Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1805

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
LEE 20/2272
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/2272

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amstelveen, eiseres,

(gemachtigde: mr. M. van Duijn),

en

[verweerder] , verweerder

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde partij], te Paterswolde.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [derde partij] ( [derde partij] ) tot 31 december 2022 een ontheffing verleend op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het beheer van vogels en dieren ten behoeve van de luchtvaartveiligheid op Groningen Airport Eelde. Voor de uitvoering van deze ontheffing zijn de volgende middelen aangewezen: geweren, honden (niet zijnde lange honden), kastvallen, vangkooien, vangnetten, balchatri, en slag- snij- of steekwapens.

Bij uitspraak van 11 mei 2020, kenmerk LEE 20/685, heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorziening te treffen hangende bezwaar afgewezen. De voorzieningenrechter heeft verweerder daarbij gelast binnen vier weken na verzending van de uitspraak een beslissing op het bezwaarschrift te nemen.

Bij besluit van 14 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren gegrond verklaard en het besluit tot ontheffing nader gemotiveerd en gewijzigd, in die zin dat de ontheffing niet langer ziet op enkele nader genoemde diersoorten.

Bij brief van 3 augustus 2020 heeft eiseres beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening gevraagd. Dit verzoek is bij uitspraak van 11 september 2020 aan de hand van een belangenafweging afgewezen. Tevens is de behandeling van het beroep verwezen naar een meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2020. Namens eiseres is

[naam] verschenen, bijgestaan door bovengenoemde gemachtigde. Namens verweerder zijn

mr. P. Mendelts, [naam] , [naam] en [naam] verschenen. Voor [derde partij] zijn

[naam] en [naam] verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

[derde partij] heeft op 22 oktober 2019 een ontheffing aangevraagd voor het vangen en doden van meerdere diersoorten in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer.

1.2.

Verweerder heeft op grond van de in het door [derde partij] opgestelde Faunabeheerplan 2018-2022 (FBP) genoemde maatregelen en conclusies in het primaire besluit een ontheffing verleend. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder voor verschillende diersoorten de ontheffing gehandhaafd. Volgens verweerder is de ontheffing voor het beheer van vogels en dieren nodig in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer, bestaat er geen andere bevredigende oplossing en leidt de ontheffing niet tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de soorten genoemd op bijlage 2 van de beslissing op bezwaar. De verleende ontheffing vormt een voortzetting van het in de jaren 2007 tot en met 2019 gevoerde beheer, aldus verweerder.

2.1.

Eiseres kan zich niet met het besluit verenigen. Eiseres heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat verweerder niet bevoegd is dit besluit te nemen.

2.2.

De rechtbank constateert dat verweerder de ontheffing van de artikelen 3.3. en 3.10, in samenhang met artikel 3.8 van de Wnb heeft verleend op grond van artikel 3.17, vijfde lid van de Wnb.

2.3.

Op grond van artikel 3.17, eerste lid van de Wnb verlenen Gedeputeerde Staten ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, of van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, ontheffing als bedoeld artikel 3.3, eerste, vierde en vijfde lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste en vijfde lid, 3.9, tweede lid, of 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, indien deze beperking nodig is (…);

Op grond van het tweede lid wordt een ontheffing als bedoeld in het eerste lid verleend aan een faunabeheereenheid, die handelt overeenkomstig het daartoe vastgestelde en goedgekeurde faunabeheerplan.

Op grond van het vijfde lid van het artikel kan in afwijking van artikel 3.12, eerste lid, en het tweede lid een ontheffing worden verleend voor handelingen die niet op grond van een faunabeheerplan worden verricht, indien de noodzaak ontbreekt voor een faunabeheerplan, gelet op de specifieke kenmerken van de desbetreffende diersoort dan wel de aard of omvang van te verrichten handelingen.

2.4.

De rechtbank stelt vast dat het systeem van de Wnb zo is ingericht, dat een ontheffing van de verbodsbepalingen van het, in dit geval, doden dan wel vangen van beschermde dieren onder strikte voorwaarden door verweerder aan faunabeheereenheden kan worden verleend. De faunabeheereenheid moet dan overeenkomstig het vastgestelde faunabeheerplan handelen.

2.5.

Artikel 3.17, vijfde lid van de Wnb maakt een uitzondering op dit systeem: dit artikel maakt het mogelijk een ontheffing te verlenen voor handelingen die niet op grond van een faunabeheerplan (als bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, van de Wnb) worden verricht.

2.6.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder dit artikel in de onderhavige situatie de bevoegdheid geeft om een ontheffing te verlenen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

2.6.1

In de Provinciale omgevingsverordening heeft verweerder in artikel 3.13 vastgelegd

dat een faunabeheerplan geldt voor het gehele werkgebied van de faunabeheereenheid Drenthe, uitgezonderd de luchthavens Eelde en Hoogeveen. In de beleidsregels wet natuurbescherming provincie Drenthe is evenwel in artikel 3.5, eerste lid voorgeschreven dat een faunabeheerplan voor (burger)luchthavens binnen de provincie Drenthe een planmatige, gecoördineerde en duurzame bestrijding van schadeveroorzakende dieren op luchthavens door grondgebruikers beschrijft. In de beleidsregels is verder in de artikelen 3.5, tweede lid, derde lid en vierde lid nader omschreven waaraan een dergelijk faunabeheerplan tenminste moet voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank komen deze vereisten zodanig overeen met de in artikel 3.15 van de Provinciale omgevingsverordening genoemde eisen voor de “normale” beheerplannen, dat geconcludeerd moet worden dat deze gelijk dan wel tenminste vergelijkbaar zijn. Dat in het door [derde partij] opgestelde Faunabeheerplan 2018-2022 is opgenomen dat dit geen faunabeheerplan in de zin van de Wet natuurbescherming is, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Nu verweerder blijkens zelf gevormd beleid van oordeel lijkt te zijn dat aan faunabeheer op de luchthaven van Eelde een faunabeheerplan ten grondslag moet liggen, is de situatie als genoemd in artikel 3.17, vijfde lid van de Wnb niet van toepassing. Verweerder heeft daarom niet op grond van deze bepaling een ontheffing kunnen verlenen.

3. Gelet op het voorgaande, ziet de rechtbank geen aanleiding om een oordeel te geven over hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd.

4. Het beroep is gelet op bovenstaande gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

5. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

6. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft moeten maken. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.068,00;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €354,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzitter, en mr. H.J. Bastin en mr. V. van Dorst, rechters, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier. De beslissing is gedaan op 3 mei 2021 en de eerstvolgende maandag daarna in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzitter

de voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: