Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1962

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
18/287172-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Op 16 september 2019 heeft op de kruising van de Drentse Mondenweg (N379) met de Valtherdijk te Valthermond een ernstig verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte is met zijn Land Rover tegen de Mercedes van de slachtoffers gebotst. Beide slachtoffers zijn door dit verkeersongeval overleden.

Met betrekking tot de gereden snelheid overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de analyse van de airbagmodule van de Land Rover van verdachte komt naar voren dat deze op het moment van de botsing met de Mercedes reed met een snelheid van maximaal 131 km/u en minimaal 128 km/u. Tevens komt uit die analyse naar voren dat de bestuurder tot 5 seconden voorafgaande aan het ongeval reed met een snelheid van ongeveer 140 km/u.

In het proces-verbaal Voertuiguitlezing is vermeld dat het voertuig van verdachte niet op de gebruikelijke wijze kon worden uitgelezen en dat om deze reden onderzoek in de data van de airbagmodule heeft plaatsgevonden door de Franse fabrikant van de module. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat het desbetreffende onderzoeksrapport en de naar aanleiding daarvan opgemaakte analyse, de enige bron is voor de (aangenomen) snelheid waarmee verdachte zou hebben gereden. Validatie door het NFI van het Franse onderzoek heeft niet plaatsgevonden. Derhalve is niet vastgesteld door een onafhankelijke deskundige of het onderzoek in de data van de airbagmodule op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Mede gelet op de discrepantie tussen de analyse, neergelegd in enerzijds het proces-verbaal Voertuiguitlezing en anderzijds het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse over het gebruik van de autogordel door de bestuurder van de Land Rover (verdachte), en voorts gelet op de consequente verklaring van verdachte dat hij weliswaar te hard heeft gereden maar niet zo hard als het onderzoek aan de airbagmodule zou hebben uitgewezen, ziet de rechtbank aanleiding om de uitkomst van het rapport slechts te beschouwen als een indicatie van de door verdachte gereden snelheid. De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat een getuige was opgevallen dat de auto (van verdachte) heel snel dichterbij kwam en dat zij het vermoeden had dat de auto veel sneller reed dan de toegestane 80 km per uur.

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak sprake is van één op zichzelf staande verkeersfout. Verdachte heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan. Een dergelijke verkeersfout is echter niet zodanig ernstig van aard dat reeds daaruit geconcludeerd kan worden dat er sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Van bijkomende verkeersfouten of andere feiten en omstandigheden die meebrengen dat aan verdachte een schuldverwijt in de zin van artikel 6 WVW kan worden gemaakt, is niet gebleken. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

De rechtbank is wel van oordeel dat door het gedrag van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW.

Van belang is vast te stellen dat een veel geringere verkeersfout voldoende is om tot bewezenverklaring van dit wetsartikel te kunnen komen dan het geval is bij artikel 6 WVW. Verdachte heeft aanzienlijk harder gereden dan ter plekke was toegestaan. Indien verdachte zich aan de maximumsnelheid van 80 km/u had gehouden, had hij -ondanks het feit dat de slachtoffers hem voorrang hadden moeten verlenen- een botsing mogelijk kunnen voorkomen of had deze een geringere impact gehad.

Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank dus wel sprake van een zekere mate van verwijtbaarheid bij verdachte, voldoende voor het kunnen bewijzen van een overtreding van artikel 5 WVW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/287172-20

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

25 mei 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,

wonende aan [straatnaam] te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 mei 2021.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. van der Meer, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 september 2019, te Valthermond, althans in de gemeente Borger-Odoorn als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, merk: Land Rover/Range Rover,
daarmede rijdende over de Drentse Mondenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, op de Drentse Mondenweg, welke weg als voorrangsweg was aangeduid en/of waar een maximumsnelheid gold van 80 kilometer per uur en/of terwijl de duisternis was ingetreden en/of terwijl (alleen) de stadsverlichting van het motorrijtuig was ingeschakeld,
met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 140 kilometer per uur, althans met een snelheid die (aanmerkelijk) hoger lag dan ter plaatse was toegestaan en verantwoord was,

(mede) ten gevolge waarvan een botsing/aanrijding met een personenauto, merk: Mercedes, bestuurd door [slachtoffer 1] , die vanaf de Valtherdijk de Drentse Mondenweg was opgereden, is ontstaan en/of niet te voorkomen/ vermijden was,
waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , inzittende(n) van bedoelde Mercedes, werd(en) gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 september 2019, te Valthermond, althans in de gemeente Borger-Odoorn als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk: Land Rover/Range Rover), daarmee rijdende op de Drentse Mondenweg, welke weg ter plaatse was aangeduid als voorrangsweg en/of waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur gold, en terwijl de duisternis was ingetreden, genoemde weg heeft bereden met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur,
(mede) ten gevolge waarvan een botsing/aanrijding is ontstaan en/of niet te voorkomen/vermijden was met een personenauto, merk: Mercedes, bestuurd door [slachtoffer 1] , die vanaf de Valtherdijk de Drentse Mondenweg was opgereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.

