Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1867

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
18/930045-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Noordelijke Fraudekamer (NFK). Veroordeling wegens medeplegen van gewoontewitwassen tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 80 uren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 420bis
Wetboek van Strafrecht 420ter
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930045-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 10 mei 2021 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 april 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van Nimwegen, advocaat te Tilburg.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Hoekman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot 1 september 2016, te Emmen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen,

al dan niet een van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, (van) een voorwerp(en), te weten (telkens)

- een hoeveelheid geld, en/of

- een bankpas (op naam van een ander dan verdachte(n)),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, of van dat/die voorwerp(en) gebruik gemaakt,

door, al dan niet op verzoek van (een) medeverdachte(n) of ander(en), dat/die bankpas (met bijbehorende pincode) aan te nemen en/of onder zich te houden en/of te gebruiken om uit een geldautomaat geld op te nemen, en/of (aldus) daarmee opgenomen geld onder zich te nemen en/of houden en/of (vervolgens ook) af te geven aan een of meer medeverdachte(n) of ander(en),

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en)

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een ander in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot 1 september 2016, te Emmen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen,

al dan niet van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt,

immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een ander, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, (van) een voorwerp(en), te weten (telkens)

- een hoeveelheid geld, en/of

- een bankpas (op naam van een ander dan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een ander of verdachte),

a. a) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had, en/of

b) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, of van dat/die voorwerp(en) gebruik gemaakt,

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, of van dat/die voorwerp(en) gebruik gemaakt,

door (telkens) die bankpas (met bijbehorende pincode) aan te nemen en/of onder zich te houden en/of te (doen/laten) gebruiken om uit een of meer geldautomaat/geldautomaten (telkens) geld op te nemen of te doen/laten opnemen, en/of

door (aldus daarmee) opgenomen geld(en) (telkens) onder zich te (doen/laten) nemen en/of houden en/of (vervolgens ook) af te geven aan een of meer medeverdachte(n) of ander(en),

terwijl die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of ander wist(en), althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

bij en/of tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

(telkens), al dan niet op verzoek van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of ander(en), dat/die bankpas (met bijbehorende pincode) aan te nemen en/of onder zich te houden en/of te gebruiken om uit een geldautomaat geld op te nemen, en/of (aldus) opgenomen geld onder zich te nemen en/of houden en/of (vervolgens ook) af te geven aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of ander(en).

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde, in de variant medeplegen van (gewoonte)witwassen. Hij heeft daarbij opgemerkt dat er ten aanzien van de ten laste gelegde geldbedragen voldoende bewijs is voor 24 geldopnames die door verdachte zijn uitgevoerd, zoals verdachte bij de politie heeft verklaard.

Hij heeft met betrekking tot de ten laste gelegde bankpas het volgende aangevoerd. Het aanvragen van een bankpas en deze vervolgens afgeven aan personen die hiermee oplichtingen plegen, levert witwassen op. Daarmee is ook het voorhanden hebben en gebruiken van de bankpas aan te merken als witwassen. Verdachte had wetenschap van de criminele herkomst van de bankpas.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn, omdat niet uit het dossier blijkt met welke bankpassen verdachte heeft gepind.

Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde, nu verdachte niet een materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft gehad en zijn rol meer als die van medeplichtige is te beschouwen. Verdachte heeft alleen een aantal malen geld gepind en diende het geld direct af te geven. Hij kende de medeverdachten niet, op medeverdachte [medeverdachte 1] na. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat verdachte juist heeft geprobeerd tegen te werken. De verklaring van verdachte dat hij 15 keer (in plaats van 24 keer) heeft gepind, dient te worden gevolgd.

Oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde medeplegen van witwassen, terwijl hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt, wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Inleiding

Het onderzoek Mocia is opgestart naar aanleiding van meerdere verdachte contante geldopnames bij geldautomaten in Emmen op 28 en 29 juli 2015 door medeverdachte [medeverdachte 2] . Uit het onderzoek naar de gebruikte bankrekeningen zijn vervolgens tientallen bankrekeningen op naam van (hoofdzakelijk) Bulgaarse en Spaanse personen naar voren gekomen, die werden gebruikt om geldbedragen te ontvangen, door te storten en uiteindelijk contant op te nemen. Van deze geldbedragen werd vermoed dat zij afkomstig waren van oplichting. In heel Nederland zijn tientallen aangiftes van oplichting gedaan tegen verschillende (al dan niet bestaande) incassobedrijven, die aangevers zouden hebben bewogen om geldbedragen over te maken naar bovengenoemde bankrekeningen.

