Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2026

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
C/17/171177 / HA ZA 20-26
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Biovergister,

Papierslib als grondstof niet toegestaan.

Is leverancier papierslib aansprakelijk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/171177 / HA ZA 20-26

Vonnis in hoofdzaak van 26 mei 2021

in de zaak van

1. de maatschap

MTS. [eisers 2,3 en 4],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

en de vennoten

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser 5],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. P. Stehouwer te Groningen,

tegen

1. de vennootschap onder firma

TRANSPORTBEDRIJF, MESTHANDEL EN VEEVOEDERS [gedaagde 1] ',

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

en de vennoten

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. M.C. Hoogendam te Leusden.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.] en [gedaagden c.s.] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het incidenteel vonnis van 22 april 2020, waarbij het [gedaagden c.s.] is toegestaan om [X] B.V. (hierna: [X] ) in vrijwaring op te roepen

  • -

    de conclusie van repliek, tevens akte houdende vermindering van eis

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Na incidenteel vonnis van 22 april 2020 heeft [gedaagden c.s.] bij dagvaarding van 12 mei 2020 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [X] B.V. in vrijwaring opgeroepen. Deze procedure is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/17/172930 / HA ZA 20-106. In deze procedure zal heden eindvonnis worden gewezen.

1.3.

In de procedure met zaaknummer C/17/172930 / HA ZA 20-106 heeft [X] bij incidentele conclusie gevorderd om de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Schotpoort Container Transport B.V. (hierna: Schotpoort) in ondervrijwaring te mogen oproepen. Bij vonnis in incident van 12 augustus 2020 heeft de rechtbank dit toegestaan, waarna [X] Schotpoort heeft gedagvaard. Deze procedure is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/1//174735 / HA ZA 20-196. In deze zaak zal heden eveneens eindvonnis worden gewezen.

1.4.

Ten slotte is vonnis in de hoofdzaak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers c.s.] exploiteert een melkveehouderij. Daarnaast exploiteert zij een biovergister, een zogenaamde co-vergister. In deze installatie wordt uit organisch materiaal biogas opgewekt en het restproduct, digestaat genaamd, wordt als meststof in de landbouw afgezet. Aan [eisers c.s.] is voor deze inrichting door de gemeente Noardeast-Fryslân een omgevingsvergunning verleend.

2.2.

Omstreeks november/december 2018 heeft [gedaagden c.s.] [eisers c.s.] benaderd met de vraag of [eisers c.s.] geïnteresseerd was in de afname van papierslib, teneinde dit in de biovergister te vergisten. [eisers c.s.] heeft hierin toegestemd en nadien is circa 3.900 ton papierslib bij [eisers c.s.] afgeleverd. Het papierslib is door vrachtwagens van Schotpoort bij [eisers c.s.] bezorgd. [eisers c.s.] ontving voor het papierslib van [gedaagden c.s.] een vergoeding van € 20,00 (excl. btw) per ton.

2.3.

Het papierslib is een restproduct van de fabricage van papier en was afkomstig van Industriewater Eerbeek B.V.

2.4.

Eind augustus 2019 is het bedrijf van [eisers c.s.] bezocht door toezichthouders van de milieudienst FUMO. Deze toezichthouders hebben geconstateerd dat [eisers c.s.] niet voldeed aan milieuvoorschriften. Bij brief van 6 september 2019 hebben Burgemeester en Wethouders van Noardeast-Fryslân [eisers c.s.] bericht dat zij het papierslib binnen twee weken naar een erkende verwerker diende af te voeren, waarbij het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom is aangekondigd. [eisers c.s.] heeft hiertegen een zienswijze ingediend.

Bij beslissing van 5 november 2019 hebben Burgemeester en Wethouders van Noardeast-Fryslân [eisers c.s.] een last onder dwangsom opgelegd. In deze beslissing is, voor zover van belang, het navolgende vermeld:

"Het aangevoerde papierslib afkomstig van Industrieater Eerbeek B.V., is niet aangewezen als co-product in onderdeel IV van Bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en mag niet als co-product in de co-vergister worden gebruikt, (…).

