Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1770

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
18/950103-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft verdachte veroordeeld tot 9 jaar en 6 maanden gevangenisstraf voor de mishandeling met voorbedachte raad en de doodslag op het slachtoffer. De rechtbank acht bewezen dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heimelijk medicatie heeft toegediend en daarna het slachtoffer van het leven heeft beroofd. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden bewezen dat het dat het toedienen van de medicatie door verdachte is gedaan met het doel om het slachtoffer om het leven te brengen, zodat het toedienen van de medicatie als een afzonderlijke handeling en strafbaar feit moet worden beschouwd. Een scenario waarin verdachte het slachtoffer medicijnen heeft toegediend om ongestoord de woning van het slachtoffer te kunnen doorzoeken, waarbij zij op enig moment is gestoord, en vervolgens in een opwelling het slachtoffer van het leven heeft beroofd, acht de rechtbank zeer wel mogelijk. Nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan het gewelddadig handelen voldoende tijd voor kalm beraad en gelegenheid voor bezinning heeft gehad, spreekt de rechtbank vrij van de ten laste gelegde moord. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank in strafverminderende zin rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De vorderingen van de benadeelde partijen worden geheel toegewezen, waaronder de gevorderde schokschade.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 301
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0401
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950103-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 mei 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 en 9 april 2021.

Verdachte is op 8 april 2021 verschenen, bijgestaan door mr. R.G. Knegt, advocaat te Assen. Op 9 april 2021 is zij ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. Knegt. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans-de Boer.

Tevens zijn ter terechtzitting verschenen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , benadeelde partijen, bijgestaan door mr. C.E. Jeekel.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 16 december 2017 tot en met 20 december

2017 in de gemeente Hoogeveen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg

- die [slachtoffer] (heimelijk) meerdere (kalmerende, slaapverwekkende en/of spierverslappende) geneesmiddelen (waaronder quetiapine en lorazepam) toegediend/gegeven, waardoor zijn hersenfuncties werden gedempt en/of hij niet in staat was weerstand te bieden en/of hij in een (tijdelijke) staat van bewusteloosheid of onmacht werd gebracht en/of

- ( vervolgens) meermalen met geweld (met een hard voorwerp) op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] geslagen,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij in of omstreeks de periode van 16 december 2017 tot en met 20 december 2017 in de gemeente Hoogeveen ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan een persoon, te weten [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] (heimelijk) meerdere (kalmerende, slaapverwekkende en/of spierverslappende) geneesmiddelen (waaronder quetiapine en lorazepam) heeft/hebben toegediend/gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij in of omstreeks de periode van 16 december 2017 tot en met 20 december 2017 in de gemeente Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] opzettelijk heeft/hebben mishandeld door die [slachtoffer] met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg meerdere (kalmerende, slaapverwekkende en/of spierverslappende) geneesmiddelen (waaronder quetiapine en lorazepam) toe te dienen/te geven en aldus de gezondheid van die [slachtoffer] heeft/hebben benadeeld.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - overeenkomstig het door haar overgelegde schriftelijke requisitoir - veroordeling gevorderd voor de primair ten laste gelegde moord. Zij heeft daartoe

- kort samengevat - aangevoerd dat op basis van de inhoud van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte verantwoordelijk is voor het drogeren van het slachtoffer en dat het drogeren van het slachtoffer onlosmakelijk is verbonden met de toepassing van het geweld dat daarop is gevolgd. Volgens de officier van justitie ligt er zoveel bewijs dat van verdachte een verklaring mag worden verwacht. Nu verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven kan dit ter ondersteuning van de overtuigingskracht van het overige bewijsmateriaal dienen. Met het vooraf verzamelen van alle medicatie die voor het drogeren van het slachtoffer noodzakelijk was, is de voorbedachte raad wat betreft de officier van justitie gegeven.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen, nu het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen bevat dat iemand anders dan verdachte betrokken is geweest bij het om het leven brengen van het slachtoffer.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen - betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan enige handeling die de opzettelijke benadeling van de gezondheid van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad. Ook kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij het overlijden van het slachtoffer.

