Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1984

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
LEE 20/1905
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belastbaar inkomen van eisers is jaren later aanmerkelijk lager vastgesteld. In geschil is of zij voor de jaren 2012, 2013 en 2014 recht hebben op zorgtoeslag hoewel zij daartoe niet binnen de voorgeschreven termijn een aanvraag hebben ingediend.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt een redelijke wetstoepassing er in het onderhavige geval toe dat, nu over 2011 zorgtoeslag is toegekend en eisers daarmee alsnog een doorlopende aanvraag hebben, zij op die grond over 2012 en latere jaren aanspraak kunnen maken op de toekenning van zorgtoeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 27-5-2021
FutD 2021-1686 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/1905


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2021 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: P.C.M.H. Verbunt),

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: A. Koullali).

Procesverloop

In het besluit van 18 mei 2019 (primair besluit) heeft verweerder besloten over de aanspraak van eisers op zorgtoeslag en op kindgebonden budget over verschillende jaren.

In het besluit van 15 mei 2020 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Op 16 februari 2021 heeft verweerder een herzien besluit op bezwaar (bestreden besluit II) genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2021. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Na het nemen van het bestreden besluit II is tussen partijen uitsluitend nog in geschil of eisers aanspraak hebben op zorgtoeslag over de jaren 2012, 2013 en 2014.

2.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder eiseres bij brief van 20 december 2011 onder andere het volgende heeft meegedeeld: “Wij verlengen uw zorgtoeslag niet automatisch voor 2012. Dit kan zijn omdat wij uw aanvraag daarvoor te laat hebben ontvangen. Omdat uw geschatte inkomen hoger is dan de maximale inkomensgrens. Of omdat wij niet voldoende informatie hebben. Denkt u wel recht te hebben op zorgtoeslag? U kunt deze toeslag dan opnieuw aanvragen.”

2.2.

Het aanvankelijk in 2012 vastgestelde toetsingsinkomen van eisers gaf geen aanleiding om een aanvraag zorgtoeslag in te dienen, daar dit zonder enige twijfel niet tot toekenning van een bedrag aan zorgtoeslag zou kunnen leiden.

2.3.

Na een procedure bij de civiele rechter over de aard van het dienstverband van eiser hebben eisers in 2017 een verzoek ingediend bij de Inspecteur van de Belastingdienst tot ambtshalve verlaging van hun inkomen over de jaren 2011 tot en met 2014 en is hun inkomen over die jaren voor de Inkomstenbelasting en Premieheffing Volksverzekeringen (IB/PVV) in 2019 aanmerkelijk lager vastgesteld. Op basis van deze naderhand vastgestelde toetsingsinkomens hebben eisers wel recht op zorgtoeslag.

2.4.

In het bestreden besluit I heeft verweerder de aanvankelijke nihilstelling van de zorgtoeslag over het berekeningsjaar 2011 herzien, nu destijds niet voldaan was aan de bepaling van artikel 20 van de Algemene wet inzake inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) dat het gewijzigde inkomensgegeven binnen acht weken tot aanpassing van de toekenning moest leiden. Op die basis is alsnog voor 2011 zorgtoeslag toegekend.

3.1.

Eisers hebben zich primair op het standpunt gesteld dat zij door de aanpassing van de aanslagen IB/PVV recht op toeslagen hebben gekregen en dat deze daarom moeten worden toegekend. Aanvraag binnen de termijn diende geen enkel redelijk doel gelet op de inkomensgegevens die toen bekend waren.

3.2.

Verweerder is van mening dat nu de toeslag niet binnen de reguliere termijn is aangevraagd er geen aanspraak op toekenning is.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Genoemde artikel zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

4.1.

In artikel 15 van de Awir is bepaald dat een aanvraag voor toeslag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. Dit houdt in dat een eenmalige opname in het geautomatiseerde systeem van verweerder volstaat om doorlopend toeslag toegekend te krijgen, tot het moment dat verweerder oordeelt dat toepassing van deze bepaling kan worden beëindigd en dit schriftelijk meedeelt aan de aanvrager.