Uit analyses van 27 juni 2019, aangeleverd door Industriewater Eerbeek b.v., is gebleken dat het kopergehalte in het materiaal 400 mg/kg droge stof is. (…) Om het papierslib onder de noemer van zuiveringsslib te gebruiken als meststof op landbouwgrond moet (…) getoetst worden aan het wettelijk toegestane kopergehalte (…). Deze norm is voor koper 75 mg/kg droge stof. (…) Bovenstaande betekent dat het aangevoerde papierslib een afvalstof is.

(…)

Door het innemen, opslaan en/of het toepassen van het papierslib heeft u de werking van de inrichting veranderd zonder dat hiervoor een omgevingsvergunning is afgegeven. Dit is in strijd met artikel 2.1, lid 1 onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

In uw aanvraag behorende bij de omgevingsvergunningen van 18 april 2019, 13 maart 2014 en 10 februari 2010 is aangegeven dat alleen co-producten van bijlage Aa, onderdeel IV van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet worden verwerkt.

In voorschrift 8.3.1 van de op 18 april 2019 verleende veranderingsvergunning is aangegeven dat u alleen co-producten van de bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (bijlage A) in de co-vergister mag verwerken. Tevens is in de aanvraag, behorende bij de omgevingsvergunning van 10 februari 2010 aangegeven: "Als co-producent wordt maximaal 12.000 ton producten van de positieve lijst voor co-vergisting toegevoegd." De positieve lijst voor covergisting is vermeld in bijlage Aa, onderdeel IV van de uitvoeringsregeling meststoffenwet.

Het papierslib is niet genoemd in bijlage Aa, onderdeel IV van de uitvoeringsregeling meststoffenwet. (…) "

2.5.

[eisers c.s.] heeft tegen dit besluit beroep aan getekend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uiteindelijk zijn tussen [eisers c.s.] en de gemeente Noardeast-Fryslân nadere afspraken omtrent het papierslib gemaakt. Het papierslib was door compostering deels al verdwenen en het nog aanwezige restant van het papierslib van circa 3.000 ton is op 23 en 24 maart 2020 afgevoerd naar afvalverwerker Omrin te Oudehaske.

3 De vordering

3.1.

[eisers c.s.] vordert, na vermindering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. Primair: de tussen [gedaagden c.s.] als verkoper en [eisers c.s.] als koper gesloten koopovereenkomst met betrekking tot +/- 3.000 ton papierslib te ontbinden, alsmede [gedaagden c.s.] te veroordelen om aan [eisers c.s.] te betalen de schade die [eisers c.s.] heeft geleden ten bedrage van € 134.152,-, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

II. Subsidiair: de tussen [gedaagden c.s.] als verkoper en [eisers c.s.] als koper gesloten koopovereenkomst met betrekking tot +/- 3.000 ton papierslib te vernietigen, alsmede die vernietiging geheel of ten dele haar werking te ontzeggen, althans - subsidiair - in plaats van vernietiging uit te spreken het nadeel dat [eisers c.s.] lijdt bij instandhouding van de overeenkomst op te heffen door de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen, alles in dier voege dat [gedaagden c.s.] wordt veroordeeld om aan [eisers c.s.] te betalen een bedrag van € 134.152,-,

III. Meer subsidiair te verklaren voor recht dat [gedaagden c.s.] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers c.s.] door aan [eisers c.s.] +/- 3.000 ton papierslib te leveren, alsmede [gedaagden c.s.] te veroordelen om aan [eisers c.s.] te betalen de deswege geleden schade, ten bedrage van € 134.152,-, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

IV. Primair, subsidiair en meer subsidiair: [gedaagden c.s.] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten.

3.2.

[eisers c.s.] vorderde bij dagvaarding conform het voorgaande, waarbij zij in plaats van een bedrag van € 134.152,- echter een bedrag van € 510.000,- vorderde.

3.3.

[eisers c.s.] legt, samengevat weergegeven, het navolgende aan haar vordering ten grondslag.

3.3.1.