Hoewel het onderzoek zich voornamelijk heeft toegespitst op de vermeende oplichtingen, is geen van de verdachten in het onderzoek uiteindelijk vervolgd wegens oplichting. Wel zijn verdachte en zijn medeverdachten gedagvaard wegens - kortgezegd - medeplegen van (dan wel medeplichtigheid aan) witwassen.

Bankpassen - niet van misdrijf afkomstig

Uit het politiedossier volgt dat de rekeninghouders die aan de bankpassen zijn verbonden die in het dossier zijn genoemd, vermoedelijk katvangers zijn. Voor zover al kan worden vastgesteld dat dit al dezelfde bankpassen zijn die door verdachte zijn gebruikt bij het opnemen van contant geld, is niet gebleken dat deze bankrekeningen door andere personen dan de rekeninghouders zijn geopend, of dat er anderszins een misdrijf is gepleegd om de bankrekeningen te openen of de daarbij behorende bankpassen te verkrijgen. Dat de rekeningen mogelijk zijn geopend op verzoek van een ander, met het enkele doel om daarmee strafbare feiten te plegen, levert op zichzelf geen misdrijf op. Dat de bankpassen zijn gebruikt bij het plegen van een strafbaar feit, zoals oplichting of witwassen, maakt nog niet dat deze reeds daarom afkomstig zijn van enig misdrijf.2 De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de bankpassen van misdrijf afkomstig zijn.

Geldbedragen

De rechtbank acht wel bewezen dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.

Het dossier bevat geen gegevens van concrete geldopnames. Wel volgt uit de verklaring van verdachte dat hij 15 keer contante bedragen tussen € 1.500,-- en € 2.500,-- voor medeverdachte [medeverdachte 1] heeft opgenomen van mei 2015 tot en met augustus 2016 in Emmen. Hij heeft per keer met twee of drie bankpassen gepind.3 Hoewel verdachte bij de politie ook heeft verklaard dat hij 24 keer heeft gepind, gaat de rechtbank ten voordele van verdachte uit van de 15 keer die hij zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft genoemd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 1] uit het café kende. Soms moest verdachte meerdere malen per week pinnen en soms maanden niet. Medeverdachte [medeverdachte 1] gaf verdachte verschillende bankpassen die niet op zijn naam stonden, maar op naam van verschillende Roemenen en Bulgaren. De pincodes die bij de bankpassen hoorden, waren op een briefje op de pinpassen geschreven. Nadat verdachte het geld had afgegeven aan medeverdachte [medeverdachte 1] kreeg verdachte van hem een vergoeding van € 50,-- voor het pinnen. Verdachte heeft verklaard dat hij een doosje met meerdere passen heeft gezien bij medeverdachte [medeverdachte 1] .4 Bij de politie heeft verdachte voorts nog verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] hem toen het wat drukker werd met het pinnen in 2015 vertelde dat het beter zou zijn als verdachte zijn gezicht zou bedekken en kreeg hij een bril en een petje van [medeverdachte 1] om zich te vermommen.5

De rechtbank vindt voor de verklaring van verdachte steun in de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij in juli 2015 in opdracht van ‘ [naam] ’ in twee dagen tijd in totaal ruim € 8.000,-- heeft opgenomen bij geldautomaten in Emmen.6 Met ‘ [naam] ’ bedoelde verdachte [medeverdachte 2] medeverdachte [medeverdachte 1] .7 De bankpassen die [medeverdachte 2] hiervoor gebruikte, stonden op naam van andere personen dan de medeverdachten.8 Uit de bankafschriften is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 2] op 28 en 29 juli 2015 in totaal vijf keer geld heeft opgenomen van in totaal € 8.520,--.9 Ook stelt de rechtbank op grond van alle bankrekeninggegevens vast dat dit bedrag, nadat het via een andere bankrekening is doorgestort, te herleiden is naar rekening [rekeningnummer] .10 Rekening [rekeningnummer] is op 15 juli 2015 geopend en op 29 juli 2015 is de laatste betaling is verricht. Onder andere de volgende af- en bijschrijvingen zijn gedaan:11

