Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1864

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
18/930043-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Noordelijke Fraudekamer (NFK). Veroordeling wegens medeplegen van gewoontewitwassen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 420bis
Wetboek van Strafrecht 420ter
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930043-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 10 mei 2021 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op 1978 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 april 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Hoekman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot 1 oktober 2016, te Emmen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen,

al dan niet van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n), althans alleen, (van) een voorwerp(en), te weten (telkens)

- een hoeveelheid geld, en/of

- een of meer bankpassen, te weten

- een ABN-AMRO bankpas met rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [benadeelde partij 1] , en/of

- een ABN-AMRO bankpas met rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [benadeelde partij 2] , en/of

- een ABN-AMRO bankpas met rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [benadeelde partij 3] , en/of

- een bankpas met rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [benadeelde partij 4] ,

in elk geval een of meer andere bankpassen (op naam van een ander dan verdachte)

a. a) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden had, en/of

b) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, of van dat/die voorwerp(en) gebruik gemaakt,

door tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, dat/die bankpassen (op naam van een ander dan verdachte) met bijbehorende pincode(s) te verwerven en/of aan te nemen en/of onder zich te houden en/of te gebruiken of doen/laten gebruiken om uit een of meer geldautomaat/geldautomaten (telkens) geld op te nemen, en/of door (aldus) opgenomen geld(en) (telkens) te ontvangen en/of onder zich te nemen en/of houden en/of over te dragen aan een of meer medeverdachte(n) of ander(en),

terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en)

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde medeplegen van (gewoonte)witwassen.

De officier van justitie is bij de bewezenverklaring van de geldbedragen uitgegaan van de geldbedragen die door medeverdachten [medeverdachte 1] (€ 8.810,--), [medeverdachte 2] (€ 500,--) en [medeverdachte 3] (€ 24 x € 1.750,-- = € 42.000,--) zijn gepind.

Hij heeft met betrekking tot de ten laste gelegde bankpassen het volgende aangevoerd. Het aanvragen van bankpassen en deze vervolgens afgeven aan personen die hiermee oplichtingen plegen, levert witwassen op. Daarmee is ook het voorhanden hebben en gebruiken van de bankpassen aan te merken als witwassen. Verdachte had wetenschap van de criminele herkomst van de bankpassen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De belastende getuigenverklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn als onbetrouwbaar aan te merken en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt, nu deze mogelijk zijn beïnvloed door medeverdachte [medeverdachte 2] . Bovendien blijkt verder niet uit dossier dat verdachte een organiserende rol had. Er is geen concreet bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het doorsluizen van geld op de bankrekeningen, waardoor onvoldoende bewijs is voor de ten laste gelegde a-variant (verhullen of verbergen). Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat de bankpassen en de geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn.

Oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank acht het ten laste gelegde medeplegen van witwassen, terwijl hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt, wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Inleiding

Het onderzoek Mocia is opgestart naar aanleiding van meerdere verdachte contante geldopnames bij geldautomaten in Emmen op 28 en 29 juli 2015 door medeverdachte [medeverdachte 1] . Uit het onderzoek naar de gebruikte bankrekeningen zijn vervolgens tientallen bankrekeningen op naam van (hoofdzakelijk) Bulgaarse en Spaanse personen naar voren gekomen, die werden gebruikt om geldbedragen te ontvangen, door te storten en uiteindelijk contant op te nemen. Van deze geldbedragen werd vermoed dat zij afkomstig waren van oplichting. In heel Nederland zijn tientallen aangiftes van oplichting gedaan tegen verschillende (al dan niet bestaande) incassobedrijven, die aangevers zouden hebben bewogen om geldbedragen over te maken naar bovengenoemde bankrekeningen.

Hoewel het onderzoek zich voornamelijk heeft toegespitst op de vermeende oplichtingen, is geen van de verdachten in het onderzoek uiteindelijk vervolgd wegens oplichting. Wel zijn verdachte en zijn medeverdachten gedagvaard wegens - kortgezegd - medeplegen van (dan wel medeplichtigheid aan) witwassen.

