Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1825

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
18/284232-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 april 2021 een man veroordeeld voor het in zijn functie als invalleerkracht op een basisschool drie zevenjarige meisjes ontuchtig betasten. De man is in het klaslokaal met zijn handen onder hun shirts gegaan en heeft hen bij hun borst betast.

De rechtbank vindt de verklaringen van de leerlingen zoals afgelegd in de studioverhoren voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken. De rechtbank vindt het alternatieve scenario waarin de man twee meisjes zou hebben gekieteld, maar verder niet heeft betast niet geloofwaardig

De man is een gevangenisstraf opgelegd van 136 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, teneinde herhaling te voorkomen. Als bijzondere voorwaarden zijn opgelegd reclasseringstoezicht en de verplichting tot het volgen van een ambulante behandeling. Gelet op de ernst van de feiten heeft de rechtbank daarnaast een taakstraf opgelegd van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

Omdat de man de feiten heeft gepleegd in de uitoefening van zijn beroep als leerkracht heeft de rechtbank bepaald dat de man wordt ontzet uit zijn recht tot het uitoefenen van het beroep als leerkracht, het werken in het onderwijs en het begeleiden van minderjarigen voor de duur van vijf jaren. De rechtbank kwam tot een lagere voorwaardelijke straf en lagere taakstraf dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de rechtbank de man verminderd toerekeningsvatbaar acht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 247
Wetboek van Strafrecht 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/284232-20

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam],

thans verblijvende te [verblijfsplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 april 2021.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.W. Delhaye, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 3 september 2020 en 4 september 2020, te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, (in zijn hoedanigheid als de inval leerkracht bij basisschool [naam school]), meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2013), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) opzettelijke ontuchtig met verdachtes vinger(s)/hand (telkens)(onder de kleding)

betasten/aanraken van de (blote) buik en/of borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 1], zulks terwijl die voornoemde minderjarige, zijnde zijn pupil/leerling, (telkens) aan

zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

2.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 3 september 2020 en 4 september 2020, te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, (in zijn hoedanigheid als de inval leerkracht bij basisschool [naam school]), meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2013), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) opzettelijke ontuchtig met verdachtes vinger(s)/hand (telkens)

- ( onder de kleding) betasten/aanraken van de (blote) borst(en) en/of tepel(s) van die [slachtoffer 2] en/of

- achter bij de broek in gaan en betasten/aanraken van de (blote) bil(len) van die [slachtoffer 2],

zulks terwijl die voornoemde minderjarige, zijnde zijn pupil/leerling, (telkens) aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

3.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 3 september 2020 en 4 september 2020, te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, (in zijn hoedanigheid als de inval leerkracht bij basisschool [naam school]), meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 2013), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) opzettelijke ontuchtig met verdachtes vinger(s)/hand (telkens)(onder de kleding) betasten/aanraken van de (blote) buik en/of borst(en) van die [slachtoffer 3], zulks terwijl die voornoemde minderjarige, zijnde zijn pupil/leerling, (telkens) aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

4.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 3 september 2020 en 4 september 2020, te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, (in zijn hoedanigheid als de inval leerkracht bij basisschool [naam school]), meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 4] (geboren op [geboortedatum] 2013), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het (telkens) opzettelijke ontuchtig met verdachtes vinger(s)/hand (telkens)(onder de kleding) betasten/aanraken van de (blote) buik en/of borst(en) van die [slachtoffer 4],

zulks terwijl die voornoemde minderjarige, zijnde zijn pupil/leerling, (telkens) aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid was toevertrouwd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 2. en 4. ten laste gelegde en hij heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. en 3. ten laste gelegde.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] duidelijk hebben verklaard welke handelingen hebben plaatsgevonden; hun verklaringen vinden steun in andere bewijsmiddelen. Hierdoor kan het onder 1. en 3. ten laste gelegde worden bewezen.