Volgens [eisers c.s.] heeft [gedaagden c.s.] bij het aanbieden van het papierslib verteld dat het papierslib in de biovergister mocht worden verwerkt en [eisers c.s.] is daar op afgegaan. [gedaagden c.s.] heeft het papierslib aan [eisers c.s.] verkocht omdat zij een biovergister exploiteert. [gedaagden c.s.] is een professionele partij en [eisers c.s.] behoefde daarom niet te twijfelen aan de juistheid van de mededelingen van [gedaagden c.s.] Als [eisers c.s.] had geweten dat het papierslib niet in de vergister mocht omdat het een afvalstof was, had zij het niet geaccepteerd.

3.3.2.

Volgens [eisers c.s.] kwalificeert de overeenkomst die partijen hebben gesloten als een koopovereenkomst met een negatieve koopprijs, dan wel als een overeenkomst sui generis. Omdat het papierslib een afvalstof is en niet in de biovergister mag worden verwerkt is [gedaagden c.s.] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Het papierslib bevat niet de eigenschappen die [eisers c.s.] mocht verwachten.

3.3.3.

[eisers c.s.] beroept zich primair op ontbinding wegens tekortkoming en subsidiair op dwaling. Meer subsidiair stelt [eisers c.s.] dat [gedaagden c.s.] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, door haar op te zadelen met een grote hoeveelheid afval.

3.3.4.

[eisers c.s.] specificeert het na wijziging van eis gevorderde bedrag van

€ 134.152,- als volgt. De kosten aan Omrin voor het innemen van het papierslib hebben

€ 64.992,77 bedragen, de transportkosten van het papierslib van het bedrijf van [eisers c.s.] naar Omrin ad € 5.539,38 (excl. btw), de kosten van het in eigen beheer storten van het papierslib in de vrachtwagen ad € 1.120,-, de kosten van het tussentijds omzetten van het papierslib, waarmee een composteringsproces is bevorderd waardoor de hoeveelheid tot ca. 3.000 ton was afgenomen ad € 7.000,- en de advocaatkosten die met de gehele kwestie gemoeid zijn, ad € 12.000,-. Verder verwacht [eisers c.s.] dat zij in verband met deze zaak een boete van € 43.500,-, de helft de maximale boete van € 87.000,- op grond van de Wet economische delicten opgelegd zal krijgen en ook dat bedrag vordert zij van [gedaagden c.s.]

4 Het verweer

4.1.

[gedaagden c.s.] voert verweer en betwist de vordering van [eisers c.s.]

4.1.1.

[gedaagden c.s.] ontkent dat zij tegen [eisers c.s.] heeft gezegd dat het papierslib in de biovergister verwerkt zou kunnen worden, of zulks heeft gegarandeerd. [gedaagden c.s.] voert aan dat zij [eisers c.s.] heeft benaderd omdat zij wist dat [eisers c.s.] in het verleden ook al eens papierslib had ingenomen en in de vergister had verwerkt. Volgens Wassenaars c.s. wist [eisers c.s.] dat het afval betrof en is zij ook betaald voor het innemen van afval. Van [eisers c.s.] had als professionele verwerker mogen worden verwacht dat zij een innamebeleid voerde dat in overeenstemming was met de aan haar verleende vergunning, maar zij heeft zonder nader onderzoek het papierslib ingenomen aldus [gedaagden c.s.]

4.1.2.

[gedaagden c.s.] voert verder aan dat de overeenkomst tussen partijen niet als koopovereenkomst, maar als inname- of leveringsovereenkomst van afvalstoffen kwalificeert. Van tekortkoming is volgens [gedaagden c.s.] geen sprake, noch van dwaling of onrechtmatig handelen.

5 De beoordeling

5.1.

[gedaagden c.s.] heeft zich in haar verweer beroepen op de eigen wetenschap en verantwoordelijkheid bij [eisers c.s.] en verwezen naar de aan [eisers c.s.] verleende omgevingsvergunning met betrekking tot de biovergister. De rechtbank leidt uit de door [eisers c.s.] overgelegde stukken van de gemeente Noardeast-Fryslân, in het bijzonder de beschikking van 5 november 2019, waaruit hiervoor onder 2.4 is geciteerd, af dat aan [eisers c.s.] een omgevingsvergunning is verleend waarin is verwezen naar bijlage Aa, onderdeel IV van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en waarin is vermeld dat slechts de in deze bijlage vermelde stoffen in de biovergister mogen worden verwerkt. In onderdeel IV van deze bijlage zijn eindproducten van bewerkingsprocédés opgesomd die als meststof kunnen worden verhandeld en papierslib is daarbij niet genoemd.

