Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1775

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
LEE 21/1343
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet natuurbescherming. De Vrienden van Badstrand Ballum hebben zich voorgenomen een zandverplaatsing uit te voeren op het badstrand te Ballum (Ameland), op zaterdag 8 mei 2021. Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wet natuurbescherming
Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0110
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8494
JOM 2021/233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND


Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 21/1343

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen in de zaak tussen

stichting Stichting De Faunabescherming, te Amstelveen, verzoekster(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra)

en

het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân, verweerder.

Als derde-partij is aangemerkt:

Vrienden van Badstrand Ballum, te Ballum

Procesverloop

Bij besluit van 6 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder een handhavingsverzoek van verzoekster afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft Vrienden van Badstrand Ballum als belanghebbende bij deze verzoekschriftprocedure aangemerkt.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting (artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht; Awb).

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien tegen een besluit bij de bestuursrechter […] bezwaar is gemaakt […] de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 8:83, eerste lid bepaalt dat partijen zo spoedig mogelijk worden uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. […]

Het derde lid bepaalt dat indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder toepassing van het eerste lid.

3. De Vrienden van Badstrand Ballum hebben zich voorgenomen een zandverplaatsing uit te voeren op het badstrand te Ballum (Ameland), op zaterdag 8 mei 2021. Een nadere omschrijving van de werkzaamheden is opgenomen in het formulier “Melding Gebruik rijkswaterstaatwerken […]”. Daaruit is het volgende citaat afkomstig:

“6a. Omschrijf de aard van de activiteiten

Grondwerk ten behoeve van de aanleg/ herstel badstrand Ballum. Dit is in overleg gegaan met Rijkswaterstaat […] hetzelfde als in 2018.

6b. Omschrijf de reden van de activiteiten

Herstellen badstrand door middel van grondwerk op aanwijzing van RWS Ameland. We zullen maximaal 18 m3 per strekkende meter aanbrengen op het badstrand.

6c. Omschrijf het doel van de activiteiten

Toeristen en Amelanders kunnen ontvangen op het badstrand. Het zand wordt kustdwars verplaatst tussen de duinvoet en de laagwaterlijn.”

4. Verzoekster heeft verweerder verzocht handhavend op te treden.

5. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om handhaving afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de voorgenomen activiteit niet vergunnings- of ontheffingsplichtig is op grond van de Wnb en dat de uitvoering van de activiteit geen overtreding van de Wnb oplevert. In dat verband is gewezen op een onderbouwd bestuurlijk rechtsoordeel (bro) dat is afgegeven in 2012, waaruit volgens verweerder blijkt dat de activiteit niet vergunningsplichtig is. Daarnaast is er op gewezen dat ieder jaar dat de werkzaamheden worden uitgevoerd, voorafgaand overleg plaatsvindt met de betrokken partijen: de initiatiefnemer, Rijkswaterstaat, de provincie, de Fryske Utfjieringstsjinst Miljeu en Omjouwing, en een lokale ecoloog. Daarbij worden de voorgenomen werkzaamheden ook elk jaar getoetst aan het bro. De initiatiefnemers dienen de werkzaamheden binnen de reikwijdte van het bro uit te voeren.

6. Verzoekster heeft in haar verzoek gewezen op het belang van dit Natura 2000-gebied voor de Bontbekplevier en de Strandplevier. Zij heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening verzocht te bepalen dat:

− het bestreden besluit wordt geschorst totdat met inachtneming van de uitspraak van de voorzieningenrechter op de bezwaren van De Faunabescherming zal zijn beslist;

− dat gedeputeerde staten de activiteiten die vanaf 8 mei 2021 zijn voorzien (aanleg en vervolgens gebruik van badstrand), op, nabij en rond het Groene Stand te Ballum in afwachting van verdere besluitvorming als vergunnings- en ontheffingsplichtige activiteiten dienen te behandelen, waartegen handhavend zal worden opgetreden, totdat op de bezwaren van De Faunabescherming zal zijn beslist (vergelijk dictum vz AbRS 29 december 2004 ECLI:NL:RVS:2004:AR8347);

− althans een andere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter geraden acht,

− met veroordeling van gedeputeerde staten in de kosten van de procedure.

Daarnaast is de voorzieningenrechter, voor zover nodig, verzocht een ordemaatregel te treffen. In een aanvuling op het verzoek heeft verzoekster ook de Dwergstern expliciet benoemd.

6.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden die op zaterdag 8 mei zullen plaatsvinden op het Badstrand in Ballum geen overtreding van de Wnb opleveren. Volgens hem is er geen reden om (preventief) handhavend op te treden en heeft hij het handhavingsverzoek van verzoekster kunnen afwijzen.