[slachtoffer 2] heeft wisselend verklaard. Zij heeft bij de politie verklaard dat verdachte niet met zijn hand in haar broek is geweest. Hierdoor bestaat twijfel of deze handeling heeft plaatsgevonden. Over het aanraken onder het shirt en bij de borst en tepels heeft zij bij de politie wel duidelijk verklaard. Ze heeft echter ook verklaard dat ze dit bij [slachtoffer 3] heeft gezien. Voorts heeft [slachtoffer 4] verklaard dat verdachte [slachtoffer 2] ook op de rug heeft gekieteld. Dit komt in de verklaring van [slachtoffer 2] niet terug. Hierdoor kan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2] onvoldoende worden vastgesteld en kan deze niet voor het bewijs worden gebruikt. Voor het onder 2. ten laste gelede is daarom onvoldoende bewijs.

[slachtoffer 4] heeft bij de politie ontkend dat verdachte bij haar handelingen heeft gepleegd. Hierdoor is het onder 4. ten laste gelegde niet bewijsbaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Hij heeft aangevoerd dat het belastend bewijs bestaat uit de verklaringen van de leerlingen, maar die zijn onvoldoende betrouwbaar. De wijze van ontstaan van de verklaringen is dubieus. De kans is groot dat de leerlingen in het gesprek met hun juf elkaar onbedoeld ophitsten om negatieve dingen over de invalmeester te vertellen. Dat beeld werd steeds negatiever. Pas toen [slachtoffer 2] mogelijk niet kon benoemen waarom het een ‘vieze meester’ was, boden [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] haar een uitweg door te zeggen dat hij aan leerlingen had gezeten. Als een dergelijke beschuldiging eenmaal is geuit, is dat niet gemakkelijk terug te draaien.

Verder is de leerlingen erg vaak gevraagd te vertellen wat er is gebeurd. Latere informatie kan van invloed zijn op de verklaringen en vervolgens wortelen in de herinnering. Dit heeft [naam 1] ook aangegeven in zijn Rechtspsychologisch rapport van 9 april 2021, opgemaakt in opdracht van de verdediging. Hierdoor is het onmogelijk om onderscheid te maken tussen de eigen waarneming en latere informatie. Er zijn gesprekken geweest -in vele samenstellingen- tussen ouders, leerlingen, school en politie, maar vooral tussen de leerlingen onderling. Hierdoor kunnen de verklaringen zijn beïnvloed. De verdediging acht het algemeen bekend dat kinderen op deze leeftijd beïnvloedbaar zijn, gevoelig voor sociale druk en gebeurtenissen, en dat in hun belevingswereld de realiteit en fantasie soms door elkaar lopen.

[naam 1] concludeert dat de verklaringen van de leerlingen zowel passen bij het scenario dat het openbaar ministerie schetst als bij het scenario dat verdachte schetst, te weten dat hij twee meisjes heeft gekieteld maar niet heeft betast. [naam 1] merkt aanvullend op dat bij de totstandkoming van de verhoren is uitgegaan van de veronderstelling dat verdachte het heeft gedaan, maar onvoldoende is gekeken naar ontlastende verklaringen en alternatieve scenario’s. De belastende bewijsmiddelen voldoen hierdoor weliswaar aan het wettelijk bewijsminimum, maar overtuigen allerminst.

Hiernaast acht de verdediging een door de leerlingen beschreven handeling fysiek vrijwel onmogelijk, te weten dat verdachte op een tafel zat en vervolgens met zijn hand onder een shirt ging. De beschuldigingen passen ook niet bij de persoon: verdachte is al meer dan tien jaar actief als turntrainer zonder incidenten. Ook is geen kinderpornografie aangetroffen op de gegevensdragers van verdachte die de politie heeft onderzocht.

Oordeel van de rechtbank

Betrouwbaarheid van de verklaringen van de leerlingen

De rechtbank acht de verklaringen van de leerlingen zoals afgelegd in de studioverhoren voldoende betrouwbaar. Door drie leerlingen [slachtoffer 3], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is duidelijk verklaard over de wijze waarop verdachte bij hen handelingen verrichtte en wat zij daarbij voelden. Deze verklaringen maken een authentieke indruk en de rechtbank ziet voorshands geen reden om aan de betrouwbaarheid daarvan te twijfelen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat twee klasgenoten [getuige 1] en [slachtoffer 4] de verklaringen van de drie leerlingen op essentiële punten ondersteunen. Voorts is er geen aanleiding voor de leerlingen om verdachte vals te beschuldigen.

