Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1786

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-05-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
18/263927-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor art. 6 WVW en art. 8 WVW tot een taakstraf van 200 uren, waarvan 100 uren voorwaardelijk, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 8 maanden. Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt waarbij een van de slachtoffers zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte verkeerde op dat moment onder invloed van alcohol en cocaïne.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/263927-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 mei 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 april 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.P. Senior.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 26 mei 2018, te Wildervank, althans in de gemeente Veendam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, merk: Ford, daarmede rijdende over de Nijverheidsstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij, verdachte verkeerde onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank en verdovende middelen, door met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig te rijden met een snelheid die hoger was dan ter plaatse was toegestaan en/of hoger dan ter plaatse was verantwoord en/of door van de voor hem, verdachte, bestemd rijstrook/weghelft af te wijken en/of (vervolgens) in de berm te gaan rijden, waarbij een botsing is ontstaan met een in de (rechter)berm staande boom, tengevolge waarvan
- aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm en/of een gebroken sleutelbeen en/of een gebroken wervel werd toegebracht en/of
- aan [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten een verbrijzelde pink, werd toegebracht,
in elk geval (telkens) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 mei 2018, te Wildervank, althans in de gemeente Veendam als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk: Ford), daarmee rijdende op de Nijverheidsstraat,
genoemde weg heeft bereden met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en/of verantwoord was en/of (vervolgens) met het door hem bestuurde voertuig van de voor hem, verdachte, bestemde weghelft is afgeweken en tegen een in de rechterberm staande boom is gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2.
hij op of omstreeks 26 mei 2018, te Wildervank, (in elk geval) in de gemeente Veendam, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto)), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,67 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde.

Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde, kort gezegd het veroorzaken van een verkeersongeval ten gevolge waarvan zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is roekeloosheid, maar van zeer onvoorzichtig rijgedrag, wat schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) met zich meebrengt. Bewezen kan worden dat verdachte, terwijl hij verkeerde onder invloed van alcohol en verdovende middelen, harder reed dan ter plaatse was toegestaan en afweek van zijn weghelft, waarna hij in de berm raakte en tegen een boom reed. Inzittende [slachtoffer 1] liep daarbij zwaar lichamelijk op, inzittende [slachtoffer 2] liep zodanig letsel op dat daaruit verhindering van de uitoefening van de normale werkzaamheden is ontstaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2. Met betrekking tot feit 1 heeft hij aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte harder reed dan plaatselijk was toegestaan, noch dat verdachte onder invloed van alcohol en verdovende middelen was. Het enkele van de weg af raken is onvoldoende om te kunnen spreken van een voldoende mate van schuld, laat staan van roekeloosheid in de zin van artikel 6 WVW, hetgeen een vrijspraak voor feit 1 primair met zich brengt.

Met betrekking tot het rijden onder invloed (zowel betrekking hebbend op feit 1 primair als feit 2) heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het bloedonderzoek conform de regels is uitgevoerd, zodat het niet mag worden gebruikt voor het bewijs. Het bloedonderzoek dient te geschieden binnen twee weken na ontvangst van het bloed, maar uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) volgt niet dat dit het geval was. Voorts had verdachte binnen een week na ontvangst van de resultaten van het onderzoek schriftelijk op de hoogte moeten worden gesteld van het recht op tegenonderzoek. De brief is echter niet aan het juiste adres van verdachte verzonden, waarmee hem het recht op een tegenonderzoek is ontnomen.

Verdachte heeft weliswaar kort na het ongeval tegenover de politie verklaard dat hij alcohol en cocaïne had gebruikt, maar stelt ter zitting dat hij destijds in de war was als gevolg van het ongeluk en dat hij nu niet meer weet of hij alcohol en verdovende middelen heeft gebruikt. Zijn verklaring bij de politie is niet betrouwbaar en dus niet bruikbaar voor het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 22 augustus 2018, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018130803 d.d. 19 oktober 2018, inhoudend als verklaring van verdachte:

V: Wat kun je vertellen over een incident dat op 26 mei 2018 rond 3:00 uur plaatsvond in Veendam op de Nijverheidsstraat?
A: Ik was vrienden naar huis aan het brengen. Ik keek op een moment op. Ik zag dat ik toen van de weg af was met de auto. Ik stuurde daarop weer naar rechts omdat ik de weg terug op wilde sturen. Dat lukte niet. Dit was te laat. Daarop knalde ik met de auto tegen een boom aan.