Volgens de raadsman kan uit het feit dat verdachte geen waterdicht alibi heeft, niet worden geconcludeerd dat het verdachte is geweest die het slachtoffer om het leven heeft gebracht. De aanwezigheid van DNA-sporen en vingerafdrukken van verdachte in de woning van het slachtoffer kunnen worden verklaard doordat verdachte eerder op bezoek is geweest bij het slachtoffer en daarbij ook gebruik heeft gemaakt van servies. Dat op een aantal glazen met medicijnresten ook DNA-sporen en vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen, zegt volgens de raadsman niets over de betrokkenheid van verdachte bij de eventuele toediening van medicatie. De vingerafdrukken zijn geen dadersporen, nu in de vingerafdrukken geen medicijnresten zijn aangetoond. Daarnaast is het mogelijk dat de glazen zijn gebruikt voor of nadat de vingerafdrukken en DNA-sporen van verdachte op deze glazen zijn terechtgekomen

De raadsman heeft er voorts op gewezen dat in de woning van het slachtoffer ook sporen zijn aangetroffen van anderen dan verdachte en dat onvoldoende onderzoek is verricht naar deze

sporen en personen. De raadsman betwist dat het slachtoffer in een sociaal isolement leefde.

Voorts, aldus de raadsman, is het niet goed mogelijk om heimelijk grote hoeveelheden medicatie toe te dienen, zeker niet als het slachtoffer zoals gesteld al eens eerder vermoedens zou hebben gehad van een vergiftiging. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het waarschijnlijker is dat het slachtoffer de medicatie vrijwillig heeft ingenomen.

Ook betwist de raadsman dat verdachte de beschikking had over de medicijnen die zijn aangetroffen in het lichaam van het slachtoffer. Het dossier bevat onvoldoende concreet bewijs om aan te kunnen nemen dat verdachte medicijnen heeft weggenomen bij mevrouw [naam 1] . Aangezien de medicijnen die bij mevrouw [naam 1] worden vermist een combinatie van medicijnen betreft die zeer frequent wordt voorgeschreven, zijn deze medicijnen bovendien voor een grote groep mensen beschikbaar geweest.

De verklaring van getuige [getuige 1] dat verdachte mogelijk over daderkennis beschikte, acht de raadsman onbetrouwbaar en niet bruikbaar voor het bewijs. De uitlatingen die verdachte tegenover [getuige 2] heeft gedaan over het ‘doodslaan’ van het slachtoffer duiden evenmin op daderkennis, maar moeten worden gezien als algemene opmerkingen.

Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen enkel motief heeft gehad om het slachtoffer te drogeren of om het leven te brengen.

Volgens de raadsman zijn er ook enkele contra-indicaties voor betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde. Zo is er geen moordwapen gevonden waar verdachte aan kan worden gelinkt en bevat het dossier geen aanwijzingen dat er sprake is van een medepleger. Ook kan verdachte niet geplaatst worden op het plaats delict ten tijde van de moord. Bij verdachte zijn geen dadersporen aangetroffen en verdachte heeft vrijwillig toestemming gegeven voor de afname van vingerafdrukken en DNA. Dit laatste zou zeer onlogisch en onverstandig zijn als verdachte wist dat deze vingerafdrukken en DNA-sporen haar rol in het overlijden van het slachtoffer mogelijk zouden kunnen bevestigen.

Gelet op het bovenstaande komt de raadsman tot de conclusie dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde, zodat verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat ten aanzien van het ten laste gelegde, op grond van de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen,1 uit van het volgende.