Daartegenover staat de verklaring van verdachte. Hij is een week nadat de handelingen moeten hebben plaatsgevonden, door de directeur van de school hiermee geconfronteerd. Verdachte heeft toen ontkend deze handelingen te hebben gepleegd. In november 2020 is verdachte vervolgens meermalen door de politie gehoord, waarbij hij heeft verklaard dat hij als invalleerkracht op ludieke wijze wilde lesgeven en dat hij twee leerlingen heeft aangeraakt. Hij zou [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in hun zij hebben gekieteld. Het zou kunnen dat hij daarbij per ongeluk onder de kleding van de meisjes is geweest. Ook verklaarde hij dat [slachtoffer 3] aangaf hier niet van gediend te zijn. Ter zitting heeft verdachte eerst verklaard dat hij het zich lastig kon herinneren, omdat het al een tijd geleden was. Dit acht de rechtbank opvallend, omdat het de laatste twee lesdagen van verdachte als leerkracht waren en hij nadien voor deze handelingen in voorlopige hechtenis is gesteld. Verdachte zal dus nog vaak aan die dagen moeten hebben gedacht. Uiteindelijk heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 1] meerdere malen heeft aangeraakt en gekieteld, waarbij hij mogelijk onder hun kleding is geweest met zijn handen.

Gelet op deze verklaringen van verdachte, in samenhang met de authentieke en duidelijke verklaringen van de leerlingen, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij alleen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft gekieteld zonder hen te betasten -zoals de leerlingen hebben verklaard- ongeloofwaardig. De rechtbank acht het scenario van verdachte derhalve niet aannemelijk. De rechtbank volgt dan ook de verklaringen van de leerlingen, afgelegd in de studioverhoren.

De rechtbank acht, mede gelet op verdachtes eigen verklaring dat hij zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 3] meerdere malen heeft aangeraakt, geloofwaardig dat verdachte de handelingen bij beide meisjes vaker dan éénmaal heeft gepleegd. De rechtbank zal evenwel bij de beoordeling van de verklaringen ermee rekening houden dat de verklaringen zijn afgelegd door meisjes van zeven tot acht jaar oud die onderling hebben gesproken over de handelingen. Dit maakt hun beleving over de frequentie van de handelingen (“hij deed dat de hele tijd” althans “tien keer”) minder betrouwbaar.

De verdediging heeft een Rechtspsychologisch rapport overgelegd van [naam 1] van 9 april 2021. [naam 1] heeft hierin aangegeven dat de verhoren van de leerlingen in het algemeen van voldoende kwaliteit zijn. In alle gevallen werd uitleg gegeven over het verhoor en de verhoorkamer, over de camera’s, het maken van aantekeningen, het stellen van vragen, het verbeteren van fouten en het aangeven iets niet te snappen. Verder komen de leerlingen allen spontaan met hun belastende verklaring. [naam 1] durft niet te beweren dat de verklaringen van de leerlingen het gevolg zijn van sturing door de verhoorder. Ook hebben de verhoren volgens [naam 1] relatief snel plaats gevonden.

[naam 1] concludeert dat de belastende verklaringen veelal passen in het scenario waarin verdachte de meisjes heeft betast. De verklaringen zouden volgens [naam 1] ook redelijk goed passen in een alternatief scenario, waarin verdachte twee meisjes zou hebben gekieteld, maar verder niet heeft betast. Volgens hem had de politie meer onderzoek naar alternatieve scenario’s kunnen doen.

