Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1831

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
19/572
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning veranderen biomassavergistingsinstallatie Holwerd. Belanghebbende, goede procesorde, relativiteit, geur, geluid, Wnb, 6:13 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8498
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND RECTIFICATIE (p.21)

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 19/572, LEE 19/598 en LEE 19/601

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser 1] ,

(gemachtigde: mr. M.H. Smit),

[eiser 2] ,

[eiser 3]

(gemachtigde: mr. T. Jippes-de Boer),

te [plaats] ,

eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde verweerder 1] , [gemachtigde verweerder 2] , [gemachtigde verweerder 3] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijf] , te [plaats] ( [gemachtigde 1 derde belanghebbende] ).

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de biomassavergistingsinstallatie op de [locatie] .

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige, de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (de StAB) te benoemen teneinde de rechtbank van advies te dienen. Op 9 juli 2019 heeft de StAB de rechtbank van advies voorzien. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op dit advies te reageren. Eisers en verweerder hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De StAB heeft bij rapport van 8 november 2019 op de reacties gereageerd. Op 3 september 2020 heeft belanghebbende een reactie ingediend. Bij brief van 22 september 2020 heeft belanghebbende een nader akoestisch onderzoeksrapport en een geuronderzoeksrapport van 16 september 2020 ingediend. Eisers hebben een reactie ingediend. De StAB heeft bij rapport van 14 oktober 2020 opnieuw geadviseerd. Partijen hebben een reactie ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020. Voor eisers zijn verschenen [eiser 2] , [eiser 4] en [eiser 5] , [eiser 1] en [eiser 6] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voor derde-partij zijn verschenen [gemachtigde 1 derde belanghebbende] , [vertegenwoordiger 1 derde belanghebbende] , [vertegenwoordiger 2 derde belanghebbende] , [vertegenwoordiger 3 derde belanghebbende] en [vertegenwoordiger 4 derde belanghebbende] .

Overwegingen

1. De rechtbank gaat voor haar oordeelsvorming uit van de volgende – door partijen niet betwiste – feiten en omstandigheden.

1.1 Bij besluit van 18 mei 2009 is aan HTO Bedrijfsbeheer een oprichtingsvergunning Wet milieubeheer (Wm) verleend voor het oprichten en in werking hebben van een vergistingsinstallatie voor de productie van biogas op het perceel [locatie] .

1.2 Bij brief van 19 februari 2010 heeft HTO Bedrijfsbeheer de uitbreiding van de te drogen producten met de drooginstallatie gemeld. Dit betrof een milieuneutrale wijziging op grond van artikel 8.19 Wm.

1.3 Bij besluit van 7 juli 2010 is een veranderingsvergunning Wm verleend. De aangevraagde activiteiten hebben onder meer betrekking op het uitbreiden van de inrichting met twee na-opslagtanks, het verplaatsen van twee warmtekrachtkoppelingsinstallaties (WKK-installaties), de sleufsilo’s en de digestaatafscheider en het aanpassen en verplaatsen van de drogerinstallatie alsmede het vervangen van zes brijvoersilo’s door vier stalen tanks voor opslag van vloeibare cosubstraten.

Genoemde vergunningen en melding zien op de realisatie en exploitatie van een (co)vergistingsinstallatie met een capaciteit van 36000 ton dierlijke mest en overige biomassa per jaar en twee WKK-installaties.

1.4 In 2013 is de vergistingsinstallatie buiten werking gesteld.

1.5 Op 18 november 2017 heeft vergunninghouder een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het (milieuneutraal) wijzigen van een inrichting.

1.6 In maart 2018 heeft vergunninghouder de aanvraag gewijzigd, waardoor sprake is van vergroten van milieuruimte en daarmee van een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, Wabo alsmede het realiseren van een project dat gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats kan verslechteren (artikel 2.1 eerste lid, onder i, Wabo in samenhang met artikel 2.2aa, onder a, Besluit omgevingsrecht en artikel 2.7 tweede lid, Wet natuurbescherming). De wijziging ziet op het niet plaatsen van wanden tussen de gebouwen en het toevoegen van de CO2-verwijderingsinstallatie welke bij het gelijktijdig bedrijf akoestisch invloed heeft.

1.7 Bij besluit van 28 juni 2018 hebben gedeputeerde staten een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.

1.8 Bij het thans bestreden besluit van 10 december 2018 heeft verweerder de vergunning verleend. Voorts heeft verweerder de voorschriften van de eerdere vergunningen van 18 mei 2009 en 7 juni 2010 ambtshalve gewijzigd. In augustus 2018 is de inrichting overgenomen door [bedrijf 2] .

2. De thans voorliggende omgevingsvergunning heeft betrekking op de volgende wijzigingen ten opzichte van de eerdere vergunningen:

  • -

    Het veranderen van de functie van de eerste naopslag naar vergister;

  • -

    Het plaatsen van een gasdicht membraandak op deze navergister;

  • -

    Het verplaatsen van het invoersysteem naar binnen;

  • -

    Het toevoegen van een affakkelinstallatie;

  • -

    Het plaatsen van een derde WKK-installatie als reserve;

  • -

    Een update van de opstelling van de WKK-installaties en de opwerkinstallatie;

  • -

    Opslag van stapelbare substraten binnen;

  • -

    Uitvoering bestaande brijvoersilo’s (staand in plaats van liggend);

  • -

    Verplaatsen van de digestaatscheiding;

  • -

    Verplaatsen van de weegbrug;

  • -

    De groen gas invoeding zal op het reguliere gasnet plaatsvinden in plaats van het niet gerealiseerde BioNof net. Hierdoor zijn alle daaraan verbonden installaties, waaronder een CO2-verwijderingsinstallatie toegevoegd;

  • -

    De aangegeven wanden in de voorgaande vergunning komen te vervallen. Deze hadden een akoestisch afschermende bedoeling maar het afschermen van de installatie is akoestisch niet nodig en de wanden zijn als maatregel niet effectief.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

3. Belanghebbendheid

3.1

Vergunninghouder stelt zich op het standpunt dat [eiser 3] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. Vergunninghouder meent dat de statutaire doelstellingen van [eiser 3] te algemeen zijn geformuleerd en dat hierdoor haar feitelijke werkzaamheden er ook niet toe zullen leiden dat zij belanghebbende is.

Vergunninghouder meent verder dat het de vraag is of [eiser 2] , gelet op de afstand van 550 meter tot de grens van de inrichting, als belanghebbende is aan te merken. In dat verband is van belang dat de geluidvoorschriften in het bestreden besluit niet gelden voor de woning van [eiser 2] . Nu naar aanleiding van de zienswijze van [eiser 2] alsnog een geurvoorschrift in het bestreden besluit is opgenomen sluit vergunninghouder echter niet uit dat ook [eiser 2] als belanghebbende is aan te merken.

3.2

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

3.3.1

Ten aanzien van de vereniging [eiser 3] overweegt de rechtbank als volgt.

