Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1975

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
18/070156-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Isd-maatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/070156-21

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/233012-20 & 18/100305-20

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 18/018167-21 & 18/07706-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 mei 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd te [instelling].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 mei 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.P.E.M. Pover, advocaat te Meppel. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Rademacher. Tevens was als deskundige aanwezig H. de Jonge, reclasseringswerker.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 18/070156-21

hij op of omstreeks 13 maart 2021, te Emmen, in de gemeente Emmen, in of uit of bij een winkel, gelegen aan of bij de [straatnaam], (onder meer) vier pakken vlees (riblappen), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 18/233012-20

1.
hij op of omstreeks 16 september 2020, te Emmen in de gemeente Emmen, uit een
winkel/supermarkt aan de [straatnaam] een paar schoenen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 2], heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 16 september 2020, te Emmen in de gemeente Emmen, uit een
winkel/supermarkt aan de [straatnaam], dertien, althans een aantal, blikjes tonijn/vis, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 3], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 18/100305-20
hij op of omstreeks 1 april 2020 te Emmen een of meer verpakkingen vlees, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 3] ([straatnaam]), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle tenlastegelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Parketnummer 18/070156-21

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2021;

2. Een schriftelijk bescheid, te weten een landelijk aangifteformulier voor winkeliers d.d. 13 maart 2021, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021066062 d.d. 13 maart 2021, inhoudend de verklaring van [naam 1] namens [benadeelde partij 1].

Parketnummer 18/233012-20

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2021;

2. Een schriftelijk bescheid, te weten een aangifteformulier winkeldiefstal d.d. 16 september 2020, opgenomen op pagina 9 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020256626 d.d. 24 september 2020, inhoudend de verklaring van [naam 2] namens [benadeelde partij 2];

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 september 2020, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam 3] namens [benadeelde partij 3].

Parketnummer 18/100305-20

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2021;

2. Een schriftelijk bescheid, te weten een landelijk aangifteformulier winkeldiefstal d.d. 1 april 2020, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020081818 d.d. 1 april 2020, inhoudend de verklaring van [naam 4] namens [benadeelde partij 3].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/070156-21, het onder parketnummer 18/233012-20 onder 1 en 2 en het onder parketnummer 18/100305-20 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Parketnummer 18/070156-21

hij op 13 maart 2021, te Emmen, uit een winkel, gelegen aan de [straatnaam], vier pakken vlees (riblappen), toebehorend aan [benadeelde partij 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 18/233012-20

1.
hij op 16 september 2020, te Emmen, uit een winkel aan de [straatnaam] 19 een paar schoenen, toebehorend aan [benadeelde partij 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 16 september 2020, te Emmen, uit een supermarkt aan de [straatnaam], dertien blikjes tonijn, toebehorend aan [benadeelde partij 3], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 18/100305-20
hij op 1 april 2020 te Emmen, verpakkingen vlees, toebehorend aan [benadeelde partij 3], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 18/070156-21

Diefstal

Parketnummer 18/233012-20

1. Diefstal
2. Diefstal

Parketnummer 18/100305-20
Diefstal

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van alle tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de duur van het voorarrest en met afwijzing van de vorderingen tot tenuitvoerlegging.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de zaak dient te worden aangehouden en naar de rechter-commissaris moet worden verwezen voor het opmaken van gedragsdeskundige rapportage over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de wenselijkheid van een ISD-maatregel. Een van de eisen voor het opleggen van een ISD-maatregel is immers dat verdachte niet ontoerekeningsvatbaar moet zijn en de beschikkingen van deze rechtbank d.d. 6 augustus 2020 en 22 januari 2021 betreffende de ten aanzien van verdachte verleende zorgmachtiging, roepen de vraag op of sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid. Uit die beschikkingen blijkt immers dat er sprake is van een neerwaartse spiraal wat betreft de psychische toestand van verdachte. Daarnaast is de reeds verleende zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) een geschikter en passender kader voor verdachte. Uit de reclasseringsrapporten blijkt immers dat verdachte niet leerbaar is waardoor het effect van de ISD-maatregel nihil zal zijn terwijl met de zorgmachtiging zowel het belang van verdachte, als het belang van de maatschappij kan worden gediend hetgeen in lijn is met de gedachte van de ISD-maatregel. De effecten van de zorgmachtiging zullen immers zijn dat de kans dat verdachte nieuwe strafbare feiten zal plegen, wordt teruggedrongen tot nihil. De raadsman heeft derhalve verzocht om aanhouding van de zaak en om, hangende die aanhouding, de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich laat opnemen op grond van de verleende Wvggz zorgmachtiging.