Aantreffen lichaam

Op woensdag 20 december 2017, omstreeks 20:50 uur, belt [benadeelde partij 1] naar de meldkamer van de politie Noord-Nederland met de mededeling dat hij zijn zoon, [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), aan de [straatnaam] te Hoogeveen dood heeft aangetroffen.2 De verbalisant die als eerste ter plaatse komt ziet een manspersoon op bed liggen die grotendeels onder de dekens ligt met zijn lichaam. Ook ziet deze verbalisant dat het gezicht en de hand van deze persoon onder het bloed zitten, evenals het hoofdkussen. Aan de rechterachterzijde van het hoofd ziet de verbalisant dat dit deel van het hoofd niet correct in vorm is. Hij ziet een snee en een deuk in het hoofd waarbij duidelijk een wit gedeelte zichtbaar is. Een ter plaatse gekomen ambulancemedewerker constateert dat het slachtoffer is overleden.3 Het slachtoffer wordt aangetroffen onder een wollen deken en dekbed terwijl hij op zijn rug in bed ligt. Op zowel het hoofdbord van het bed als op de gordijnen en de muur daarachter is een grote hoeveelheid bloedspatten zichtbaar. Het slachtoffer is gekleed in een korte broek, een boxershort en een T-shirt.4

Tijdstip overlijden

Op 17 december 2017 omstreeks 16:15 uur is het slachtoffer aanwezig bij de kassa van de servicebalie van de [supermarkt] te Hoogeveen waar hij onder meer een kratje Bavaria koopt. Op de camerabeelden van de [supermarkt] is te zien dat het slachtoffer op dat moment nog in bezit is van zijn portemonnee.5 Op 17 december 2017 omstreeks 20:25 uur werd voor het laatst gebruik gemaakt van één van beide telefoonnummers van het slachtoffer.6

Vanaf 18 december 2017 omstreeks 00:24 uur (UCT) lijkt de computer van het slachtoffer te zijn afgesloten, waarna er geen enkele activiteit meer waarneembaar is en de modem is uitgeschakeld.7 Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij op 18 december 2017 tussen 11:00 uur en 11:30 uur nog heeft gezien dat het slachtoffer zijn brievenbus leeghaalde die zich aan de zijkant van de woning bevindt.8 Daarna zijn er geen getuigen die het slachtoffer nog levend hebben gezien. Met behulp van het nomogram van Hennssge is een schatting gemaakt van het tijdstip van overlijden. Aan de hand van de lichaamstemperatuur, het lichaamsgewicht, de omgevingstemperatuur, het aantal lagen kleding/bedekking en de algemene omstandigheden kan gesteld worden dat het slachtoffer in ieder geval op dinsdag 19 december 2017, omstreeks 16:43 uur al is overleden.9

Doodsoorzaak

Door arts-patholoog Soerdjbalie-Maikoe is bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) sectie verricht op het stoffelijk overschot van het slachtoffer. Op het lichaam van het slachtoffer zijn meerdere letsels (huidscheuren) aan het hoofd geconstateerd. Deze zijn bij leven ontstaan door de meervoudige inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld, zoals meervoudig slaan met één of meerdere voorwerpen. Gezien de onderliggende schedelbreuken is dit geweld hevig geweest. Gezien de kenmerken van de huidletsels en de min of meer ovale impressiefracturen van de schedel betreft het oorzakelijk voorwerp mogelijk één (of meerdere) zwaar (of zware) stompe (mogelijk deels kantige) voorwerpen. De letsels hebben geleid tot uitgebreid letsel in het hoofd, waaronder bloeduitstortingen op en onder de hersenvliezen en kneuzing van hersenweefsel. Tevens waren er tekenen van hersenzwelling en herseninklemming. Het overlijden wordt als zodanig verklaard door hersenfunctiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornissen ten gevolge van het bovengenoemde geweld op het hoofd. Het letseldateringsonderzoek toont aan dat de letsels aan het hoofd circa enkele tientallen tot meerdere tientallen minuten voor het overlijden waren ontstaan. Er waren geen ziekelijke afwijkingen die het overlijden zouden kunnen verklaren, of hiervoor eventueel van betekenis kunnen zijn geweest.10

Ook uit het radiologisch onderzoek blijkt dat het overlijden is te verklaren op basis van extern inwerking geweld op de schedel/aangezicht met hierdoor een bloed in en rondom het hersenweefsel. De aspiratie van vocht in de longen kan gezien worden als een gevolg van het extern inwerkend geweld op de schedel.11