7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het verzoek kennelijk gegrond. Deze uitspraak strekt tot toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

7.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de voorgenomen werkzaamheden zijn gepland in het Natura 2000gebied “Noordzeekustzone”.

7.2.

Artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onderdeel d., van de Wet natuurbescherming (Wnb) bepaalt dat Gedeputeerde staten, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, aan degene die in hun provincie een handeling verricht of het voornemen daartoe heeft, een verplichting opleggen om:

d. de handeling niet uit te voeren of te staken.

Artikel 3.1, eerste lid bepaalt dat het verboden is om opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

Het tweede lid bepaalt dat het verboden is opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Het vierde lid bepaalt dat het verboden is vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

Artikel 3.3, eerste lid bepaalt dat Gedeputeerde staten ontheffing kunnen verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 […] ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

7.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat de Bontbekplevier (Charadrius hiaticula), de Strandplevier (Charadrius alexandrinus) en de Dwergstern (Sterna albifrons) vogels zijn die vallen onder het “Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn” (artikel 3.1., e.v. van de Wnb). Als kernopgaven zijn voor alle drie soorten vermeld:

i. 1.13 (Voortplantingshabitat, Behoud ongestoorde rustplaatsen en optimaal voortplantingshabitat);

ii. SG (sense of urgency): beheeropgave

7.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat voor het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone als definitieve instandhoudingsdoelstellingen voor de Bontbekplevier het volgende is geformuleerd:

a. Instandhoudingsdoelstelling voor populatie in het gebied: 20 broedparen

b. Instandhoudingsdoel voor omvang leefgebied van de soort in het gebied: behoud

c. Instandhoudingsdoel voor kwaliteit leefgebied van de soort in het gebied: behoud

7.5.

De voorzieningenrechter overweegt dat voor het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone als definitieve instandhoudingsdoelstellingen voor de Strandplevier het volgende is geformuleerd:

a. Instandhoudingsdoelstelling voor populatie in het gebied: 30 broedparen

b. Instandhoudingsdoel voor omvang leefgebied van de soort in het gebied: uitbreiding

c. Instandhoudingsdoel voor kwaliteit leefgebied van de soort in het gebied: uitbreiding

7.6.

De voorzieningenrechter overweegt dat voor het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone als definitieve instandhoudingsdoelstellingen voor de Dwergstern het volgende is geformuleerd:

a. Instandhoudingsdoelstelling voor populatie in het gebied: 20 broedparen

b. Instandhoudingsdoel voor omvang leefgebied van de soort in het gebied: uitbreiding

c. Instandhoudingsdoel voor kwaliteit leefgebied van de soort in het gebied: uitbreiding

Bron: https://www.natura2000.nl/gebieden/friesland/noordzeekustzone/noordzeekustzone-doelstelling

7.7.

Tussen partijen is in geschil of de voorgenomen activiteiten op zaterdag 8 mei 2021 zich verdragen met de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied. Deze voorlopige voorziening-procedure is naar zijn aard voor het beslechten van dat geschil niet geschikt. Temeer gelet op het gegeven dat de activiteiten zijn gepland voor morgen, zaterdag 8 mei 2021.

Naar voorlopig oordeel acht de voorzieningenrechter de door verweerder gevolgde procedure niet zonder meer toereikend gelet op het “Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn”, zoals neergelegd in de Wet Natuurbescherming. De gevolgde procedure heeft tot op heden niet geresulteerd in een besluit op een aanvraag van de derde-partij om de voorgenomen activiteiten op 8 mei 2021 uit te mogen voeren (artikel 1:3, derde lid van de Awb). Weliswaar heeft verweerder een besluit genomen over deze activiteit naar aanleiding van het handhavingsverzoek van verzoekster, maar daarbij is uitsluitend bezien of er aanleiding bestaat om handhavend op te treden. Dit klemt temeer om drie redenen.

Ten eerste heeft verweerder de activiteit uitsluitend beoordeeld tegen de achtergrond van een zogenoemd bestuurlijk rechtsoordeel. Dat rechtsoordeel is opgesteld in 2012, terwijl nadien, op 1 januari 2017, de Wet natuurbescherming in werking is getreden. Naar voorlopig oordeel is daarmee niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd dat de voorgenomen activiteiten niet ontheffings- en/ of vergunning plichtig zijn onder vigeur van de Wet natuurbescherming. Verweerder kan daarom niet volstaan met het verwijzen naar dit bro. Het is aan verweerder om te onderbouwen dat de activiteit voldoet aan de relevante rechtsregels over natuurbescherming. Voor de bescherming van Natura 2000-gebieden zijn regels gesteld in de Wnb. Daaruit volgt dat verweerder dient te bezien of een passende beoordeling moet worden gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. Daarnaast dient verweerder voor de soortenbescherming te beoordelen of de daarvoor gestelde regels in hoofdstuk 3 van de Wnb aan de uitvoerbaarheid van de voorgenomen activiteit in de weg staan. Van belang is de aanwezigheid van kwetsbare vogelsoorten en dat vooralsnog onvoldoende is uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve gevolgen zullen hebben voor de beschermde habitats in het Natura 2000 gebied Noordkust zone.