Oordeel van de rechtbank

Het verzoek tot aanhouding

De rechtbank ziet geen aanleiding om gedragsdeskundig onderzoek te laten verrichten naar de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanwijzingen dat de bewezenverklaarde feiten mogelijk niet of minder aan verdachte zouden zijn toe te rekenen om daar nader onderzoek naar te laten verrichten.

Er is weliswaar sprake van psychiatrische problematiek, maar niets wijst erop dat deze problematiek (dusdanig) van invloed is geweest op de door verdachte gepleegde feiten, dat de feiten hem niet of in verminderde mate zouden zijn toe te rekenen. Integendeel, uit het reclasseringsadvies van VNN van 29 april 2021 kan worden afgeleid dat verdachte welbewust winkeldiefstallen pleegt. Naar eigen zeggen pleegt verdachte immers winkeldiefstallen omdat hij, mede gezien zijn drugsgebruik waarmee hij niet wil stoppen, niet rond kan komen van zijn leefgeld en hij zich daarom genoodzaakt ziet te stelen. In het rapport wordt voorts beschreven dat verdachte begrijpt dat hij geen delicten moet plegen maar dit wel blijft doen omdat hij van mening is en blijft dat hem veel onrecht is aangedaan . Aldus maakt verdachte kennelijk een weloverwogen keuze om diefstallen te plegen waar bovendien een duidelijke beweegreden aan ten grondslag ligt. Daaruit volgt alles behalve dat verdachte beperkt zou zijn in zijn gedragskeuzes of dat hij de gevolgen van zijn handelen niet zou kunnen overzien. De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding ten behoeve van het laten opmaken van gedragsdeskundige rapportage betreffende de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dan ook af. Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, dat voortvloeit uit het verzoek tot aanhouding, wordt in het verlengde daarvan eveneens afgewezen.

Oplegging straf/maatregel

Bij de bepaling van de straf/maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsadviezen van VNN van 29 april 2021 (maatregelrapport), 15 maart 2021 (e-mail), 29 januari 2021 en 23 november 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte wordt thans veroordeeld voor vier winkeldiefstallen. Door aldus te handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor andermans goederen en eigendommen. Feiten als de onderhavige zijn bovendien zeer ergerlijk en veroorzaken naast schade vaak veel hinder en overlast voor de gedupeerde bedrijven.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte meermalen - ook in het zeer recente verleden - onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De reclassering adviseert in haar rapport van 29 april 2021 om een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Uit het rapport blijkt dat verdachte geregistreerd staat als veelpleger en de afgelopen jaren meerdere keren in beeld is gekomen en is veroordeeld vanwege winkeldiefstallen. Kort na het uitzitten van gevangenisstraffen kwam hij telkens snel opnieuw in beeld voor een winkeldiefstal. Verdachte ziet zijn delictgedrag als noodzaak. Hij is van mening dat hij - omdat hij niet kan rondkomen van zijn weekgeld - genoodzaakt is om delicten te plegen. Hij pleegt winkeldiefstallen, met als doel om de producten die hij steelt te verkopen en van de opbrengst drugs te kopen. Verdachte erkent dat hij verslaafd is aan het roken van heroïne en cocaïne. Hij wil echter niet stoppen met zijn middelengebruik, omdat hij dit gebruik en het roken lekker vindt. Zolang er sprake is van middelenmisbruik, heeft verdachte te weinig geld om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Daarmee is er een grote kans op recidive. Door zijn psychiatrische problematiek staat hij buiten de realiteit en wil hij zijn mening niet bijstellen. Dit heeft tot gevolg dat er terugkerend sprake is van strafbare feiten, ondanks de beschermende factoren van het verblijf bij BW Het Kopland, ambulante begeleiding door het FACT Team en de aanwezigheid van een bewindvoerder en een mentor.

De reclassering adviseert de ISD-maatregel op te leggen ter bescherming van de maatschappij. Op die manier kan verdachte tijdens de maatregel geen nieuwe delicten plegen en kan gedurende de maatregel door de zorgpartijen onderzocht worden op welke manier na de maatregel invulling gegeven kan worden aan het traject van verdachte. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met eventuele andere, extra interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Indien er geen ISD-maatregel opgelegd wordt, zal er sprake blijven van een onverminderd hoog recidiverisico.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de ISD-maatregel de enige passende afdoening is en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de door verdachte begane feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat verdachte in de vijf jaren hieraan voorafgaand ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld, terwijl de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast moet er, gelet op het reclasseringsrapport en de veelvuldige eerdere veroordelingen van verdachte, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen en/of goederen eist naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van de ISD-maatregel. Gelet op de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers is de officier van justitie ook bevoegd tot het vorderen van oplegging van de ISD-maatregel in onderhavige zaak. De rechtbank constateert dat aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel is voldaan.

De rechtbank acht oplegging van de maatregel in onderhavige casus ook geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de reeds verleende zorgmachtiging geen geschikt alternatief is. Zoals de reclassering in haar rapport van 29 april 2021 concludeert, is de zorgmachtiging bedoeld voor maatschappelijke teloorgang en verslechtering van de psychische conditie van verdachte, maar is deze niet gericht op voorkoming van recidive. Op basis van de zorgmachtiging kan verdachte in een kliniek worden opgenomen indien er sprake is van een verergering van psychiatrische klachten en behandeling ervan niet op andere wijze kan plaatsvinden. Verdachte is echter stabiel in zijn psychiatrisch toestandsbeeld maar blijft delicten plegen. De zorgmachtiging zal niet leiden tot opname zolang verdachte op die wijze stabiel te noemen is. Bovendien, zo blijkt eveneens uit het reclasseringsrapport, zal de zorgmachtiging recidive niet voorkomen. Dit volgt ook uit het feit dat de zorgmachtiging op 6 augustus 2020 is verleend en verdachte daarna is doorgegaan met het plegen van winkeldiefstallen. Drie van de vier thans bewezenverklaarde feiten dateren immers van na het verlenen van de zorgmachtiging. Verdachte begrijpt dat hij geen delicten moet plegen maar blijft dit desondanks doen, ook omdat hij van mening is dat hem veel onrecht aangedaan is. Hij wil zijn gedrag op dit punt niet veranderen.

De rechtbank ziet, net als de reclassering, geen reëel alternatief voor een andere afdoening dan de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel en zal daartoe dan ook overgaan. In het verleden hebben noch (on)voorwaardelijke gevangenisstraffen, noch tal van verschillende interventies geleid tot gedragsverandering bij verdachte. Verdachte heeft geen probleem- en ziekte-inzicht, wil niet veranderen en is daarin persistent. Het is dan ook niet te verwachten dat een nieuwe interventie buiten het kader van de ISD-maatregel dit keer wel tot gedragsverandering en vermindering van het recidiverisico zal leiden.

Het feit dat verdachte op dit moment weinig gemotiveerd is om mee te werken aan behandeling in het kader van een ISD-maatregel, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat het opleggen van de ISD-maatregel niet opportuun is en voor een andere afdoening moet worden gekozen. Ter terechtzitting heeft de reclasseringswerker toegelicht dat de reclassering verwacht dat wanneer verdachte eenmaal “gesetteld” is binnen het kader van de ISD-maatregel, hij (tot op zekere hoogte) mee zal werken en dat de wens om een stabiel leven te leiden en om contact met zijn dochter te hebben, hem zouden kunnen motiveren om aan zichzelf te (willen) werken. Bovendien strekt de ISD-maatregel blijkens art. 38m Sr in de eerste plaats tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van verdachte, wat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen op dit moment dient te prevaleren boven behandeling van de problematiek van verdachte in een ander (dan justitieel) kader.

De rechtbank zal dan ook een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren aan verdachte opleggen. De rechtbank zal de duur die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de ISD-maatregel, nu gelet op de houding van verdachte het de nodige tijd zal kosten om tot behandeling en gedragsverandering te komen.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

18/018167-21

Bij onherroepelijk vonnis van 1 februari 2021 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 16 februari 2021. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 21 april 2021 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

18/077206-18

Bij onherroepelijk vonnis van 11 februari 2019 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 26 februari 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 15 april 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Bij onherroepelijk vonnis van 15 juli 2019 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen (18/920162-19), is de gedeeltelijke tenuitvoerlegging gelast van de bij voornoemd vonnis van 11 februari 2019 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten voor de duur van 3 maanden.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel de onderhavige feiten zijn gepleegd tijdens de proeftijd(en), is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat de beide vorderingen dienen te worden afgewezen. Gelet op de op te leggen ISD-maatregel acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen thans niet opportuun. Daar komt bij dat de afwijzing van de vorderingen met zich mee zal brengen dat verdachte, na ommekomst van de ISD-maatregel nog een stok achter de deur dan wel een steun in de rug heeft in de vorm van de voorwaardelijk aan hem opgelegde gevangenisstraffen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummer 18/070156-21, het onder parketnummer 18/233012-20 onder 1 en 2 en het onder parketnummer 18/100305-20 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/018167-21:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 1 februari 2021.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/077206-18:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 11 februari 2019.

Dit vonnis is gewezen door R. Depping, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 mei 2021.

Mr. Van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.