De conclusie van het radiologisch onderzoek door Maastricht Universitair Medisch Centrum vermeldt onder meer uitgebreide recente traumatische hersenbeschadiging, voornamelijk in de rechterhersenhelft en in mindere mate in de linkerhersenhelft. In samenhang hiermee is er bloeding onder het spinnenwebvlies (subarachnoïdaal) en beschadiging van uitlopers van hersencellen (axonale beschadiging). Daarnaast zijn er tekenen van kort voor of in het kader van het overlijden opgetreden hersenbeschadiging, het meest uitgebreid in de hersenstam. Deze schade kan hebben geleid tot uitval van de aansturing van belangrijke orgaanfuncties (bijvoorbeeld ademhaling, hartslag) en kan het overlijden verklaren. De uitkomsten van het neuropathologisch onderzoek zijn als zodanig in lijn met de interpretatie van de sectiebevindingen zoals beschreven in het definitieve sectieverslag.12

In de woning heeft een bloedspoorpatroon onderzoek, een Luminolonderzoek en een ALCV onderzoek plaatsgevonden. Door de onderzoekers wordt geconcludeerd dat gelet op de locatie van het aangetroffen impactpatroon op het hoofdbord het aannemelijk is

dat het slachtoffer op het moment dat het geweld op het hoofd is toegepast in bed lag, met zijn hoofd nabij het hoofdbord. Gelet op de aangetroffen cast-off patronen op de wanden en het plafond is het volgens de onderzoekers aannemelijk dat er minimaal driemaal een krachtsinwerking in vloeibaar bloed heeft plaatsgevonden waarbij het bloed van een voorwerp werd afgeslingerd. Gelet op het verspreidingsgebied van de bloedsporen op de wanden, het plafond en de vloer aan de rechter- boven- en voorzijde van het bed, is het meer aannemelijk dat de dader ten tijde van de krachtsinwerking in het bloed, aan de linkerzijde van het bed, naast het slachtoffer heeft gestaan dan op een andere locatie. Dit beeld wordt versterkt door het ontbreken van verstoringen in de bloedspoorpatronen op de vloer aan de rechterzijde van het bed, zoals bijvoorbeeld afdrukpatronen door schoenen of voeten gezet in of met bloed.13

Door het NFI is vervolgens onderzoek gedaan naar het mogelijke wapen waarmee het letsel is veroorzaakt. Op basis van dit onderzoek is het niet mogelijk een eenduidige uitspraak te doen over het wapen of voorwerp waarmee het letsel aan het hoofd van het slachtoffer is veroorzaakt. Op basis van de resultaten van het onderzoek komt een geverfd of gecoat voorwerp met een geheel of gedeeltelijk ronde vorm in aanmerking, waarop grondachtig materiaal aanwezig is (bijvoorbeeld tuingereedschap).14

Situatie woning

Tegenover de politie verklaart [benadeelde partij 1] dat hij al een aantal dagen niets van zijn zoon had gehoord en dat hij dit vreemd vond. Hij is naar de woning van [slachtoffer] gereden en ziet dat er post in de brievenbus ligt. Hij opent de voordeur met de huissleutel die hij heeft en hij voelt bij het draaien van de sleutel dat de voordeur enkel is dichtgetrokken en niet op slot is gedraaid. Dit vertrouwt hij niet, omdat [slachtoffer] altijd de deuren met de sleutel volledig afsluit.15 Aan de deuren en ramen van de woning worden geen sporen van braak geconstateerd.16 In de woning worden geen aanwijzingen gevonden die wijzen op strijd of een worsteling en er zijn ook geen duidelijke aanwijzingen dat de woning is doorzocht.17 De broek, portemonnee en de huissleutels van [slachtoffer] zijn niet in de woning aangetroffen.18 De portemonnee zou nog een bedrag van ongeveer € 120,00 hebben bevat.19