De inhoud van het rapport van [naam 1] is voor de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de leerlingen. Integendeel, ook volgens [naam 1] zijn de verhoren op een juiste wijze tot stand gekomen. De rechtbank deelt ook de conclusie van [naam 1], voor zover deze inhoudt dat de verklaringen veelal passen in het scenario dat verdachte de meisjes heeft betast. Dat de verklaringen volgens [naam 1] ook redelijk goed zouden passen in een alternatief scenario, waarin verdachte twee meisjes zou hebben gekieteld, maar verder niet heeft betast, doet hieraan niet af. Zoals hiervoor reeds is overwogen, acht de rechtbank dit scenario niet geloofwaardig.

De rechtbank zal voor het bewijs met betrekking tot de handelingen die zijn gepleegd enkel gebruik maken van de verklaringen waarin wordt aangegeven dat de getuigen zelf iets hebben gezien of gevoeld. Verklaringen van leerkrachten en ouders over wat leerlingen aan hen hebben verteld kunnen zijn gekleurd doordat er nadien over is gesproken en deze acht de rechtbank daardoor minder betrouwbaar.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

De rechtbank acht ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met zijn hand in de broek van [slachtoffer 2] is geweest en haar billen heeft betast. Nu [slachtoffer 2] bij de politie heeft verklaard dat deze handelingen bij haar niet hebben plaatsgevonden, volgt de rechtbank haar verklaring. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 4. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen nu [slachtoffer 4] bij de politie heeft verklaard dat de handelingen bij haar niet hebben plaatsgevonden. De rechtbank volgt haar verklaring. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Verdachte heeft op 3 en 4 september 2020 op de openbare basisschool [naam school] in Leeuwarden als invalleerkracht gewerkt. Hij heeft lesgegeven aan groep 4.2 In deze groep zitten kinderen van zeven à acht jaar oud. Nadien hebben kinderen uit deze groep verklaard dat meester [verdachte] met zijn handen onder de shirts van meisjes is geweest.3

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2013, is bij de politie gehoord.4 Zij zit in groep 4 van op de openbare basisschool [naam school] in Leeuwarden.5 Zij heeft verklaard dat ze twee dagen invalmeester [verdachte] in de klas hebben gehad. Wanneer ze aan haar tafel op haar stoel zat, kwam meester [verdachte] op zijn hurken aan de zijkant bij haar zitten. Hij ging dan met zijn handen onder haar shirt en haar hemd. Eerst ging hij met zijn hand op haar blote huid naar het midden van haar buik en daarna ging hij met zijn vingers naar boven bij haar borsten. Hij maakte met zijn vingers kriebelende bewegingen van beneden naar boven en weer terug. Hij heeft dit in die twee dagen meerdere malen gedaan. Dit was tijdens spelletjes, maar ook tijdens de rekenles. De ene keer deed hij dit met twee handen en de andere keer met één hand.6

[slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2013, is bij de politie gehoord. Zij zit in groep 4 van de openbare basisschool [naam school]. Zij heeft verklaard dat zij les kreeg van meester [verdachte]. Tijdens de les kwam meester [verdachte] bij haar. Hij ging op zijn hurken bij haar zitten. Toen ging hij met zijn hand onder haar shirt. Ze had niets onder haar shirt aan. Hij kneep in haar buik. Daarna ging zijn hand naar haar borst. Hij kneep in haar rechter tepel. Dit was op haar blote huid en ze voelde dat meester [verdachte] zijn hand nat en glibberig was. Ze heeft gezien dat hij bij [slachtoffer 3] was geweest voordat hij dit bij haar deed. [slachtoffer 2] heeft gezien dat hij bij [slachtoffer 3] hetzelfde deed wat hij later ook bij [slachtoffer 2] deed.7

[slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 2013, is bij de politie gehoord. Zij zit in groep 4 van de openbare basisschool [naam school]. Ze heeft twee dagen een invalmeester gehad. Deze meester heette meester [verdachte]. Ze heeft verklaard dat meester [verdachte] bij haar kwam. Hij ging met zijn hand onder haar shirt en trok haar hemd omhoog. Daarna kietelde hij haar op de buik. Vervolgens ging hij met zijn hand naar boven. [slachtoffer 3] heeft dit ook voorgedaan. Ze wandelde met wijsvinger en ringvinger over de tafel. Zo ging hij met zijn hand helemaal naar haar hals. Hierbij raakte hij haar borsten aan en kneep met zijn hand in haar borsten. Dit deed hij allemaal onder haar hemd, terwijl ze daaronder niets aanhad. Hij heeft dit tijdens die twee dagen meerdere keren op deze manier bij haar gedaan. Ze heeft gevoeld dat hij hele koude handen had. Ze heeft dit ook tegen hem gezegd.8

[getuige 1] is bij de politie gehoord. Zij zit in groep 4 van de openbare basisschool [naam school]. Haar beste vriendin is [slachtoffer 3]. Ze heeft verklaard dat ze heeft gezien dat meester [verdachte] met zijn hand onder het shirt van [slachtoffer 3] ging. Volgens haar was hij met zijn hand op haar blote huid. Hij kwam aan de bovenkant van het shirt er bijna weer uit met zijn hand. Ze kon niet zien wat hij onder het shirt deed met zijn handen. Dit gebeurde in de klas tijdens de rekenles aan het tafeltje van [slachtoffer 3]. Ze zat op haar stoel en meester [verdachte] zat op zijn knieën bij haar. Ze heeft gehoord dat [slachtoffer 3] zei dat ze het niet leuk vond. [slachtoffer 3] zei dat hij koude handen had.9

[slachtoffer 4] is bij de politie gehoord. Zij zit in groep 4 van de openbare basisschool [naam school]. Ze heeft verklaard dat meester [verdachte] bij hen in de groep kwam invallen. Ze heeft gezien dat meester [verdachte] in de klas bij de zijkant van [slachtoffer 2] kwam. Hij deed zijn hand onder haar shirt waardoor haar shirt omhoog ging. Ze kon aan [slachtoffer 2] zien dat ze het niet leuk vond. Ze heeft ook gezien dat meester [verdachte] naar [slachtoffer 3] is gegaan. Zij zat op haar stoel. Hij deed haar shirt omhoog en kietelde haar buik. Ze kon aan het gezicht van [slachtoffer 3] zien dat ze het niet leuk vond. Haar wenkbrauwen zagen er wat boos uit.10

Verdachte heeft verklaard dat hij in het klaslokaal [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] heeft aangeraakt terwijl zij op hun stoel aan hun tafel zaten. Hij zat toen op zijn hurken naast hen. [slachtoffer 1] heeft hij in haar zij en op haar buik aangeraakt. Het is mogelijk dat hij hierbij met zijn hand onder haar shirt is gegaan en dat dit vaker is gebeurd tijdens de twee dagen dat hij hen les gaf. [slachtoffer 3] heeft hij ook in haar zij aangeraakt. Het is mogelijk dat hij hierbij met zijn hand onder haar shirt is gegaan en dit is tijdens de twee dagen dat hij hen les gaf meerdere keren gebeurd. [slachtoffer 3] heeft bij hem aangegeven dat ze het niet leuk vond. Ze zei dat hij koude handen had.11

Bewijsoverweging

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de twee dagen waarin hij als invalleerkracht voor de groep stond, bij drie meisjes een of meerdere malen met zijn hand of handen onder hun kleding is geweest, waarbij hij hen op de blote huid van de buik en borsten heeft betast. Bij [slachtoffer 2] heeft hij ook in haar tepel geknepen. Deze handelingen vonden plaats tijdens de les in het klaslokaal. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen, gepleegd in deze context, onmiskenbaar ontuchtige handelingen zijn omdat deze handelingen seksueel getinte handelingen zijn die in strijd komen met de sociaal-ethische norm.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode omvattende de dagen 3 september 2020 en 4 september 2020, te Leeuwarden, in zijn hoedanigheid als de invalleerkracht bij basisschool [naam school]), meermalen, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2013, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het telkens opzettelijke ontuchtig met verdachtes vingers/hand telkens onder de kleding betasten/aanraken van de blote buik en borsten van die [slachtoffer 1], zulks terwijl die voornoemde minderjarige, zijnde zijn leerling, telkens aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid was toevertrouwd;