Uit artikel 2, eerste lid, van de statuten blijkt dat [eiser 3] zich ten doel stelt de belangen van het dorp [plaats] en omstreken en die van haar inwoners te behartigen in de meest brede zin van het woord.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de statuten tracht zij dit doel onder meer te bereiken door het houden van vergaderingen en het organiseren van andere activiteiten, het in contact treden met de bevoegde instanties en het ontwikkelen van enige andere werkzaamheid die dient ter verhoging van het welzijn van het dorp [plaats] en omstreken en dat van haar inwoners.

Blijkens artikel 4, tweede lid, van de statuten dienen leden woonachtig te zijn in [plaats] of in de omstreken van [plaats] .

Ter zitting heeft de gemachtigde van [eiser 3] aangegeven dat de feitelijke werkzaamheden onder meer (hebben) bestaan uit betrokkenheid bij het aanleggen van wandelroutes met het Fryske Gea en Staatsbosbeheer in het buitendijkse gebied, het opkomen bij overlastsituaties door verkeer en bedrijven, het organiseren van het project [plaats] aan zee en het opstellen van de Dorpsvisie, een omgevingsvisie ten behoeve van alle inwoners over hoe tegen het dorp aangekeken wordt. [eiser 3] heeft verder onder meer geïnitieerd dat een brug tussen het dorp en de buitendijkse dijk en een fietsovergang langs de snelweg naar Ameland zijn gerealiseerd

Naar het oordeel van de rechtbank is [eiser 3] als belanghebbende bij het bestreden besluit aan te merken. Weliswaar is de statutaire doelstelling in functionele zin betrekkelijk ruim, maar territoriaal voldoende beperkt, waarbij de inrichting binnen deze territoriale grenzen ligt. Ook de aard en omvang van de feitelijke werkzaamheden waarmee de vereniging haar doel tracht te bereiken, zoals ter zitting toegelicht, zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet. Gelet op haar statutaire doelstelling en haar feitelijke werkzaamheden behartigt de vereniging naar het oordeel van de rechtbank een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang.

3.3.2

Ten aanzien van de natuurlijke personen [eiser 2] en [eiser 1] overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), onder meer de uitspraak van 26 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1981) geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis” dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Gelet op de afstand van het perceel van [eiser 2] alsmede de door hem ondervonden geurhinder is de rechtbank van oordeel dat [eiser 2] feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervindt van de inrichting en daarom als belanghebbende bij het bestreden besluit is aan te merken. Niet in geschil is dat [eiser 1] als belanghebbende is aan te merken.

3.4

Eisers [eiser 2] en [eiser 1] hebben in beroep gesteld dat ten onrechte geen omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, Wabo, zijn verleend. Nu sprake is van onlosmakelijke samenhang tussen de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, Wabo en artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, Wabo, zijn [eiser 2] en [eiser 1] eveneens belanghebbenden bij de laatstgenoemde omgevingsvergunningen. De rechtbank wijst hiervoor op de uitspraak van de AbRS van 13 april 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ1081). Dat voor de vier brijvoertanks afzonderlijk een omgevingsvergunning kan worden aangevraagd en dat zowel [eiser 1] als [eiser 2] , gelet op de afstand tot de inrichting en het feit dat zij geen zicht hebben op de vier brijvoertanks, geen ruimtelijk relevante gevolgen van de brijvoersilo’s zouden ondervinden kan, wat daar ook van zij, niet tot een ander oordeel leiden.

Goede procesorde

4.1

Vergunninghouder stelt dat het door [eiser 3] en [eiser 2] eerst in hun reactie op het StAB-rapport van 9 juli 2019 naar voren brengen van een beroepsgrond over de Wet natuurbescherming (Wnb) in strijd is met de goede procesorde. Vergunninghouder heeft daartoe allereerst verwezen naar de uitspraak van de AbRS van 12 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1889), waarin is overwogen dat indiening van nieuwe beroepsgronden later dan drie weken nadat het verzoek van de bestuursrechter tot inschakeling van de StAB is gedaan, in strijd is met de goede procesorde.

Voorts heeft vergunninghouder verwezen naar de uitspraak van de AbRS van 3 juni 2015 (ECLI:RVS:2015:1722), waarin is overwogen dat in beroepsprocedures waarbij uiteenlopende belangen zijn betrokken op het gebied van het omgevingsrecht, gelet op de goede procesorde, na afloop van de beroepstermijn of de termijn voor aanvulling van het beroep, het geschil niet kan worden uitgebreid naar een nieuw besluitonderdeel. Volgens belanghebbende dienen deze beroepsgronden daarom buiten beschouwing te blijven.

4.2

Behalve in geschillen waarin de wet het niet toestaat, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. De goede procesorde laat het indienen van een nieuwe beroepsgrond niet toe als andere partijen onvoldoende op die beroepsgrond kunnen reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd. In zaken waarin de Afdeling de StAB heeft verzocht om een deskundigenbericht uit te brengen, is het indienen van nieuwe beroepsgronden later dan drie weken nadat dit verzoek is verzonden in ieder geval in strijd met de goede procesorde. Dit geldt niet voor procedurele beroepsgronden, omdat deze geen aanleiding geven om de StAB in te schakelen.

Verder heeft de AbRS in haar uitspraak van 3 juni 2015 (ECLI:RVS:2015:1722) het volgende overwogen. De AbRS ziet zich in beroepsprocedures tegen besluiten waarbij veel uiteenlopende belangen zijn betrokken, zoals een bestemmingsplan of andere besluiten op het gebied van het omgevingsrecht, gesteld voor specifieke problemen bij de bewaking van de goede procesorde, de zorgvuldigheid en de doelmatigheid van de procedure. Deze houden verband met de omvang en de complexiteit van het door de rechter te beslechten geschil alsmede met de omstandigheid dat het rechterlijk onderzoek vaak aan een beperkte termijn is gebonden en mogelijk ook het doen verrichten van deskundigenonderzoek omvat. Omwille van de zorgvuldigheid en de doelmatige voortgang van het rechterlijk onderzoek is het daarom belangrijk dat vóór de aanvang van dat onderzoek duidelijk is welke onderdelen van het besluit worden aangevochten. Die duidelijkheid vóór de aanvang van het rechterlijk onderzoek is evenzeer van belang omdat bij zulke besluiten vaak veel belanghebbenden zijn betrokken en die betrokkenheid zich vaak beperkt tot één of enkele besluitonderdelen. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, alsmede de rechtszekerheid van de andere belanghebbenden, kan in het licht van de goede procesorde in een procedure tegen besluiten waarbij veel uiteenlopende belangen zijn betrokken, zoals een bestemmingsplan of andere besluiten op het gebied van het omgevingsrecht, daarom niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van de beroepstermijn of de gegeven termijn voor het aanvullen van de gronden wordt uitgebreid door het aanvechten van een nieuw besluitonderdeel.