Datum

Rekening

Omschrijving

Af

Bij

27 juli 2015

[rekeningnummer]

kenmerk: [kenmerk]

€ 2.580,29

28 juli 2015

[rekeningnummer]

betalingskenmerk: [kenmerk]

€ 2.580,29

28 juli 2015

[rekeningnummer]

-

€ 5.160,00

28 juli 2015

[rekeningnummer]

[kenmerk]

€ 2.580,29

29 juli 2015

[rekeningnummer]

[kenmerk]

€ 2.580,29

29 juli 2015

[rekeningnummer]

spaarrekening opname

€ 5.160,00

Nu de bijschrijvingen nagenoeg gelijk zijn aan een kort daaropvolgende afschrijving, kan worden vastgesteld dat contante opnames van verdachte herleidbaar zijn tot de vier bijschrijvingen van ieder € 2.580,29.

Ten aanzien van de bijschrijvingen vanaf rekeningen [rekeningnummer] en [rekeningnummer] is aangifte van oplichting gedaan.12 Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat de bedragen die door deze twee aangevers zijn overgemaakt en vervolgens, na doorstorting op verschillende rekeningen, zijn opgenomen door verdachte, van misdrijf (oplichting) afkomstig zijn.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de twee andere bedragen ook van misdrijven afkomstig zijn. Ten aanzien van deze bedragen is geen aangifte gedaan. Wel kan worden vastgesteld dat de bedragen een gelijke hoogte en een vergelijkbare omschrijving hebben en dat kort na de bijschrijvingen de bedragen op dezelfde wijze worden doorgestort en op dezelfde dag contant worden opgenomen. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de rekening is gebruikt voor legale doeleinden, gelet op de af- en bijschrijvingen die enkel in een periode van twee weken hebben plaatsgevonden. Het merendeel van de bijschrijvingen betreft vergelijkbare bedragen met een betalingskenmerk. Bovendien zijn de rekeninghouders van deze rekening en de rekeningen die zijn gebruikt voor het doorstorten van de bedragen, allen personen die zich in 2015 hebben uitgeschreven uit de basisregistratie personen. Ook volgt uit de verklaring van medeverdachte Yuseinov dat hij verschillende personen heeft betaald om zich in te schrijven en rekeningen te openen. Het is daarom aannemelijk dat de rekeninghouders katvangers waren.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de geldbedragen die door medeverdachte [medeverdachte 2] zijn opgenomen van misdrijf (oplichting) afkomstig zijn.

De rechtbank stelt voorts vast dat nergens uit blijkt dat de opgenomen geldbedragen een legale herkomst hebben.

De hiervoor geschetste omstandigheden waaronder verdachte contant geld heeft opgenomen zijn naar het oordeel van de rechtbank dusdanig ongebruikelijk, dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen die verdachte heeft gepind voor medeverdachte [medeverdachte 1] , van misdrijf afkomstig zijn.

Wetenschap

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte wist dan wel redelijkerwijs kon vermoeden dat de contant opgenomen geldbedragen afkomstig waren van misdrijf.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat het geld van misdrijf afkomstig was, maar dat hij naarmate hij vaker geld moest opnemen wel argwaan kreeg.

De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte onder de voorgaande omstandigheden bewust de ogen heeft gesloten voor de niet legale herkomst van de geldbedragen en daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de bedragen die hij contant heeft opgenomen van misdrijf afkomstig waren. Aldus is sprake geweest van wetenschap als bedoeld in artikel 420bis Sr.

