Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1807

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
18/730190-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 april 2021 een man veroordeeld voor samen het samen met een ander plegen van een woninginbraak en de diefstal van twee fietsen tot een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van het voorarrest.

Het echtpaar dat in de woning woonachtig was heeft zich als benadeelde partij gesteld. De rechtbank heeft de gevorderde immateriële schade van de man toegewezen. De rechtbank oordeelde dat het feit dat de benadeelde de mannen heeft overlopen in zijn eigen woning maakt dat de benadeelde 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken gevoelens van onrust veroorzaken bij de slachtoffers. De rechtbank is van oordeel dat de woninginbraak bij benadeelde een nog grotere impact heeft gehad, doordat hij de mannen in zijn eigen woning heeft aangetroffen. De immateriële schade komt om die reden voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft de vordering met betrekking tot de immateriële schade van de vrouw niet-ontvankelijk verklaard. Weliswaar blijkt uit de toelichting op de vordering dat de benadeelde partij boos was over de inbraak, dat zij achterdochtig is geworden en dat zij zich minder veilig voelde in haar woning, maar dit is onvoldoende om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij vindt de rechtbank het van belang dat zij, anders dan haar man, niet in de woning aanwezig was ten tijde van de inbraak.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730190-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder

bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 april 2021.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door

mr. M.H.G. Scharenborg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 september 2019 te Arum, (althans) gemeente Súdwest-Fryslân, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een/twee (zwarte) portemonnee('s) inhoudende -onder meer- geld en/of een Samsung Galaxy A3 telefoon (kleur roze) en/of een pennenset (Balmain Balpen) en/of een verrekijker (Zenith Field 7.1) en/of een wierookhouder en/of 4 zakhorloges, waarvan 2 met ketting en/of drie hoofdtelefoons en/of een verrekijker (Nikula) en/of een zaklantaarn en/of een Samsung tablet en/of een brillenkoker ( [bedrijf] ) en/of drie hoofdtelefoons/oordopjes en/of een

Samsung Galaxy Ace telefoon (kleur zwart), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] (en/of zijn echtgenote), in/uit een woning (perceel [straatnaam] , aldaar) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(een) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2019 tot en met 4 september 2019, te Witmarsum, (althans) in de gemeente Súdwest-Fryslân, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets (Giant Expedition) en/of een fiets (Gazelle), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2019 tot en met 4 september 2019

te Witmarsum, (althans) in de gemeente Súdwest-Fryslân, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een fiets (Giant Expedition) en/of een fiets (Gazelle), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft weggemaakt, in elk geval (tijdelijk) buiten het bereik van de rechthebbende heeft gebracht.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1. ten laste gelegde met betrekking tot de braak en de inklimming, omdat dit niet uit de bewijsmiddelen volgt.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte de fietsen heeft geleend en voornemens was om ze terug te zetten. Door de aanhouding kon hij de fietsen niet meer terugzetten. Dit was niet zijn keuze. Hierdoor kan niet worden bewezen dat verdachte het oogmerk op de wederrechtelijke toe-eigening heeft gehad en kan ook niet worden bewezen dat verdachte het opzet op het wegmaken van de fietsen heeft gehad.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage van 4 september 2019, opgenomen op pagina 32 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019235597/2019236745/2019234947 van 9 oktober 2019, inhoudend als verklaring van [benadeelde partij 1] :

Ik woon op de [straatnaam] te Arum. Op 4 september 2019 omstreeks 9:00 uur heb ik mijn woning verlaten. Omstreeks 10:05 uur kwam ik weer thuis. Ik zag twee fietsen staan. Toen ik binnen kwam hoorde ik gestommel van boven komen. Op de overloop stond ik ineens oog in oog met een man. Ik zag dat deze man mijn laptop tas in een van zijn handen vast hield. (…) Ik zag dat hij een portemonnee uit een van zijn zakken haalde. (…)Toen ik mij omdraaide en naar het begin van de oprit keek zag ik twee mannen staan. De ene man was de man die ik op de overloop was tegengekomen. Ik zag dat de beide mannen vluchtten. Toen ik in mijn slaapkamer, gevestigd op de begaande grond, kwam zag ik dat de raamsluiting van het raam kapot was.