In de slaapkamer is middels een hydraulisch hefwerktuig een kast opgetild om eronder te kijken. Deze kast had een niet te verwijderen plint waar deze kast op rustte en derhalve kon er niet onder gekeken worden. Onder de kast, op de vloer werd een kleine geldkluis (met sleutel erin) aangetroffen en twee sigarendoosjes met in elk doosje een gripzakje met daarin zogenaamde gouden tientjes. Het kluisje bleek € 5.750,- te bevatten en in totaal honderd gouden tientjes.20

In de woonkamer van de woning wordt geconstateerd dat de telefoonstekker van de aanwezige router niet in het stopcontact zit en wordt op de vloer een bijna lege fles whisky aangetroffen.21 [benadeelde partij 1] verklaart dat het slachtoffer samen met verdachte een fles whisky heeft gekocht, omdat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) deze graag wilde hebben.22 In de vaatwasser in de keuken worden onder andere 6 gebruikte drinkglazen aangetroffen (aangeduid als glas 1 t/m 6) en drie gebruikte borden.23

Beschikbaarheid medicatie verdachte

Verdachte boekt op zaterdagochtend 16 december 2017 bij reisbureau D-reizen in Hoogeveen een vlucht van Schiphol naar Luton met vertrek om 17:50 uur diezelfde dag.24 Vervolgens gaat zij met de trein naar Meppel en belt zij om 11:34 uur, 11:38 uur, 11:55 uur en 12:43 uur naar het telefoonnummer dat op naam staat van [naam 1] . Op dat moment straalt de telefoon van verdachte een telefoonmast aan in Meppel. Om 13:23 uur stuurt verdachte een SMS aan [naam 1] met de tekst: “Hoi [naam 1] , waar ben je, wil je me even bellen? Xx”, waarna verdachte om 13:55 uur het mobiele telefoonnummer van [naam 1] belt.25 Ter terechtzitting van 8 april 2021 heeft verdachte verklaard dat zij op 16 december 2017 aan de deur is geweest bij [naam 1] in Meppel (maar dat er toen niet open werd gedaan). Vanaf 11:29 uur tot 15:53 uur die dag worden door de telefoons van verdachte telefoonmasten (cell-id’s) aangestraald in Meppel. Daarna volgen de telefoons de route naar Schiphol. Om 18:05 uur wordt een telefoonmast aangestraald op Schiphol. Om 18:47 wordt Schiphol weer verlaten en volgen de telefoons van verdachte weer de route richting Hoogeveen.26

Mevrouw [naam 1] verklaart op 12 februari 2018 dat verdachte enkele maanden daarvoor, nog voor de kerst van 2017, bij haar is geweest en dat verdachte plotseling voor de deur stond.27 De wijkverpleegkundige van mevrouw [naam 1] bevestigt dat mevrouw [naam 1] aan haar heeft verteld dat er in december 2017 iemand bij haar langs was geweest die [naam 1] nog kende vanuit de tijd dat zij in Hoogeveen woonde. Het viel de wijkverpleegkundige destijds op dat er een stuk van de achterkant van de Baxter-rol van mevrouw [naam 1] was afgeknipt. Uit de zorgrapportage met betrekking tot de zorg van mevrouw [naam 1] blijkt dat op 17 december 2017 medicijnen worden vermist, waarbij wordt opgemerkt dat de dag daarvoor een vrouw op bezoek is geweest die geld van mevrouw [naam 1] wilde. Dit zou gaan om een vage kennis uit Hoogeveen van vroeger. Deze zelfde vage kennis zou op 30 december 2017 opnieuw zijn langs geweest.28 Verdachte heeft ter terechtzitting van 8 april bevestigd dat zij op 30 december 2017 bij mevrouw [naam 1] is geweest.

