Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1833

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
LEE 20/3527
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mijnbouwschade. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingediend.

Gelet op de omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat het te laat indienen van het bezwaar in dit geval verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

Het zogenoemde ‘doenvermogen’ van eisers in deze situatie speelt daarbij een rol. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/3527


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2021 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, verweerder

(gemachtigde: mw. mr. K. Winterink).

Procesverloop

In het besluit van 2 augustus 2019 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser een schadevergoeding toegekend van in totaal €2.969,43.

In het besluit van 21 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eisers hebben op 27 maart 2018 een aanvraag om schadevergoeding ingediend bij de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (inmiddels het Instituut Mijnbouwschade Groningen, hierna: verweerder). Het gaat om een aanvraag ter vergoeding van geleden aardbevingsschade op het adres [adres] te [woonplaats] .

1.2.

Deskundige Gras heeft op 5 november 2018 een adviesrapport uitgebracht aan verweerder. Op 18 november 2018 hebben eisers een zienswijze op het rapport ingediend.

1.3.

Naar aanleiding van de zienswijze van eisers is de schade opnieuw beoordeeld.

Op 25 januari 2019 heeft deskundige Gras een addendum op het adviesrapport uitgebracht.

1.4.

Op 14 februari 2019 hebben eisers een tweede zienswijze ingediend. Op 11 juni 2019 heeft deskundige Gras een tweede addendum op het adviesrapport uitgebracht.

1.5.

In het primaire besluit heeft verweerder, onder overname van het adviesrapport van Gras, aan eisers een bedrag van € 2.186,69 (herstelkosten) toegekend vermeerderd met,

€ 695,- (bijkomende kosten) en € 87,74 (wettelijke rente) toegekend.

1.6.

Eisers hebben op 4 november 2019 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft geconstateerd dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn is ontvangen. Bij brief van 1 september 2020 heeft verweerder eisers verzocht om uiterlijk 29 september 2020 de reden van de termijnoverschrijding aan te geven. Bij brief van 17 september 2020 hebben eisers gereageerd op het verzoek van verweerder.

1.7.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk

niet-ontvankelijk verklaard.

2. In beroep ligt de vraag voor of het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het te laat is. Eiser voert aan dat dit niet het geval is, verweerder volhardt in zijn standpunt dat het bezwaar te laat is en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. De rechtbank overweegt als volgt.

2.1.

Het bezwaar is ingesteld nadat de bezwaartermijn van zes weken was verstreken. Het bezwaarschrift is nadat het op 4 november 2019 naar een verkeerd emailadres was gestuurd, op 13 januari 2020 alsnog ingediend, terwijl de laatste dag van de termijn 13 september 2019 was. De termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eisers in verzuim waren. In dat geval blijft niet-ontvankelijkheid achterwege, zie artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.2.

Tijdens de zitting is gebleken dat de door eisers in de bezwaar- en beroepsprocedure op schrift gestelde redenen voor de termijnoverschrijding, waaronder drukte op het werk, maar voor een klein deel de situatie beschrijven waarin zij zich in de betreffende periode bevonden. Verweerder heeft daarom ook niet met al deze redenen rekening kunnen houden bij zijn beslissing om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

2.3.Ter zitting is gebleken dat eiser in de bezwaartermijn en daarna te maken heeft gehad met de ernstige ziekte van zijn moeder, die hem emotioneel sterk aangreep, en dat hij een groot onrecht ervoer over het primaire besluit van verweerder, waarin de schade aan de woning op € 2.186,69 is gesteld, nadat die aanvankelijk op € 0 was begroot. Eiseres heeft beschreven dat het bij eiser emotioneel ‘overstroomde’ door de ziekte van zijn moeder, de frustratie over het lange wachten op het besluit van verweerder, het ervaren onrecht, alsmede de voortdurende confrontatie met de aardbevingsproblematiek in de naaste omgeving. Eiser is, in de woorden van eiseres ter zitting, volledig ‘dichtgeklapt’ door de omstandigheden, niet in staat te handelen naar bijvoorbeeld de wetenschap van het verlopen van de termijn. Eiser liet daarbij ook eiseres niet toe om actie te ondernemen. Eiser heeft deze verklaring van eiseres ter zitting bevestigd. Deze verklaringen sluiten aan bij de indruk die eiser ter zitting op de rechtbank maakte en zijn bevestigd door de door eisers ingeschakelde deskundige, die ter zitting heeft verklaard over zijn communicatie met eiser.

2.4.

De rechtbank begrijpt het aldus dat eiser in deze periode door de omstandigheden en de emoties die daarbij kwamen, sterk werd overvraagd, en dat die situatie in de weg stond aan het tijdig instellen van bezwaar. De omstandigheden raakten eiseres ook zodanig dat het tijdig bezwaar maken ook voor haar redelijkerwijs niet mogelijk was. Het verweer van verweerder ter zitting dat er (juridische) hulp ingeschakeld had kunnen worden en dat het vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) is dat in zo’n geval de termijnoverschrijding kan worden tegengeworpen, miskent de overvraagde toestand van eiser zoals die zich ook ter zitting toonde.

2.5.

Gelet op de geestestoestand van eiser en de andere omstandigheden van het geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie van verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De rechtbank is bekend met de strikte jurisprudentie van de AbRvS ten aanzien van deze bepaling. Het kan echter niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat de termijnoverschrijding in deze aardbevingszaak aan eisers kan worden tegengeworpen. Immers, de wetgever heeft zich in de afgelopen jaren ook als opdracht gesteld om zich aan te passen aan het doenvermogen van de burger en een realistisch burgerperspectief tot uitgangspunt te nemen (zie WRR Rapport nr. 97 (2017) “Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid”, en, bijvoorbeeld, Kamerstukken I 2018-19, 34775 nr. AS). Dit vereist dat wordt uitgegaan van realistische assumpties ten aanzien van de mentale belastbaarheid van burgers, waarbij een rol spelen de mentale belasting, de cumulatie van lasten, de gevolgen van inertie of fouten, en hulp en vroegsignalering. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 1 maart 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:715) waarin de zware geestelijke belasting van de burger in de aardbevingsproblematiek juridisch is erkend in die zin dat is geoordeeld dat gesproken kan worden van een ernstige inbreuk op een fundamenteel persoonlijkheidsrecht, welke inbreuk ook zonder dat sprake is van geestelijk letsel, bij degenen die daardoor persoonlijk gevoelens van angst, zorg en psychisch onbehagen ervaren, leidt tot aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek.

3. Het beroep van eisers is dan ook gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder met inachtneming van de inhoud van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar dient te beslissen.

4. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op te dragen het door eisers betaalde griffierecht van €178,- te vergoeden.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in dit geval geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eisers gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder om opnieuw op het bezwaar te beslissen;

  • -

    draagt verweerder op om het door eisers betaalde griffierecht van €178,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.E.J. Jansen, griffier, op 12 mei 2021. De uitspraak wordt op de eerstvolgende maandag na deze datum in het openbaar uitgesproken.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.