De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar de VerkeersOngevalsAnalyse, het proces-verbaal van aanrijding en het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] .
De VerkeersOngevalsAnalyse houdt onder meer in dat uit onderzoek aan de airbagmodule van de Land Rover blijkt dat de bestuurder van de Land Rover (verdachte) ten tijde van de botsing met de Mercedes reed met een snelheid van maximaal 131 km/u en minimaal 128 km/u. Tevens blijkt hieruit dat de bestuurder tot 5 seconden voorafgaande aan het ongeval reed met een snelheid van ongeveer 140 km/u. De officier van justitie heeft met betrekking tot het onderzoek aan de airbagmodule verwezen naar een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:RBNNE:2020:2093) waarin de rechtbank de uitkomst van dit onderzoek heeft gebruikt als bewijs voor de gereden snelheid. Voorts wordt de uitkomst van het onderzoek aan de airbagmodule bevestigd door de voertuiguitlezing aan de hand van het CDR (Crash Data Retrieval) systeem, aldus de officier van justitie.

Daarnaast heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat uit de VerkeersOngevalsAnalyse volgt dat verdachte slechts stadslicht had ingeschakeld in plaats van groot-/dimlicht. Daardoor was verdachte voor andere weggebruikers onvoldoende zichtbaar, dan wel kon de afstand waar verdachte zich bevond niet goed worden ingeschat.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte op 16 september 2019 op de Drentse Mondenweg
met te hoge snelheid heeft gereden, terwijl hij (in het donker) alleen het stadslicht had ingeschakeld. Verdachte is hierdoor in botsing gekomen met de door [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) bestuurde Mercedes. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) zijn als gevolg van deze botsing overleden. Hoewel uit de stukken ook blijkt dat de Mercedes, bestuurd door [slachtoffer 1] , niet heeft stilgestaan bij het stopbord en geen voorrang heeft verleend aan verdachte, neemt dit de schuld van verdachte niet weg, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft hieraan toegevoegd dat uit processen-verbaal betreffende verhoren van getuige [getuige] (pagina 131 tot en met 137 van het dossier) volgt dat getuige [getuige] meteen na het verkeersongeval op 16 september 2019 heeft verklaard dat zij dacht dat het voertuig (de Mercedes) zou stoppen vóór de kruising met de Drentse Mondenweg, maar dat dit niet gebeurde en dat zij zag het voertuig (de Mercedes) zó de Drentse Mondenweg op reed, waarna zij zag dat het voertuig (de Mercedes) vol in de flank werd aangereden door het voertuig dat over de Drentse Mondenweg reed (de Land Rover). Evenwel heeft getuige [getuige] medio 2020
ten overstaan van de politie aangegeven dat zij, op 16 september 2019, niet in die zin heeft verklaard, doch (heeft verklaard) dat zij zag dat de Mercedes even kort bleef stilstaan vóór de kruising met de Drentse Mondenweg. De officier van justitie heeft, te dien aanzien, aangegeven dat deze laatste verklaring van getuige [getuige] niet strookt met de onderzoeksresultaten, neergelegd in het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, met de daarbij behorende bijlagen.

Overigens heeft de officier van justitie, wat de verklaringen van getuige [getuige] aangaat, aangegeven dat aan het openbaar ministerie is gebleken dat in de periode na het verkeersongeval sprake is (geweest) van contact tussen nabestaanden en getuige [getuige] .

