Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1803

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
18/138824-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaard is dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad zijn moeder en stiefvader om het leven wilde brengen. Verdachte is gewapend met een samoeraizwaard van zijn woonplaats naar de woonplaats van zijn moeder en stiefvader gegaan. Daar heeft hij eerst meerdere malen met dat samoeraizwaard op zijn moeder ingestoken. Nadien heeft hij zijn stiefvader opgewacht en hem gestoken.

Verdachte is volledig ontoerekeningsvatbaar. Verdachte heeft een psychotische stoornis en leeft in een waanwereld die zijn denken en handelen volledig beheersen. Die psychotische stoornis staat aan het aannemen van opzet niet in de weg, nu verdachte heeft gehandeld in lijn met zijn doel, namelijk het willen doden van zijn moeder en stiefvader. De psychotische stoornis staat ook niet in de weg aan het aannemen van de voorbedachte raad (vgl. HR 5 februari 2008; ECLI:NL:HR:2008:BB4959): verdachte heeft besloten om zijn moeder en stiefvader van het leven te beroven, heeft in de tijd die is gelegen tussen vertrek van huis en aankomst bij zijn ouderlijk huis de gelegenheid gehad om zijn besluit te heroverwegen maar is daartoe niet overgegaan.

Gelet op de ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte zal aan hem geen straf worden opgelegd, maar -in lijn met het deskundigenrapport- wel de tbs-maatregel met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0414
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/138824-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 11 mei 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te Groningen,

thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 april 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F. Flooren, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 24 mei 2020, te Kolham, gemeente Midden Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, dan wel eenmaal, in de borst, ter hoogte van de (rechter)schouder, althans in het lichaam, heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiair

hij op of omstreeks 24 mei 2020, te Kolham, gemeente Midden Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade aan [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1] al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, dan wel eenmaal, in de borst, ter hoogte van de (rechter)schouder, althans in het lichaam, heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2

hij op of omstreeks 24 mei 2020, te Kolham, gemeente Midden Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [slachtoffer 2] , van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, dan wel eenmaal, (onder meer)

- in de hals, onder meer net vóór de halsader en/of in het strottenhoofd heeft gestoken/

gesneden, en/of

- hoog in het midden, in de voorzijde van de borstkas heeft gestoken/gesneden, en/of

- rechts boven in de buik en/of in de lever heeft gestoken/gesneden, en/of

- in de rug en/of in de maag en/of in de longen heeft gestoken/gesneden, en/of

- in de hand(en) heeft gestoken/gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

subsidiair

hij op of omstreeks 24 mei 2020 te Kolham, gemeente Midden-Groningen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade aan zijn, verdachtes, moeder, genaamd [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere steek/snijwonden (onder meer)

- in de hals, onder meer net voor de halsader en/of in het strottenhoofd, en/of

- hoog in het midden, in de voorzijde van de borstkas, en/of

- rechts boven in de buik en/of in de lever, en/of

- in de rug en/of in de maag en/of in de longen,

heeft toegebracht, door die [slachtoffer 2] , al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, dan wel eenmaal, in de schouder en/of in de rug en/of in de hals, althans in het lichaam te steken en/of te snijden;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 24 mei 2020 te Kolham, gemeente Midden-Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade aan zijn, verdachtes, moeder, [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 2] al dan niet na kalm beraad en rustig overleg met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, dan wel eenmaal, (onder meer)

- in de hals, onder meer net voor de halsader en/of in het strottenhoofd heeft gestoken/

gesneden, en/of

- hoog in het midden, in de voorzijde van de borstkas heeft gestoken/gesneden, en/of

- rechts boven in de buik en/of in de lever heeft gestoken/gesneden, en/of

- in de rug en/of in de maag en/of in de longen heeft gestoken/gesneden, en/of

- in de hand(en) heeft gestoken/gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3

hij op of omstreeks 24mei 2020, te Kolham, gemeente Midden Groningen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die:

- [slachtoffer 1] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen en/of die [slachtoffer 1] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam te steken en/of (daarbij) die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen sterf, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- [slachtoffer 2] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen en/of die [slachtoffer 2] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam te steken en/of (daarbij) die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen “sterf’ en/of “bloed dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat feiten 1 en 2 (in de primair ten laste gelegde poging tot doodslag-variant) en feit 3 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de onder feiten 1 en 2 primair ten laste gelegde voorbedachte raad niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte kampt met een chronisch psychotische stoornis in het kader van schizofrenie van het paranoïde type. Verdachte leeft in een alles doordringende waanwereld die voor verdachte niet-corrigeerbaar is. Wanneer de stoornis zodanig doorwerkt dat een verdachte de strekking van zijn handelen niet begrijpt, is dat een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad. Ook als een stoornis zodanig doorwerkt dat een verdachte ondanks daadwerkelijk beraad niet of onvoldoende in staat is om zijn wil te bepalen, is dat – zo stelt de officier van justitie - een contra-indicatie om voorbedachte raad aan te nemen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot feit 1 betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte geen vooropgezet plan en geen intentie had om [slachtoffer 1] , zijn stiefvader, van het leven te beroven. Verdachte kwam hem tegen op het moment dat verdachte het ouderlijk huis wilde verlaten, waar hij kort daarvóór zijn moeder, [slachtoffer 2] , had neergestoken, en verdachte heeft zijn stiefvader één messteek toegebracht. Dit kan worden gekwalificeerd als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, zoals subsidiair ten laste gelegd.

De raadsvrouw heeft met betrekking tot feit 2 betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de voorbedachte raad bij zijn poging om [slachtoffer 2] , zijn moeder, van het leven te beroven. Verdachte heeft gehandeld in een psychose. Het ontbrak hem aan elk realiteitsbesef, met als gevolg dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van de gelegenheid om zich te beraden op zijn handelen en de gevolgen daarvan. De psychose waarin verdachte verkeerde op het pleegmoment ontnamen aan verdachte de gelegenheid om na te denken over en zich rekenschap te geven van zijn daden.

De raadsvrouw heeft ten slotte betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de bedreiging van [slachtoffer 1] , zoals onder feit 3 ten laste is gelegd, nu verdachte dit tijdens zijn politieverhoor heeft ontkend en de aangifte van [slachtoffer 1] niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Feit 1

1. De door verdachte ter zitting van 22 april 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Die dag, 24 mei 2020, ben ik vanuit Groningen waar ik woon naar de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in Kolham gegaan. Ik had een zwaard van huis meegenomen. Ik was boos toen ik aanbelde. Ik had het zwaard in mijn hand. Nadat ik [slachtoffer 2] had neergestoken heb ik [slachtoffer 1] in de hal opgewacht. Ik had boven al gezien dat hij onderweg was naar binnen. Ik drukte het zwaard er bij hem gewoon in. Achteraf heb ik spijt dat ik niet vaker heb gestoken. Ik vond dat hij dood moest. Ik had besloten hem zelf af te maken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 24 mei 2020, opgenomen op pagina 80 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020135436 van 18 augustus 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik was aan het schilderen achter mijn huis. Op een gegeven moment zie ik mijn vrouw uit het raam hangen met bloed aan haar handen. Dus ik ren met een noodgang het huis in. Dus ik ren rechtdoor en ga rechtsaf om de trap op te gaan. Toen liep ik recht in het mes van [verdachte] . Die steekt mij ineens recht in de schouder en zegt daarbij ‘sterf’.

Feit 2

1. De door verdachte ter zitting van 22 april 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

[slachtoffer 2] heeft mij, toen ik baby was, uit de wieg gestolen. Uit een DNA-test zal blijken dat zij mijn moeder niet is. Enkele weken vóór 24 mei 2020 heb ik [slachtoffer 2] om een geboorteakte gevraagd, maar die heb ik niet gekregen.

Op 24 mei 2020 ben ik vanuit Groningen waar ik woon naar de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in Kolham gegaan. Uit emotie en woede ben ik naar haar toe gegaan. Ik had een zwaard van huis meegenomen. Ik had het zwaard in mijn hand. Toen ik aanbelde had ik het zwaard al uit de hoes gehaald. Ik had het meegenomen om [slachtoffer 2] te laten toegeven dat zij mij uit de wieg heeft gestolen. Als zij niet toegaf, zou ik steken, precies zoals het in werkelijkheid is gebeurd. Ik was boos toen ik aanbelde. Er werd niet opgedaan. Toen ben ik achterom gegaan. Het zwaard had ik de hele tijd in mijn hand. Ik liep naar boven, waar [slachtoffer 2] was. Ik heb haar gestoken en toen nog een keer, en ik zei daarbij dat ze dood moest. Toen ik wegliep had ik het idee dat ze zou doodbloeden.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 juli 2020, opgenomen op pagina 87 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020135436 van 18 augustus 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op Eerste Paasdag 2020 stond [verdachte] ineens voor de deur. Hij wilde bewijs dat hij met blauwe ogen was geboren, maar hij heeft bruine ogen. Hij wilde zijn geboorteakte hebben. Hij bleef er maar over doorgaan, hij wilde per se bewijs.

