Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1963

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
18/730052-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks inbraken in boten. Niet alleen heeft verdachte, door zich schuldig te maken aan deze strafbare feiten, te kennen gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen, maar heeft hij de eigenaren van de boten veel schade en overlast bezorgd. Verdachte heeft alleen maar gedacht aan zijn eigen financiële gewin en heeft zich kennelijk niet bekommerd om de gevolgen van dergelijke delicten voor de slachtoffers. Bovendien heeft een eerdere veroordeling voor soortgelijke feiten en een forse voorwaardelijke straf verdachte er niet van weerhouden opnieuw in boten in te gaan breken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730052-20

ad informandum gevoegd parketnummer 18/730052-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 mei 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 mei 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.D. Postma, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C. Fahner.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 23 op 24 mei 2020, te Jirnsum, gemeente Leeuwarden, vanaf het bedrijfsterrein van [benadeelde partij 1], gevestigd aan [straatnaam], 2 wielen vanaf een auto (Citroen Ds3, kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan het bedrijf [benadeelde partij 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen wielen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming en braak;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de nacht van 23 op 24 mei 2020, te Jirnsum, gemeente Leeuwarden, opzettelijk en wederrechtelijk de achterruit van een auto (Citroen Ds3, kenteken [kenteken]) en/of 2 wielen (van die auto), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij in of omstreeks de nacht van 23 op 24 mei 2020 te Jirnsum, gemeente Leeuwarden, vanaf een boot gelegen in een boothuis aan [straatnaam], een geldbedrag van 35 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

3.

hij in of omstreeks de nacht van 23 op 24 mei 2020 te Jirnsum, gemeente Leeuwarden, vanaf een boot gelegen in een boothuis aan [straatnaam], een geldbedrag van ongeveer 30 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 3], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe

te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

4.

hij in of omstreeks de nacht van 23 op 24 mei 2020 te Jirnsum, gemeente Leeuwarden, vanaf een boot gelegen, in een boothuis, aan [straatnaam], een sleutelbos, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 4], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen sleutelbos onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

5.

hij in of omstreeks de nacht van 23 op 24 mei 2020 te Jirnsum, gemeente Leeuwarden, vanaf een boot gelegen in een boothuis aan [straatnaam], een portemonnee met inhoud van ongeveer 20 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 5] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder 1. primair, 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde feiten. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat het ad info feit 1. kan worden meegenomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd, gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting, zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het ad info feit 1. kan worden meegenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de onder 1. primair, 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 mei 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 mei 2020 opgenomen op pagina 208 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020208100 d.d. 2 augustus 2020, inhoudend de verklaring van [getuige 1];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 mei 2020, opgenomen op pagina 225 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[benadeelde partij 2];

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 mei 2020, opgenomen op pagina 238 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[getuige 2];

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 mei 2020, opgenomen op pagina 249 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[benadeelde partij 4];

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 mei 2020, opgenomen op pagina 251 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[benadeelde partij 5].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1. primair, 2., 3., 4. en 5. wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij in de nacht van 23 op 24 mei 2020, te Jirnsum, vanaf het bedrijfsterrein van [benadeelde partij 1], gevestigd aan [straatnaam], 2 wielen vanaf een auto, Citroen Ds3, kenteken [kenteken], dat geheel toebehoorde aan het bedrijf [benadeelde partij 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen wielen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming en braak;

2.

hij in de nacht van 23 op 24 mei 2020 te Jirnsum, vanaf een boot, gelegen in een boothuis aan [straatnaam], een geldbedrag van 35 euro, dat geheel toebehoorde aan [benadeelde partij 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

3.

hij in de nacht van 23 op 24 mei 2020 te Jirnsum, vanaf een boot, gelegen in een boothuis aan [straatnaam], een geldbedrag van ongeveer 30 euro, dat geheel toebehoorde aan [benadeelde partij 3], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

4.

hij in de nacht van 23 op 24 mei 2020 te Jirnsum, vanaf een boot, gelegen in een boothuis, aan [straatnaam], een sleutelbos, dat geheel toebehoorde aan [benadeelde partij 4], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen sleutelbos onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

5.

hij in de nacht van 23 op 24 mei 2020 te Jirnsum, vanaf een boot, gelegen in een boothuis aan [straatnaam], een portemonnee met inhoud van ongeveer 20 euro, dat geheel toebehoorde aan [benadeelde partij 5], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

18/730052-20

1. primair diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak en inklimming;

2. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van inklimming;

3. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van inklimming;

4. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak;

5. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van inklimming.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Verder heeft de officier van justitie aangegeven dat het openbaar ministerie naast de onderhavige zaak tevens op de terechtzitting van 11 mei 2021 strafzaken onder de parketnummers 18/259306-20 en 18/091092-21 tegen verdachte aanhangig heeft gemaakt. Voornoemde zaken zijn in een ander administratief systeem geregistreerd (GPS) dan de onderhavige zaak (Compas). Deze verschillende wijze van administratief registreren verzet zich tegen het voegen van de onderhavige zaak met de zaken onder parketnummers 18/259306-20 en 18/091092-21. Gelet hierop heeft de officier van justitie voor de zaken onder parketnummers 18/259306-20 en 18/091092-21 een afzonderlijke strafeis gevorderd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf met daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat indien een langdurige gevangenisstraf aan verdachte zal worden opgelegd hij zijn werk en woning kwijt zal raken, waardoor een terugval in drugsgebruik eerder op de loer zal liggen. Verdachte is bereid om alle voorwaarden op te volgen. De raadsman is van mening dat verdachte die kans moet krijgen om zijn goede weg voort te zetten, mede gelet op het maatschappelijk belang dat voorkomen wordt dat verdachte na zijn detentie weer een terugval gaat krijgen. Daarnaast zal een detentie de behandeling van verdachte doorkruisen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit 1., dat hiermee is afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks inbraken in boten. Niet alleen heeft verdachte, door zich schuldig te maken aan deze strafbare feiten, te kennen gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen, maar heeft hij de eigenaren van de boten veel schade en overlast bezorgd. Verdachte heeft alleen maar gedacht aan zijn eigen financiële gewin en heeft zich kennelijk niet bekommerd om de gevolgen van dergelijke delicten voor de slachtoffers. Bovendien heeft een eerdere veroordeling voor soortgelijke feiten en een forse voorwaardelijke straf verdachte er niet van weerhouden opnieuw in boten in te gaan breken. De rechtbank houdt bovendien rekening met het door de verdachte erkende ad informandum gevoegde feit 1, inhoudende het aanwezig hebben van amfetamine.