5.2.

De rechtbank overweegt op grond hiervan het volgende. [eisers c.s.] exploiteert een biovergister en op grond van de aan haar verleende omgevingsvergunning had zij kunnen en moeten weten dat zij het papierslib niet had mogen verwerken in haar vergistingsinstallatie. [eisers c.s.] heeft erkend dat zij wist dat hetgeen [gedaagden c.s.] haar aanbood papierslib betrof dat afkomstig was van papierfabrieken uit Eerbeek, zodat niet kan worden geoordeeld dat [gedaagden c.s.] haar wat dat betreft onjuist heeft geïnformeerd. Ter zijde overweegt de rechtbank hierbij dat [eisers c.s.] uit het feit dat zij niet behoefde te betalen voor het papierslib, maar integendeel juist geld toe kreeg had kunnen afleiden dat het papierslib een afvalstof is.

5.3.

[eisers c.s.] had kennelijk eerder papierslib in haar vergister verwerkt. Dat de vorige aanbieder van papierslib zou hebben aangegeven dat het papierslib in de vergister mocht worden verwerkt en ook [gedaagden c.s.] dit nu zou hebben gezegd ontslaat [eisers c.s.] naar het oordeel van de rechtbank niet van haar eigen verantwoordelijkheid ter zake, te meer nu zij gelet op de voorwaarden in de aan haar verleende omgevingsvergunning anders had kunnen en moeten weten. De rechtbank volgt in verband hiermee ook niet de stellingname dat [eisers c.s.] agrariër is en dat de vergister slechts een nevenactiviteit betreft. Wat hiervan ook zij, dit doet niet af aan hetgeen bij haar bekend mag worden verondersteld omtrent de aan haar in de omgevingsvergunning gestelde gebruiksvoor-waarden.

Daar komt bij dat [gedaagden c.s.] heeft betwist tegen [eisers c.s.] te hebben gezegd dat het papierslib in de vergister mocht worden verwerkt en [eisers c.s.] heeft haar andersluidende stelling onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt, zodat daarvan ook niet kan worden uitgegaan.

5.4.

De stellingname van [eisers c.s.] dat zij als zij tevoren had geweten dat zij het papierslib niet mocht verwerken, het ook niet had geaccepteerd treft in zoverre geen doel omdat zij, zoals hiervoor al is overwogen, op grond van de aan haar verleende vergunning had kunnen en moeten weten dat zij het papierslib niet mocht verwerken. Zij kan zich dan ook niet achter de nu gestelde onwetendheid verschuilen.

5.5.

Dit leidt tot het oordeel dat er geen grondslag is voor toewijzing van de vorderingen van [eisers c.s.] [gedaagden c.s.] heeft, nog afgezien van de vraag of de overeenkomst tussen partijen als koopovereenkomst kwalificeert, geleverd hetgeen is afgesproken en van (toerekenbare) tekortkoming in de nakoming door [gedaagden c.s.] is niet gebleken. Ook van dwaling aan de zijde van [eisers c.s.] en van onrechtmatig handelen door [gedaagden c.s.] is gelet op het voorgaande geen sprake en [gedaagden c.s.] is uit dien hoofde dan ook niet schadeplichtig jegens [eisers c.s.] De vorderingen zullen dan ook als zijnde ongegrond worden afgewezen. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd behoeft geen bespreking.

5.6.

[eisers c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden c.s.] worden vastgesteld op:

- griffierecht € 4.131,00

- salaris advocaat € 9.642,00 (3 punten (1 punt incident, 2 punten hoofdzaak × __________ tarief VII, € 3.214,00 per punt.))

- Totaal € 13.773,00.

De rechtbank gaat hierbij uit van het tarief voor het salaris van de advocaat op basis van het aanvankelijk, voor de vermindering van eis, gevorderde bedrag.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eisers c.s.] in de kosten van de hoofdzaak en het incident, aan de zijde van [gedaagden c.s.] tot op heden vastgesteld op € 13.773,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op

26 mei 2021.1

1 type: 439 coll: