Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1968

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
18/259306-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, en de proeftijd van de voorwaardelijke veroordeling verlengd met één jaar.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks inbraken in boten. Niet alleen heeft verdachte, door zich schuldig te maken aan deze strafbare feiten, te kennen gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen, maar heeft hij de eigenaren van de boten veel schade en overlast bezorgd. Verdachte heeft alleen maar gedacht aan zijn eigen financiële gewin en heeft zich kennelijk niet bekommerd om de gevolgen van dergelijke delicten voor de slachtoffers. Bovendien heeft een eerdere veroordeling voor soortgelijke feiten en een forse voorwaardelijke straf verdachte er niet van weerhouden opnieuw in boten in te gaan breken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/259306-20

ter terechtzitting gevoegde parketnummer 18/091092-21

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/730245-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 mei 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 mei 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.D. Postma, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C. Fahner.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 18/259306-20

1.

hij op of omstreeks 4 oktober 2020 te Earnewâld, in elk geval in de gemeente Tytsjerksteradiel, in/uit een (woon)boot, meerdere flessen (alcoholische) drank en/of snoepgoed en/of een linnen tas en/of een speaker (van het merk Harman Kardon) en/of een of meer beveiligingscamera('s), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1], heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen voornoemde goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 4 oktober 2020 te Earnewâld, in elk geval in de gemeente Tytsjerksteradiel, in/uit een (woon)boot, een hoeveelheid snoepgoed en/of een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen voornoemde goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij op of omstreeks 23 augustus 2020 te Terherne, in elk geval in de gemeente De Fryske Marren, in/uit een boothuis/schiphuis (op het terrein van jachthaven [naam jachthaven], aldaar, gelegen aan of bij de [straatnaam]) en/of in/uit een of meer in dat/een boothuis/schiphuis gelegen bo(o)t(en),

A.

te weten in/uit een boot genaamd "[naam boot 1]", een zaklamp en/of een hoeveelheid geld (ongeveer 15 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 3], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en/of

B.

te weten in/uit een boot genaamd "[naam boot 2]", een hoeveelheid geld (ongeveer 15 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 4], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die voornoemde weg te nemen goederen (telkens) onder zijn bereik heeft gebracht (telkens) door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij op of omstreeks 23 augustus 2020 te Terherne, in elk geval in de gemeente De Fryske Marren, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (op het terrein van jachthaven [naam jachthaven], aldaar, gelegen aan of bij de [straatnaam]) in/uit een boothuis/schiphuis dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan "[benadeelde partij 5]" en/of [benadeelde partij 6], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, (vervolgens)

A.

in/uit een (motor)boot genaamd "[naam boot 3]" enig(e) goed(eren) van verdachtes gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 7], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een deur en/of een kozijn en/of een schuifluik van die boot heeft

opengebroken/geforceerd, althans vernield en/of (vervolgens) zich de toegang tot die boot heeft verschaf en/of (vervolgens) in die boot heeft gezocht naar goederen van verdaches gading, althans een of meer lade(s) heeft geopend en/of goederen heeft verplaats in die boot, en/of

B.

in/uit een (motor)boot (een Valkvlet, type 10 meter 60), enig(e) goed(eren) van verdachtes gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 8], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, een deur van de kajuit en/of een luik van die boot heeft opengebroken/geforceerd, althans vernield en/of (vervolgens) zich de toegang tot die boot heeft verschaf en/of (vervolgens) in die boot heeft gezocht naar goederen van verdaches gading, althans een of meer kastjes in die boot heeft geopend, en/of

C.

zich toegang tot dat boothuis/schiphuis heeft verschaft door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten door middel van het openbreken/vernielen van de toegangsdeur tot dat boothuis/schiphuis,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf (telkens) niet is voltooid;

parketnummer 18/091092-21

hij, in of omstreeks het tijdvak omvattende 22 augustus 2020 tot en met 23 augustus 2020, te of bij Terherne, in de gemeente De Fryske Marren, in/uit een boot, gelegen in schiphuis [nummer], aan of bij de [straatnaam], drie gasaanstekers, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 9], heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen gasaanstekers onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder 1., 2., 3. A en B, 4. A, B en C en het onder 18/091092-21 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd, gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting, zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de onder 1., 2., 3. A en B, 4. A, B en C en parketnummer 18/091092-21 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d.17 oktober 2020, opgenomen op pagina 58 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020283236 d.d. 19 november 2020, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 1];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 5 oktober 2020 opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 1];

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 oktober 2020, opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 2];

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 5 oktober 2020, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 2];

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 3 september 2020, opgenomen op pagina 79 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[benadeelde partij 3];

7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 augustus 2020, opgenomen op pagina 82 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 4];

8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 augustus 2020, opgenomen op pagina 87 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[benadeelde partij 7];

9. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 augustus 2020, opgenomen op pagina 91 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[benadeelde partij 8];

10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 oktober 2020, opgenomen op pagina 73 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[benadeelde partij 6];

11. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 maart 2021, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020236066 d.d. 7 april 2021, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 9].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1., 2., 3.A en B, 4. A, B en C en parketnummer 18/091092-21 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

18/259306-20

1.

hij op 4 oktober 2020 te Earnewâld, uit een woonboot, meerdere flessen alcoholische drank en snoepgoed en een linnen tas en een speaker van het merk Harman Kardon en beveiligingscamera's, dat geheel toebehoorde aan [benadeelde partij 1], heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

2.

hij op 4 oktober 2020 te Earnewâld, uit een woonboot, een hoeveelheid snoepgoed en een hoeveelheid sieraden, dat geheel toebehoorde aan [benadeelde partij 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

3.

hij op 23 augustus 2020 te Terherne, in een boothuis op het terrein van jachthaven [naam jachthaven], aldaar, gelegen aan de [straatnaam] en uit in dat boothuis gelegen boten,

A.

te weten uit een boot genaamd "[naam boot 1]", een zaklamp en een hoeveelheid geld, ongeveer 15 euro, dat geheel toebehoorde aan [benadeelde partij 3], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en

B.

te weten uit een boot genaamd "[naam boot 2]", een hoeveelheid geld, ongeveer 15 euro, dat geheel toebehoorde aan [benadeelde partij 4], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich telkens de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die voornoemde weg te nemen goederen telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

4.

hij op 23 augustus 2020 te Terherne, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om op het terrein van jachthaven [naam jachthaven], aldaar, gelegen aan de [straatnaam] in een boothuis dat toebehoorde aan "[benadeelde partij 5]" en [benadeelde partij 6], vervolgens

A.

uit een motorboot genaamd "[naam boot 3]" enig goed van verdachtes gading, dat geheel toebehoorde aan [benadeelde partij 7], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en inklimming, een deur en een kozijn en een schuifluik van die boot heeft

opengebroken, en vervolgens zich de toegang tot die boot heeft verschaf en vervolgens in die boot heeft gezocht naar goederen van verdaches gading, en

B.

uit een motorboot, een Valkvlet, type 10 meter 60, enige goed van verdachtes gading, dat geheel toebehoorde aan [benadeelde partij 8], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van braak en inklimming, een deur van de kajuit en een luik van die boot heeft opengebroken en vervolgens zich de toegang tot die boot heeft verschaf en vervolgens in die boot heeft gezocht naar goederen van verdachtes gading, en

C.

zich toegang tot dat boothuis heeft verschaft door middel van braak, te weten door middel van het openbreken van de toegangsdeur tot dat boothuis,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf telkens niet is voltooid;

18/091092-21

Hij op 23 augustus 2020, te Terherne, uit een boot, gelegen in schiphuis [nummer], aan de [straatnaam], drie gasaanstekers, geheel toebehoorde aan [benadeelde partij 9], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen gasaanstekers onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

18/259306-20

1. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak en inklimming;

2. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak en inklimming;

3.A diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak en inklimming;

3.B diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

` heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak en inklimming;

4.A poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak en inklimming;

4.B poging diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak en inklimming;

4.C poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak;

18/091092-21

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak en inklimming;

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Verder heeft de officier van justitie aangegeven dat het openbaar ministerie naast de onderhavige zaak tevens op de terechtzitting van 11 mei 2021 de strafzaak onder parketnummer 18/730052-20 tegen verdachte aanhangig heeft gemaakt. Voornoemde zaak is in een ander administratief systeem geregistreerd (COMPAS) dan de onderhavige zaken (GPS). Deze verschillende wijze van administratief registreren verzet zich tegen het voegen van de onderhavige zaken met de zaak onder parketnummer 18/730052-20. Gelet hierop heeft de officier van justitie voor de zaak onder parketnummer 18/730052-20 een afzonderlijke strafeis gevorderd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf met daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat indien een langdurige gevangenisstraf aan verdachte zal worden opgelegd hij zijn werk en woning kwijt zal raken, waardoor een terugval in drugsgebruik eerder op de loer zal liggen. Verdachte is bereid om alle voorwaarden op te volgen. De raadsman is van mening dat verdachte die kans moet krijgen om zijn goede weg voort te zetten, mede gelet op het maatschappelijk belang dat voorkomen wordt dat verdachte na zijn detentie weer een terugval gaat krijgen. Daarnaast zal een detentie de behandeling van verdachte doorkruisen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks inbraken in boten. Niet alleen heeft verdachte, door zich schuldig te maken aan deze strafbare feiten, te kennen gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen, maar heeft hij de eigenaren van de boten veel schade en overlast bezorgd. Verdachte heeft alleen maar gedacht aan zijn eigen financiële gewin en heeft zich kennelijk niet bekommerd om de gevolgen van dergelijke delicten voor de slachtoffers. Bovendien heeft een eerdere veroordeling voor soortgelijke feiten en een forse voorwaardelijke straf verdachte er niet van weerhouden opnieuw in boten in te gaan breken.

Uit het reclasseringsadvies volgt dat verdachte problemen heeft op het gebied van financiën, middelengebruik, sociaal netwerk en psychosociaal functioneren. Daarnaast zijn verdachte zijn mentale problemen, voortkomende uit een hoog sensitieve gevoeligheid, en zijn houding ten aanzien van het plegen van delicten zorgelijk te noemen. Een forse voorwaardelijke veroordeling en het staan onder toezicht van de reclassering hebben er niet toe geleid dat verdachte gestopt is met het plegen van delicten. Verdachte stelt zich binnen zijn huidige schorsingstoezicht meewerkend op. Hij komt zijn afspraken na en stelt zich open voor een behandeling, welke net van start is gegaan.

De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, een drugsverbod, meewerken aan schuldhulpverlening en een locatiegebod.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en voor deze feiten nog in een proeftijd liep.

De rechtbank merkt op dat deze zaak ter terechtzitting gelijktijdig is behandeld met de zaak onder parketnummer 18/730052-20. Voornoemde zaak is geregistreerd in een ander administratief systeem (COMPAS) dan de onderhavige zaken (GPS). De zaak die in COMPAS staat geregistreerd kan hierdoor niet gevoegd worden bij de onderhavige zaken, zodat de rechtbank twee aparte vonnissen moet wijzen. De officier van justitie heeft in onderhavige zaken en de zaak onder parketnummer 18/730052-20 in totaal 12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf geëist.

Gelet op de aard, ernst en hoeveelheid van de bewezen verklaarde feiten, als ook de eerdere veroordeling voor soortgelijke strafbare feiten, acht de rechtbank in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op het reclasseringsadvies en het betoog van de raadsman, een langdurige gevangenisstraf de ingezette behandeling van verdachte zal doorkruisen. Om verdachte evenwel nog een laatste kans te bieden om de positief ingeslagen weg voort te zetten en zijn behandeling voort te zetten, ziet de rechtbank aanleiding om in onderhavige zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op te leggen. In de zaak onder parketnummers 18/730052-20 zal de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om verdachte opnieuw een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals geadviseerd door de reclassering, omdat de rechtbank de proeftijd van de vordering tenuitvoerlegging onder parketnummer 18/730245-18 zal verlengen.

Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes maanden, onder aftrek van voorarrest.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [benadeelde partij 1], tot een bedrag van € 1.021,46 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [benadeelde partij 3], tot een bedrag van 1.060,55 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

3. [benadeelde partij 7], tot een bedrag van € 1.619,81 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

4. [benadeelde partij 8], tot een bedrag van € 350,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

5. [benadeelde partij 9], tot een bedrag van € 675,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen op het volgende standpunt gesteld:

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 3], [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] zijn voldoende onderbouwd en kunnen geheel worden toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] kan ten aanzien van het materiaal en de reiskosten worden toegewezen. De benadeelde partij heeft de reparaties zelf uitgevoerd. Het bedrag is niet zozeer onderbouwd, maar het gevorderde bedrag is redelijk. De officier van justitie heeft verder aangevoerd zich ten aanzien van het gevorderde werkloon te refereren.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging zich op het volgende standpunt gesteld:

De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] zijn voldoende onderbouwd en kunnen worden toegewezen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank;

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] is onvoldoende onderbouwd en dient te worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

1. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij

[benadeelde partij 1] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 18/259306-20 feit 1. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van

€ 1.021,46, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 oktober 2020.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

2. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij

[benadeelde partij 3] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 18/259306-20 feit 3. A bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van € 1.060,55, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de post “materiaalkosten” voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [benadeelde partij 7] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 18/259306-20 feit 4. A bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020.

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de post “reiskosten” voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 18/259306-20 feit 4. A bewezen verklaarde. De benadeelde partij heeft immers een aantal keer moeten afreizen naar de boot om de schade te herstellen. De benadeelde partij heeft de hoogte van het gevorderde bedrag aan “reiskosten” echter onvoldoende onderbouwd. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op € 200,00. De rechtbank zal deze schadepost tot dit bedrag toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

De schadepost “uurtarief” acht de rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, op dit moment onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te onderbouwen, zal een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Gelet op het voorgaande zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] worden toegewezen tot een bedrag van € 243,35, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020. Voor het overige zal zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

4. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij

[benadeelde partij 8] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 18/259306-20 feit 4. B bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van € 350,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij

[benadeelde partij 9] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/091092-21 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van

€ 675,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 13 augustus 2019 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 720 dagen, waarvan 650 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling, met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, een drugsverbod en meewerken aan middelencontrole en een locatiegebod.

De proeftijd is ingegaan op 28 augustus 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 15 april 2021 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. Ter terechtzitting van 11 mei 2021 heeft de officier van justitie de vordering mondeling gewijzigd, in die zin dat de proeftijd wordt verlengd met één jaar.

Nu veroordeelde de bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld, ziet de rechtbank aanleiding om te volstaan met verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1., 2., 3. A en B, 4. A, B en C en parketnummer 18/091092-21 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Ten aanzien van 18/730052-20, feit 1.:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.021,46 (zegge: duizend eenentwintig euro en zesenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2020.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van € 1.021,46 (zegge: duizend eenentwintig euro en zesenveertig eurocent), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2020. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 20 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/730052-20, feit 3. A:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.060,55 (zegge: duizend zestig euro en vijfenvijftig eurocent, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 3], te betalen een bedrag van € 1.060,55 (zegge duizend zestig euro en vijftig eurocent), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 60 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/730052-20, feit 4. A:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 241,35 (zegge: tweehonderdeneenenveertig euro en vijfendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 7], te betalen een bedrag van € 241,35 (zegge tweehonderdeneenenveertig euro en vijfendertig eurocent), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 4 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 7] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/730052-20, feit 4. B:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 350,00 (zegge: driehonderdenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 8], te betalen een bedrag van € 350,00 (zegge driehonderdenvijftig euro), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 7 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 8] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/091092-21:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 9] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 675,00 (zegge: zeshonderdenvijfenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 9], te betalen een bedrag van € 675,00 (zegge zeshonderdenvijfenzeventig euro), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2020. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 13 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 9] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/730245-18:

Verlengt de in het vonnis van de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 13 augustus 2019 vastgestelde proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, mr. M.A.A. van Capelle en

mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 mei 2021.

Mr. Van Capelle is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.