Uit het reclasseringsadvies volgt dat verdachte problemen heeft op het gebied van financiën, middelengebruik, sociaal netwerk en psychosociaal functioneren. Daarnaast zijn verdachte zijn mentale problemen, voortkomende uit een hoog sensitieve gevoeligheid, en zijn houding ten aanzien van het plegen van delicten zorgelijk te noemen. Een forse voorwaardelijke veroordeling en het staan onder toezicht van de reclassering hebben er niet toe geleid dat verdachte gestopt is met het plegen van delicten. Verdachte stelt zich binnen zijn huidige schorsingstoezicht meewerkend op. Hij komt zijn afspraken na en stelt zich open voor een behandeling, welke net van start is gegaan.

De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling, met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, een drugsverbod, meewerken aan schuldhulpverlening en een locatiegebod.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en voor deze feiten nog in een proeftijd liep.

De rechtbank merkt op dat deze zaak ter terechtzitting gelijktijdig is behandeld met de zaken onder parketnummers 18/259306-20 en 18/091092-21. Voornoemde zaken zijn geregistreerd in een ander administratief systeem (GPS) dan de onderhavige zaak (Compas). De zaken die in GPS staan geregistreerd kunnen hierdoor niet gevoegd worden bij de onderhavige zaak, zodat de rechtbank in de zaken van veroordeelde twee aparte vonnissen moet wijzen. De officier van justitie heeft in onderhavige zaak en de zaken onder parketnummers 18/259306-20 en 18/091092-21 in totaal 12 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf geëist.

Gelet op de aard, ernst en hoeveelheid van de bewezen verklaarde feiten, als ook de eerdere veroordeling voor soortgelijke strafbare feiten, acht de rechtbank in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op het reclasseringsadvies en het betoog van de raadsman, een langdurige gevangenisstraf de ingezette behandeling van verdachte zal doorkruisen. Om verdachte evenwel nog een laatste kans te bieden om de positief ingeslagen weg voort te zetten en zijn behandeling voort te zetten, ziet de rechtbank aanleiding om in onderhavige zaak een taakstraf op te leggen. In de zaken onder parketnummers 18/259306-20 en 18/091092-21 zal de rechtbank echter wel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om verdachte opnieuw een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, zoals geadviseerd door de reclassering, nu de rechtbank de proeftijd van de vordering tenuitvoerlegging onder parketnummer 18/730245-18 zal verlengen.

Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van

240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Benadeelde partij

[benadeelde partij 5] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 848,68 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Ter zitting heeft de benadeelde partij zijn vordering mondeling aangevuld met een bedrag van € 1.569,32.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 848,68, te vermeerderen met de wettelijke rente, en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering dient voor het mondeling aangevulde deel niet-ontvankelijk verklaard te worden, omdat dit gedeelte niet is onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 848,68. Gelet op het ontbreken van onderbouwende stukken is de raadsman van mening dat het mondeling aangevulde deel van € 1.569,32 niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij

[benadeelde partij 5] de gestelde schade van € 848,68 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 18/730052-20 feit 5. bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 848,68, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 mei 2020.

De ter zitting mondeling aangevulde materiële schadepost van € 1.569,32 voor de niet door de verzekering vergoede schade aan de buitendeur van het boothuis, acht de rechtbank, gelet op de betwisting daarvan, op dit moment onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen de vordering nader te onderbouwen, zal een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. Het mondeling aangevulde deel van de vordering zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Inbeslaggenomen goederen

Standpunt officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie en de verdediging hebben geen standpunt ingenomen met betrekking tot de inbeslaggenomen goederen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen goederen vermeld op de beslaglijst (nummers 2. t/m 7.) verbeurd verklaard dienen te worden. Met betrekking tot de onder nummer 1. op de beslaglijst vermelde drugs (amfetamine) is de rechtbank van oordeel dat deze drugs aan het verkeer onttrokken dient te worden verklaard.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36d, 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. primair, 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Ten aanzien van 18/730052-20, feit 5.:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 848,68 (zegge: achthonderdachtenveertig euro en achtenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2020.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 5], te betalen een bedrag van € 848,68 (zegge achthonderdachtenveertig euro en achtenzestig eurocent), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2020. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 16 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen goederen, te weten:

2. 1 st. Asics schoenen;

3. 1. st. breekijzer;

4. 1 st. schroevendraaier rood/grijs;

5. 1. st. waterpomptang;

6. 1. st. tas kleur zwart (met inhoud hamer en voedingsmiddelen);

7. 1. st. linnentas met zwart seinpistool;

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen drugs (amfetamine).

Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, mr. M.A.A. van Capelle en

mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 mei 2021.

Mr. Van Capelle is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.