V: Je zou onder invloed achter het stuur hebben gezeten, wat kun je daarover verklaren?
A: Ik heb wel een paar biertjes gedronken. Op het feest waar wij vandaan kwamen had ik drie keer cocaïne genomen. Dit drie keer ter grote van een puntje van een normale sleutel.
V: En de 24 uur voor het incident?
A: Ik heb na het werk een biertje gedronken op kantoor. Dit was denk ik rond 17.00 en 17.30 uur. Daarna zijn wij samen naar een Sishalounge gegaan. Daar hebben wij een waterpijp gerookt, tevens heb ik daar twee biertjes gedronken. En dan op het feest drie à vier biertjes.
V: Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat jij 0,67 promille alcohol in je bloed had. Wat kun je daarover verklaren?
A: Dat zou kunnen kloppen.
V: Daarnaast had je 11 milligram per liter cocaïne in je bloed. Wat kun je daarover verklaren?
A: Ja ik heb dus wel cocaïne gebruikt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2018, opgenomen op pagina 3 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en):

Op zaterdag 26 mei 2018 om 02.25 uur kregen wij de melding van de meldkamer om te gaan naar de Nijverheidsstraat ter hoogte van nummer 15 in Wildervank. Aldaar zou een auto tegen een boom aangereden zijn. Ter plaatse zagen wij een blauwe Ford Fiësta, voorzien van het kenteken [kenteken] , met de voorzijde tegen een boom staan. Dit voertuig stond op naam van [verdachte] . Hierop zijn wij gelijk naar het voertuig gelopen en zagen dat er vier mannen in het voertuig zaten. Ik zag dat de bestuurder, verdachte [verdachte] , bekneld zat. Ik hoorde hem zeggen dat hij drie biertjes zou hebben gedronken. Op de bijrijdersstoel zat betrokkene [slachtoffer 1] . Ik hoorde betrokkene [slachtoffer 1] klagen over pijn in zijn rug en schouder.

Door de aanrijding hebben alle betrokkenen letsel opgelopen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 25 juni 2018, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

[verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte]) heeft mij 's avonds verteld dat hij eerder op de dag biertjes had gedronken. Ten gevolge van de aanrijding heb ik mijn linker onderarm gebroken. Daarbij is een zenuw beschadigd geraakt in mijn arm. Ik heb mijn rechter sleutelbeen gebroken en ik heb een ruggenwervel gebroken onder in mijn rug.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verkeersongevalsanalyse d.d. 7 juli 2018, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Wij hebben op zaterdag 26 mei 2018, omstreeks 2.50 uur een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het hierna genoemde verkeersongeval. Het verkeersongeval vond plaats op de Nijverheidsstraat, gelegen binnen de als zodanig aangeduide bebouwde kom van Wildervank in de gemeente Veendam. De Nijverheidsstraat loopt van de Poststraat naar de Boven Oosterdiep en is bestemd voor verkeer in beide richtingen.
Het ongeval vond gezien de oorspronkelijke rijrichting van voertuig, merk Ford plaats op een recht weggedeelte. De rijbaan heeft een breedte van circa 6 meter en is niet verdeeld in rijstroken. Naast de rijbaan ligt aan de linkerzijde van de rijbaan een kanaal dat door middel van een grasberm is gescheiden van de rijbaan. Dit is gezien vanuit de rijrichting van het voertuig.
2.3 Aangetroffen situatie/sporen
In de rijrichting die het voertuig, merk Ford, vlak voor het ongeval gehad moet hebben, zagen wij in de linker berm een recent bandenspoor, namelijk een rijspoor met een lengte van ca. 15 meter. Wij zagen dat het gras plat was en dat de breedte van het gras dat plat lag nagenoeg de breedte van een autoband betrof. Dit spoor eindigde onder het linker achterwiel van het voertuig.
2.3.3 Sporen aan betrokken voertuigen, personen of voorwerpen
Voertuig merk Ford, type Fiesta
Wij zagen aan de voorzijde van het voertuig recente schade. Wij zagen dat de voorzijde gedeformeerd was. Wij zagen dat de voorzijde van het voertuig naar achteren gedrukt was. Wij zagen dat het plaatwerk aan de voorzijde ernstig gedeukt was. Tevens zagen wij dat de voorruit van het voertuig verbrijzeld was.
5.2 Oorzaak, toedracht en gevolg
De bestuurder van het voertuig reed over de Nijverheidsstraat te Wildervank komende vanuit de richting van het Boven Oosterdiep en gaande in de richting van de Poststraat. Ter hoogte van perceel 14 kwam de bestuurder door onbekend gebleven oorzaak met zijn voertuig in de voor hem linker berm. Het voertuig reed circa 15 meter door de berm en botste hierop met zijn voorzijde tegen een in de berm staande boom. Hierdoor raakte het voertuig aan de voorzijde zwaar gedeformeerd en kwam de bestuurder bekneld te zitten in zijn voertuig. Een van zijn passagiers op de achterbank werd door de massatraagheid naar voren geworpen door het voertuig. Hij raakte hierbij met zijn hoofd de binnenspiegel en de voorruit van het voertuig.