Medeplegen van (gewoonte)witwassen

Gelet op het feit dat verdachte 15 keer contant geld heeft opgenomen in een tijdsbestek van ruim een jaar, acht de rechtbank bewezen dat hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat medeplegen kan worden bewezen. Uit de verklaring van verdachte volgt dat medeverdachte [medeverdachte 1] de initiatiefnemer van het opnemen van de geldbedragen is geweest en dat hij verdachte van de bankpassen met pincodes heeft voorzien. Verdachte heeft zelf de pinhandeling verricht en vervolgens de geldbedragen aan medeverdachte [medeverdachte 1] gegeven. Gelet op het voorgaande is ten aanzien van het meermalen voorhanden hebben van een geldbedrag, sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en (in ieder geval) medeverdachte [medeverdachte 1] , die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met (in ieder geval) medeverdachte [medeverdachte 1] van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, door meermalen een geldbedrag voorhanden te hebben, terwijl hij wist dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig was.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 mei 2015 tot 1 september 2016, te Emmen,

tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n),

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft verdachte meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), een voorwerp, te weten telkens een hoeveelheid geld, voorhanden gehad door uit een geldautomaat geld op te nemen,

terwijl hij wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van witwassen, terwijl hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde medeplegen van (gewoonte)witwassen wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de richtlijnen van het Openbaar Ministerie ten aanzien van witwassen en hij heeft een korting van 20% op de taakstraf toegepast om tegemoet te komen aan de forse overschrijding van de redelijke termijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor het achterwege laten van oplegging van een straf of maatregel en subsidiair voor een geheel voorwaardelijke taakstraf met een korte proeftijd. Hij heeft daarbij gewezen op het tijdsverloop, de proceshouding van verdachte, het feit dat hij weinig voordeel heeft verkregen en het feit dat verdachte zijn leven nu op de rit heeft.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van (gewoonte)witwassen door 15 keer geldbedragen contant op te nemen bij een geldautomaat, terwijl deze bedragen afkomstig waren van misdrijf. Verdachte gebruikte hierbij verschillende bankpassen die samen met de bijbehorende pincodes door medeverdachte [medeverdachte 1] werden verstrekt. Verdachte heeft vervolgens het geld afgestaan aan medeverdachte [medeverdachte 1] . Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en meer specifiek het vertrouwen van de burger in het handelsverkeer. Ook bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten. Door het (faciliteren van het) wegsluizen van crimineel geld wordt de opsporing van onderliggende misdrijven bemoeilijkt. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

De rechtbank is gelet op de ernst van het feit van oordeel dat hierop een straf dient te volgen. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS ten aanzien van fraude. De rechtbank gaat er hierbij uit van de verklaring van verdachte dat hij 15 keer een geldbedrag heeft opgenomen en dat de contante opnames gemiddeld € 2.000,-- bedroegen. Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS is voor een benadelingsbedrag van € 10.000,-- tot € 70.000,-- een gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden ofwel een taakstraf passend.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf in aanzienlijke mate rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. De termijn is aangevangen bij het eerste verhoor van verdachte op 11 januari 2017. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Daarmee is de redelijke termijn met 2 jaren en 4 maanden overschreden. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die de termijnoverschrijding rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding tot gevolg moet hebben dat er geen gevangenisstraf wordt opgelegd en dat de taakstraf in voorwaardelijke vorm wordt opgelegd, met een beperkte proeftijd.

De rechtbank acht, alles afwegende, oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf van 80 uren met een proeftijd van 1 jaar, passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Bepaalt dat deze taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 1 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Timmermans, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en

mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 mei 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit ambtsedige processen-verbaal, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met dossiernummers 2015220135 en 2016151404 (onderzoek Mocia) d.d. 17 augustus 2017.

2 Vgl. Hoge Raad 13 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:327).

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 304 e.v.

4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 april 2021.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 304 e.v.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , pagina 116 e.v.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , pagina 169 e.v.

8 Kennisgeving van inbeslagneming, pagina 871 e.v.

9 Processen-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, pagina’s 1209, 1240 en 1279 e.v. Dit betreffen opnames van bankrekeningen [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] .

10 Processen-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, pagina’s 2087 en 1279 e.v. De bedragen zijn doorgestort via de bankrekeningen [rekeningnummer] en [rekeningnummer] .

11 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, pagina 2094 e.v.

12 Processen-verbaal van aangifte, resp. pagina 508 en pagina 501 e.v.