De officier van justitie kwalificeert het handelen van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van schuld van verdachte aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake is van een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de WVW dan wel van het verwijtbaar veroorzaken van gevaar op de weg in de zin van artikel 5 WVW. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte wordt verweten dat hij met te hoge snelheid heeft gereden en dat alleen de stadsverlichting van de auto was ingeschakeld. Verdachte heeft evenwel zelf verklaard dat hij met dimlicht reed. Voorts blijkt uit de verklaring van getuige [getuige] dat zij de verlichting van de auto van verdachte normaal kon waarnemen. Het verwijt dat verdachte met stadslicht reed vindt volgens de raadsman geen, dan wel onvoldoende steun in de bewijsmiddelen. Met betrekking tot de gereden snelheid heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij mogelijk iets sneller (85-90 km/u) heeft gereden dan de toegestane snelheid van 80 km/u. Daar staat tegenover dat uit het technisch onderzoek aan de airbagmodule van de Land Rover van verdachte volgt dat verdachte met een veel hogere snelheid zou hebben gereden. Met betrekking tot dit onderzoek heeft de raadsman opgemerkt dat dit onderzoek is uitgevoerd in Frankrijk door de fabrikant van de airbag, dat er geen zicht is op hoe dit onderzoek heeft plaatsgevonden, en dat de uitkomsten van het onderzoek derhalve niet tot bewijs kunnen dienen. Daarbij heeft de raadsman er voorts op gewezen dat, als uitkomst van de analyse van verbalisant [verbalisant 7] van het in Frankrijk uitgevoerde onderzoek, in het proces-verbaal Voertuiguitlezing (pagina 109 van het dossier) is vermeld dat verdachte geen gordel om had, terwijl uit de VerkeersOngevalsAnalyse blijkt dat verdachte ten tijde van het ongeval wel een gordel droeg. Dat roept vragen op omtrent de betrouwbaarheid van het onderzoek aan de airbagmodule, aldus de raadsman.

Ook indien de rechtbank aanneemt dat verdachte met te hoge snelheid heeft gereden, dan is er sprake van slechts één enkele verkeersovertreding en dat is, gelet op alle overige omstandigheden, in dit geval onvoldoende om schuld in de zin van artikel 6 WVW aan te nemen.

Uit de VerkeersOngevalsAnalyse blijkt voorts dat het ongeval primair is veroorzaakt doordat de bestuurder van de Mercedes geen voorrang verleende aan verdachte. Verdachte dient gelet hierop te worden vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

- Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanrijding van 9 juli 2020, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met registratienummer PL0100-2019247462 van 28 juli 2020, inhoudend als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Vermoedelijke toedracht:
Voertuig 1 zijnde ingevoerde Landrover, rijdt over de N379 in zuidelijke richting komende vanaf Valthermond in de richting van Nieuw-Weerdinge. De N379 betreft een voorrangsweg. Voertuig 2 zijnde de ingevoerde Mercedes rijdt over de Valtherdijk in westelijke richting. Ter hoogte van het punt alwaar de Valtherdijk de N379 kruist is de Mercedes de N379 opgedraaid. Waarschijnlijk was de bestuurder voornemens de richting van Nieuw-Weerdinge aan te houden. Bij het opdraaien van de N379 heeft voertuig 1, voertuig 2 niet kunnen ontwijken welk resulteerde in de aanrijding.
Voertuig 1 is tot stilstand gekomen in het akkerland aan de westkant van de N379.
Voertuig 2 is tot stilstand gekomen op de N379 met de neus van het voertuig in de richting van Nieuw-Weerdinge.

- Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van een op 16 september 2019 afgenomen verhoor getuige, (aanvankelijk) opgemaakt op 17 september 2019 en (nadien) gewijzigd medio 2020 en (vervolgens) door verbalisant ondertekend op 10 juli 2020, opgenomen op pagina 131 tot en met 135 van voornoemd dossier, en bezien in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2020, opgenomen op pagina 136 van voornoemd dossier,

inhoudend als verklaring van [getuige] :

Ik ben zojuist getuige geweest van een verkeersongeval. Ik reed zojuist terug van mijn werk bij de Treant zorggroep. Ik reed over de Valtherdijk komende uit de richting van Valthe en gaande in de richting van de Drentse Mondenweg. Ik was onderweg naar mijn woonadres in Haren (Duitsland). Ik reed in mijn eigen auto, een Mini Cooper, grijs van kleur.
Omstreeks 22:30 uur, naderde ik de kruising met de Drentse Mondenweg. Qua tijd kan het ook iets eerder zijn geweest. Ik reed op dat moment nog steeds op de Valtherdijk.
Ik zag in de verte, links van mij, een voertuig naderen. Dit voertuig reed over de Drentse Mondenweg. Komende uit de richting van Valthermond en gaande in de richting van Nieuw-Weerdinge. Ik kon niet zien wat voor voertuig dit was. Ik zag enkel twee koplampen aankomen. Ik kan de afstand slecht inschatten maar ik denk dat ik toen op dat moment ongeveer 2 (de rechtbank begrijpt: 200) à 300 meter voor de kruising met de Drentse Mondenweg reed.
Ik ben doorgereden in de richting van de Drentse Mondenweg. Toen ik de genoemde kruising op ongeveer 100 meter was genaderd, zag ik uit de voor mij tegenover gestelde richting, ook twee koplampen naderen. Vanaf dat moment ging het eigenlijk heel snel.