2.

hij in de periode omvattende de dagen 3 september 2020 en 4 september 2020, te Leeuwarden, in zijn hoedanigheid als de invalleerkracht bij basisschool [naam school], eenmaal, met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2013, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het opzettelijke ontuchtig met verdachtes hand onder de kleding betasten/aanraken van de blote borst en tepel van die [slachtoffer 2],

zulks terwijl die voornoemde minderjarige, zijnde zijn leerling, aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid was toevertrouwd;

3.

hij in de periode omvattende de dagen 3 september 2020 en 4 september 2020, te Leeuwarden, in zijn hoedanigheid als de invalleerkracht bij basisschool [naam school], meermalen, met [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum] 2013, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het telkens opzettelijke ontuchtig met verdachtes vingers/hand telkens onder de kleding betasten/aanraken van de blote buik en borsten van die [slachtoffer 3], zulks terwijl die voornoemde minderjarige, zijnde zijn leerling, telkens aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid was toevertrouwd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handeling plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

  2. met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handeling plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige;

  3. met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handeling plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf van 226 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van het voorarrest en met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering van het Leger des Heils en een verplichte ambulante behandeling bij de Forensische poli Friesland, of soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering;

- een werkstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis;

- ontzetting uit het beroep van leerkracht, van het werken in het onderwijs en van het begeleiden van minderjarigen voor de tijd van vijf jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter zitting, het trajectconsult opgemaakt door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie op 23 december 2020, het psychologisch rapport opgemaakt door N. Märker, GZ-psycholoog op 29 maart 2021, de reclasseringsrapportages opgemaakt door het Leger des Heils op 17 november 2020, 24 november 2020, 17 december 2020, 21 december 2020 en 13 april 2021, de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in twee dagen tijd als invalleerkracht op een basisschool drie zevenjarige meisjes eenmaal of meerdere malen ontuchtig betast. Hij is in het klaslokaal met zijn handen onder hun shirts gegaan en heeft hen bij hun borst betast.

De ontuchtige handelingen vonden plaats in aanwezigheid van andere zeven- of achtjarige leerlingen. Kwalijk is dat dit plaatsvond in een omgeving die voor de slachtoffers juist veilig had moeten zijn. Verdachte heeft hierdoor misbruik gemaakt van de afhankelijkheidsrelatie tussen hem als leerkracht en de jonge, kwetsbare meisjes. Hij heeft het in hem gestelde vertrouwen op grove wijze beschaamd en heeft inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de meisjes. Verdachte heeft zich hierbij kennelijk puur laten leiden door zijn seksuele impulsen. Dit soort delicten veroorzaakt bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij, bijvoorbeeld bij ouders van jonge kinderen. De rechtbank rekent dit verdachte aan en is van oordeel dat een gevangenisstraf voor deze feiten het uitgangspunt moet zijn.

Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Voor deze feiten heeft verdachte 46 dagen in voorarrest gezeten; daarna is het voorarrest geschorst met voorwaarden en met elektronische controle.

Volgens de psycholoog zijn er geen aanwijzingen voor psychiatrische problematiek en seksuele stoornissen. Verdachte is gemiddeld intelligent maar kent een tragere verwerkingssnelheid. Hij geeft wel blijk van lichte sociaal-emotionele problematiek. Er zijn vermijdende trekken, echter onvoldoende om van een persoonlijkheidsstoornis te kunnen spreken. Zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en identiteitsontwikkeling lijken enigszins vertraagd te zijn verlopen. Verdachte is onrijp en onzeker, is angstig voor sociale afwijzing en heeft enige moeite met het aangaan van contacten, waardoor hij nog geen (seksuele) relaties gehad heeft. Verdachte kent gevoelens van eenzaamheid, somberheid en sociaal ongemak, hetgeen voort lijkt te komen uit een neurotische aanleg. Indien de feiten bewezen verklaard worden, concludeert de psycholoog dat verdachte destijds vanwege zijn onrijpe identiteitsontwikkeling en sociale onhandigheid moeite had de gevolgen van zijn handelwijze juist in te schatten en het ontoelaatbare ervan in te zien. De psycholoog adviseert verdachte hiervoor verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Het risico op herhaling wordt zonder behandeling ingeschat als laag-matig. De psycholoog adviseert een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringstoezicht en eventueel een ambulante behandeling, gericht op de (seksuele) identiteitsontwikkeling en sociaal-emotionele problematiek.