4.3

De rechtbank overweegt dat de beoordeling van de vraag, of in een bepaald geval sprake is van strijd met de goede procesorde, voorbehouden is aan de rechtbank. Hoewel door vergunninghouder terecht opgeworpen, is er in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van strijd met de goede procesorde. Weliswaar hebben [eiser 3] en [eiser 2] eerst in hun reactie op het StAB rapport van 9 juli 2019 de beroepsgrond over de Wnb en de Pas naar voren gebracht, maar [eiser 1] heeft reeds in de gronden van beroep van 13 maart 2019 gewezen op verdubbeling van uitstoot van stikstof en in de aanvullende gronden van 3 juli 2019 op de PAS-uitspraken van de AbRS. Derhalve was de StAB bekend met deze grond. Het advies van de StAB van 9 juli 2019 heeft daar ook betrekking op. Ook verweerder en vergunninghouder waren bekend met de beroepsgrond en hebben daarop voldoende kunnen reageren. Anders dan vergunninghouder stelt, dient deze beroepsgrond naar het oordeel van de rechtbank daarom niet wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten. De verwijzing van vergunninghouder naar de uitspraak van 3 juni 2015 kan vergunninghouder evenmin baten. Gelet op de beroepschriften en de aanvullende gronden is de rechtbank van onderdeel dat hier geen sprake is van een situatie waarin moet worden aangenomen dat het beroep wordt uitgebreid met het aanvechten van een nieuw besluitonderdeel van de omgevingsvergunning, in dit geval het onderdeel dat ziet op de toestemming als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onder i, Wabo, dat niet reeds eerder en tijdig in de procedure is bestreden.

Relativiteit

5.1.1

Vergunninghouder stelt dat de beroepsgronden met betrekking tot de Wnb, gelet op het relativiteitsvereiste, buiten beschouwing dienen te worden gelaten. De woning van [eiser 1] bevindt zich op 500 meter afstand van het Natura 2000-gebied de Waddenzee. Dit Natura 2000-gebied maakt daarom geen deel uit van de directe leefomgeving van de woning. Vergunninghouder heeft daartoe verwezen naar de uitspraak van de AbRS van 19 juni 2019 (ECLI:NL:2019:1947). De afstand tot de woning van [eiser 2] is nog groter.

Voor [eiser 3] is van belang dat uit de statutaire doelstellingen niet blijkt dat bescherming van het Natura 2000-gebied tot een van haar doelstellingen behoort. Daarbij is het de vraag of het dichtbijgelegen Natura 2000-gebied de Waddenzee nog territoriaal behoort tot het dorp [plaats] en omstreken. Gelet op de doelstelling worden de belangen van de inwoners in het dorp [plaats] en omstreken behartigd. Vraag is of daartoe ook het Natura 2000-gebied de Waddenzee behoort. Vergunninghouder heeft verwezen naar de uitspraken van de AbRS van 2 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:523) en 12 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2570) en 29 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1814).

5.1.2

Vergunninghouder stelt verder dat het relativiteitsbeginsel er aan in de weg staat dat eisers zich er met succes op kunnen beroepen dat de geur- en geluidsnormen voor de woning [adres] niet in acht zijn genomen, nu in het onderhavige geval niet uit de geluidrapporten blijkt dat voor de woningen van [eiser 1] en [eiser 2] sprake zal zijn van onaanvaardbare geluid- en geurhinder. Daarbij is niet uitgesloten dat, zo al voor de woning [adres] te [plaats] alsnog geur- en geluidsnormen moeten worden voorgeschreven in een eventueel herstelbesluit, er hierdoor geen andere geur- en geluidsnormen gaan gelden voor de woningen van [eiser 1] en [eiser 2] .

5.2.

Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van omgevingsvergunningen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden.

Uit de uitspraak van de AbRS van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Bij de beantwoording van de vraag of dat soort verwevenheid kan worden aangenomen, wordt onder meer rekening gehouden met de situering van de woning van de appellant, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van appellant en het natuurgebied, met wat aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied.

Ten aanzien van rechtspersonen geldt dat het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Awb niet aan vernietiging in de weg staat wanneer een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb opkomt voor algemene belangen die zij, gelet op haar statutaire doelstelling en door haar feitelijke werkzaamheden behartigt, en die geheel of

ten dele samenvallen met de belangen die de norm beoogt te beschermen (uitspraken van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1530 (Behoud de Parel).

5.3.1

De rechtbank overweegt ten aanzien van [eiser 1] het volgende. Ter zitting hebben de gemachtigde van vergunninghouder en de gemachtigde van [eiser 1] zich op het standpunt gesteld dat [eiser 1] op een afstand van 500 meter respectievelijk 370 meter van het Natura 2000-gebied de Waddenzee woont. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de jurisprudentie van de AbRS, een zekere grens voor het aannemen van verwevenheid wordt aangenomen waarbij de afstand varieert maar waarbij in ieder geval binnen een afstand van 200 meter van de woning tot het Natura 2000-gebied verwevenheid wordt aangenomen. Op iets ruimere afstand kan onder omstandigheden evenzeer verwevenheid worden aangenomen waarbij rekening dient te worden gehouden met de situering van de woning van de appellant, al dan niet tussen overige bebouwing, met de afstand tussen de woning van appellant en het natuurgebied, met hetgeen aanwezig is in het gebied tussen de woning en het Natura 2000-gebied en met het al dan niet bestaande, gehele of gedeeltelijke directe zicht vanuit de woning op het gebied.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de betrekkelijk korte afstand tot het Natura 2000-gebied de Waddenzee, alsmede het feit dat sprake is van een open gebied, sprake is van verwevenheid in vorenbedoelde zin. De enkele omstandigheid dat tussen de woning en het Natura 2000-gebied een dijk is gelegen is onvoldoende om geen verwevenheid aan te nemen.

Ten aanzien van [eiser 2] is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zodanige afstand tot het Natura 2000-gebied, ruim meer dan 500 meter, dat niet meer kan worden gesteld dat het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de eigen leefomgeving van [eiser 2] in die zin dat verwevenheid kan worden aangenomen.

Ten aanzien van [eiser 3] overweegt de rechtbank dat, gelet op de statuten van de vereniging, de vereniging niet slechts opkomt voor de belangen van de inwoners maar ook voor de belangen van [plaats] en omstreken. Nu het Natura 2000-gebied de Waddenzee grenst aan [plaats] en de directe omgeving kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat geen sprake is van belangen die de rechtspersoon beoogt te beschermen en die geheel of ten dele samenvallen met de belangen die de norm waarop zij zich beroept beoogt te beschermen.

Gelet op het voorgaande staat het relativiteitsvereiste ten aanzien van [eiser 2] aan het vernietigen van het bestreden besluit wegens strijd met de Wnb in de weg op het onderdeel gebiedsbescherming. Voor [eiser 1] en [eiser 3] geldt dat echter niet.

5.3.2

Ten aanzien van de stelling van vergunninghouder, dat het relativiteitsbeginsel er aan in de weg staat dat [eiser 2] en [eiser 1] zich er met succes op kunnen beroepen dat, zoals in de StAB-rapporten is overwogen, de geur- en geluidsnormen voor de woning [adres] niet in acht zijn genomen, overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit vaste jurisprudentie van de AbRS van 19 januari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP1352), 20 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2561) en 17 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1220), 13 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:295) en 29 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1379) dat een belanghebbende zich kan beroepen op overschrijding van een geluidsnorm ter plaatse van woningen van derden ten gevolge van vergunningverlening indien aannemelijk is dat deze overschrijding ook nadelige gevolgen voor zijn eigen woonsituatie heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat overschrijding van de normen ter plaatse van [adres] ook nadelige gevolgen voor de woonsituatie van de woningen van eisers [eiser 1] en [eiser 2] heeft.

