Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:2001

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
LEE 21/948
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Handhaving in verband met gestelde herplantplicht. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestond er de verplichting om het bos in stand te houden, ook na afloop van de subsidieperiode van 20 jaar. Verweerder behoeft niet van handhaving af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 21/948

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 mei 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: M.T. van Daatselaar),

en

Gedeputeerde Staten van de Provincie Drenthe, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Drenth).

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd, strekkende tot herbeplanting van percelen waarvan verzoeker eigenaar is.

Bij besluit van 4 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (geregistreerd als LEE 21/1139). Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door A. Draaijer.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.1.

In 1993 heeft [naam] , met subsidie op grond van de Stimuleringsregeling bosuitbreiding op landbouwgronden (Stimuleringsregeling), bos aangeplant op een aantal percelen waarvan hij eigenaar was.

2.2.

Op 18 maart 2014 heeft een handhaver Boswet geconstateerd dat de houtopstand op de percelen was geveld.

2.3.

Op 15 april 2014 heeft [naam] twee van de percelen, te weten de kadastrale percelen [aanduidingen] (de percelen), overgedragen aan verzoeker.

2.4.

Bij brief van 26 juni 2014 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, het toentertijd bevoegde bestuursorgaan, verzoeker gewezen op de verplichting de percelen vóór 1 mei 2017 te herplanten.

2.5.

Bij besluit van 24 januari 2019, deels gewijzigd bij besluiten van 4 maart 2019 en 12 maart 2019, heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat verzoeker tot herplant diende over te gaan.

2.6.

Bij uitspraak van 20 maart 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op verzoek van verzoeker bij wijze van voorlopige voorziening de in 2.5 genoemd besluiten geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.

2.7.

Bij besluit van 27 augustus 2019 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Het beroep van verzoeker tegen dit besluit op bezwaar is geregistreerd als LEE 19/3491. Dit beroep is tot op heden nog niet door de rechtbank behandeld.

2.8.

Bij besluit van 31 januari 2020 heeft verweerder de verbeurde dwangsommen met een totaalbedrag van € 210.800 ingevorderd.

2.9.

In het primaire besluit heeft verweerder aan verzoeker een tweede last onder dwangsom opgelegd wegens het niet tijdig naleven van de gestelde herplantplicht. De dwangsommen bedragen voor perceel [aanduiding] per 1 april 2021 € 90.600 en per 15 april 2021

€ 90.600 en voor perceel [aanduiding] per 1 april 2021 € 122.600 en per 15 april 2021 € 122.600.

2.10.

In het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie rechtsbescherming van de provincie Drenthe (commissie), het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

3. Het gaat in deze zaak om handhaving. De voorzieningenrechter overweegt dat in een dergelijke zaak in de eerste plaats aan de orde komt of er sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift, in dit geval artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb), zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Is dat het geval, dan geldt voor het bevoegde bestuursorgaan een beginselplicht tot handhaving. Van handhaving kan alleen worden afgezien omdat legalisatie mogelijk is of omdat handhaving gezien de betrokken belangen onevenredig is.

4. De voorzieningenrechter overweegt dat in ieder geval twee rechtsvragen voorliggen die van belang zijn voor de vaststelling of sprake is van een overtreding en zo ja, voor de afweging van belangen. De voorzieningenrechter zal deze twee rechtsvragen hieronder benoemen en een voorlopig oordeel geven.

5.1.

In de uitspraak van 20 maart 2019 (2.6) heeft de voorzieningenrechter aan de orde gesteld dat er enerzijds een herplantplicht bestaat op grond van de Wnb maar dat anderzijds het aanplanten en in stand houden van bos in strijd is met het vigerende bestemmingsplan.

5.2.

Overeenkomstig de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft verweerder in de heroverweging op bezwaar betrokken hoe voor dit geval de Wnb (voorheen de Boswet) zich verhoudt tot de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In het verweerschrift in bezwaar heeft verweerder parlementaire geschiedenis en jurisprudentie besproken. Verweerder concludeert dat de herplantplicht zijn werking behoudt ongeacht de bestemming opgenomen in het bestemmingsplan omdat de herplantplicht gebaseerd is op een hogere regeling dan het bestemmingsplan.

5.3.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het betoog zoals in 5.2 kort samengevat, voldoende overtuigend. Dit betekent dat het beroep van verzoeker in zoverre geen redelijke kans van slagen heeft.