Op dinsdag 12 december 2017 is aan mevrouw [naam 1] voor een week medicatie geleverd voor gebruik van 13 tot en met 19 december 2017. Er is medicatie verdwenen vanaf 17 december 2017 tot en met 19 december 2017. De medicatie die 's avonds wordt ingenomen is Venlafaxine, Seroquel en Lorazepam. In totaal worden de volgende medicijnen vermist bij mevrouw [naam 1] :

VENLAFAXINE CAPS MVA 75 MG

3 ST

VALSARTAN TABL OMH 80 MG

2 ST

SIMVASTATINE TABL OMH 40 MG

2 ST

SEROQUEL XR TABL MVA1 50 MG

15 ST

LORAZEPAM TABL 2,5 MG

3 ST

EUTHYROX TABL 100MCG

2 ST

CHOLECALCIFEROL TABL 900IE

2 ST

DIPYRIDAMOL RET C MGA 200MG

4 ST

ACETYLSAL CARDIO DSP T 80 MG

2 ST

ESOMEPRAZOL CAPS MSR 40 MG

2 ST29

Verdachte heeft daarnaast op twee verschillende momenten op haar verzoek van getuige [getuige 3] een aantal pillen Quetiapine en Citalopran ontvangen.30 Ook heeft verdachte op 20 november 2017 bij de apotheek Diazepam opgehaald.31

Toxicologisch onderzoek lichaam

Door dr. [naam 2] , apotheker-toxicoloog, is onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van ethanol, drugs, geneesmiddelen en/of bestrijdingsmiddelen in het lichaamsmateriaal van het slachtoffer. Uit dit onderzoek blijkt dat in het lichaamsmateriaal van het slachtoffer ethanol, quetiapine, valsartan, diazepam, N-desmethyldiazepam, lorazepam, venlafaxine en

0-desmethylvenlafaxine is aangetoond.32 Vervolgens heeft er aanvullend toxicologisch onderzoek plaatsgevonden waaruit is gebleken dat in de maaginhoud lorazepam, quetiapine, simvastatine, valsartan en venlafaxine en in het hartbloed lorazepam, quetiapine, valsartan en venlafaxine is aangetoond.33

De medicijnen Seroquel (werkzame stof quetiapine), valsartan, lorazepam en venlafaxine komen overeen met de bij mevrouw [naam 1] weggenomen medicatie.

N-desmethyldiazepam en 0-desmethylvenlafaxine zijn omzettingsproducten van respectievelijk diazepam en venlafaxine. Uit het toxicologisch onderzoek blijkt voorts dat het niet mogelijk is dat de in het lichaamsmateriaal aangetroffen stof quetiapine al op of voor 11 december 2017 (de dag waarop verdachte naar haar zeggen voor het laatst bij het slachtoffer thuis is geweest) is toegediend of ingenomen, terwijl het slachtoffer op of na 17 december 2017 is overleden.34

Toxicologisch onderzoek aan inhoud serviesgoed

In de vaatwasser in de keuken werden 6 drinkglazen aangetroffen (aangeduid als glas 1 t/m 6). De vloeistofresten in de 6 glazen zijn onderworpen aan toxicologische onderzoeken en daaruit volgt dat in ieder van deze 6 glazen quetiapine is aangetoond. In glas 2 (SIN-nummer: AAKD8173NL) is naast quetiapine ook lorazepam, simvastatine en valsartan aangetoond. In glas 3 (SIN-nummer: AALO0856NL) is quetiapine en simvastatine aangetoond en is een aanwijzing verkregen voor valsartan.35 Verder zijn in glas 6, glas 5 en glas 1 aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van betahistine. In de maaginhoud van het slachtoffer is, zoals hiervoor vermeld, onder meer quetiapine en venlafaxine aangetoond.36

Dactyloscopische onderzoek en DNA-onderzoek

De hiervoor genoemde glazen die in de vaatwasser zijn aangetroffen (glas 1 t/m 6) zijn onderzocht op dactyloscopische sporen en DNA-sporen. Op glas 6 (SIN: AAJE1631NL), glas 2 (SIN: AAJE1620NL) en op een in de keuken van het slachtoffer aangetroffen rol aluminiumfolie (SIN: AALH0455NL), zijn dactyloscopische sporen van verdachte aangetroffen.37

Op glas 2 (SIN: AAJT5849NL#01) is het DNA-profiel van verdachte aangetroffen. De kans dat een willekeurig gekozen persoon eenzelfde profiel bezit bedraagt minder dan één op één miljard. Uit het DNA-onderzoek blijkt voorts dat op glas 6 (SIN: AAJT5845NL#01), glas 5 (SIN: AAJT5846NL#01) en glas 1 (SIN: AAJT5850NL#01) een DNA-mengprofiel is aangetroffen van verdachte en het slachtoffer.38