Dat, anders dan in deze uitspraken, in het onderhavige geval uit de geluidrapporten niet blijkt dat voor de woningen van [eiser 1] en [eiser 2] sprake zal zijn van onaanvaardbare geluid- en geurhinder, is naar het oordeel van de rechtbank daarvoor niet relevant. Dat niet is uitgesloten dat, zo al voor de woning [adres] te [plaats] alsnog geur- en geluidsnormen moeten worden voorgeschreven in een eventueel herstelbesluit, er hierdoor geen andere geur- en geluidsnormen gaan gelden voor de woningen van [eiser 1] en [eiser 2] , kan evenmin tot een ander oordeel leiden.

Status woning [adres]

6.1

Eisers voeren aan dat, anders dan de geluid- en geurrapportages aangeven, de woning [adres] geen bedrijfswoning is van de inrichting. De rapporten zijn daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen. De woning dient tegen geur- en geluidhinder beschermd te worden. In de brief van 8 oktober 2020 voert [eiser 3] nog aan dat nu vergunninghouder heeft aangegeven dat de bewoner een arbeidsovereenkomst met [bedrijf 3] heeft hij niet een vaste medewerker van de inrichting in arbeidsrechtelijke zin is. Verder zit de woning [adres] vast aan het bedrijfsgebouw van het dierenpension en is het daarom daarmee in feitelijke, technische en functionele zin verbonden.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woning [adres] moet worden aangemerkt als bedrijfswoning behorende bij de inrichting. De betreffende woning is ook in de vigerende vergunning van 2010 al beschouwd als bedrijfswoning. Daarop is geen wijziging aangevraagd. Ook in het akoestische onderzoek van 16 maart 2018 is, volgens verweerder terecht, aangegeven dat de woning als bedrijfswoning bij de inrichting wordt beschouwd. De woning werd en wordt bewoond door de bedrijfsoperator. Vanuit deze hoedanigheid voert hij het beheer en oefent toezicht uit op de vergistingsinstallatie. Het is niet vereist dat de woning in eigendom is van het bedrijf. Indien blijkt dat de woning niet in overeenstemming met de vergunning in gebruik is, is toezicht mogelijk.

6.3

Vergunninghouder stelt dat de woning [adres] behoort tot de inrichting. De woning staat wel aangegeven op de tekening bij het bestreden besluit. Verder omvatten de werkzaamheden van de bewoner van de woning veel meer dan uitsluitend het houden van toezicht binnen de inrichting van eiseres. De bewoner is bedrijfsoperator en daarnaast een vaste medewerker van de inrichting. Hij heeft een arbeidsovereenkomst met [bedrijf 3] , een bedrijf dat zich bezig houdt met productie van biogas en daarnaast dienstverlening aan derden. Vergunninghouder heeft een overeenkomst met [bedrijf 3] over de werkzaamheden van de bewoner binnen de inrichting. Gelet op de jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de AbRS van 7 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3323) is niet de planologische maar de feitelijke situatie relevant. Daarnaast blijkt uit de uitspraak van 13 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:295) dat bij een woning, die niet behoort tot een grondeigenaar of initiatiefnemer van een inrichting, geen sprake is van een bedrijfswoning behorend tot de inrichting indien er enkel sprake is van een overeenkomst waarin is bepaald dat toezicht wordt uitgeoefend vanuit de woning. Daarvan is echter geen sprake nu de werkzaamheden van de bewoner van de woning [adres] veel omvattender zijn.

Overigens kunnen in een eventueel herstelbesluit voorschriften voor geur en geluid worden opgenomen zodat voor deze woning ook kan worden voldaan aan het toetsingskader.

6.4

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Ingevolge het vierde lid wordt als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden als gevoelige gebouwen aangemerkt woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij de betreffende inrichting.

6.5

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS (onder meer de uitspraak van 13 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:295) zijn, gelet op artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor de beoordeling van de vraag of een woning deel uitmaakt van een inrichting de technische, organisatorische of functionele bindingen tussen de woning en de inrichting van belang. De bindingen tussen de woning en de inrichting moeten dus reëel en van voldoende betekenis zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in het onderhavige geval geen sprake van een technische, organisatorische danwel functionele binding tussen de woning [adres] en de inrichting. De eigenaar van de woning is geen eigenaar van de gronden of panden van de inrichting. De woning is ook niet aangegeven op de tekening van de inrichting behorende bij het bestreden besluit als zijnde eigen bedrijfswoning. Tussen het perceel waarop de woning staat en het terrein van de inrichting is een fysieke afscheiding aanwezig in de vorm van een groenstrook. De omstandigheid, dat de bewoner bedrijfsoperator bij de inrichting is, is onvoldoende om anders te oordelen. Gelet op het bovenstaande heeft de woning naar het oordeel van de rechtbank geen functionele binding met de inrichting. Daarom is de woning niet aan te merken als bedrijfswoning van de inrichting.

Ten aanzien van de inhoud

Toestemming op grond van artikel 2.1 eerste lid, onder e, Wabo

Mer beoordelingsplicht

7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat ten onrechte geen Mer beoordeling heeft plaatsgevonden. Het beroep is daarom op dit punt gegrond.

Geur

8.1

Eisers hebben meerdere gronden aangevoerd in het kader van het geuronderzoek. Zo stellen zij dat het geuronderzoek niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden nu dit slechts is gebaseerd op berekeningen en niet op metingen. Zij menen verder dat de woning [adres] ten onrechte buiten beschouwing is gelaten. Voorts menen zij dat een belevingsonderzoek of hinderenquete beter was geweest. Verder wordt het voorschrift dat ziet op het gesloten houden van de deuren van de opslaghal niet adequaat door [bedrijf 4] gehandhaafd. Het gesloten houden van de deuren in de opslaghal is van belang in verband met het vrijkomen van lucht van de ontluchting van de opslagsilo’s voor vloeibare coproducten in de hal en het goed functioneren van de drooginstallatie/luchtwasser.

8.2

Verweerder en vergunninghouder stellen zich op het standpunt dat voor de inrichting en daartoe behorende onderdelen in afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit voorschriften zijn opgenomen voor emissies van de stoffen naar de lucht en de daarbij optredende geurhinder. Derhalve hoeven er in de vergunning geen voorschriften over de emissie naar lucht te worden opgenomen.

8.3

De rechtbank overweegt als volgt.