(…)

Ik zag dat deze auto vol in de flank werd aangereden door het voertuig welke voor mij op dat moment van links kwam en over de Drentse Mondenweg reed. Vanaf dat moment zag ik alleen maar stof/rook en heel veel vonken. Tevens zag ik dat er allerlei brokstukken door de lucht vlogen. Het was een enorme klap.

- Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 17 september 2019 door verbalisant [verbalisant 6] , opgenomen op pagina 137 van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 17-09-2019 omstreeks 22:00 uur belde ik verbalisant met getuige [getuige] , ik belde haar om te vragen hoe het met haar ging. (…) Zij geeft aan dat de beelden steeds bij haar terugkomen. Wat vooral steeds bij haar terugkomt is dat ze rijdt op de Valtherdijk richting de Drentse Mondenweg N379 en ze een heel mooi zicht heeft over de Mondenweg. Ze geeft aan dat ze ongeveer vanaf de Valtherdijk kan kijken tot de rotonde van Valthermond. Ze geeft aan dat ze er een auto ziet rijden ongeveer vanaf de rotonde. Wat haar opvalt is dat de auto felle verlichting voert aan de voorzijde van de auto. Ze geeft aan dat dit led verlichting is. Ze herkende dit doordat ze zelf ook led verlichting heeft. Wat opviel was dat de auto in haar ogen heel snel dichterbij kwam. Ze geeft aan dat ze het vermoeden heeft dat de auto veel sneller heeft gereden dan de toegestane 80 km per uur.

- Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte, opgemaakt op 23 april 2020 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] , opgenomen op pagina 142 e.v. van voornoemd dossier:
A: Op maandag 16 september 2019 omstreeks 23:00 uur reed ik als bestuurder van mijn Range Rover.
A: Ik reed vanaf Assen over de Mondenweg vanuit Valthermond in de richting van Ter Apel.
A: Ik kwam van de sportschool en ik ging naar huis.
V: Rijd je hier vaker?
A: Ik rij daar het hele jaar elke maandag en woensdag.
V: Ben je ook bekend met de ligging van de betreffende kruising?
A: Ja daar ben ik ook bekend mee.
V: Was de kruising voor jou zichtbaar?
A: Ja die was goed zichtbaar.
V: Was het hier drukker of anders dan normaal?
A: Nee, rustig.
V: Kon je de wegsituatie goed overzien?
A: Die kon ik prima overzien.
V: Hoe hard mag je op de betreffende weg?
A: 80 kilometer per uur.
V: Hoe hard reed je?
A: Dat weet ik niet meer precies, maar volgens mij reed ik niet hard.

V: Heb je bij nadering van de kruising nog andere voertuigen gezien?
A: Ik heb aan de rechter kant een voertuig zien naderen. Dit zag ik op denk ik wel 2 kilometer het veld in. Ik zag de lichten van dit voertuig.
V: Wat kun je verklaren over wat er kort voor en op de kruising gebeurde?
A: Ik kwam op de kruising aan en ik zag op het laatste moment van links lampen aankomen. Dit gebeurde in nog geen seconde. Toen ik ze zag was het ook al raak, ik kon niet meer reageren. De klap was er ook al.
V: Heb je de Mercedes nog waargenomen?
A: Eerst kwam de klap, toen kwam ik tot stilstand.

V: Heb je snelheid geminderd?
A: Dat weet ik niet misschien dat ik door de schrik nog het gas heb losgelaten, maar verder kon ik niks doen.
V: Kon je nog uitwijken / sturen / remmen?
A: Nee, ik heb niets meer kunnen doen.
V: Voerde je verlichting, en wat voor verlichting?
A: Dimlicht, dit gaat automatisch. Dus door de auto van rechts reageert de auto en gaat het licht op dimlicht.

- Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse met nummer 160919.2230.2581, opgemaakt op 24 mei 2020 door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend:

(…)

5.2.