De reclassering adviseert onder andere een (deels) voorwaardelijke straf met de voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een contactverbod met de slachtoffers, een verbod op het vermijden van contact met minderjarigen en een verbod op het verrichten van werkzaamheden met minderjarigen.

De rechtbank kan zich - anders dan de officier van justitie - verenigen met de conclusie van de psycholoog inzake de toerekeningsvatbaarheid; zij zal de feiten in verminderde mate aan verdachte toerekenen. Tevens zal de rechtbank het advies van de psycholoog en de reclassering volgen om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, onder de voorwaarden van reclasseringstoezicht en een ambulante behandeling.

De rechtbank acht het niet nodig dat verdachte weer wordt gedetineerd; de rechtbank zal daarom het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf gelijkstellen aan de duur van het voorarrest, te weten 46 dagen. Het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf zal worden bepaald op 90 dagen met een proeftijd van drie jaren, teneinde herhaling te voorkomen. Als bijzondere voorwaarden wordt reclasseringstoezicht opgelegd, en de verplichting tot het volgen van een ambulante behandeling. Gelet op de ernst van de feiten kan hiermee echter niet worden volstaan. De rechtbank legt daarom ook een onvoorwaardelijke taakstraf op van 120 uren.

Verdachte heeft de feiten gepleegd in de uitoefening van zijn beroep als leerkracht. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een langer durend beroepsverbod nodig is. Daarom zal de rechtbank verdachte voorts ontzetten uit zijn recht tot het uitoefenen van een beroep als leerkracht, het werken in het onderwijs en het begeleiden van minderjarigen voor de duur van vijf jaren. De rechtbank komt tot een lagere voorwaardelijke straf en lagere taakstraf dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht. Evenals de officier van justitie acht de rechtbank het niet nodig om hiernaast nog de bijzondere voorwaarde op te leggen van een contactverbod met de slachtoffers.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 31, 57, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 4. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 136 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden, dat de veroordeelde:

  1. zich binnen zeven dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering van het Leger des Heils, op het adres Zoutbranderij 1 te Leeuwarden en zich blijft melden op de afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

  2. zich onder ambulante behandeling zal stellen van de Forensische poli Friesland, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven en zich houdt aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, voor zolang de reclassering dit nodig acht.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering, zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Een taakstraf, voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

De ontzetting uit het beroep van leerkracht, van het werken in het onderwijs en van het begeleiden van minderjarigen voor de tijd van vijf jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2021.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer NNRBC20187/Griel, gesloten op 10 februari 2020 (rechtbank leest verbeterd 2021).

2 verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 april 2021;

3 proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], pagina’s 35, 36 en 38;

4 proces-verbaal uitwerking studioverhoor [slachtoffer 1], pagina 107;

5 proces-verbaal aangifte door [naam 2], pagina’s 99 en 100;

6 proces-verbaal uitwerking studioverhoor [slachtoffer 1], pagina’s 115 t/m 119 en 121;

7 proces-verbaal uitwerking studioverhoor [slachtoffer 2], pagina’s 149, 152, 154 t/m 156;

8 proces-verbaal van bevindingen, verhoor getuige [slachtoffer 3], pagina’s 182, 190, 192 t/m 194, 196 en 197;

9 proces-verbaal van bevindingen, verhoor getuige [getuige 1], pagina’s 208, 212, 213, 215, 217 en 218;

10 proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 4], pagina’s 237, 239, 241 en 242.

11 verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 april 2021.