6.1.

Ter zitting is besproken of er voor [naam] , wat betreft de percelen de rechtsvoorganger van verzoeker, de verplichting bestond om de houtopstand in stand te laten na het verstrijken van de termijn van twintig jaar. Op het aanvraagformulier dat [naam] op 30 november 1993 heeft ingevuld staat immers onder de voorwaarden en verplichtingen onder meer dat de aanvrager verklaart het bos gedurende twintig jaar in stand te zullen houden en de betreffende landbouwgrond gedurende de periode waarvoor de verplichtingen gelden uit de productie te houden.

6.2.

Ter zitting hebben de gemachtigden van verweerder toegelicht dat kap desondanks slechts was toegestaan met een vrijstelling, die niet aan [naam] is verleend, en dat de subsidieregeling voor blijvend bos onder meer inhield dat aan de aanvrager niet alleen inkomenscompensatie gedurende twintig jaar werd verleend maar ook compensatie voor de afwaardering van de grond die na het verloop van de periode van twintig jaar niet meer als landbouwgrond zou kunnen worden gebruikt.

6.3.

In het dossier is een brief van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 24 december 1993, gericht aan [naam] , opgenomen over de goedkeuring van de aanvraag. Hierin wordt onder meer benoemd wat de jaarlijkse inkomenscompensatie zal zijn. Niet wordt gesproken over compensatie voor afwaardering van de grond.

6.4.

In artikel 1 van de Stimuleringsregeling wordt tijdelijk bos gedefinieerd als bos waarvoor voorafgaand aan de aanleg een vrijstelling is verleend op grond van de Beschikking vrijstelling meldings- en herplantplicht en wordt blijvend bos gedefinieerd als bos waarvoor voorafgaand aan de aanleg geen vrijstelling is verleend. In artikel 2 staat vermeld dat bijdrage toegekend kan worden voor de kosten voor aanleg van bos op landbouwgrond en ter compensatie van inkomensverlies. Uit artikel 4 volgt dat de jaarlijkse bijdrage voor compensatie van inkomensverlies hoger is bij blijvend bos dan bij tijdelijk bos.

6.5.

In de toelichting van de Stimuleringsregeling is onder meer opgenomen:

‘Er is een plicht tot instandhouding van het bos. Tijdelijk bos dient minimaal gedurende 15 jaar in stand gehouden te worden. Hierna kan de grond weer de bestemming van landbouwgrond krijgen. Blijvend bos (bos waarvoor geen vrijstelling van de meldings- en herplantplicht is verkregen) dient blijvend en duurzaam in stand te worden gehouden. Dit houdt in dat geen handelingen verricht mogen worden, noch gedoogd of nagelaten, die beschadigingen tot gevolg hebben of die het bos belemmeren in de ontwikkeling’.

6.6.

De voorzieningenrechter overweegt dat aan [naam] geen expliciete compensatie voor afwaardering van de landbouwgrond is verstrekt, maar dat uit de aangehaalde artikelen van de Stimuleringsregeling en de toelichting blijkt dat blijvend bos in stand diende te worden gehouden, ook na verloop van twintig jaar, en dat hiervoor een hogere jaarlijkse vergoeding werd verstrekt gedurende twintig jaar dan voor tijdelijk bos gedurende vijftien jaar.

Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat [naam] in 1993 de verplichting is aangegaan om het bos blijvend, dus ook na twintig jaar, in stand te laten. Deze verplichting werkt door naar verzoeker, als rechtsopvolger van [naam] . Dit brengt met zich mee dat van verzoeker gevergd kan worden over te gaan tot herplant, van welke verplichting hij al vanaf 2014 op de hoogte is. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen reden waarom afgezien zou moeten worden van handhaving. Dit betekent dat het beroep van verzoeker ook in zoverre geen redelijke kans van slagen heeft.

7. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.drs. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage

Wet natuurbescherming

Artikel 4.3

1. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand.

(…)

5. Degene die de eigendom van grond, ten aanzien waarvan een plicht tot herbeplanting geldt op grond van het eerste of tweede lid, overdraagt, of een beperkt recht daarop vestigt of overdraagt, stelt de verkrijger op de hoogte van de plicht tot herbeplanting en neemt die plicht uitdrukkelijk op in de akte van levering.