Bankpassen - niet afkomstig uit enig misdrijf

Uit het politiedossier volgt dat de rekeninghouders die aan de bankpassen zijn verbonden vermoedelijk katvangers zijn. Niet is gebleken dat de bankrekeningen door andere personen dan de rekeninghouders zijn geopend, of dat er anderszins een misdrijf is gepleegd om de bankrekeningen te openen of de daarbij behorende bankpassen te verkrijgen. Dat de rekeningen mogelijk zijn geopend op verzoek van een ander, met het enkele doel om daarmee strafbare feiten te plegen, levert op zichzelf geen misdrijf op. Dat de bankpassen zijn gebruikt bij het plegen van een strafbaar feit, zoals oplichting of witwassen, maakt nog niet dat deze afkomstig zijn van enig misdrijf.2 De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de bankpassen van misdrijf afkomstig zijn.

Geldbedragen

De rechtbank acht wel bewezen dat de geldbedragen die door medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] contant zijn opgenomen, van misdrijf afkomstig zijn.

[medeverdachte 1]

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in juli 2015 in opdracht van ‘ [verdachte] ’ in twee dagen tijd in totaal ruim € 8.000,-- heeft opgenomen bij geldautomaten in Emmen.3 Met ‘ [verdachte] ’ bedoelde medeverdachte [medeverdachte 1] verdachte.4 Hoewel medeverdachte [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris in 2021 minder duidelijk heeft verklaard wie hij bedoelde met ‘ [verdachte] ’ en dat hij mogelijk personen door elkaar heeft gehaald, gaat de rechtbank uit van de stellige herkenning die hij in december 2016 bij de politie heeft gedaan. Daarnaast heeft ook medeverdachte [medeverdachte 3] verklaard dat verdachte ‘ [verdachte] ’ werd genoemd door anderen. De bankpassen die [medeverdachte 1] voor het pinnen gebruikte, stonden op naam van andere personen dan verdachte of zijn medeverdachten.5 Uit de bankafschriften is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte 1] op 28 en 29 juli 2015 in totaal vijf keer geld heeft opgenomen tot een bedrag van in totaal € 8.520,--.6 Ook stelt de rechtbank op grond van alle bankrekeninggegevens vast dat dit bedrag, nadat het via een andere bankrekening is doorgestort, te herleiden is naar rekening [rekeningnummer] .7 Rekening [rekeningnummer] is op 15 juli 2015 geopend en op 29 juli 2015 is de laatste betaling is verricht. Onder andere de volgende af- en bijschrijvingen zijn gedaan:8

Datum

Rekening

Omschrijving

Af

Bij

27 juli 2015

[rekeningnummer]

kenmerk: [kenmerk]

€ 2.580,29

28 juli 2015

[rekeningnummer]

betalingskenmerk: [kenmerk]

€ 2.580,29

28 juli 2015

[rekeningnummer]

-

€ 5.160,00

28 juli 2015

[rekeningnummer]

[kenmerk]

€ 2.580,29

29 juli 2015

[rekeningnummer]

[kenmerk]

€ 2.580,29

29 juli 2015

[rekeningnummer]

spaarrekening opname

€ 5.160,00

Nu de bijschrijvingen nagenoeg gelijk zijn aan een kort daaropvolgende afschrijving, kan worden vastgesteld dat contante opnames van verdachte herleidbaar zijn tot de vier bijschrijvingen van ieder € 2.580,29.

Ten aanzien van de bijschrijvingen vanaf rekeningen [rekeningnummer] en [rekeningnummer] is aangifte van oplichting gedaan.9

[benadeelde partij 5] heeft aangifte gedaan van oplichting door een persoon die zich voordeed als werknemer van het bedrijf [bedrijf 1] . Zij diende direct een openstaande factuur van de Bedrijvengids te betalen, alsmede de dagvaardingskosten die zij later zou terugkrijgen. Als zij niet zou betalen, zou beslaglegging volgen en zou zij worden gedagvaard. Daarna heeft zij een e-mail ontvangen met betaalgegevens en heeft zij het totaalbedrag van € 2.580,29 voldaan vanaf rekening [rekeningnummer] .