Oorzaak, toedracht en gevolg
Gelet op alle aangetroffen sporen, schade en eindposities van de voertuigen zal het volgende hebben plaatsgevonden:
De bestuurder van de Mercedes reed met zijn voertuig over de Valtherdijk, komende uit de richting van de Musselweg, in de richting van de kruising met de Drentse Mondenweg. De bestuurder van de Land Rover reed op dat zelfde moment met zijn voertuig over de Drentse Mondenweg, komende uit de richting van het Zuiderdiep, in de richting van de kruising met de Valtherdijk.
Op genoemde kruising verleende de bestuurder van de Mercedes geen voorrang aan de bestuurder van de Land Rover. Op de kruising botste de Land Rover met de voorzijde tegen de rechter zijde van de Mercedes. Na de eerste botsing ontstond een secundaire botsing, waarna de voertuigen in hun eindpositie tot stilstand kwamen.
Op de plaats van het ongeval overleden de bestuurder van de Mercedes en de naast hem zittende passagier aan hun bij dit ongeval opgelopen verwondingen.
Uit onderzoek naar de airbag module van de Land Rover bleek dat de bestuurder van de Land Rover ten tijde van de botsing met de Mercedes reed met een snelheid van maximaal 131 km/h en minimaal 128 km/h. Tevens bleek dat de bestuurder tot 5 seconden voorafgaande aan het ongeval reed met een snelheid van ongeveer 140 km/h. Uit het onderzoek van snelheid- en impact analyse, uitgevoerd door collega R. Beijaard, bleek dat de bestuurder van de Mercedes op dat zelfde moment zeer waarschijnlijk met een snelheid reed van maximaal 59 km/h en minimaal 51 km/h. Gelet op het onderzoek naar de gereden snelheden van de betrokken voertuigen voorafgaande aan het ongeval, kan gesteld worden dat:
- De bestuurder van de Mercedes haast met zekerheid de kruising met de Drentse Mondenweg opreed, zonder zijn voertuig voorafgaande aan de kruising tot stilstand te brengen en daarbij geen voorrang gaf aan de op de Drentse Mondenweg rijdende Land Rover.
- De bestuurder van de Land Rover haast met zekerheid op de Drentse Mondenweg reed, met een snelheid welke aanmerkelijk hoger was dan de toegestane maximumsnelheid.
(…)

5.4.

Conclusie onderzoek
Uit het door ons, verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , uitgevoerde onderzoek bleek dat het ongeval primair veroorzaakt werd, doordat de bestuurder van de Mercedes geen voorrang verleende aan de bestuurder van de Land Rover. De gereden snelheid door de bestuurder van de Land Rover, ten tijde van de botsing en kort daarvoor, zal zeer waarschijnlijk grote invloed hebben gehad op het verloop en de gevolgen van het ongeval. Daarnaast kan secundair ook worden gesteld dat het ongeval niet had plaatsgevonden indien de bestuurder van de Land Rover voorafgaande aan het ongeval had gereden met de ter plaatse toegestane maximumsnelheid.
Uit ons onderzoek kwam niet vast te staan welke verlichting of combinatie van verlichting de bestuurder van de Land Rover voerde en of de Land Rover duidelijk en als zodanig waarneembaar was voor de bestuurder van de Mercedes. Het zicht van de bestuurders op elkaar, waarbij het ongeval had plaatsgevonden bij duisternis, was sterk afhankelijk van de gevoerde verlichting.
Uit de getuige verklaring van [getuige] bleek dat zij, rijdende over de Valtherdijk in de richting van de Drentse Mondenweg, duidelijk de verlichting kon zien van beide bij dit ongeval betrokken voertuigen.
Hoewel er niet met zekerheid gesteld kan worden welke verlichting de Land Rover voerde kort voorafgaande dan wel ten tijde van het ongeval, was de Land Rover mogelijk wel zichtbaar en als zodanig waarneembaar. Het is mogelijk dat dit ook gold voor de bestuurder van de Mercedes en dat hij de Land Rover had kunnen zien op het moment dat dat mogelijk was.

(…)

7.3.

Schouw
Door de arts M.F. Han van de GGD Noord-Nederland, is in ons bijzijn op dinsdag 17 september 2019 om 01:55 uur de schouw verricht. Van deze schouw is door genoemde arts een verslag betreffende een niet natuurlijke dood opgemaakt.
Het slachtoffer (zijnde de bestuurder van de Mercedes) was genaamd:
[slachtoffer 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] -2001, gewoond hebbende [straatnaam] , [woonplaats] . De schouwarts verklaarde dat het slachtoffer was overleden aan het volgende letsel: Schedel-, hersenletsel.
Door de arts M.F. Han van de GGD Noord-Nederland, is in ons bijzijn op dinsdag 17 september 2019 om 02:25 uur de schouw verricht. Van deze schouw is door genoemde arts een verslag betreffende een niet natuurlijke dood opgemaakt.
Het slachtoffer (zijnde de bijrijder van de Mercedes) was genaamd:
[slachtoffer 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] -2002, gewoond hebbende [straatnaam] , [geboorteplaats] . De schouwarts verklaarde dat het slachtoffer was overleden aan het volgende letsel: Schedel-, hersenletsel

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 16 september 2019 op de kruising van de Drentse Mondenweg (N379) met de Valtherdijk te Valthermond een ernstig verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De N379 is een voorrangsweg en verkeer komende van de Valtherdijk dient verkeer op de N379 voorrang te verlenen.

