Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1949

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
9066053 \ CV EXPL 21-1332
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kort geding

Conflict over de wens van werknemer om thuis te werken in verband met Covid-19.

Is sprake van opzegging arbeidsovereenkomst door werknemer?

Hoe mocht de verklaring van werknemer: "jullie zoeken het maar uit, ik vertrek" door werkgever in de gegeven omstandigheden worden opgevat?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0698
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie [vestigingsplaats]

zaak-/rolnummer: 9066053 \ CV EXPL 21-1332

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 5 Rv d.d. 7 april 2020

inzake

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. J. Veninga,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERKEERSSCHOOL [B] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde,

procederende door haar directeur [B] .

Partijen zullen hierna [A] en Verkeersschool worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- het faxbericht van 18 maart 2021 met producties 11 en 12 van de zijde van [A]

- de mondelinge behandeling gehouden op 22 maart 2021

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[A] is op 1 maart 2020 bij Verkeersschool in dienst getreden in de functie van administratief medewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een salaris van € 2.426,67 bruto per maand op basis van een 40-urige werkweek.

2.2.

Verkeersschool is vanaf 14 december 2020 gesloten voor rijlessen in verband met de coronamaatregelen voor contactberoepen. In die periode is door het kantoorpersoneel van Verkeersschool op locatie doorgewerkt.

2.3.

Omstreeks 22 januari 2021 zijn er een aantal medewerkers van Verkeersschool, waaronder [A] , positief getest op het Covid-19 virus.

2.4.

Nadat [A] van het virus is hersteld heeft hij, na tien dagen thuisisolatie, het werk weer opgepakt. Deels op kantoor, maar ook deels vanuit huis.

2.5.

Op donderdag 11 februari 2021 heeft [A] werkzaamheden op het kantoor van Verkeersschool verricht. Hij heeft die dag bij de coördinator van de administratie aangegeven dat hij de volgende dag weer thuis ging werken. Daarop werd door de coördinator gezegd dat de directeur, de heer [B] (hierna: [B] ), [A] de volgende dag op kantoor verwachte. [A] heeft daarop gezegd dat hij zich er niet prettig bij voelde om op kantoor te werken en dat hij zijn werkzaamheden ook vanuit huis kon doen. Op enig moment is [B] binnen gewandeld en heeft tegen [A] gezegd dat hij niet zo moest zeuren. Daarna heeft [B] een sneeuwbal van buiten gehaald en deze bij een collega van [A] in de nek gelegd. Nadat die collega de sneeuwbal uit zijn nek heeft gehaald, heeft hij deze bij [A] in zijn nek gelegd met de woorden "zo, kun jij ook even afkoelen". [A] is vervolgens opgestaan, heeft gezegd dat hij naar huis ging en is daarna vertrokken.

2.6.

[A] is de volgende werkdag niet op kantoor verschenen, maar heeft thuis wel ingelogd in het systeem van Verkeersschool. Op maandag 15 februari 2021 is weercode rood afgekondigd in verband met ijzel. [A] ontving die ochtend een berichtje via de groepsapp van Verkeersschool dat er thuis gewerkt kon worden. Hij heeft die dag ook thuis ingelogd. Dit heeft hij ook in de ochtend gemeld aan de coördinator.

2.7.

Aan het einde van de middag van 15 februari 2021 ontving [A] per e-mail een brief van Verkeersschool waarin - voor zover van belang - het volgende is vermeld:

"(…)

Naar aanleiding van het voorval van 11 februari 2021, waarbij u de nodige kritiek op mijn bedrijf en mijn beslissingen hebt geuit en bent weggelopen terwijl de werktijden van zowel de donderdag als de vrijdag besproken waren met u, niet na bent gekomen.

Hierdoor heb ik een aantal werknemers moeten teleurstellen.

Vanwege bovenstaande en omdat er geen direct contact met mij is gezocht, ga ik er vanuit dat u ontslag hebt genomen per 11 februari 2021. Ik deel u mede dat ik uw ontslagname accepteer. Uw laatste dag van uw arbeidsovereenkomst is in dit geval ook 11 februari 2011.

De eindafrekening van salaris, vakantiegeld en eventueel openstaande vakantie uren zal plaatsvinden in de maand maart 2021.

(…) "

2.8.

[A] heeft daarop direct gereageerd en aangegeven dat van ontslagname of opzegging geen sprake is geweest en dat hij ervan uitgaat op woensdag 17 februari 2021 weer te werken.

2.9.

Verkeersschool heeft daarop op 16 februari 2021 laten weten dat [A] op 17 februari 2021 niet op het werk wordt verwacht.

2.10.

Vervolgens heeft de gemachtigde van [A] op 17 februari 2021 een brief aan Verkeersschool gezonden waarin het standpunt van [A] is verwoord dat van een opzegging en daarmee van een einde van de arbeidsovereenkomst geen sprake is. Daarbij is verzocht het loon door te betalen.