Deze bepalingen dienen de doelmatigheid in die zin dat niet jaarlijks alle aanvragen opnieuw hoeven te worden ingediend en beoordeeld, maar dat slechts relevante wijzigingen worden aangebracht in het doorlopende voorschotsysteem.

4.2.

In het bestreden besluit I heeft verweerder alsnog voor het berekeningsjaar 2011 de zorgtoeslag toegekend op basis van het gewijzigde inkomensgegeven. Dit omdat in de bepaling van artikel 20 van de Awir staat dat dit altijd binnen acht weken na ontvangst van een nieuw inkomensgegeven dient te geschieden. De rechtbank stel vast dat artikel 20 van de Awir geen termijn stelt waarbuiten wijziging van het inkomensgegeven niet meer tot aanpassing van de toeslag leidt.

De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat ook de mededeling van verweerder uit december 2011 dat er op grond van de gegevens over 2011 geen aanleiding was voor 2012 een voorschot te verstrekken, moet komen te vervallen. Het standpunt van verweerder dat niettemin eisers in 2012 een nieuwe aanvraag hadden moeten indienen, ook al gaf hun inkomen daar geen enkele aanleiding toe, kan niet onverkort worden gehandhaafd, omdat het toch niet van burgers gevergd kan worden dat zij aanvragen doen voor toeslagen waar ze geen recht op hebben louter met het oogmerk om daar in later jaren, als hun inkomen anders zou blijken te zijn, alsnog rechten aan te kunnen ontlenen.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt een redelijke wetstoepassing er in het onderhavige geval toe dat, nu over 2011 zorgtoeslag is toegekend en eisers daarmee alsnog een doorlopende aanvraag hebben, zij op die grond over 2012 en latere jaren aanspraak kunnen maken op de toekenning van zorgtoeslag.

4.3.

Gelet op het bovenstaande komt het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking voor zover het ziet op de zorgtoeslag over de berekeningsjaren 2012, 2013 en 2014 en dient het beroep gegrond te worden verklaard. De door eisers subsidiair aangevoerde grieven behoeven geen verdere bespreking.

De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5. De rechtbank bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden.

6. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Die punten hebben een waarde van € 534,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.068,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit I, voor zover het betrekking heeft op de zorgtoeslag voor 2012, 2013 en 2014;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2021 door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 15, eerste, vijfde en zesde lid:

1. Een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar kan tot 1 september van het jaar volgend op het berekeningsjaar worden ingediend bij de Belastingdienst/Toeslagen. Indien de belanghebbende of diens partner voor de in de eerste volzin genoemde datum is uitgenodigd om over het berekeningsjaar aangifte inkomstenbelasting te doen binnen een termijn die na die datum verloopt, wordt de in die volzin bedoelde termijn verlengd tot de laatste dag van de door de inspecteur voor het indienen van die aangifte gestelde termijn. De tweede volzin is van overeenkomstige toepassing ingeval een medebewoner is uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting te doen en de aanvraag betrekking heeft op een tegemoetkoming op grond van een inkomensafhankelijke regeling waarin is bepaald dat naast de draagkracht van de belanghebbende en diens partner ook de draagkracht van medebewoners van belang is voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming. Indien meer dan een van de personen, bedoeld in de tweede en derde volzin, is uitgenodigd om aangifte inkomstenbelasting te doen, wordt voor de toepassing van die volzinnen uitgegaan van de aangifte waarvan de indieningstermijn het laatst verloopt.

(…)

5. Een aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.

6. Indien de Belastingdienst/Toeslagen van oordeel is dat toepassing van het vijfde lid kan worden beëindigd, deelt hij dit de belanghebbende schriftelijk mee.

Artikel 20

1. Indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, herziet de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met inachtneming van die eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging.

2. De herziening geschiedt binnen acht weken na het tijdstip waarop het voor het eerst vastgestelde, voor het eerst bepaalde of gewijzigde inkomensgegeven aan de Belastingdienst/Toeslagen bekend is geworden dan wel de beschikking of uitspraak strekkende tot de in het eerste lid bedoelde vaststelling, bepaling of wijziging onherroepelijk is geworden.

3. Een herziening op grond van dit artikel kan leiden tot een uit te betalen bedrag doch ook tot een terug te vorderen bedrag.