Op Tweede Paasdag 2020 was [verdachte] de hele tijd aan het appen en ik werd er helemaal zenuwachtig van. Hij wilde bewijs hebben dat hij met blauwe ogen was geboren. Toen heb ik geappt dat we het wel kwamen brengen. Toen we bij [verdachte] zijn huis waren hebben we aangebeld en hij deed open. Ik had de spullen in een tasje gedaan en die heb ik gegeven. Op het moment dat wij terugreden ziet [slachtoffer 1] [verdachte] uit huis rennen. [verdachte] zag er helemaal verwilderd uit. [verdachte] was lang niet tevreden over dat wat hij had gekregen. En toen begon het ge-app weer: dit is toch geen bewijs en dat ik bewijs achterhield en ik wist wel dat hij was geboren met blauwe ogen.

Op 24 mei 2020 ben ik naar boven gegaan om de badkamer te poetsen. Op een gegeven moment hoorde ik dat iemand achter mij stond en ik zag [verdachte] ineens in de badkamer staan. En toen voelde ik dat hij mij gelijk in mijn schouder stak. En daarna voelde ik dat hij mij in mijn zij stak. Ik kon er niet eens op reageren. En toen hoorde ik hem roepen: “Sterf! Jaweh!”. Toen moest ik in het bad gaan liggen en ik hoorde hem steeds roepen: “Bloed dood… Jaweh! Jaweh! Sterf!”. Ik heb hem nog gevraagd of ik wat rechterop mocht gaan zitten, want ik lag niet zo lekker. Hij zei: “Nee, bloed dood, sterf.” Toen zag ik dat [verdachte] de badkamer verliet en ik hoorde dat [verdachte] de trap afliep. Toen ben ik uit het bad geklommen en toen naar het raam van de slaapkamer, omdat ik Henk wilde waarschuwen. Toen hoorde ik [verdachte] al weer aan komen en ik voelde dat hij mij weer in mijn zij stak.

3. Een geneeskundige verklaring, op 7 september 2020 opgemaakt en ondertekend door dr. T. van Mesdag, forensisch arts bij GGD Groningen, voor zover inhoudend, als zijn verklaring:

Behandelaar beschrijft bij slachtoffer meerdere letsels:

- Drie actief bloedende steek- of snijverwondingen in de hals, waarvan één rechts van de

schildklier, één midden over de adamsappel en één links in de hals net vóór de

halsslagader. Er bleek sprake van een actieve bloeding van de buitenste halsader links en

een insnijding van het strottenhoofd van 0,5 centimeter lengte.

- Steek- of snijverwonding aan de voorzijde van de borstkas, hoog in het midden, zonder

luchtlekkage of actief bloedverlies.

- Steekverwonding rechts boven in de buik, vlak onder de ribbenboog rechts, lengte

onbekend, zonder luchtlekkage of actief bloedverlies. Er bleek sprake van scherp letsel aan

de lever.

- Steekverwonding links op de rug ter plekke van de onderste ribben, lengte 4 centimeter.

- Oppervlakkige steek- of snijverwonding aan de rug, ter hoogte van het linkerschouderblad,

lengte 3 centimeter.

- Steekverwonding pinkzijde linker ellenboog met geringe botbeschadiging van de ellepijp.

- Oppervlakkige snijverwondingen van de toppen van duim, middelvinger, ringvinger en

pink van de rechter hand.

