt 7 van het bezwaarschift.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende.

Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 13 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC8234)

dient als uitgangspunt te worden aangenomen dat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) ertoe strekt gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen alsmede veroordeelden te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Uit de in dat arrest vermelde wetsgeschiedenis blijkt dat tekst, alsmede doel en strekking van de Wet als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de Wet geen plaats.

De rechtbank moet beoordelen of een van de in artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet genoemde uitzonderingen zich voordoet, te weten of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.

Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. De Hoge Raad heeft bepaald dat er geen plaats is voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan de twee hiervoor genoemde – beperkt – uit te leggen uitzonderingen (Hoge Raad 13 mei 2018, ECLI:NL:HR:2008:BC8231, NJ 2008/627 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234, NJ 2008/628).

De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn aangevoerd waardoor naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de aard van het misdrijf en de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is begaan, sprake is van een uitzonderingsgrond in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet blijkt dat de officier van justitie in beginsel verplicht is een bevel tot afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek te geven. Het is daarbij van belang dat hij dit zo spoedig mogelijk na de veroordeling doet, zodat het belang van de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde direct kan worden gediend (Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 3, p. 32). Wat onder "zo spoedig mogelijk na de veroordeling" moet worden verstaan wordt in de wetsgeschiedenis niet verder verduidelijkt.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2073) blijkt dat de wettelijke regeling en in het bijzonder art. 2, eerste lid van de Wet er niet aan in de weg staan dat van de veroordeelde celmateriaal wordt afgenomen en het DNA-profiel van de veroordeelde wordt bepaald en verwerkt, ook wanneer sprake is van een onnodig lang tijdsverloop tussen de veroordeling en het bevel tot afname van celmateriaal. Wel blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het in verband met de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde van belang is dat het bevel tot afname van celmateriaal door de officier van justitie zo spoedig mogelijk na de veroordeling wordt gegeven. In gevallen dat daaraan niet wordt voldaan, kan evenwel niet worden gezegd dat de veroordeelde daardoor in enig door vermelde Wet beschermd belang is geschaad. Daarbij verdient opmerking dat de in art. 18 van het Besluit voorgeschreven bewaartermijnen van DNA-profielen reeds aanvangen wanneer een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352, tweede lid Sv. is gedaan, en dus losstaan van het moment waarop het bevel wordt gegeven.

Hoewel de rechtbank het met de raadsvrouw eens is dat het wenselijker was geweest als het bevel eerder was uitgevaardigd, is de rechtbank van oordeel dat dit termijnverloop niet moet leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

Deze beschikking is gegeven op 21 mei 2021 door mr. M. Brinksma, rechter, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier. De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.