Aangeefster stelt dat zij geen openstaande facturen had bij de Bedrijvengids en dat het bedrag niet is teruggestort.

[benadeelde partij 6] heeft ook aangifte gedaan van oplichting door een persoon die zich voordeed als werknemer van het bedrijf [bedrijf 1] . Deze persoon zou aangever telefonisch hebben benaderd en hebben gezegd dat er een factuur open stond die aangever moest betalen, omdat er anders een rechtszaak zou worden aangespannen. Aangever heeft vervolgens een e-mailbericht ontvangen, waarin stond dat de openstaande factuur alsmede de dagvaardingskosten moesten worden voldaan. De dagvaardingskosten zouden later worden teruggestort. Aangever heeft het totaalbedrag van € 2.580,29 voldaan vanaf rekening [rekeningnummer] . Aangever heeft vervolgens geen contact meer kunnen krijgen en er is geen bedrag teruggestort.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de bedragen die door deze twee aangevers zijn overgemaakt en vervolgens, na doorstorting op verschillende rekeningen, zijn opgenomen door verdachte, van misdrijf (oplichting) afkomstig zijn.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de twee andere bedragen ook van misdrijf afkomstig zijn. Ten aanzien van deze bedragen is geen aangifte gedaan. Wel kan worden vastgesteld dat de bedragen een gelijke hoogte en een vergelijkbare omschrijving hebben en dat kort na de bijschrijvingen de bedragen op dezelfde wijze worden doorgestort en op dezelfde dag contant worden opgenomen. De rechtbank acht niet aannemelijk dat de rekening is gebruikt voor legale doeleinden, gelet op de af- en bijschrijvingen die enkel in een periode van twee weken hebben plaatsgevonden. Het merendeel van de bijschrijvingen betreft vergelijkbare bedragen met een betalingskenmerk. Bovendien zijn de rekeninghouders van deze rekening en de rekeningen die zijn gebruikt voor het doorstorten van de bedragen, allen personen die zich in 2015 hebben uitgeschreven uit de basisregistratie personen. Ook volgt uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 5] dat hij verschillende personen heeft betaald om zich in te schrijven en rekeningen te openen. Het is daarom aannemelijk dat de rekeninghouder een katvanger is.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de geldbedragen die door medeverdachte [medeverdachte 1] zijn opgenomen van misdrijf (oplichting) afkomstig zijn.

[medeverdachte 3]

Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] volgt dat hij 15 keer contante bedragen tussen € 1.500,-- en € 2.500,-- op verzoek van verdachte heeft opgenomen van mei 2015 tot en met augustus 2016 in Emmen. Hij heeft per keer met twee of drie bankpassen gepind.10 Hoewel medeverdachte [medeverdachte 3] bij de politie ook heeft verklaard dat hij 24 keer heeft gepind, gaat de rechtbank ten voordele van verdachte uit van de 15 keer die hij zowel bij de politie als ter terechtzitting heeft genoemd. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat hij soms meerdere malen per week op verzoek van verdachte heeft gepind en soms maanden niet. Verdachte gaf hem verschillende bankpassen die niet op zijn naam stonden, maar op naam van verschillende Roemenen en Bulgaren. De pincodes die bij de bankpassen hoorden, waren op de pinpassen zelf of op een briefje op de pinpassen geschreven. Nadat medeverdachte [medeverdachte 3] het geld had afgegeven aan verdachte, kreeg hij van verdachte een vergoeding van € 50,-- voor het pinnen. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft daarnaast verklaard dat hij een doosje met 30 à 40 pinpassen heeft gezien bij verdachte. Verdachte zou hem, toen het wat drukker werd met het pinnen in 2015, hebben verteld dat het beter zou zijn als hij zijn gezicht zou bedekken en hij kreeg van verdachte een bril en een petje om zich te vermommen.11

[medeverdachte 4]

Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij in de zomervakantie of in september 2016 een keer heeft gepind met twee bankpassen op verzoek van de eigenaar van [bedrijf 2] . Hij herkent verdachte op een foto als de man die hem dit heeft gevraagd. Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft van verdachte twee bankpassen met een briefje met de twee bijbehorende pincodes gekregen. Hij meende zich te herinneren dat hij voor elk pasje € 1.500,-- heeft opgenomen. Naderhand heeft hij het geld afgegeven aan verdachte en heeft hij van verdachte een gratis drankje gekregen.12

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier geen aanwijzingen blijken waaruit kan volgen dat de opgenomen geldbedragen door voornoemde medeverdachten een legale herkomst hebben.

De hiervoor geschetste omstandigheden waaronder de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] contant geld hebben opgenomen, zijn naar het oordeel van de rechtbank dusdanig ongebruikelijk, dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen die zij hebben opgenomen, ook van misdrijf afkomstig zijn.

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de belastende getuigenverklaringen, waarin zij stellen dat verdachte degene was die hen heeft gevraagd om contant geld op te nemen, hen voorzag van bankpassen en pincodes, en het geld uiteindelijk kreeg overhandigd. De verklaringen zijn gedetailleerd en komen op belangrijke punten met elkaar overeen.

Dat verdachte een coördinerende rol heeft gespeeld in het contant maken en verhullen van de herkomst van de geldbedragen, volgt overigens ook uit de verklaring van medeverdachte [getuige] . Hij heeft verklaard dat ‘ [naam] ’, die hij op een foto als verdachte herkent, hem in december 2015 heeft gevraagd om vier mensen in te laten schrijven op zijn adres. Hij heeft dit gedaan en daarvoor € 400,-- ontvangen van verdachte.13 Dit betroffen vier Bulgaarse personen, op wier naam bankrekeningen zijn geopend. Nu deze personen kort na inschrijving in Nederland weer zijn uitgeschreven, is het aannemelijk dat dit katvangers waren.

Gelet op het voorgaande is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.

Uit de coördinerende rol van verdachte en de omstandigheden waaronder de contante geldbedragen door verschillende medeverdachten werden opgenomen, alsmede uit het feit dat medeverdachte [medeverdachte 3] verdachte heeft waargenomen met een doosje met 30 tot 40 pinpassen, volgt dat hij moet hebben geweten dat de opgenomen geldbedragen van misdrijf afkomstig waren.

Gelet op het feit dat meerdere medeverdachten in een periode van nagenoeg anderhalf jaar meerdere malen geld hebben opgenomen in opdracht van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

De rechtbank is op grond van het voorgaande aldus van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, door meermalen een geldbedrag voorhanden te hebben en hiervan de herkomst te verhullen, terwijl hij wist dat dit geldbedrag telkens van misdrijf afkomstig was.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 mei 2015 tot 1 oktober 2016, te Emmen

tezamen en in vereniging met medeverdachten,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft verdachte meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een of meer medeverdachte(n),

(van) een voorwerp, te weten telkens een hoeveelheid geld,

a. a) de herkomst heeft verhuld en

b) voorhanden heeft gehad,

door tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), telkens geld op te nemen,