Ten tweede zijn de voorgenomen activiteiten gepland in het broedseizoen. Daardoor is het, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen en de kernopgaven voor de drie vogelsoorten, niet uit te sluiten dat de voorgenomen activiteit onomkeerbare gevolgen kunnen hebben voor de mate waarin de instandhoudingsdoelstellingen en kernopgaven (kunnen) worden gerealiseerd. Temeer omdat met de activiteit wordt beoogd dat Amelanders en toeristen kunnen worden ontvangen op het badstrand. Het is een feit van algemene bekendheid dat dat gepaard gaat met een intensiever gebruik van het strand door (groepen van) mensen.

Ten slotte wordt door de gehanteerde handelswijze de rechtsbescherming bemoeilijkt, waarin de wetgever, gelet op de Wet natuurbescherming, heeft willen voorzien. Het gaat niet aan om een dergelijke activiteit uitsluitend te beoordelen vanuit het oogpunt of handhavend moet worden opgetreden.

8. In het voorgaande ziet de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen, in de zin dat de volgende voorlopige voorziening zal worden getroffen.

8.1.

De voorzieningenrechter draagt verweerder op de activiteiten die vanaf 8 mei 2021 zijn gepland, zoals hiervoor omschreven in rechtsoverweging 3, in afwachting van een eventuele aanvraag door de initiatiefnemer, als vergunning- en ontheffing plichtige activiteiten te behandelen en – als een daartoe strekkende aanvraag door de initiatiefnemer wordt ingediend – op die aanvraag een besluit te nemen.

8.2.

De voorzieningenrechter legt de Vrienden van Badstrand Ballum de verplichting op om de handeling(en) die zijn voorgenomen ten behoeve van de zandverplaatsing niet uit te (laten) voeren tot het moment dat zij daartoe een aanvraag bij verweerder heeft gedaan en verweerder op die aanvraag een besluit heeft genomen. Deze verplichting geldt ook voor eventuele voorbereidende handelingen.8.3. De voorzieningenrechter zal bepalen dat deze voorlopige voorziening vervalt na ommekomst van twee (2) weken nadat het besluit, bedoeld in rechtsoverweging 8.2. is bekendgemaakt, tenzij binnen die twee weken is verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. In dat geval zal deze voorziening vervallen zodra de voorzieningenrechter uitspraak zal hebben gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening dat is ingediend ná dat te nemen besluit.

9. Gelet op het voorgaande bestaat voor het treffen van een ordemaatregel vooralsnog geen aanleiding.

10. Omdat een voorlopige voorziening is getroffen zal de voorzieningenrechter verweerder opdragen het griffierecht te vergoeden.

11. De voorzieningenrechter zal verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten veroordelen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,– (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 534,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe;

- draagt verweerder op de activiteiten die vanaf 8 mei 2021 zijn gepland, zoals hiervoor omschreven in rechtsoverweging 3, in afwachting van een eventuele aanvraag door de initiatiefnemer, als vergunning- en ontheffing plichtige activiteiten te behandelen en – als een daartoe strekkende aanvraag door de initiatiefnemer wordt ingediend – op die aanvraag een besluit te nemen;

- legt de Vrienden van Badstrand Ballum de verplichting op om de handeling(en) die zijn voorgenomen ten behoeve van de zandverplaatsing niet uit te (laten) voeren tot het moment dat zij daartoe een aanvraag bij verweerder heeft gedaan en verweerder op die aanvraag een besluit heeft genomen. Deze verplichting geldt ook voor eventuele voorbereidende handelingen;

- bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt na ommekomst van twee (2) weken nadat het besluit, bedoeld in rechtsoverweging 8.2. is bekendgemaakt, tenzij binnen die twee weken is verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. In dat geval zal deze voorziening vervallen zodra de voorzieningenrechter uitspraak zal hebben gedaan op het verzoek dat is ingediend ná dat te nemen besluit.

- wijst het verzoek af voor zover het anders luidt of verder strekt;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €360,– (zegge: driehonderd zestig euro) aan verzoekster te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 534,– (zegge: vijfhonderd vierendertig euro).


Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.