5. Een schriftelijk bescheid, te weten een schrijven d.d. 23 oktober 2018 opgemaakt door huisarts E.A. de Beijl, voor zover inhoudend, als verklaring:

Patiënt gegevens: Dhr. [slachtoffer 1]
Therapie: 26-05-2018:
1. Osteosynthese Chance fractuur L 1 door neurochirurg

2. Plaatosteosynthese ulnafractuur links i.v.m. Monteggiafractuur
3. Plaatosteosynthese clavicula rechts i.v.m. claviculafractuur
4. Mogelijk longcontusie in sinus pleura links waarvoor conservatief beleid
Ziekteverloop:
De procedures en het postoperatieve beloop verliepen ongecompliceerd. De revalidatiearts en de neuroloog werden in consult gevraagd vanwege uitval nervus radialis (dropping hand) ten gevolg van de Monteggia fractuur links. Via de neuroloog volgt poliklinisch een EMG. Via de revalidatiearts werd een orthese aangemeten om contracturen te voorkomen en functie te optimaliseren en werd ergotherapie ingeschakeld. Stabiele diffuus gestoorde leverfuncties (bij normale CT-abdomen) werden geduid bij een levercontusie. Patiënt zal gedurende drie maanden mobiliseren met een 3 punts corset.
Maatregelen na ontslag:
- Mobiliseren met reclinatiecorset (3 punts corset) welke 3 maanden gedragen zal moeten worden
- Zowel linker als rechterarm oefenstabiel, 1 week mitella, 6 weken niet zwaar tillen en de armen niet belasten (wel tussendoor oefeningen ter voorkoming frozen shoulder bdz)
- Handtherapie t.a.v. dropping hand zal door patiënt vervolgd worden in thuissituatie dan wel via Martini Ziekenhuis

6. Een deskundigenrapport alcohol in het verkeer afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2018.05.31.133, d.d. 25 juni 2018, opgemaakt door drs. R. van der Hulst, op de afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als verklaring:

Datum aanvraag 26 mei 2018

Bloed van [verdachte]

De eindresultaten van de analyse van alcohol en de aangewezen stoffen (Wegenverkeerswet 1994, art 8, lid 5) staan in onderstaande tabel.

Bewijsoverwegingen

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW is vereist dat het rijgedrag van verdachte zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam is geweest. De rechtbank dient te beoordelen of er in dit geval sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van de gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.1

Schuld in de zin van roekeloosheid is de zwaarste, aan opzet grenzende schuldvorm, waarvan slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat in dit geval geen sprake is van roekeloosheid, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van dit onderdeel van het onder 1 primair ten laste gelegde.

De rechtbank is tevens van oordeel dat verdachte niet kan worden verweten dat hij harder heeft gereden dan plaatselijk is toegestaan. De rechtbank overweegt hiertoe dat blijkens de verkeersongevallenanalyse na onderzoek door deskundigen niet is komen vast te staan met welke snelheid verdachte reed voorafgaand dan aan het ongeval. De rechtbank constateert dat getuigen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] tegenover de politie weliswaar hun vermoedens hebben geuit met betrekking tot de (te hoge) snelheid waarmee verdachte zou hebben gereden, maar dat dit geen eigen waarnemingen maar (deels achteraf) getrokken subjectieve conclusies betreffen. Dit bezigt de rechtbank dan ook niet tot het bewijs.

Verdachte kan wel worden verweten dat hij van de voor hem bestemde kant van de weg is afgeweken en in de linkerberm is beland, waarbij een botsing is ontstaan met een boom..