terwijl hij telkens wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van witwassen, terwijl hij hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde medeplegen van (gewoonte)witwassen wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren met aftrek van het voorarrest. Hij heeft daarbij als benadelingsbedrag de bedragen die contant zijn opgenomen door medeverdachten [medeverdachte 1] (€ 8.810,--), [medeverdachte 3] (€ 42.000,--) en [medeverdachte 2] (€ 500,--), in aanmerking genomen. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de eis rekening gehouden met de richtlijnen van het Openbaar Ministerie ten aanzien van witwassen, die een aanzienlijke gevangenisstraf voorschrijven gelet op de rol van verdachte en het benadelingsbedrag. De officier van justitie heeft echter de maximale taakstraf geëist, om tegemoet te komen aan de forse overschrijding van de redelijke termijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - mocht de rechtbank overgaan tot bewezenverklaring - gepleit voor oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een aanzienlijk kleinere rol heeft vervuld dan de aannames in het dossier doen vermoeden. Nu het gissen is naar het totale bedrag dat [medeverdachte 3] gepind heeft, dient een lager benadelingsbedrag dan gehanteerd door de officier van justitie als uitgangspunt te worden genomen. Daarnaast dient het tijdsverloop in aanzienlijke mate te worden verdisconteerd in de straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting het reclasseringsrapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van (gewoonte)witwassen door andere personen grote contante geldbedragen te laten opnemen, terwijl deze bedragen afkomstig waren van misdrijf. Verdachte heeft aan zijn medeverdachten verschillende bankpassen met bijbehorende pincodes verstrekt, die op naam van katvangers stonden. Hoewel niet kan worden vastgesteld dat verdachte een (belangrijke) rol heeft gespeeld bij de strafbare feiten waaruit de geldbedragen zijn verkregen, waaronder in ieder geval oplichting, stelt de rechtbank wel vast dat verdachte een organiserende rol heeft gehad in het omzetten van giraal naar contant geld. Door andere personen in te zetten in dit proces, heeft verdachte kennelijk geprobeerd om niet zelf rechtstreeks strafrechtelijk ter verantwoording te worden geroepen.

Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en meer specifiek het vertrouwen van de burger in het handelsverkeer. Ook bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten. Door het (faciliteren van het) wegsluizen van crimineel geld wordt de opsporing van onderliggende misdrijven bemoeilijkt. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS ten aanzien van fraude. De rechtbank gaat er hierbij uit van de bedragen die medeverdachten [medeverdachte 1] (€ 8.520,--) en [medeverdachte 3] (€ 30.000,--) en [medeverdachte 4] (€ 3.000,--) hebben opgenomen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de rechtbank ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 3] uitgaat van de verklaring van [medeverdachte 3] dat hij 15 keer een geldbedrag heeft opgenomen en dat de contante opnames gemiddeld € 2.000,-- bedroegen. Volgens de oriëntatiepunten van het LOVS is voor een benadelingsbedrag van € 10.000,-- tot € 70.000,-- een gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden of een taakstraf passend.

Mede gelet op de grote rol die verdachte heeft gespeeld in het witwassen van de geldbedragen, is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een taakstraf onvoldoende recht zou doen de ernst van het feit. De rechtbank neemt daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden als uitgangspunt.

De rechtbank houdt daarnaast bij het bepalen van de straf in aanzienlijke mate rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. De termijn is aangevangen op de dag van inverzekeringstelling, te weten op 6 december 2016. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Daarmee is de redelijke termijn met 2 jaren en 5 maanden overschreden. Hoewel op verzoek van de verdediging enkele getuigen zijn gehoord, zijn er verder geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die de termijnoverschrijding rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding tot gevolg moet hebben dat de gevangenisstraf geheel in voorwaardelijke vorm wordt opgelegd, met een beperkte proeftijd.

De rechtbank acht, alles afwegende, oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 1 jaar, passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 1 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Timmermans, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en

mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 mei 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit ambtsedige processen-verbaal, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met dossiernummers 2015220135 en 2016151404 (onderzoek Mocia) d.d. 17 augustus 2017.

2 Vgl. Hoge Raad 13 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:327).

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 116 e.v.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , pagina 169 e.v.

5 Kennisgeving van inbeslagneming, pagina 871 e.v.

6 Processen-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, pagina’s 1209, 1240 en 1279 e.v. Dit betreffen opnames van bankrekeningen [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en [rekeningnummer] .

7 Processen-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, pagina’s 2087 en 1279 e.v. De bedragen zijn doorgestort via de bankrekeningen [rekeningnummer] en [rekeningnummer] .

8 Proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, pagina 2094 e.v.

9 Processen-verbaal van aangifte, resp. pagina 508 en pagina 501 e.v.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , pagina 304 e.v.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , pagina 304 e.v.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] , pagina 325 e.v.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 739 e.v en proces-verbaal van verhoor verdachte [getuige] , pagina 343 e.v.