Verdachte is met zijn Land Rover tegen de Mercedes met daarin als inzittenden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gebotst. Beide slachtoffers zijn door dit verkeersongeval overleden.

Met betrekking tot de gereden snelheid overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de analyse van de airbagmodule van de Land Rover van verdachte komt naar voren dat deze op het moment van de botsing met de Mercedes reed met een snelheid van maximaal 131 km/u en minimaal 128 km/u. Tevens komt uit die analyse naar voren dat de bestuurder tot 5 seconden voorafgaande aan het ongeval reed met een snelheid van ongeveer 140 km/u.

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir verwezen naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank en betoogd dat dit airbagonderzoek kan worden gebezigd voor het bewijs. Daarnaast heeft de officier van justitie gesteld dat de uitkomst van het airbagonderzoek wordt bevestigd door de voertuiguitlezing aan de hand van het CDR systeem. De verdediging heeft aangegeven twijfels te hebben bij de betrouwbaarheid van het onderzoek aan de airbagmodule.

De rechtbank merkt op dat in het proces-verbaal Voertuiguitlezing (pagina 103 e.v. van het dossier) door verbalisant [verbalisant 7] is vermeld dat het voertuig van verdachte niet op de gebruikelijke wijze bleek te kunnen worden uitgelezen en dat om deze reden onderzoek in de data van de airbagmodule heeft plaatsgevonden door de Franse fabrikant van de module.
De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat het desbetreffende onderzoeksrapport en de naar aanleiding daarvan door genoemde verbalisant opgemaakte analyse, de enige bron is voor de (aangenomen) snelheid waarmee verdachte zou hebben gereden. In de zaak waarnaar de officier van justitie heeft verwezen, is sprake van validatie door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van het (Franse) onderzoek. Validatie door het NFI heeft in de onderhavige zaak niet plaatsgevonden. Derhalve is niet vastgesteld door een onafhankelijke deskundige of het onderzoek in de data van de airbagmodule op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Mede gelet op de discrepantie -waar de raadsman ter terechtzitting op heeft gewezen, welke discrepantie ook door de rechtbank is vastgesteld- tussen de analyse, neergelegd in enerzijds het proces-verbaal Voertuiguitlezing en anderzijds het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse over het gebruik van de autogordel door de bestuurder van de Land Rover (verdachte), en voorts gelet op de consequente verklaring van verdachte dat hij weliswaar te hard heeft gereden maar niet zo hard als het onderzoek aan de airbagmodule zou hebben uitgewezen, ziet de rechtbank aanleiding om de uitkomst van het rapport slechts te beschouwen als een indicatie van de door verdachte gereden snelheid. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verbalisant [verbalisant 6] in het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2019 (hiervoor vermeld onder de bewijsmiddelen) heeft gerelateerd dat getuige [getuige] een dag na het ongeval aan hem heeft verteld dat haar was opgevallen dat de auto (van verdachte) in haar ogen heel snel dichterbij kwam en dat ze het vermoeden heeft dat de auto veel sneller heeft gereden dan de toegestane 80 km per uur.

De rechtbank stelt daarmee vast dat verdachte met een beduidend hogere snelheid heeft gereden dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 80 km/u.

Voor zover de rechtbank kan vaststellen, heeft verdachte geen andere verkeersfout gemaakt dan deze snelheidsovertreding. Weliswaar staat in het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse vermeld (pagina 46) dat de verlichtingsschakelaar van de Land Rover op de stand stadslicht stond, maar vervolgens staat in dat proces-verbaal vermeld (pagina 48) dat uit het onderzoek niet kwam vast te staan welke verlichting of combinatie van verlichting de bestuurder van de Land Rover voerde. Anders dan de officier van justitie gaat de rechtbank er, gelet op het voorgaande, dan ook niet zonder meer vanuit dat verdachte met stadslicht reed en (daardoor) onvoldoende zichtbaar was. Daar komt bij dat de rechtbank het ook onaannemelijk voorkomt dat verdachte slechts stadslicht heeft gevoerd gezien het tijdstip van de dag (avond en donker) en de onverlichte weg, gecombineerd met de hoge snelheid. Onder dergelijke omstandigheden geeft het voeren van alleen stadslicht een bestuurder in het algemeen onvoldoende zicht op de weg en op de verkeerssituatie, terwijl uit het dossier geen enkele aanwijzing naar voren is gekomen dat verdachte zichzelf in een dergelijke positie zou hebben willen brengen.

Uit de verklaringen van getuige [getuige] blijkt dat de koplampen van de Land Rover fel licht uitstraalden en voor haar van 200 à 300 meter afstand goed zichtbaar waren.

Ten slotte heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken dat in het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse als conclusie staat vermeld (pagina 48) dat hoewel er niet met zekerheid gesteld kan worden welke verlichting de Land Rover (verdachte) voerde kort voorafgaande aan dan wel ten tijde van het ongeval, de Land Rover mogelijk wel zichtbaar was en als zodanig waarneembaar en dat dit mogelijk ook gold voor de bestuurder van de Mercedes en dat hij de Land Rover had kunnen zien op het moment dat dat mogelijk was.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe deze verkeersfout van verdachte -de snelheidsovertreding- juridisch dient te worden gekwalificeerd. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Vrijspraak artikel 6 WVW

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW (HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252). Daarnaast kan uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke verkeersvoorschriften niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Van schuld in de zin van dit wetsartikel is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak sprake is van één op zichzelf staande verkeersfout. Verdachte heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan. Een dergelijke verkeersfout is echter niet zodanig ernstig van aard dat reeds daaruit geconcludeerd kan worden dat er sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Van bijkomende verkeersfouten of andere feiten en omstandigheden die meebrengen dat aan verdachte een schuldverwijt in de zin van artikel 6 WVW kan worden gemaakt, is niet gebleken.

Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring artikel 5 WVW

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden is de rechtbank wel van oordeel dat door het gedrag van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW.

Van belang is vast te stellen dat een veel geringere verkeersfout voldoende is om tot bewezenverklaring van dit wetsartikel te kunnen komen dan het geval is bij artikel 6 WVW. Verdachte heeft aanzienlijk harder gereden dan ter plekke was toegestaan. Indien verdachte zich aan de maximumsnelheid van 80 km/u had gehouden, had hij -ondanks het feit dat de slachtoffers hem voorrang hadden moeten verlenen- een botsing mogelijk kunnen voorkomen of had deze een geringere impact gehad.

Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank dus wel sprake van een zekere mate van verwijtbaarheid bij verdachte, voldoende voor het kunnen bewijzen van een overtreding van artikel 5 WVW.

Bewezenverklaring

Door de officier van justitie is subsidiair aan verdachte verweten dat -voor zover te dezen van belang- hij op 16 september 2019 als bestuurder van een personenauto op de Drentse Mondenweg, waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur gold, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 140 kilometer per uur.

Gelet op het primair aan verdachte gemaakte verwijt ten aanzien van de snelheid waarmee hij heeft gereden, te weten “met een snelheid van (ongeveer) 140 kilometer per uur, althans met een snelheid die (aanmerkelijk) hoger lag dan ter plaatse was toegestaan en verantwoord was”, gaat de rechtbank er vanuit dat de officier van justitie, in het subsidiaire feit, abusievelijk het gedeelte van de delictsomschrijving in het primaire feit ná “140 kilometer per uur” niet heeft opgenomen. Immers, aannemelijk is dat het feitencomplex dat de officier van justitie aan verdachte verwijt en redengevend heeft geacht voor overtreding van artikel 6 WVW, ook bedoeld is redengevend te zijn voor overtreding van artikel 5 WVW en dat niet is beoogd om, in het subsidiaire feit, de aan verdachte verweten te hoge snelheid te beperken tot (ongeveer) 140 kilometer per uur maar, evenals bij het primaire feit, aan verdachte iedere snelheid die (aanmerkelijk) hoger lag dan ter plaatse was toegestaan en verantwoord was, te verwijten. Deze toevoeging zal derhalve door de rechtbank worden ingelezen in het subsidiair ten laste gelegde feit nu er daardoor geen sprake is van een wezenlijk ander strafbaar verwijt en deze toevoeging geen groter of ander feit betreft dan
de omschrijving van het feitencomplex in de tenlastelegging. Nu er bij verdachte geen onduidelijkheid heeft bestaan met betrekking tot hetgeen aan hem wordt verweten, acht
de rechtbank de verdachte hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat
hij op 16 september 2019, te Valthermond, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk: Land Rover/Range Rover), daarmee rijdende op de Drentse Mondenweg, welke weg ter plaatse was aangeduid als voorrangsweg en waar een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur gold, en terwijl de duisternis was ingetreden, genoemde weg heeft bereden met een snelheid die (aanmerkelijk) hoger lag dan ter plaatse was toegestaan en verantwoord was, mede ten gevolge waarvan een botsing/aanrijding is ontstaan met een personenauto, merk: Mercedes, bestuurd door [slachtoffer 1] , die vanaf de Valtherdijk de Drentse Mondenweg was opgereden, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair gepleit voor algehele vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om bij een bewezenverklaring aan verdachte een (forse) boete op te leggen en een geheel voorwaardelijke rijontzegging voor een maximale duur van 6 maanden. De raadsman heeft de rechtbank verzocht daarbij rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop in deze zaak.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie en het reclasseringsrapport d.d. 20 april 2021, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gevaar op de weg veroorzaakt door met een te hoge snelheid te rijden.
Mede hierdoor heeft een verkeersongeval plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn overleden.