Op 1 januari 2016 is het Besluit van 18 september 2015 tot wijziging van het

Activiteitenbesluit, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten) in werking getreden. Hierbij is - onder meer - het Activiteitenbesluit gewijzigd. Voor onderhavige procedure is daarbij van belang dat het normatieve deel van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (NeR) per 1 januari 2016 is ondergebracht in afdeling 2.3 (getiteld ‘lucht en geur’) van het Activiteitenbesluit. In afdeling 2.3 worden algemene lucht- en geurvoorschriften gesteld. De eisen van deze afdeling zijn vanaf 1 januari 2016 als algemene eisen van toepassing, ook op vergunningplichtige activiteiten (zie de Nota van Toelichting, Stb. 2015, 337, p. 111). In de Nota van Toelichting bij artikel 2.3a, eerste lid, staat verder dat voor inrichtingen type C (zonder IPPC-installatie) de bepalingen in afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit gelden in plaats van de eisen die voorheen werden gesteld in de vergunning. De eisen in het Activiteitenbesluit zijn van toepassing en hoeven niet in de vergunning opgenomen te worden (p. 147). Over maatwerkvoorschriften staat in de Nota van Toelichting (p. 116) dat in de hoofdstukken 3 en 4 van de NeR bij geurvoorschriften vaak de mogelijkheid werd geboden om door middel van maatwerkvoorschriften specifieke eisen te stellen.

Nu niet in geschil is dat het voorliggende besluit betrekking heeft op een type C inrichting (zonder IPPC-installatie), gelden de bepalingen in afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit.

Artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“1. Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.

2. Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat niet aan het eerste lid wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065.

3. Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:

a. de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;

b. de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;

c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting;

d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder;

e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en

f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.

4. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau overschrijdt, bij maatwerkvoorschrift:

a. geuremissiewaarden vaststellen;

b. bepalen dat bepaalde geurbelastingen ter plaatse van die objecten niet worden overschreden, of

c. bepalen dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

5. Indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld, kan het bevoegd gezag besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels wordt overgelegd waaruit blijkt dat aan het eerste lid wordt voldaan.”

Met de wijziging van het Activiteitenbesluit per 1 januari 2016 heeft de wetgever de keuze gemaakt om algemene geurvoorschriften op te nemen in het Activiteitenbesluit, zodat deze voorschriften niet meer in de vergunning hoeven te worden opgenomen. Dit betekent dat in de nu voorliggende procedure niet hoeft te worden getoetst of de inrichting voldoet aan de in artikel 2.7a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gestelde norm dat de geurhinder moet worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau. Voor het al dan niet opstellen van maatwerkvoorschriften op de voet van artikel 2.7a, vierde lid, van het Activiteitenbesluit geldt een aparte procedure. Dat verweerder volgens eiser gehouden zou zijn om maatwerkvoorschriften op te stellen, betekent niet dat verweerder de vergunning moet weigeren.

Hetgeen eisers in de onderhavige procedure naar voren hebben gebracht omtrent geuroverlast dient naar het oordeel van de rechtbank derhalve in de procedure inzake het verzoek om maatwerkvoorschriften op te leggen beoordeeld te worden. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven dat voorschrift 11.1.1 ten onrechte aan de vergunning is verbonden.

Geluid

9.1

Eisers vrezen voor ernstige geluidhinder ten gevolge van het bestreden besluit. Eisers menen dat het geluidrapport van Noorman van 16 maart 2018 niet deugt. In dat verband hebben zij aangegeven dat het rapport is gebaseerd op berekeningen en niet op metingen. Voorts is de woning [adres] ten onrechte niet als beoordelingspunt meegenomen in het akoestisch onderzoek. Verder wordt het aantal transportbewegingen naar en van de inrichting onderschat. Volgens eisers gaan in de praktijk de meeste vrachtwagens vol heen en leeg terug en niet vol heen en vol terug, waar in het rapport van uit is gegaan. Verder is er volgens eisers geen rekening mee gehouden dat de WKK-installaties 24 uur per etmaal in werking zijn. Van belang is verder nog dat, anders dan in het rapport is vermeld, de woning van [eiser 2] op minder dan 2 km afstand tot het stiltegebied is gelegen.

Ten aanzien van het eerste StAB-advies van 9 juli 2019 hebben eisers aangevoerd dat StAB in haar rapport niet heeft betrokken dat digestaat wordt afgevoerd en uitgereden tijdens piekperioden, waardoor sprake zal zijn van veel meer transportbewegingen en daarmee meer geluidemissie dan nu is berekend bij acht vrachtauto’s per etmaal. Dit zou daarom onder de reguliere bedrijfsvoering gerekend moeten worden. Ook voor de dikke fractie van het digestaat geldt dat dit niet evenredig over het jaar wordt geëxporteerd. Ook het inkuilen van grondstoffen voor de vergister is ten onrechte aangemerkt als incidentele geluidssituatie; het betreft een onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering. Eisers hebben verder nog aangevoerd dat uit de stukken behorende bij de vergunning niet blijkt of er bij de situatie dat het biogas wordt opgewaardeerd tot groen gas op het terrein ook bepaalde installaties geplaatst worden. Verder menen zij dat eerst onafhankelijk vastgesteld had moeten worden of de bedrijfsprocessen ook daadwerkelijk in volle omvang plaatsvinden of vonden voordat de geluidsmetingen werden uitgevoerd.

9.2

Verweerder en vergunninghouder stellen zich op het standpunt dat naar aanleiding van het aan de aanvraag ten grondslag liggende akoestische rapport van Noorman van 16 maart 2018 voorschriften aan de vergunning zijn verbonden volgens de systematiek van richt- en grenswaarden als bedoeld in de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening 1998. Daarmee zijn de omliggende woningen beschermd tegen geluidsoverlast. Indien deze geluidsvoorschriften worden overschreden, kan handhavend worden opgetreden. Mocht de woning [adres] ten onrechte als bedrijfswoning zijn aangemerkt, dan blijkt uit het aangepaste akoestische onderzoek van 16 september 2020 en het naar aanleiding daarvan opgestelde rapport van de StAB dat de in dit geluidsrapport opgenomen geluidsnormen vergunbaar zijn en kan worden voldaan aan de geldende Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening.

9.3

In haar adviezen van 9 juli 2019 en 8 november 2019 overweegt de StAB met betrekking tot de beroepsgronden van eisers het volgende.

De woning van [eiser 2] staat op een afstand van 1,2 km tot een stiltegebied terwijl restricties voor geluid alleen gelden voor het stiltegebied zelf. Verder is het gebruikelijk om bij een aanvraag om vergunning een akoestisch rapport over te leggen op basis van berekeningen aan de hand van een modellering. Metingen worden eerst verricht na realisatie of in geval van handhaving. De berekende transportbewegingen (6 overdag en 2 ‘s avonds) zijn, gelet op de doorzet van 36000 ton mest en co-producten, niet onderschat. Anders dan eisers stellen gaat het rapport er niet van uit dat de vrachtwagens vol aankomen en vol vertrekken maar gaan ze vol en vertrekken ze leeg. De WKK-installaties zijn met betrekking tot de bedrijfsduur gemodelleerd met 100% in dag-, avond- en nachtperiode. Daarmee is de geluidemissie niet onderschat.