2.11

Daarop heeft Verkeersschool bij e-mail van 19 februari 2021 gereageerd door het aanbieden van een vaststellingsovereenkomst zonder vergoeding.

2.12.

[A] heeft daarop gereageerd en een tegenvoorstel gedaan.

Verkeersschool is daarmee niet akkoord gegaan en stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

3 De vordering

3.1

[A] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I Verkeersschool veroordeelt tot betaling binnen vier dagen na betekening van het vonnis van het netto-equivalent van een bedrag van € 1.232,00, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten van € 223,61;

II. Verkeersschool veroordeelt binnen zeven dagen na betekening van het vonnis correcte salarisspecificaties te verstrekken op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag met een maximum van € 5.000,00;

III. Verkeersschool veroordeelt het netto-equivalent van het loon van € 2.426,67 bruto per maand te blijven voldoen vanaf 1 maart 2021 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

IV. Verkeersschool veroordeelt in de (proces)kosten van deze procedure en het nasalaris.

3.2.

Aan deze vordering legt [A] - samengevat - ten grondslag dat zijn arbeidsovereenkomst met Verkeersschool nooit op een rechtsgeldige wijze is beëindigd. [A] heeft daartoe aangevoerd dat van zijn kant geen sprake is geweest van een duidelijke en ondubbelzinnige opzegging. Voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst is vereist dat wil en verklaring zijn gericht op beëindiging van het dienstverband. Daarvan is volgens [A] geen sprake. Dit had Verkeersschool ook duidelijk moeten zijn, omdat [A] na het moment dat Verkeersschool als opzegging duidt op 12 februari 2021 en op 15 februari 2021 werkzaamheden vanuit huis heeft verricht. Daarnaast heeft hij direct gereageerd op de veronderstelling dat hij ontslag zou hebben genomen, aldus [A] .

3.3.

Verkeersschool voert verweer tegen de vorderingen van [A] . Zij voert - samengevat - het volgende aan. Er was afgesproken dat [A] op vrijdag 12 februari 2021 op kantoor zou werken. [A] heeft op 11 februari ruim een uur op kantoor geklaagd tegen collega's over beleidszaken, waarvan een groot gedeelte met verheven stem. Uiteindelijk stond [A] op, pakte zijn spullen en zei "Jullie zoeken het maar uit, ik vertrek!". Daaruit heeft Verkeersschool afgeleid dat [A] ontslag genomen had, te meer omdat hij op de volgende dag niet op kantoor verscheen. Op maandag 15 februari 2021 heeft Verkeersschool gecontroleerd of [A] op vrijdag 12 februari en maandag 15 februari 2021 thuis had gewerkt. Toen bleek dat dat hij nagenoeg niets had gedaan, heeft Verkeerschool geconcludeerd dat [A] daadwerkelijk ontslag heeft genomen.

3.4.

De stellingen van partijen worden hierna besproken, voor zover die van belang zijn voor de beslissing in deze zaak.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang bij de vorderingen van [A] wordt voldoende aanwezig geacht, nu deze vorderingen strekken tot (door)betaling van loon. Aangenomen mag worden dat [A] dit loon nodig heeft om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

4.2.

De kantonrechter stelt voorop dat het hier gaat om een procedure in kort geding. Een vordering in kort geding komt alleen maar voor toewijzing in aanmerking als voldoende aannemelijk is dat deze in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. Gelet op het voorlopige karakter van de kortgedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten, noch is er plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op stellingen die erkend of onweersproken zijn of die aannemelijk zijn geworden.

- opzegging door [A] op 11 februari 2021?

4.3.

Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of de door [A] gedane mededeling op 11 februari 2021 kan worden aangemerkt als een opzegging van de arbeidsovereenkomst en daarnaast of Verkeersschool zich zonder nader onderzoek op die opzegging kan beroepen.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak vereist de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, zoals het mogelijk verlies van ontslagbescherming en aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. Onder omstandigheden rust op de werkgever een onderzoeksplicht om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten.

4.5.

Verkeersschool stelt dat [A] op 11 februari 2021 de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd door middel van de mededeling "Jullie zoeken het maar uit, ik vertrek!".

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kan deze mededeling - die overigens door [A] wordt betwist - niet worden aangemerkt als een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die er op was gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Uit deze mededeling blijkt dat [A] zou vertrekken. Dat is iets anders dan het nemen van ontslag en in het geheel niet meer bij Verkeersschool terug te willen keren. Daarnaast is van belang dat aan die mededeling een woordenwisseling vooraf is gegaan en [A] vlak voor die mededeling een sneeuwbal van een collega in zijn nek heeft gekregen. [A] is die middag, zo begrijpt de kantonrechter, geëmotioneerd geraakt en naar huis gegaan.

4.6.