In de bijlage "goederen" worden de goederen genoemd, die zijn weggenomen.

Bijlage goederen:

verrekijker Nikula;

Samsung Galaxy Ace (telefoon);

Samsung Tab (Tablet);

brillenkoker;

verrekijker Zenith Field 7.1;

3 stuks oordopjes;

3 hoofdtelefoons;

4 zakhorloges (2 met ketting);

zaklantaarn;

doos met 2 Balmain balpennen;

wierrookhouder.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van 5 september 2019, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [benadeelde partij 1] :

U laat mij verschillende goederen zien, ik zal u met ja of nee beantwoorden of de goederen het bezit van mijn vrouw of mij zijn.

Volgnummer l:

Ja

Volgnummer 2:

Ja

Volgnummer 3:

Ja

Volgnummer 5:

Ja

Volgnummer 6:

Ja

Volgnummer 7:

Ja

Volgnummer 8:

Ja

Volgnummer 9:

Ja

Volgnummer 10:

Ja

Volgnummer 13:

Ja

Volgnummer 14:

Ja

3. Een schriftelijk stuk, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 4 september 2019, opgenomen op pagina 1 e.v. van voornoemd dossier, onder meer inhoudend:

Op 4 september 2019 te 12.00 inbeslaggenomen op de [straatnaam] te Arum, binnen de gemeente Sudwest-Fryslan onder de beslagene [verdachte] .

Volgnummer 1

Aantal/eenheid: 2 stuks

Verpakking: doos

Merk/type: Balmain Balpen

Volgnummer 2

Object: Verrekijker

Merk/type: Zenith Field 7.1

Volgnummer 3

Object: Wierook

Bijzonderheden: wierrookhouder

Volgnummer 5

Object: Horloge

Aantal/eenheid: 4 stuks

Bijzonderheden: 4 zakhorloges 2 met ketting

Volgnummer 6

Object: Hoofdtelefoon

Aantal/eenheid: 3 stuks

Volgnummer 7

Object: verrekijker

Merk/type: Nikula

Volgnummer 8

Object: zaklantaarn

Volgnummer 9

Object: computer (Tablet)

Merk/type: Samsung Tab

Volgnummer 10

Object: brillenkoker

Merk/type: [bedrijf]

Volgnummer 13

Object: hoofdtelefoon

Aantal/eenheid: 3 stuks

Merk/type: oordopjes

Volgnummer 14

Object: telefoon

Merk/type: Samsung Galaxy Ace.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 4 september 2019, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] :

Op 4 september 2019 omstreeks 10.19 uur werd door het operationeel centrum van de politie Noord Nederland gemeld dat er twee inbrekers in de woning waren overlopen op de [straatnaam] te Arum. Er werd een signalement doorgegeven van de beide personen. Ik, 2e verbalisant, zag dat er twee personen in de bosschages zaten met een fiets. De personen voldeden aan het opgegeven signalement. Door mij, 3e verbalisant werd verdachte ( [verdachte] ) aangehouden. Bij verdachte werd een tas aangetroffen. De tas met inhoud werd inbeslaggenomen. We zagen dat de 2e verdachte er vandoor ging. Wij zagen dat de verdachte in een sloot sprong. Wij zagen een persoon ( [medeverdachte] ) zwemmen. Toen hij op de wal kwam werd hij aangehouden.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek woning van 2 oktober 2019, opgenomen op pagina 61 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [naam 5]:

Op 4 september 2019 kwam ik, naar aanleiding van een gekwalificeerde diefstal in/uit woning, voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [straatnaam] te Arum, binnen de gemeente Sudwest-Fryslan. De toegang tot de woning was verkregen aan de linker zijkant van de woning naast de oprit, gezien vanaf de voorzijde van de woning met gezicht naar de woning toe gericht. Hier was een bovenlicht/uitzetraam opengebroken dat toegang gaf tot een slaapkamer. Ik zag dat het raamhefboompje was afgebroken. Buiten op de vensterbank, werden door mij schoenzool fragmenten met blokjes in het profiel aangetroffen gezet in bouwstof, hoogstwaarschijnlijk afkomstig van één schoen. De aangever gaf aan dat deze schoensporen niet van hem waren. Binnen op de vloer onder het opengebroken inklimraam werd door mij eveneens een schoenzool fragment aangetroffen met blokjes in het profiel.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 12 september 2019, opgenomen op pagina 82 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte] :

Ik ben naar dat huis gegaan. Ik ben naar binnengegaan. Ik was die dag samen met een andere man. Ik ben via het raam naar binnen gegaan en heb daarna de deur open gedaan. Mijn vriend ging naar de eerste verdieping en ik ging naar de tweede verdieping. Toen kwam de eigenaar. We zijn verschillende kanten op gevlucht. Toen we weer bij elkaar kwamen, liet hij zien wat hij allemaal had meegenomen. Een aantal horloges, telefoons en een tablet.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 5 september 2019, opgenomen op pagina 100 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [verdachte] :

Ik was aan het fietsen met een jongen die tegelijkertijd aangehouden is. Ik dacht ik ga bij de eerste woning die ik tegenkom inbreken. Ik ben een woning naar binnengegaan.

V: Je vertelde dat je een stommiteit hebt begaan wat is dat dan? Ik wil graag weten of jij met sommiteit de woninginbraak bedoelt.

A: Ja, dat bedoel ik ook.

V: Wat voor spullen heb je allemaal gepakt?

A: Horloges, tablets, twee telefoons, een verrekijker. En een stuk of acht à tien koptelefoons. Ik heb dit in mijn rugtas meegenomen. Ik had mijn fiets achter de woning laten staan en ik ben het hele huis doorgegaan.

Overweging van de rechtbank ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen opgenomen onder 4. en 5. volgt dat sprake is van diefstal door middel braak en inklimming. Ten aanzien van de bewezenverklaring van de weggenomen goederen is de rechtbank uitgegaan van de goederen die aangever na de inbraak terug heeft gekregen. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte en de medeverdachte zeer kort na de inbraak met goederen zijn aangehouden. Nu de portemonnees met daarin grote geldbedragen en de telefoon van het merk en type Samsung Galaxy A3 niet zijn aangetroffen acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig om de diefstal daarvan wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlage van 6 september 2019, opgenomen op pagina 40 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019235597/2019236745/2019234947 van 9 oktober 2019, inhoudend als verklaring van [benadeelde partij 2] :

Op 5 september 2019 werd ik gebeld door de politie met de vraag of ik eigenaar was van een Gazelle. Genoemde fiets was namelijk aangetroffen. Ik heb hier op geantwoord dat ik inderdaad eigenaar ben van een fiets, maar dat deze thuis hoorde in Witmarsum bij een vakantiehuisje. Ik hoorde dat er ook nog een Giant was aangetroffen. Ik kan u zeggen dat ik ook een Giant in mijn hok had staan. Ik heb aan niemand toestemming gegeven beide genoemde fietsen weg te nemen. In de bijlage "goederen" worden de goederen genoemd, die zijn weggenomen.

Bijlage goederen:

Gazelle Cham Excel VV

eigenaar: [benadeelde partij 2]

Giant Expedition

eigenaar: [benadeelde partij 2] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2019, opgenomen op pagina 55 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [naam 1] :

Op 4 september 2019 werden er twee fietsen in beslag genomen. Deze werden gebruikt/achtergelaten door twee verdachten die waren aangehouden ter zake diefstal uit een woning. Het betrof een fiets van het merk Gazelle en een fiets van het merk Giant Expedition.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 5 september 2019, opgenomen op pagina 100 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [verdachte] :

V: De aangever zag, voordat hij bij zijn woning kwam, twee fietsen op zijn oprit staan. Even later, toen hij de twee mannen bij zijn oprit zag staan, fietste er één man weg op de fiets. De andere fiets is achtergebleven op de oprit van aangever. De fietsen zijn in beslag genomen en na onderzoek bleek dat deze fietsen gestolen zijn, wat kun je hierover vertellen?

A: Het waren fietsen van de buren. Wij hebben ze meegenomen.

4. Een schriftelijk stuk, te weten een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 5 september 2019, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, onder meer inhoudend:

Beslagene:

Achternaam : [medeverdachte]

Voornamen : [medeverdachte]

Volgnummer 1:

Voertuig : Fiets

Merk/type : Gazelle Cham Excel VV

Eigenaar : [benadeelde partij 2]

Volgnummer 2:

Voertuig : Fiets

Merk/type : Giant Expedition

Eigenaar : [benadeelde partij 2] .

Overweging van de rechtbank ten aanzien van het onder 2. primair ten laste gelegde.

Verdachte en de medeverdachte zijn op twee fietsen naar de woning, waar vervolgens is ingebroken, zoals onder 1. ten laste gelegd, gefietst. Na de aanhouding van verdachte en de medeverdachte zijn deze fietsen in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat deze fietsen zijn weggenomen uit een schuur van een woning op het terrein waar verdachte verbleef.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij de fietsen hebben geleend en dat zij deze niet wilden stelen. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. Uit de aangifte blijkt dat de eigenaar van de fietsen geen toestemming heeft gegeven om de fietsen weg te nemen dan wel te gebruiken. Nu verdachte en de medeverdachte de fietsen zonder toestemming uit het schuurtje hebben weggenomen en hier vervolgens op zijn gaan fietsen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachte als heer en meester over de fietsen hebben beschikt en dat derhalve sprake is van wederrechtelijke toe-eigening van de fietsen. Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich samen met de medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan fietsendiefstal.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 4 september 2019 te Arum, gemeente Súdwest-Fryslân, tezamen en in vereniging met ander, een pennenset Balmain Balpen en een verrekijker, Zenith Field 7.1 en een wierookhouder en vier zakhorloges, waarvan twee met ketting en drie hoofdtelefoons en een verrekijker, Nikula en een zaklantaarn en een Samsung tablet en een brillenkoker, [bedrijf] en drie hoofdtelefoons/oordopjes en een Samsung Galaxy Ace telefoon, kleur zwart, dat aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] en/of zijn echtgenote, uit een woning, perceel [straatnaam] , aldaar, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming;

2. primair

hij in de periode van 30 augustus 2019 tot en met 4 september 2019, te Witmarsum in de gemeente Súdwest-Fryslân, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, Giant Expedition en een fiets, Gazelle, geheel toebehorende aan [benadeelde partij 2] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de

toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

2. primair diefstal door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van drie maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest. Subsidiair heeft hij bepleit om naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Uitgaande van vrijspraak voor het onder 2. ten laste gelegde moet worden gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor een insluiping in een woning. De straffen hiervoor zijn fors lager dan door de officier van justitie is gevorderd. Wanneer de rechtbank een onvoorwaardelijk gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest onvoldoende acht dan kan deze worden aangevuld met een werkstraf. Verdachte is woonachtig in Roemenië. Dit land is aangesloten bij de Europese Unie en hierdoor is het volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad mogelijk om een werkstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit de stukken zoals ter terechtzitting besproken, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich, samen met een medeverdachte, in een periode van een aantal dagen schuldig gemaakt aan een woninginbraak en de diefstal van twee fietsen. Verdachte heeft met de bewezen verklaarde feiten aangetoond geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Woninginbraken veroorzaken in het algemeen gevoelens van angst bij de slachtoffers en veroorzaken gevoelens van onrust in de maatschappij. In onderhavige zaak heeft aangever [benadeelde partij 1] verdachtes mededader in de woning aangetroffen. Uit het schadeonderbouwingsformulier blijkt dat [benadeelde partij 1] zich (nog steeds) onveilig voelt in zijn eigen woning en dat hij bij thuiskomst angstig is om opnieuw mensen in de woning aan te treffen. De rechtbank rekent dit zowel de verdachte als zijn mededader aan. Als reactie op deze strafbare feiten dient een gevangenisstraf het uitgangspunt te zijn.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie European Criminal Records Information System (ecris), niet eerder is veroordeeld wegens vermogensdelicten.

Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen en mede hierdoor is over de persoon van verdachte weinig tot niets bekend. Dit maakt dat de rechtbank geen aanleiding ziet om af te wijken van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting of om een deel van de straf om te zetten in een werkstraf, zoals door de raadsman is bepleit.

Alles overwegend, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van het voorarrest passend en oplegging daarvan geboden.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank is -met de officier van justitie- van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een mobiele telefoon van het merk Huawei, moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

Vordering [benadeelde partij 1]

, tot een bedrag van € 550,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke veroordeling van verdachte en de mededader tot vergoeding van de schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd de vordering van de benadeelde partij af te wijzen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat voor toewijzing van immateriële schade in dit geval moet worden vastgesteld dat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze. Het enkele feit dat het fundamentele huisrecht is geschonden, maakt nog niet dat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Van bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht of bij gevoelens van angst en/of schrik.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij 'op andere wijze' in zijn persoon aangetast. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde totaal overrompeld was toen hij verdachte in zijn woning aantrof. Tijdens de achtervolging die volgde zat hij vol adrenaline. Daarna volgden de emoties en werd benadeelde boos, verdrietig en prikkelbaar. Na de inbraak kreeg benadeelde last van slaapproblemen doordat hij erg alert was. Hij voelt zich onveilig in zijn eigen woning en is bij thuiskomst angstig om opnieuw mensen in de woning aan te treffen.

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat de benadeelde verdachte heeft overlopen in zijn eigen woning maakt dat de benadeelde 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat woninginbraken gevoelens van onrust veroorzaken bij de slachtoffers. De rechtbank is van oordeel dat de woninginbraak bij benadeelde een nog grotere impact heeft gehad, doordat hij verdachte in zijn eigen woning heeft aangetroffen. De immateriële schade komt om die reden voor vergoeding in aanmerking. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2019.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering [benadeelde partij 3]

, tot een bedrag van € 350,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en met hoofdelijke veroordeling van verdachte en de mededader tot vergoeding van de schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd de vordering van de benadeelde partij af te wijzen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat voor toewijzing van immateriële schade in dit geval moet worden vastgesteld dat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze. Het enkele feit dat het fundamentele huisrecht is geschonden, maakt nog niet dat sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze. Te meer nu de benadeelde partij zelf niet in de woning aanwezig was. Hierdoor is de schade en het feit te ver van elkaar verwijderd.

Oordeel van de rechtbank

Onder verwijzing naar de hierboven ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] weergegeven maatstaven die gelden voor het toekennen van immateriële schadevergoeding, overweegt de rechtbank dat de vordering van de benadeelde niet voor toewijzing in aanmerking komt. Weliswaar blijkt uit de toelichting op de vordering dat de benadeelde partij boos was over de inbraak, dat zij achterdochtig is geworden en dat zij zich minder veilig voelde in haar woning, maar dit is onvoldoende om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij, anders dan haar man [benadeelde partij 1] , niet in de woning aanwezig was ten tijde van de inbraak. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. en 2. primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte, voornoemd, van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoon van het merk Huawei.

Benadeelde partijen

feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 550,00 (zegge: vijfhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] te betalen een bedrag van € 550,-- (zegge: vijfhonderdvijftig euro), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2019. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 11 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte (en/of zijn mededader) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte (en/of zijn mededader) aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

feit 1:

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2021.