De aanvraag gaat uit van 8 transporten per dag en 36000 ton te vergisten biomassa per jaar. De hoeveelheid digestaat is niet vermeld. Het is echter niet reëel dat bij 36000 ton biomassa een even grote massa aan digestaat moet worden afgevoerd nu door vergisting en droging massaverlies optreedt. Uitgaande van een gemiddelde belading van een tankwagen met 30 ton betekent dit 2400 transporten per jaar. Gerekend over 25 dagen per maand geeft dit 8 transporten per werkdag. Wanneer digestaat regelmatig wordt afgevoerd hoeft dit daarom niet te leiden tot een overschrijding van de geluidgrenswaarden. Het afvoeren van digestaat gedurende een piekperiode (meer dan 8 transporten per etmaal) is niet aangevraagd. Als dat wel gebeurt, is dat in afwijking van de aanvraag en leidt dit mogelijk tot overschrijding van de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden (overigens zijn de vergunde grenswaarden ruimer dan de berekende immissienieveaus).

Inkuilactiviteiten kunnen als incidentele bedrijfsactiviteiten worden beschouwd omdat ze geen hoofdactiviteit vormen in de vergunde bedrijfsvoering. Het is niet aangevraagd dat deze activiteiten op meerdere dagen achter elkaar plaatsvinden. Gebeurt dat wel dan is ook dat een kwestie van handhaving.

In de aanvraag en in het akoestisch rapport is tevens een installatie om gas op aardgasnet in te voeren meegenomen. De gasopwerkingsinstallatie is maximaal 24 uur per dag in bedrijf en wordt opgesteld in de geluidgeisoleerde containers in loods 1.

StAB geeft voorts aan dat voorafgaande aan het uitvoeren van het onderzoek duidelijkheid moet bestaan in hoeverre de inrichting conform de vergunning in werking is. Wanneer de aangevraagde en vergunde bedrijfssituatie nog niet in werking is kunnen akoestische gevolgen door middel van berekeningen aan de hand van een modellering vastgesteld worden. Naderhand kan in het kader van handhaving worden vastgesteld of de aannames uit het model juist gekozen zijn.

In het rapport van de StAB van 14 oktober 2020, dat is opgesteld naar aanleiding van het door vergunninghouder ingediende akoestisch rapport van 16 september 2020, geeft StAB aan dat ter plaatse van de woning [adres] aan de richtwaarde van 55d(B)A als etmaalwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau uit de Handreiking kan worden voldaan. Wel is er een overschrijding van de grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 60dB(A) in de avond met 5dB, indien voor [adres] dezelfde waarden zouden gelden als voor [adres 2] en [adres 3] gelden. Wel voldoet deze berekende waarde van 65dB(A) aan de maximale waarde uit de Handreiking in de avondperiode. Verder treden bij de woning [adres] hogere waarden op dan de in de vergunning opgenomen grenswaarden voor de avond en de nacht bij de woningen [adres 2] en [adres 3] in de incidentele bedrijfssituatie. De aanvaardbaarheid daarvan is ter afweging van het bevoegd gezag. Daarbij dient onder andere de mogelijkheid voor het treffen van akoestische maatregelen betrokken te worden, zoals het plaatsen van een scherm.

Bij de woning [adres 4] leveren de berekende waarden een overschrijding op van 1 dB van de in het bestreden besluit opgenomen grenswaarde voor het maximaal geluidniveau in de RBS voor de avondperiode en een overschrijding van 1 dB, respectievelijk 2dB van de grenswaarde voor het maximaal geluidniveau in de IBS voor de avond- en nachtperiode. Deze waarden zijn ruim lager dan de grenswaarden uit de Handreiking. De StAB acht een aanpassing van de voorschriften met 1 dB cq 2 dB hogere waarden bij de woning [adres 4] vergunbaar

9.4

De rechtbank ziet geen aanleiding om de StAB niet te volgen. Dat betekent dat verweerder nog een nadere afweging dient te maken omtrent de in het bestreden besluit te vergunnen waarden voor de woning [adres] en [adres 4] . Nu dit in het thans bestreden besluit niet is opgenomen is het besluit is in zoverre onrechtmatig. Het beroep is ook op dit punt gegrond.

Toestemming op grond van artikel 2.1 eerste lid, onder i, Wabo

10.1

Eisers stellen dat gedeputeerde staten bij de afgifte van de verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27 Wabo juncto artikel 6.10a Bor in het kader van verlening van de vergunning ex artikel 2.1 eerste lid onder i Wabo, ten onrechte hebben verwezen naar de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), nu de AbRS bij uitspraken van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1903) heeft geoordeeld dat de onderbouwing van de PAS niet deugt en daarmee geen sprake is van een passende beoordeling in de zin van artikel 2.8 Wet natuurbescherming (Wnb).

10.2

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder i, Wabo, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

Ingevolge artikel 2.2aa, onder a, Besluit Omgevingsrecht (Bor), voor zover van belang, worden als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, tevens aangewezen het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend.

Ingevolge artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Ingevolge artikel 2.8 eerste lid, Wnb maakt de aanvrager van de vergunning van een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

Ingevolge artikel 2.8 derde lid, Wnb verlenen gedeputeerde staten voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Ingevolge artikel 6.10 a, eerste lid, Bor, wordt, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

10.3

Op 28 juni 2018 hebben gedeputeerde staten de gevraagde verklaring van geen bedenkingen (vvgb) verleend.

Op basis van de beschikbare gegevens en de passende beoordeling als neergelegd in de PAS hebben gedeputeerde staten overwogen dat verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet worden aangetast door de aangevraagde activiteit, mits de vvgb en de voorschriften onverkort worden nageleefd.

De rechtbank stelt vast dat de door gedeputeerde staten verleende verklaring van geen bedenkingen en daarmee de vergunning verleend ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder i, Wabo, is gebaseerd op het Programma PAS 2015-2021 (de PAS) en de daaraan ten grondslag liggende passende beoordeling.

De rechtbank overweegt dat de AbRS in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL: RVS:2019:1603, heeft geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien. Hierbij verwijst de rechtbank naar de rechtsoverwegingen 32.5. en 32.6. van voormelde uitspraak van de AbRS. Dit betekent dat verweerder de betreffende vergunning niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Hieruit volgt dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met artikel 2.8 van de Wnb. De beroepen van [eiser 1] en [eiser 3] zijn in zoverre gegrond. Met betrekking tot het beroep van [eiser 2] verwijst de rechtbank naar hetgeen in rechtsoverweging 6.3.1. is overwogen. De relativiteit staat gegrondverklaring van het beroep van [eiser 2] op dit punt in de weg.

Toestemming op grond van artikel 2.1 eerste lid, onder a en c, Wabo

11.1

Eisers stellen dat de vergunning niet had mogen worden verleend, omdat de biomassavergistingsinstallatie in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens eisers valt de installatie niet binnen de bedrijfscategorieën die zijn toegestaan. Voorts zijn de gerealiseerde silo’s hoger dan vijf meter. De verleende vergunning had daarom ook moeten zien op de afwijking van het bestemmingsplan, omdat sprake is van onlosmakelijke activiteiten. Eisers wijzen daarvoor op de uitspraak van de AbRS van 18 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2816).

11.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in 2010 vergunning is verleend om af te wijken van het bestemmingsplan. Voor de vier silo’s met covergistingsstoffen is echter nog geen vergunning (bouwen en afwijken bestemmingsplan) verleend. Hiervoor zal nog een aanvraag moeten worden ingediend.

11.3

Vergunninghouder stelt zich primair op het standpunt dat de grond met betrekking tot het in strijd handelen met artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, Wabo, gelet op artikel 6:13 van de Awb buiten beschouwing dient te blijven.

Vergunninghouder stelt subsidiair dat in de reguliere bouwvergunningen ten behoeve van de oprichting van de inrichting van 10 augustus 2009 en de reguliere bouwvergunning voor verandering van de inrichting uit 2010 al vrijstelling van het bestemmingsplan is verleend.

In de laatste vergunning is het bedrijf aangemerkt als een bedrijf in covergisting, verbranding en vergassing van mest, slib, gft en reststromen voedingsindustrie, zijnde een categorie 3.2 bedrijf. Op 13 januari 2011 is een aanvulling op de bouwvergunnning uit 2010 gekomen. Alle bouwvergunningen zijn onherroepelijk.

Uit de tekening bij de in 2010 verleende vergunning met nummer 20099739 blijkt dat toen al reguliere bouwvergunning is verleend voor vier liggende brijvoertanks. Deze zijn echter niet liggend maar staand uitgevoerd. Volgens vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de AbRS van 18 maart 2015 (ECLI:NL:2015:842) kan echter een omgevingsvergunning voor een (nog niet gerealiseerd) bouwplan nog worden gewijzigd door het aanvragen van een wijzigingsvergunning, voor zover het gaat om niet ondergeschikte punten. Verder blijkt uit de uitspraak van de AbRS van 5 december 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB9436) dat een bouwplan na het onherroepelijk worden van een omgevingsvergunning bouwen nog op ondergeschikte punten kan worden aangepast, zonder dat een nieuwe bouwaanvraag is vereist. In het onderhavige geval gaat het volgens vergunninghouder om een wijziging op ondergeschikte punten. Indien wel een omgevingsvergunningaanvraag bouwen is vereist is verlening zonder meer mogelijk via toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Nu voor de activiteit zelf, de vergistingsinstallatie, al een afwijking van het bestemmingsplan is verleend hoeven alleen nog de wijzigingen van het bouwplan te worden beoordeeld.

11.4

Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2020-07-01) naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

11.5

Het Hof van Justitie heeft op 14 januari 2021 het arrest Stichting Varkens in Nood (zaak C-826/18) gewezen. Dit arrest gaat over de vraag of de zienswijzetrechter van artikel 6:13 Awb verenigbaar is met het Verdrag van Aarhus. De rechtbank leidt uit het arrest af dat de zogeheten personentrechter maar ook de onderdelentrechter ten aanzien van belanghebbenden niet meer mag worden tegengeworpen, wanneer het besluit onder de reikwijdte van artikel 6 van het Verdrag van Aarhus valt.


De omgevingsvergunning die hier aan de orde is ziet op een biomassavergistingsinstallatie voor het verwerken van mest. Daarom valt naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid uit te sluiten dat het besluit tot verlening van deze vergunning onder de reikwijdte van het Verdrag van Aarhus valt.. Dit betekent dat vergunninghouder niet in zijn betoog kan worden gevolgd omdat artikel 6:13 van de Awb in dit geval wegens strijd met genoemd verdrag buiten toepassing moet blijven. De rechtbank zal daarom toch de beroepsgrond van eisers bespreken.

11.6

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Doarpen” hebben de gronden de bestemming “Bedrijventerrein” en de functie aanduiding “bedrijf tot en met categorie 3.2”.

Ingevolge artikel 8.1 aanhef en onder a, ten derde, van de planvoorschriften, zijn deze gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’.

Ingevolge artikel 8.2.3 aanhef en onder b, van de planvoorschriften mag de bouwhoogte van de overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten hoogste 5,00 meter bedragen.

Bij besluit van 10 augustus 2009 (20090009) is ontheffing en reguliere (bouw)vergunning verleend voor het plaatsen van een vergistingsinstallatie. In de vergunning is het volgende aangegeven:

“De strijdigheden met het bestemmingsplan Doarpen zijn de volgende:

8.1.a.3 De voor bedrijventerrein aangewezen gronden zijn bestemd voor Bedrijven t/m categorie 3.2

Gelet op dat een mestvergistingsinstallatie niet staat opgesomd in bijlage 1 waar de omschreven milieucategorieën staan past het plan niet binnen deze bepaling

8.2.3 voor het bouwen van bouwwerken geen gebouw zijnde mag de hoogte ten hoogste 5 meter bedragen. Gelet op de vergisters, de betonnen mestopslagtanken en de brijvoersilo’s hoger zijn dan 5 meter passen deze bouwwerken geen gebouw zijnde niet binnen de bebouwingsbepalingen.”

Verweerder heeft voor de genoemde strijdigheden bij dit besluit vervolgens binnenplans ontheffing verleend.

Verder is in 2010 (20099739) ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het veranderen van een vergistingsinstallatie. In de vergunning is het volgende aangegeven:

“De strijdigheid heeft betrekking op het volgende:

- Bouwhoogte:

Volgens artikel 8.8.2.3b mag de bouwhoogte van de bouwwerken geen gebouwzijnde maximaal 5,00 meter bedragen.

De opslagtanks vergister en navergister (2) (3) en (9) hebben een bouwhoogte hoger dan 5 meter maar kleiner dan 10 meter

- Gebruik:

Volgens artikel 8.1.a.3 mogen de voor bedrijven terrein aangewezen gronden uitsluitend voor bedrijven tot en met categorie 3.2. Gelet op dat een mestvergistingsinstallatie niet staat opgesomd in bijlage 1 waar de milieucategorieën staan omschreven past het plan niet binnen deze bepaling.

Vermeld is vervolgens dat verweerder onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat binnen het bouwvlak wordt gebouwd, bereid is om medewerking te verlenen aan een ontheffing van het bestemmingsplan. De betreffende functie vindt verweerder een passende functie op een bedrijventerrein. Een covergisting, verbranding en vergassing van mest, slib, gft en reststromen voedingsindustrie staat wel in de VNG bedrijven en milieuzonering brochure (SBI-code 40 B1, categorie 3:2). Dit is ook de toegestane categorie volgens het bestemmingsplan. Het is naar aard en schaal vergelijkbaar met andere bedrijven die wel in de bijlage zijn genoemd. Er was eerst sprake van een transportbedrijf. De verkeersaantrekkende werking zal niet meer zijn dan voorheen.

11.7

De rechtbank is van oordeel dat met de in 2010 verleende (bouw)vergunning een afwijking van het bestemmingsplan is toegestaan voor wat betreft het gebruik van de biomassavergistingsinstallatie en de bouwhoogte van opslagtanks, vergister en navergister. Met deze vergunning is ook de afwijking van het bestemmingsplan voor wat betreft de milieucategorie van de biomassavergistingsinstallatie toegestaan. Verder is met deze vergunning de van het bestemmingsplan afwijkende bouwhoogte van de twee kleinere tanks (waarvan er één is gerealiseerd) en de twee grote tanks toegestaan.