De rechtbank hecht er aan op te merken dat zij zich er ten volle van bewust is dat het verkeersongeval twee jonge levens heeft geëist. De nabestaanden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben een uiterst pijnlijk en onherstelbaar verlies geleden. Het immense verdriet is ter terechtzitting treffend onder woorden gebracht door de moeder van [slachtoffer 2] , bij het voorlezen van de slachtofferverklaring. Het immense verdriet blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de familie [naam familie slachtoffer 1] .

De rechtbank overweegt dat geen enkele strafoplegging het verdriet en het gemis van de nabestaanden kan compenseren. Echter, de mate van schuld die verdachte aan het verkeersongeval heeft, maakt dat het verkeersongeval naar het oordeel van de rechtbank geen misdrijf, maar een overtreding oplevert. De op te leggen straf dient daarbij passend te zijn.

Bij de strafoplegging betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat het verkeersongeval ook op verdachte een grote impact heeft gehad. Verdachte is daarbij zelf gewond geraakt. Voorts blijkt uit de verklaringen van verdachte bij de politie en ter terechtzitting dat hij emotioneel zeer getroffen is door het verkeersongeval.

Tot slot weegt de rechtbank mee dat inmiddels meer dan anderhalf jaar is verstreken sinds het verkeersongeval en dat verdachte lang in onzekerheid heeft verkeerd over of er strafvervolging zou volgen, en vervolgens over de uitkomst van de rechtszaak.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, aangezien de rechtbank -anders dan de officier van justitie- van oordeel is dat verdachte van het primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van € 1.000,-, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, passend is. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van zes maanden opleggen, met een proeftijd van twee jaren.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [benadeelde partij 1] (vader van [slachtoffer 2] ), tot een bedrag van € 2.500,- ter zake van affectie schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [benadeelde partij 2] (moeder van [slachtoffer 2] ), tot een bedrag van € 2.500,- ter zake van affectie schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
3. [benadeelde partij 3] (broer van [slachtoffer 2] ), tot een bedrag van € 17.500,- ter zake van affectie schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

4. [benadeelde partij 4] (vader van [slachtoffer 1] ), tot een bedrag van € 20.000,- ter zake van affectie schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

5. [benadeelde partij 5] (moeder van [slachtoffer 1] ), tot een bedrag van € 20.000,- ter zake van affectie schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

6. [benadeelde partij 6] (broer van [slachtoffer 1] ), tot een bedrag van € 20.000,- ter zake van affectie schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

7. [benadeelde partij 7] (zus van [slachtoffer 1] ), tot een bedrag van € 20.000,- ter zake van affectie schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd deze vorderingen geheel toe te wijzen en te vermeerderen met de wettelijke rente en tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich, gelet op de bepleite vrijspraak voor de tenlastegelegde feiten, primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van de vorderingen van de familie [naam familie slachtoffer 2] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de vorderingen van de familie [naam familie slachtoffer 1] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze te laat zijn ingediend. Dit dient, ook in het geval de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de vorderingen.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partijen (affectie)schade hebben geleden die het rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen.
Uit de vorderingen van de familie [naam familie slachtoffer 2] blijkt dat een deel van de schade inmiddels is vergoed door de verzekeringsmaatschappij (Reaal). Uit de vorderingen van de familie [naam familie slachtoffer 1] , die eerst ter terechtzitting zijn ingediend, blijkt niet of de schade (deels) voor vergoeding door een verzekeringsmaatschappij in aanmerking komt.

Uit het dossier blijkt voorts dat [slachtoffer 1] , als bestuurder van de Mercedes, ook een eigen aandeel heeft gehad bij het ontstaan van de aanrijding. Als conclusie van het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse is vermeld dat het ongeval primair veroorzaakt werd doordat de bestuurder van de Mercedes geen voorrang verleende aan de bestuurder van de Land Rover. Hoe dit eigen aandeel bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding tot uitdrukking dient te komen, acht de rechtbank ter beoordeling van de burgerlijke rechter in een civiele procedure. Schorsing van het onderzoek om de hoogte van de schade te (laten) bepalen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan.

De rechtbank zal de vorderingen daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het subsidiair bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

betaling van een geldboete ten bedrage van € 1.000,- (zegge: één duizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 6 maanden.

Bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Sieders, voorzitter, mr. R. Depping en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 mei 2021.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.