- Snijverwondingen aan de buigzijde van de duim, wijsvinger, middelvinger en ringvinger

links met doorsnijding van de oppervlakkige en diepe buigpezen, slagaders en

zenuwbundels van de middelvinger en ringvinger en gedeeltelijke doorsnijding van de

zenuwbundel van de wijsvinger.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte leefde al lange tijd in de veronderstelling dat aangeefster [slachtoffer 2] niet zijn biologische moeder is. Hij heeft haar in verband daarmee enkele weken voorafgaand aan de pleegdatum agressief en dwingend gevraagd om een geboorteakte. Dat [slachtoffer 2] niet naar verdachtes tevredenheid op dit verzoek heeft gereageerd, heeft bij hem tot gevoelens van woede en wraak geleid. Met die gevoelens is verdachte op 24 mei 2020 vanuit zijn woonplaats Groningen naar Kolham, waar aangevers wonen, afgereisd met de bedoeling om [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Om zijn plan tot uitvoering te brengen had hij een zogenoemd samoeraizwaard vanuit zijn woning meegenomen. Nadat verdachte [slachtoffer 2] volgens zijn plan met het samoeraizwaard had neergestoken heeft hij gezien dat aangever [slachtoffer 1] onderweg was naar binnen. Verdachte heeft hem vervolgens opgewacht en ook hem neergestoken.

Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij beide aangevers dood wilde hebben. Om dit te bewerkstelligen heeft hij hen met een samoeraizwaard gestoken. Tijdens het steken heeft hij tegenover beide aangevers ook nog benadrukt dat hij dit deed met het doel om hen te doden (‘Sterf!’). Het voorgaande geeft alle aanleiding voor het oordeel dat verdachte het opzet heeft gehad om zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

In verband met de psychische toestand van verdachte – verdachte verkeerde in een psychose – heeft de rechtbank nog overwogen of er sprake was van een situatie waarin bij verdachte ten tijde van het steken ieder inzicht in de draagwijdte van zijn handelen en de gevolgen daarvan heeft ontbroken, zodat van opzet geen sprake kan zijn. De rechtbank oordeelt dat van zo’n situatie geen sprake is, nu de handelingen van verdachte – de aangevers overrompelen en dadelijk steken met een samoeraizwaard – geheel in lijn zijn met het door verdachte uitgesproken doel daarvan, te weten dat aangevers zouden komen te overlijden.

Ook blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Zoals uit het voorgaande blijkt, is verdachte gewapend met een samoeraizwaard naar de woning van [slachtoffer 2] gereisd, om van haar nogmaals te eisen de (in zijn ogen) waarheid over zijn geboorte en afkomst. Uit het feit dat verdachte [slachtoffer 2] reeds eerder had opgezocht, steeds dwingender en dreigender werd richting haar in de wens om de -in zijn ogen – waarheid te achterhalen omtrent zijn afkomst en het op de bewuste dag vertrekken vanuit zijn woning met een dodelijk steekwapen in combinatie met de gang van zaken bij de woning – verdachte is vrijwel meteen nadat hij [slachtoffer 2] had gevonden op haar in gaan steken – leidt de rechtbank af dat verdachte al ten tijde van het vertrek bij zijn woning het plan had opgevat om haar om het leven te brengen. Gedurende de busreis naar Kolham heeft hij voldoende gelegenheid gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen handelen na te denken, en zich daar rekenschap van te geven. Verdachte is echter niet tot heroverweging van zijn besluit gekomen, maar heeft daaraan uitvoering gegeven.

Ook ten aanzien van [slachtoffer 1] heeft verdachte met voorbedachte raad gehandeld. Nadat verdachte [slachtoffer 2] had neergestoken heeft hij [slachtoffer 1] , die hij even te voren richting de woning had zien lopen, bewust opgewacht om hem ook neer te steken. In deze wachttijd heeft verdachte de gelegenheid gehad om zijn besluit te heroverwegen, maar is hij niet tot inkeer gekomen.

De aanwezigheid van een psychische stoornis -waarover hierna meer- hoeft niet in de weg te staan aan het aannemen van voorbedachte raad1. Dat kan onder omstandigheden anders zijn, in gevallen waarin de psychische toestand van een verdachte zodanig is dat deze ieder inzicht in de betekenis en gevolgen van zijn handelen is verloren, maar daarvan is hier geen sprake, zo blijkt uit de hieronder nog nader te bespreken rapportages van de deskundigen. Dat verdachte vanuit een waandenkbeeld is gekomen tot zijn beslissing om de slachtoffers om het leven te brengen, betekent niet dat hij in een opwelling gehandeld heeft; integendeel, uit zijn eigen verklaring en de gang van zaken blijkt dat hij in beide gevallen vooraf over zijn handelen en de gevolgen daarvan heeft nagedacht, die heeft voorbereid en vervolgens methodisch heeft uitgevoerd.

Feit 3

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 april 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 17 juli 2020, opgenomen op pagina 87 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020135436 van 18 augustus 2020, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 24 mei 2020, opgenomen op pagina 80 e.v. van bovengenoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 primair, 2 primair en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op 24 mei 2020 te Kolham ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, die [verdachte] na kalm beraad en rustig overleg met een scherp en puntig voorwerp eenmaal in de borst, ter hoogte van de rechterschouder heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2

hij op 24 mei 2020 te Kolham ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] na kalm beraad en rustig overleg met een scherp en puntig voorwerp meermalen

- in de hals, onder meer net vóór de halsader en in het strottenhoofd heeft gestoken, en

- hoog in het midden, in de voorzijde van de borstkas heeft gestoken, en

- rechts boven in de buik en in de lever heeft gestoken, en

- in de rug en in de maag en in de longen heeft gestoken, en

- in de handen heeft gesneden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3

hij op 24 mei 2020 te Kolham [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die:

- [slachtoffer 1] een scherp en puntig voorwerp te tonen en die [slachtoffer 1] met een scherp en puntig voorwerp in het lichaam te steken en daarbij die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen ‘sterf’, en

- [slachtoffer 2] een scherp en puntig voorwerp te tonen en die [slachtoffer 2] met een scherp en puntig voorwerp in het lichaam te steken en daarbij die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen ‘sterf’ en ‘bloed dood’.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. poging tot moord

2. poging tot moord

3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het pro Justitia rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie PBC van 23 februari 2021 waarbij verdachte is onderzocht door een multidisciplinair team, bestaande uit een psychiater, een psycholoog, een forensisch milieuonderzoeker en een groepsleider.

Uit het NIFP-rapport volgt de conclusie, die door de onderzoekend psychiater en onderzoekend psycholoog wordt gedeeld, dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis in de zin van een chronisch psychotische stoornis, en dat bij verdachte sprake is van schizofrenie van het paranoïde type. Verdachte leeft in een waanwereld, waarin hij constant hallucineert. Zijn waandenkbeelden zijn niet-corrigeerbaar en beheersen zijn dagelijks denken en handelen. De waanwereld waarin verdachte leeft heeft een alles doordringende doorwerking in de hem ten laste gelegde feiten. De wanen laten geen ruimte voor een ander gezichtspunt, verdachte handelde volledig vanuit zijn waandenkbeelden. Geadviseerd wordt om de hem ten laste gelegde feiten niet aan verdachte toe te rekenen.

Net als de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank de conclusies in het NIFP-rapport begrijpelijk. De rechtbank neemt de conclusies over en maakt die tot de hare. De rechtbank oordeelt dan ook dat de ten laste gelegde feiten niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte daarom niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.

Overwegingen ten aanzien van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van feiten 1 primair, 2 primair en 3 wordt opgelegd de maatregel tot terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met een bevel tot verpleging van overheidswege.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen oplegging van de tbs-maatregel met een bevel tot verpleging van overheidswege.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en voornoemd rapport van het NIFP van 23 februari 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank stelt voorop dat zich op 24 mei 2020 in de woning van aangevers een verschrikkelijk drama heeft afgespeeld. Verdachte heeft geprobeerd met zwaardsteken een einde aan het leven van zijn moeder en zijn stiefvader te maken. Dit heeft niet alleen tot blijvend fysiek letsel, maar ook -en vooral- tot zeer groot verdriet en psychisch leed bij de slachtoffers en bij zijn halfzus geleid. Er is gevreesd voor het leven van [slachtoffer 2] , die slechts door tijdig en kundig medisch ingrijpen in leven is gebleven. Uiteindelijk is gebeurd waar beide aangevers al lange tijd voor vreesden: dat zij het slachtoffer zouden worden van ernstig geweld door hun zoon. Dat verdachte ter zitting te kennen heeft gegeven dat hij het spijtig vind dat hij niet geslaagd is in zijn voornemen om de aangevers te doden, en dat zij er verstandig aan doen om bang voor hem te blijven, zal hun angst, treurig genoeg, alleen nog maar groter gemaakt hebben.

In het geval dat de strafbare feiten aan verdachte toe te rekenen waren geweest zouden alle hiervoor genoemde omstandigheden meewegen in de strafmaat. Van oplegging van een straf kan in dit geval echter geen sprake zijn, nu het handelen van verdachte hem vanwege zijn ernstige psychische stoornis niet kan worden toegerekend.