De verleende vergunning voor de activiteit milieu ziet onder meer op een wijziging van de uitvoering van de vier bestaande brijvoersilo’s (staand in plaats van liggend) die zijn bestemd voor de opslag van vloeibare covergistingsstoffen. Nu de opslag van covergistingsstoffen deel uit maakt van het bedrijfsproces van de biomassavergistingsinstallatie moet er, gelet op de door eiser [eiser 1] genoemde uitspraak, vanuit worden gegaan dat de realisatie van deze vier silo’s onlosmakelijk samenhangt met de verandering van de werking van de inrichting waarvoor de vergunning voor de activiteit milieu is verleend.

11.8

De rechtbank stelt vast dat bij de in 2009 en 2010 verleende vergunningen tevens ontheffing is verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van de milieucategorie. Hiervoor is anders dan eisers stellen niet een omgevingsvergunning milieu vereist. Hetgeen eisers hieromtrent hebben aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden. Verder stelt de rechtbank vast dat voor het staand in plaats van liggend uitvoeren van de vier brijvoersilo’s nog geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder a en c Wabo is verleend terwijl deze toestemmingen wel noodzakelijk zijn. Het beroep is in zoverre derhalve gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Overig

12. Vastgesteld wordt, dat eiser [eiser 2] zijn stelling dat op grond van Bijlage Aa, onderdeel IV van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet geen glycerine (van dierlijke afkomst) gebruikt mag worden in een zogeheten categorie 2 vergister, heeft laten vallen.

13.1

Eiser [eiser 1] stelt zich op het standpunt dat sprake is van een risico op brand, nu de locatie van de affakkelinstallatie nabij een groenstrook is gesitueerd. Daarbij was in de oude vergunning opgenomen dat de fakkelinstallatie minimaal 8 meter van een gebouw, bosschage of andere brandbare objecten verwijderd dient te zijn.

Verder stelt eiser dat het explosiegevaar door het ontbreken van de luchtwasser aanleiding had moeten zijn voor een onderzoek naar brandveiligheid en aanscherping van voorschriften. Indien door het zich houden aan de vergunningvoorschriften er explosiegevaar bestaat zou dit aanleiding moeten zijn om de vergunning in te trekken.

13.2

De StAB geeft aan dat er voldoende toereikende waarborgen zijn om brandoverslag van de fakkelvlam te voorkomen. Zo is de uitmonding van de affakkelinstallatie naar boven gericht en staat deze op vier meter boven maaiveld. De installatie is gesitueerd op een open plek terwijl de afstand tot de groenstrook vijf meter bedraagt. Ter hoogte van de installatie is de groenstrook vijf meter hoog. In het bestreden besluit is het voorschrift opgenomen dat de inrichting schoon gehouden moet worden en in goede staat van onderhoud moet verkeren, dat geldt ook voor de groenstrook. Verder zijn in paragraaf 5.6 van het besluit voorschriften opgenomen die zien op een goede werking van de installatie, waaronder voorschrift 5.6.13, waarin is opgenomen dat de fakkelvlam niet mag leiden tot brandgevaar. De eis van 8 meter afstand tussen de affakkelinstallatie en de groenstrook was opgenomen in de in 2010 verleende vergunning en is thans niet opgenomen in het bestreden besluit. Volgens StAB is de combinatie van voorschriften voldoende om brandoverslag te voorkomen. Voorschrift 5.6.13 is een vangnetbepaling. Het gas dat – bij een storing – wordt verbrand door de affakkelinstallatie wordt onder hoge druk verbrand waardoor de vlam omhoog is gericht. Door de uitmonding op vier meter boven maaiveld en groenstrook op 5 meter afstand is er geen brandgevaar.

13.3

De rechtbank ziet geen aanleiding om de conclusies van de StAB niet te volgen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van voorschrift 11.1.1, waarin is bepaald dat de deuren in de opslaghal dichtgehouden moeten worden voor zover daar geen werkzaamheden worden verricht, overweegt de rechtbank dat verweerder in het verweerschrift heeft aangegeven dat dit voorschrift ten onrechte in de vergunning is opgenomen. Het beroep is derhalve ook op dit punt gegrond.

14.1

Eisers vrezen dat het bestreden besluit nadelige effecten heeft voor de volksgezondheid van de omwonenden.

14.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er wetenschappelijk niets bekend is over de gezondheidsrisico’s van mestvergisters.

14.3

De StAB heeft overwogen dat de emissie voornamelijk bestaat uit ammoniak en geur. Uit het GGD Informatieblad blijkt dat er wat betreft mogelijke blootstelling van omwonenden aan giftige stoffen geen aanwijzingen zijn dat de concentraties van deze stoffen de gezondheidskundige grenswaarden overschrijden.

14.4

De rechtbank ziet geen aanleiding om de StAB niet te volgen. Eisers hebben hun stellingen ook niet onderbouwd. Het betoog faalt.

15. Gelet op hetgeen is overwogen in de rechtsoverwegingen 7, 9, 10 en 11, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit wordt in zoverre vernietigd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat het voor herstel van de gebreken benodigde onderzoek naar het zich laat aanzien lang zal duren en te onzeker is wanneer dat kan worden afgerond. Verweerder dient in zoverre een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van hetgeen is overwogen in genoemde rechtsoverwegingen van deze uitspraak.

16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. Dit bedraagt twee maal

€ 174,- voor eisers [eiser 1] en [eiser 2] en één maal € 345,- voor eiseres [eiser 3] .

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat aanleiding. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze vast op drie maal € 1.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenbericht, 1 punt voor het verschijnen ter zitting,

met een waarde per punt van € 534,-, en een wegingsfactor van 1), totaal € 4.005,-.

Voorts ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eisers [eiser 1] en [eiser 2] gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting. De rechtbank stelt die reiskosten vast op € 31,53 (een retourreis met het openbaar vervoer tussen [adres 5] en [adres 6] en Guyotplein 1 te Groningen). De reiskosten van mr. Jippes-de Boer worden geacht te zijn inbegrepen in de proceskostenvergoeding voor de door haar verleende rechtsbijstand. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser [eiser 2] gemaakte verletkosten voor het bijwonen van de zitting. In dat kader komt de rechtbank een uurtarief van € 50,- niet onredelijk voor. De rechtbank oordeelt dat een totaalbedrag aan verletkosten van € 203,28 niet onredelijk is, gelet op de duur van de zitting en reisafstand tussen het adres in [plaats] en de rechtbank in Groningen. [eiser 1] heeft de gestelde verletkosten ad € 450,- niet nader onderbouwd. De rechtbank stelt deze kosten ambtshalve vast op € 200,- (4 uur a € 50,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit ;

- draagt verweerder op binnen zes twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht ad resp 2 x € 174,- en 1 x € 345,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres [eiser 3] tot een bedrag van € 1.335,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser [eiser 1] tot een bedrag van € 1566,56;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser [eiser 2] tot een bedrag van € 1569,81.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzitter, en mrs. L. Mulder en V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier, op 10 maart 2021.

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.