Voorts is de rechtbank - in tegenstelling tot de raadsman - van oordeel dat verdachte kan worden verweten dat hij zijn auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed van alcohol en verdovende middelen verkeerde. Uit het bloedonderzoek volgt dat verdachte onder invloed was van zowel alcohol (0,67 milligram per milliliter, terwijl de grenswaarde 0,50 of bij beginnend bestuurder/gecombineerd gebruik 0,20 is) als cocaïne (11 microgram per liter, terwijl de grenswaarde bij gebruik in combinatie 10 is). In reactie op het standpunt van de raadsman aangaande (de bruikbaarheid van) het bloedonderzoek overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste rechtspraak is van "een onderzoek" als bedoeld in artikel 8 WVW slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek heeft omringd. Is een dergelijke waarborg niet nageleefd, dan mag de uitkomst van het bloedonderzoek niet voor het bewijs gebruikt worden; artikel 359a Sv is in dat geval niet van toepassing.2 Er moet volgens vaste rechtspraak onderscheid worden gemaakt tussen voorschriften die behoren tot de procedure strekkend tot een onderzoek als bedoeld in artikel 8 WVW enerzijds en voorschriften met betrekking tot het daar bedoelde onderzoek als zodanig (het stelsel van strikte waarborgen) anderzijds.3

Conform artikel 16 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: BADG) dient het bloedonderzoek te geschieden binnen twee weken na ontvangst van het bloed. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit voorschrift deel uit van het stelsel van strikte waarborgen.4 Uit het als bewijsmiddel 6 opgenomen rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), gedateerd 25 juni 2018, volgt dat de bloedmonsters van verdachte zijn ontvangen op 30 mei 2018. Wanneer het onderzoek is verricht, blijkt niet.

De rechtbank constateert echter dat het bloedmonster volgens de voorschriften is bewaard bij een temperatuur van -20 graden Celsius. De rechtbank wijst er voorts op dat verdachte zowel op het moment van aantreffen op de plaats van het ongeval op 25 mei 2018 (bewijsmiddel 2) als tijdens zijn verhoor bij politie op 22 augustus 2018 (bewijsmiddel 1) heeft aangegeven dat hij middelen had gebruikt, hetgeen de juistheid van de onderzoeksresultaten bevestigt.

De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat een mogelijke overschrijding van de termijn waarbinnen het onderzoek dient te worden verricht heeft geleid tot een onjuist resultaat. Deswege is de rechtbank van oordeel dat onder deze omstandigheden de schending van het genoemde voorschrift niet in de weg staat aan het gebruik van de uitkomst van het bloedonderzoek voor het bewijs.

Conform artikel 17 BADG had verdachte - kort gezegd - binnen een week na ontvangst van de resultaten van het onderzoek door de opsporingsambtenaar schriftelijk in kennis moeten worden gesteld van (onder meer) zijn recht op een tegenonderzoek. De rechtbank is van oordeel dat dit voorschrift ziet op de procedure strekkende tot een onderzoek van het afgenomen bloed, maar niet tot de voorschriften met betrekking tot het in artikel 8 WVW bedoelde bloedonderzoek zelf. Het voorschrift maakt daarom geen onderdeel uit van het stelsel van strikte waarborgen. De rechtbank constateert dat de brief met de bewuste informatie niet is verzonden naar het adres waar verdachte op dat moment woonde, maar naar het adres dat door hem was opgegeven bij de politie. De stelling van de raadsman inhoudend dat verdachte daarmee het recht op een tegenonderzoek is ontnomen en dat het onderzoek daarom dient te worden uitgesloten van het bewijs, deelt de rechtbank echter niet. Verdachte heeft immers bij de politie aangegeven dat hij geen tegenonderzoek wenste, nu hij daar geen geld voor had. Tevens wijst de rechtbank er nogmaals op dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij alcohol en cocaïne had gebruikt, hetgeen een andere uitkomst van een tegenonderzoek onwaarschijnlijk maakt. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en verbindt dan ook geen consequenties aan het niet verzenden van de bedoelde brief aan het juiste adres van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt het rijgedrag van verdachte in combinatie met het rijden onder invloed van alcohol en middelen tot de conclusie dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. Ten aanzien van de gevolgen voor de slachtoffers, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , overweegt de rechtbank als volgt.

[slachtoffer 1] heeft blijkens de medische stukken (bewijsmiddel 5) onder meer een gebroken arm en een gebroken sleutelbeen opgelopen, waarvoor operatief ingrijpen - waarbij onder andere het implanteren van lichaamsvreemde materialen aan de orde is geweest - en het dragen van een korset voor de duur van drie maanden noodzakelijk was. Aan de hand van de door de Hoge Raad5 gegeven algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, te weten de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel, is de rechtbank van oordeel dat het letsel van [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel betreft.