De rechtbank zal aan verdachte wel de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege opleggen. Daartoe overweegt zij als volgt.

Op grond van de artikelen 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht kan aan de verdachte bij wie tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, zoals hier het geval is, de tbs-maatregel worden opgelegd indien:

- de door hem begane misdrijven bedreigd worden met een gevangenisstraf van vier jaar of

meer, en

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het

opleggen van de maatregel (en de verpleging van overheidswege) eist.

Op een tweevoudige poging tot moord staat als maximaal op te leggen straf een levenslange gevangenisstraf. Hiermee is aan het eerste vereiste is voldaan.

In voornoemd NIFP-rapport wordt geconcludeerd dat de psychotische stoornis en de oncorrigeerbaarheid van de wanen het grootste risico op recidive vormen. Het belangrijkste risico is gelegen in de omstandigheid dat bij verdachte sprake is van een psychotisch toestandsbeeld met paranoïde wanen en een onberekenbaar handelen. Verdachte heeft een gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht. Hij wijst medicatie af, waardoor dwangmedicatie nodig is. Gecombineerd met de cannabisverslaving waar verdachte aan lijdt kan de realiteit extra vertekend worden. Vanuit deze optiek kan worden gesteld dat er een hoog risico op recidive is. Het gevaar richt zich met name op personen die zich in zijn directe netwerk bevinden en met wie hij een afhankelijkheidsrelatie heeft; aan het tweede vereiste is ook voldaan.

De deskundigen die het NIFP-rapport hebben opgesteld hebben geconcludeerd dat de psychotische stoornis van verdachte langdurig behandeld en begeleid moet worden om het recidivegevaar te verlagen. Zij adviseren dan ook om aan verdachte een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen. Een ambulante behandeling is in de optiek van de deskundigen volstrekt ontoereikend, verdachte zal klinisch moeten worden behandeld. De deskundigen hebben overwogen of een ander minder verstrekkende (dwang-)maatregel aan verdachte zou moeten worden opgelegd. Zij overwegen dat een zes maanden durende zorgmachtiging veel te kort is om verdachte te kunnen behandelen. Ook een tbs-maatregel met voorwaarden wordt ongeschikt geacht: verdachte heeft geen ziektebesef en dus geen intrinsieke motivatie om aan een behandeling mee te werken, verdachte stelt zich zorgmijdend op en heeft zich in het verleden bij eerder opgelegde voorwaardelijke maatregelen onttrokken aan de opgelegde maatregelen.

Gelet op dit advies, dat de rechtbank zal overnemen, en in het bijzonder de vaststelling dat een lichtere vorm van behandeling niet voldoende is om het herhalingsgevaar voldoende te beteugelen, is er geen andere mogelijkheid dan het opleggen van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Deze maatregel moet er voor zorgen dat er niet opnieuw slachtoffers worden gemaakt door verdachte.

Omdat de maatregel wordt opgelegd wegens het plegen van tweemaal een poging tot moord, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, is de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd. De maatregel kan dus in beginsel onbeperkt worden verlengd.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 15.542,50 ter zake van materiële schade en € 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 5.296,62 ter vergoeding van materiële schade en € 15.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat beide vorderingen integraal kunnen worden toegewezen, nu deze voldoende zijn onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vorderingen moeten worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vorderingen, waarvan de hoogte onvoldoende namens verdachte zijn betwist, zullen daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2020. De rechtbank ziet geen aanleiding tot enige matiging.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 17 september 2019 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 2 oktober 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd om de vordering tot de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf af te wijzen.

De raadsvrouw heeft zich tegen een afwijzing van de vordering niet verzet.

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen, nu een toewijzing van de vordering gelet op het opleggen van de tbs-maatregel niet opportuun wordt geacht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 60a, 285 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feiten 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Ten aanzien van 18/138824-20, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 25.511,36, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2020.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 25.511,36, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2020. Dit bedrag bestaat uit € 15.511,36 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 162 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/138824-20, feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 20.296,62, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2020.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 20.296,62, te verhogen met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2020. Dit bedrag bestaat uit € 5.296,62 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 136 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/820396-16:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van 17 september 2019 van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Timmermans, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 mei 2021.

1 HR 5 februari 2008; ECLI:NL:HR:2008:BB4959