Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1909

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
18/273684-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland locatie Assen veroordeelt een man wegens een poging tot zware mishandeling tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 7 voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van onder andere een klinische behandeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/273684-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 mei 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 mei 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N. El Farougui, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

verdachte op of omstreeks 31 oktober 2020, te Assen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal, al dan niet met (een) tot vuist gebalde hand(en) (met kracht) op of tegen diens hoofd heeft geslagen of gestompt en/of nadat die [slachtoffer] ten val was gekomen en op de grond lag (nogmaals) meermalen, in elk geval eenmaal, (krachtig) op of tegen diens hoofd heeft geslagen of gestompt en/of tegen diens hoofd heeft geschopt of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

verdachte op of omstreeks 31 oktober 2020, te Assen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, in elk geval eenmaal, al dan niet met (een) tot vuist gebalde hand(en) (met kracht) op of tegen diens hoofd heeft geslagen of gestompt en/of nadat die [slachtoffer] ten val was gekomen en op de grond lag (nogmaals) meermalen, in elk geval eenmaal, (krachtig) op of tegen diens hoofd heeft geslagen of gestompt en/of tegen diens hoofd heeft geschopt of getrapt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde, kort gezegd een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter terechtzitting van 4 mei 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb [slachtoffer] op 31 oktober 2020 meerdere keren geslagen en eenmaal geschopt. Dat was in de dagbestedingsruimte van [stichting] in Assen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 oktober 2020, opgenomen op pagina 55 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020300993 d.d. 13 november 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Ik ben woonachtig aan de [straatnaam] te Assen, bij [stichting] . Op 31 oktober 2020 bevond ik mij in de dagbestedingsruimte. Op een gegeven moment zag ik [verdachte] . Ik zag en voelde dat [verdachte] mij begon te slaan. Het gebeurde met kracht. Ik kwam door de klappen ten val. Ik voelde dat [verdachte] nog steeds op mijn hoofd insloeg toen ik op de grond lag. Het deed mij veel pijn. Ik merkte dat ik bloed had aan mijn gelaat. Inmiddels begint mijn rechterhand pijn te doen. Ik zie dat deze hand ook opzwelt.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2020, opgenomen op pagina 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

De beelden zijn opgenomen door een camera in de dagbestedingsruimte. Ik zag [slachtoffer] bezig bij het keukenblok. Ik zag [verdachte] rechts van hem staan. Ik zag dat [verdachte] een vuistslag met links gaf in het gezicht van [slachtoffer] en daarna gelijk een slag met zijn rechtervuist. Daarna zag ik dat [verdachte] hem nogmaals een vuistslag met links en daarna met rechts, in het gezicht geeft. Ik zag dat [slachtoffer] na deze klappen voorover op de grond valt waarbij het lijkt of zijn benen onder hem wegglijden. Nadat [slachtoffer] op de grond is gevallen ligt [slachtoffer] op zijn linkerzijde op de grond. [verdachte] buigt over hem heen en slaat hem met een "hamer" beweging nogmaals tweemaal in zijn gezicht. Na deze twee klappen gaat [verdachte] rechtop staan. Ik zag dat hij daarna [slachtoffer] met zijn linkervoet tegen het hoofd trapte.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen vast dat verdachte

aangever [slachtoffer] meermalen met kracht met de vuist tegen het gezicht heeft geslagen, ten gevolge waarvan [slachtoffer] is gevallen. Toen [slachtoffer] weerloos op de grond lag, heeft verdachte hem nog tweemaal tegen het hoofd geslagen en eenmaal tegen het hoofd getrapt. Verdachte droeg daarbij slippers aan zijn voeten.

Primair is een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] ten laste gelegd, waarvoor (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is vereist.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. De rechtbank overweegt dat het hoofd een zeer kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam is. Bij het meermalen (met de kracht) met de vuist tegen het hoofd te slaan terwijl het slachtoffer weerloos met het hoofd op de grond ligt (en niet mee kan veren), en het vervolgens met een blote voet met slipper tegen het hoofd van het slachtoffer te trappen, is dan ook de aanmerkelijke kans aanwezig dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt.

De rechtbank overweegt voorts dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

Het primair tenlastegelegde zal dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

verdachte op 31 oktober 2020, te Assen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] meermalen, met een tot vuist gebalde hand met kracht tegen diens hoofd heeft geslagen en nadat die [slachtoffer] ten val was gekomen en op de grond lag nogmaals meermalen, krachtig tegen diens hoofd gestompt en tegen diens hoofd heeft getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair poging tot zware mishandeling

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden - kort gezegd - een meldplicht, een opname in een zorginstelling zoals een forensisch psychiatrische kliniek (hierna: FPK), een ambulante behandeling, en een drugs- en alcoholverbod. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van ten hoogste een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden waarvan hoogstens 2 maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met dien verstande dat de klinische opname plaats dient te vinden op een forensisch psychiatrische afdeling (hierna: FPA) (beveiligingsniveau 2) en niet op een FPK (beveiligingsniveau 3). De psycholoog acht beveiligingsniveau 2 afdoende en bovendien bedraagt de wachttijd voor een FPK ongeveer zes tot twaalf maanden, hetgeen disproportioneel zou zijn gelet op het feit en de duur van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 13 maart 2021, de reclasseringsrapportages d.d. 15 april 2021 en 30 april 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 21 april 2021, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft een medebewoner van een instelling voor begeleid wonen meermalen met kracht met de vuist in het gezicht geslagen. Toen de medebewoner ten val kwam en weerloos op de grond lag, heeft verdachte hem nogmaals tweemaal tegen het hoofd geslagen en eenmaal tegen het hoofd getrapt. De gevolgen voor het slachtoffer lijken beperkt te zijn gebleven. Het slachtoffer mocht na onderzoek op de spoedeisende hulp weer naar huis.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eenmaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten, te weten openlijke geweldpleging.

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychologisch rapport van 13 maart 2021 opgemaakt door GZ-psycholoog N. van der Weegen. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in als conclusie dat verdachte lijdt aan een lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis, aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken en aan stoornissen in het gebruik van cannabis en speed.

Dit was ten tijde van het tenlastegelegde hetzelfde en beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte.

De psycholoog adviseert het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de feiten en de persoon van verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare. De rechtbank is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit een gevangenisstraf passend is. De rechtbank acht het daarnaast van belang dat verdachte wordt behandeld en zal in dat kader een deel van de straf voorwaardelijk opleggen en koppelen aan bijzondere voorwaarden.

De rechtbank constateert dat zowel de psycholoog, de reclassering als verdachte zelf het erover eens zijn dat verdachte behandeling en begeleiding nodig heeft, maar dat geen overeenstemming bestaat ten aanzien van de plek waar dit dient te gebeuren. De psycholoog adviseert in voornoemd rapport om als bijzondere voorwaarde aan verdachte (onder meer) op te leggen een behandeling in een klinische instelling met een gemiddeld tot hoog beveiligingsniveau, zoals een FPA. Blijkens het reclasseringsadvies d.d. 30 april 2021 is verdachte vanuit het DIZ-klinische-plaatsing (DIZ = Divisie Individuele Zaken) ook geïndiceerd voor een klinische behandeling op het niveau van een FPA. De rechtbank constateert echter dat Trajectum locatie [instelling] verdachte enkel wil accepteren voor plaatsing op beveiligingsniveau 3 (en niet op beveiligingsniveau 2, zoals geïndiceerd door de psycholoog en DIZ-klinische-plaatsing). Voor een dergelijke plaatsing -op beveiligingsniveau 3- geldt een wachttijd van zes tot twaalf maanden. De reclassering adviseert dienaangaande om verdachte in detentie te laten verblijven tot hij opgenomen kan worden bij Trajectum in [instelling] (FPK “[instelling]”), en - in het geval de wachttijd langer dan zes maanden zal duren - een opname in het kader van zogeheten overbruggingszorg te regelen, tot verdachte op de geïndiceerde afdeling kan worden opgenomen.

De rechtbank ziet laatstgenoemde optie als zeer onwenselijk. Nu verdachte reeds zes maanden in voorlopige hechtenis verblijft, zou dit immers betekenen dat verdachte in totaal een à anderhalf jaar vastzit, waarna hij nog een klinische opname voor de duur van maximaal twee jaren moet ondergaan. Gelet op de ernst van het delict en de daarvoor geldende oriëntatiepunten, het beperkte strafrechtelijke verleden van verdachte alsmede gelet op het strafverminderende effect dat de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte op de strafmaat dient te hebben, is de rechtbank van oordeel dat dit volstrekt buitenproportioneel zou zijn. Bovendien hebben zowel de psycholoog als het DIZ-klinische-plaatsing aangegeven dat een FPA, en niet een FPK, aangewezen is.

Gelet op het voorgaande in combinatie met de ter terechtzitting getoonde motivatie van verdachte om te veranderen en mee te werken aan behandeling en begeleiding zal de rechtbank de klinische opname in een FPK niet als bijzondere voorwaarde opleggen, zoals de reclassering adviseert, maar een klinische opname in een FPA, of soortgelijke instelling, zoals geadviseerd door de psycholoog en DIZ-klinische-plaatsing. Deze opname zal maximaal anderhalf jaar duren. Daarna dient deze opname gevolgd te worden door een verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. De rechtbank zal tevens een middelenverbod opleggen.

De rechtbank spreekt de hoop uit dat verdachte deze behandeling en begeleiding met beide handen aangrijpt om de door hem gewenste verandering te bewerkstelligen.

De rechtbank zal de op te leggen voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren. Het recidiverisico (op een geweldsdelict) wordt door de psycholoog en de reclassering als hoog ingeschat en derhalve dient er ernstig rekening mee te worden gehouden dat de veroordeelde - zonder begeleiding en behandeling - wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot een maand, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarde(n):

1. dat de veroordeelde zich uiterlijk binnen vijf werkdagen na het uitspreken van dit vonnis meldt bij GGZ VNN Assen, [straatnaam] te Assen en zich blijft melden zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.

2. dat de veroordeelde zich zal laten opnemen in een FPA, althans een soortgelijke instelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven. De opname duurt anderhalf jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

3. als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

4. dat de veroordeelde zich indien geïndiceerd na klinische zorg, gedurende de proeftijd van drie jaren onder ambulante behandeling zal stellen van de AFPN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen. De behandeling zal zijn gedurende de proeftijd zolang de reclassering dit nodig acht. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Bij bijvoorbeeld terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik of ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, ontstaat een grote kans op risicovolle situaties. Dan kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

5. dat de veroordeelde, indien geïndiceerd na een klinische behandeling, gedurende de proeftijd van drie jaren of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan de huisregels en het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

6. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd van drie jaren zal onthouden van gebruik van alcohol en drugs en meewerkt aan controle op middelengebruik. De reclassering kan bloedonderzoek, urineonderzoek of ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt, indien van toepassing in overleg met de kliniek, hoe vaak en op welke wijze de veroordeelde wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. R. Depping, rechters, bijgestaan door C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 mei 2021.

Mr. Klaassens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen evenals de griffier.