Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1829

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
18/105876-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland locatie Leeuwarden heeft op 30 april 2021 een verdachte veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht. Aangeefster heeft deze situatie als zeer bedreigend ervaren en is bang geweest dat verdachte deze bedreiging ook echt ten uitvoer zou leggen. Aan verdachte is een gevangenisstraf voor de duur van één week opgelegd.

ECLI:NL:RBNNE:2021:1828.

Verdachte was eerder in december 2020 veroordeeld tot – onder meer – een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden. Bij die straf werden bijzondere voorwaarden gesteld. Omdat verdachte zich niet had gehouden aan die bijzondere voorwaarden, heeft de rechtbank beslist dat de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden ten uitvoer wordt gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/105876-20

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 30 april 2021 op een vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf

in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de [instelling],

hierna te noemen: de veroordeelde.

Procesverloop

Bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden van 17 december 2020 is aan de veroordeelde - onder meer - een gevangenisstraf opgelegd van 15 maanden opgelegd, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Daarbij zijn bijzondere voorwaarden gesteld. De proeftijd is ingegaan op 1 januari 2021.

De officier van justitie heeft bij vordering van 30 maart 2021 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 16 april 2021. Hierbij waren aanwezig de officier van justitie mr. E.R. Jepkema, veroordeelde, haar raadsvrouw mr. M.R. Rauwerda, de tolk [naam 1] en de deskundigen P. van Dijk en J. Roest namens Reclassering Nederland.

Motivering

Bij het vonnis van 17 december 2020 zijn onder andere als bijzondere voorwaarden gesteld:

  • -

    dat de veroordeelde zich zo spoedig mogelijk na haar detentie laat behandelen door een FACT team of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling,

  • -

    dat de veroordeelde zo spoedig mogelijk na haar detentie zal verblijven in een forensische herstelsetting of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, waarna er later een overgang zal plaatsvinden naar een begeleid wonen traject. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld.

De reclassering heeft gerapporteerd dat op 19 maart 2021 de detentie van veroordeelde is geëindigd en dat zij zich conform de voorwaarden vervolgens heeft gemeld bij [instelling] , een woonzorg-complex te Franeker. Tijdens het eerste gesprek op 22 maart 2021 gaf veroordeelde aan dat ze niets met de reclassering te maken wilde hebben en niet wilde meewerken aan de behandeling bij de GGZ. Verder gaf ze aan dat ze niet langer in [instelling] wilde blijven, dat ze de volgende dag zou vertrekken en dat ze het gesprek niet verder wilde voortzetten. Op 23 maart 2021 bleek ze daadwerkelijk te zijn vertrokken bij [instelling] .

Hoewel de reclassering veroordeelde reeds in detentie heeft geprobeerd te overtuigen van het belang van het onderhouden van contacten met de reclassering en overige hulpverleners, heeft ze de keuze gemaakt niet mee te werken. Veroordeelde is in ogen van de reclassering moeilijk bij te sturen in haar handelen en weinig adaptief voor wat betref het aanpassen van haar handelen aan de feitelijke omstandigheden zoals deze nu zijn. De reclassering adviseert daarom de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel.

De deskundige Van Dijk voornoemd heeft ter terechtzitting het advies toegelicht. Zij heeft onder meer aangegeven dat de reclassering geen mogelijkheden meer ziet voor begeleiding van veroordeelde.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de vordering toe te wijzen en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te bevelen.

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.

Gelet op het voorgaande is voldoende komen vast te staan dat de veroordeelde weigert zich te laten behandelen, weigert de in door de reclassering aangewezen woonsetting te verblijven en deze woonsetting ook daadwerkelijk heeft verlaten. Daarmee heeft veroordeelde zich niet gehouden aan de voorwaarden opgelegd bij het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden van 17 december 2020. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf toewijzen.

Beslissing

De rechtbank beveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden van 17 december 2020, te weten een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.

De rechtbank beveelt dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 6:6:20, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering, geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.W.G. Wijnands, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. K.A. de Groot, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2021.

Mr. De Groot en de griffier zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.