Ook op basis van het feit dat [A] op vrijdag 12 februari 2021 niet op kantoor is verschenen mocht Verkeersschool naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet aannemen dat [A] zijn arbeidsovereenkomst had opgezegd. Partijen hadden immers de dag ervoor besproken dat [A] die dag thuis wilde werken. Het feit dat Verkeersschool had aangegeven dat zij [A] die dag op kantoor verwachte, brengt nog niet mee dat uit een niet verschijnen de conclusie kan worden getrokken dat hij ontslag had genomen.

Verkeersschool heeft nog aangevoerd dat [A] op vrijdag 12 februari 2021 en maandag 16 februari 2021 nagenoeg geen werkzaamheden heeft verricht, maar dat is door [A] gemotiveerd betwist. Verkeersschool heeft bovendien erkend dat [A] die dagen op het systeem van Verkeersschool heeft ingelogd. Het inloggen duidt er op dat [A] werkzaamheden heeft verricht en strookt niet met de stelling dat [A] per direct de arbeidsovereenkomst zou hebben opgezegd.

4.7.

Verder is gesteld noch gebleken dat Verkeersschool heeft onderzocht of [A] daadwerkelijk wilde opzeggen en dat zij [A] heeft voorgelicht over de gevolgen van die opzegging. Opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft in dit geval nadelige gevolgen voor [A] . In geval van een eigen opzegging heeft [A] geen recht op een uitkering. Verkeersschool mocht naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet aannemen dat de verklaring van [A] was gericht op vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

- de vorderingen

4.8.

Het voorgaande brengt de kantonrechter tot de slotsom dat naar haar voorlopig oordeel de arbeidsovereenkomst niet door [A] is opgezegd. Niet gesteld of gebleken is dat de arbeidsovereenkomst op een andere wijze is beëindigd. Gelet hierop moet er voorshands vanuit worden gegaan dat het dienstverband niet is geëindigd en dus nog steeds voortduurt. Nu de arbeidsovereenkomst voortduurt heeft [A] recht op loon. Hieruit vloeit voort dat Verkeersschool ook na 11 februari 2021 gehouden was het salaris van [A] te voldoen. De vordering van [A] tot loon(door)betaling zal daarom worden toegewezen.

4.9.

[A] heeft aanspraak gemaakt op wettelijke verhoging. De wettelijke verhoging is bedoeld als een prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen, zodat de werknemer daarover tijdig kan beschikken. Verkeersschool heeft het loon niet betaald, omdat zij zich daartoe niet gehouden achtte, nu zij in de veronderstelling verkeerde dat [A] de arbeidsovereenkomst had opgezegd. [A] heeft echter direct nadat Verkeerschool haar had bericht dat zij de opzegging van de arbeidsovereenkomst accepteerde, richting Verkeersschool aangegeven dat hij geen ontslag heeft genomen.

In die omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 30%.

4.10.

De gevorderde wettelijke rente over voormelde bedragen zal als onweersproken worden toegewezen.

4.11.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen conform de daarvoor geldende staffel worden toegewezen tot een bedrag van € 223,61.

4.12.

De vordering tot het verstrekken van salarisspecificaties zal als onweersproken worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor opleggen van een dwangsom, nu niet is gebleken dat Verkeersschool met het verstekken van de salarisspecificaties in gebreke zal blijven. Uit het enkele feit dat [A] de loonstrook over februari 2021 pas ontving nadat hij daarom heeft gevraagd, kan niet worden afgeleid dat Verkeersschool niet aan de veroordeling tot het verstrekken van salarisspecificaties zal voldoen.

4.13.

Verkeersschool zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De proceskosten aan de zijde van [A] worden vastgesteld op:

- explootkosten € 90,21

- griffierecht € 240,00

- salaris gemachtigde € 748,00

totaal € 1.078,21

4.14.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals hierna in het dictum is bepaald.

5 Beslissing

De kantonrechter:

Rechtdoende in kort geding

5.1.

veroordeelt Verkeersschool tot betaling aan [A] , binnen vier dagen na betekening van dit vonnis, van het netto-equivalent van het bedrag van € 1.232,00 bruto aan achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 30%, de wettelijke rente vanaf de te onderscheiden data van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt Verkeersschool tot betaling aan [A] , binnen vier dagen na betekening van dit vonnis, van een bedrag van € 223,61 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.3.

veroordeelt Verkeersschool tot afgifte van loonspecificaties over voormelde bedragen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis;

5.4.

veroordeelt Verkeerschool tot betaling van het salaris van € 2.426,67 bruto per maand vanaf 1 maart 2021 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

5.5.

veroordeelt Verkeersschool in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [A] vastgesteld op € 1.078,21; te vermeerderen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [A] volledig aan dit vonnis voldoet, met de na dit vonnis ontstane kosten, die worden begroot op een bedrag van € 124,00 (half punt toepasselijk liquidatietarief, met een maximum van € 124,00) aan salaris gemachtigde;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. J.A. Werkema, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 779