Dat [slachtoffer 2] - zoals betoogd door de officier van justitie - ten gevolge van het ongeval zodanig letsel opliep dat daaruit verhindering van de uitoefening van de normale werkzaamheden is ontstaan, acht de rechtbank niet bewezen. In het dossier wordt genoemd dat sprake zou zijn van een verbrijzelde pink. Los van de vraag of dit letsel überhaupt kan worden aangemerkt (als zwaar lichamelijk letsel of) als letsel dat de verhindering van de uitoefening van de normale werkzaamheden met zich meebrengt, constateert de rechtbank dat uit de medische stukken niet volgt dat sprake was van een verbrijzelde pink, maar dat slechts wordt gesproken van een “pijnlijke pink”. De rechtbank zal het ten laste gelegde letsel van [slachtoffer 2] dan ook niet bewezen verklaren.

Alles overwegend komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde, zoals hieronder weergegeven.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair
hij op 26 mei 2018, te Wildervank, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, merk Ford, daarmede rijdende over de Nijverheidsstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, terwijl hij, verdachte verkeerde onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank en verdovende middelen, door met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig van de voor hem, verdachte, bestemd weghelft af te wijken en vervolgens in de berm te gaan rijden, waarbij een botsing is ontstaan met een in de berm staande boom, ten gevolge waarvan aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken arm en een gebroken sleutelbeen werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;
2.
hij op 26 mei 2018, te Wildervank als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,67 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

1. primair Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

2. Overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur waarvan 100 uur voorwaardelijk, alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) voor de duur van acht maanden, met een proeftijd van een jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke OBM en een taakstraf met een kleiner onvoorwaardelijk deel dan gevorderd door de officier van justitie. De raadsman heeft daarbij gewezen op de gevolgen die het ongeluk voor verdachte heeft gehad, alsmede op de overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 februari 2021, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte, destijds overigens beginnend bestuurder, heeft op 26 mei 2018 onder invloed van alcohol en cocaïne een auto bestuurd en een eenzijdig verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte is met zijn auto van de weg geraakt en tegen een boom gebotst. Daardoor heeft een van de (vier) inzittenden - die hij thuis zou brengen na een bezoek aan een feest - zwaar lichamelijk letsel opgelopen, namelijk een gebroken onderarm en sleutelbeen, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was.

Volgens de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten is het uitgangspunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, met als gevolg zwaar lichamelijk letsel van een slachtoffer en waarbij sprake is van de strafverzwarende omstandigheid van rijden onder invloed van alcohol, een onvoorwaardelijke taakstraf en een onvoorwaardelijke OBM. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en in het tijdsverloop reden om van dit uitgangspunt af te wijken.

De rechtbank constateert dat verdachte bij het ongeval zelf eveneens fors letsel heeft opgelopen, waaronder een gebroken rib en borstbeen. Door het langdurige revalidatietraject heeft verdachte zijn stage en opleiding niet kunnen voltooien en is hij zijn baan kwijtgeraakt. Inmiddels, bijna drie jaar later, heeft verdachte een goede baan, waarvoor hij zijn rijbewijs nodig heeft. Verdachte is blijkens het uittreksel van de justitiële documentatie in tussentijd niet meer in aanraking met justitie geweest. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte inmiddels de risico’s van het rijden onder invloed beseft en ziet onvoldoende belang bij het opleggen van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid om recidive te voorkomen.

De officier van justitie heeft een deels voorwaardelijke taakstraf en een geheel voorwaardelijke OBM gevorderd. Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank deze eis passend en geboden en zal dit overnemen.

De rechtbank constateert dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De feiten zijn gepleegd in mei 2018 en derhalve niet afgedaan binnen de redelijke termijn van twee jaren. Het gaat om een aanmerkelijke overschrijding, waarvoor de rechtbank - in lijn met vaste rechtspraak - een strafkorting dient te verrekenen in de op te leggen straf. Nu de rechtbank ervoor kiest om een deel van de taakstraf en de gehele OBM voorwaardelijk op te leggen, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende tegemoet gekomen aan de strafkorting in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 en van de Wegenverkeerswet 1994. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 100 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op een jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Ten aanzien van feit 1 primair voorts:

Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen - bromfietsen daaronder begrepen - voor de tijd van 8 maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op een jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.B. Holsink, voorzitter, mr. drs. M.S. van der Kuijl en

mr. J. van Bruggen, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 mei 2021.

1 ECLI:NL:HR:2004:AO5822, ECLI:NL:HR:2008:BC7860.

2 ECLI:NL:HR:2012:BW6206.

3 ECLI:NL:HR:2014:3616, ECLI:NL:HR:2015:2502.

4 Vgl. ECLI:NL:HR:2012:BW6206.

5 ECLI:NL:HR:2018:89.