Werking van de medicatie

Op basis van de aangetroffen hoeveelheden medicijnen in het lichaamsmateriaal van het slachtoffer worden door de onderzoekers van het NFI de volgende conclusies getrokken. Het bewustzijn/gedrag van het slachtoffer kan ten tijde van het overlijden zijn beïnvloed door de aanwezigheid van quetiapine en ethanol. De resultaten van het toxicologisch onderzoek in het femoraalbloed van het slachtoffer passen bij therapeutisch gebruik van quetiapine. Tevens is ethanol (alcohol) aangetoond. Ook van valsartan, diazepam, N-desmethyldiazepam, lorazepam, venlafaxine en 0-desmethylvenlafaxine zijn lage concentraties gemeten in het femoraalbloed. Vanwege deze lage concentraties zullen de effecten van deze stoffen van minder belang zijn voor effecten op het bewustzijn. Quetiapine en ethanol zijn stoffen die de hersenfuncties dempen. Hierdoor kunnen deze stoffen het bewustzijn/gedrag van het slachtoffer hebben beïnvloed.39

Volgens [benadeelde partij 1] zou het slachtoffer geen medicijnen nemen als het niet echt nodig was. Hij omschrijft hem als ‘geen medicijngebruiker’.40 De huisarts van het slachtoffer onderschrijft het beeld dat het slachtoffer een afkeer had van het innemen van medicijnen. De huisarts verklaart dat het slachtoffer in 2004 wel Lorazepam voorgeschreven heeft gekregen, maar dat het slachtoffer niet bekend is met het gebruik van de overige medicatie die in zijn lichaam is aangetroffen (diazepam, demethyldiazepam, quetiapine, valsartan, venlafaxine).41 In de woning van het slachtoffer zijn bovendien geen medicijnverpakkingen aangetroffen die kunnen duiden op het gebruik van bovenstaande medicijnen door het slachtoffer zelf.42

Relatie verdachte tot het slachtoffer

De vader van het slachtoffer heeft verklaard dat het slachtoffer weinig sociale contacten had, maar dat het slachtoffer de laatste tijd wel contact had met een Egyptische vrouw, genaamd [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte). Hij verklaart dat verdachte met enige regelmaat langs kwam en ook wel eens bij het slachtoffer bleef slapen. Het slachtoffer heeft aan getuige verklaard dat verdachte soms te vaak langs kwam en te lang bleef. Het slachtoffer heeft aangegeven dat hij er zat van was en minder contact wilde met verdachte.43 Ook kwam verdachte volgens hem vaak onaangekondigd langs.44

Verdachte heeft op 31 december 2017 tegenover de politie verklaard dat zij voor het laatst op 11 december 2017 bij het slachtoffer thuis is geweest, omdat hij toen een klein feestje gaf. Hierna zou zij terug zijn gegaan naar [naam 3] . Bij dit feestje zijn volgens verdachte ook een man en vrouw aanwezig geweest.45

Deze verklaring staat haaks op de bevindingen van de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van verdachte. De cell-id's die op 11 december 2017 worden aangestraald geven geen dekking aan de woning van [naam 3] en/of van het slachtoffer. Deze cell-id's geven wel dekking aan de woning van [getuige 2] in Tiendeveen. Uit de historische verkeersgegevens is geen bevestiging gevonden voor een bezoek van verdachte aan het slachtoffer op 11 december 2017.46 Op 11 december 2017 is door het KNMI code rood afgegeven voor (onder andere) de provincie Drenthe in verband met extreme sneeuwval.47 Verdachte heeft niets verklaard over slechte weersomstandigheden tijdens haar fietstocht naar het huis van het slachtoffer of op weg terug naar de woning van [naam 3] .

Uit onderzoek is gebleken dat het aannemelijker is dat verdachte in het weekend van 4 op 5 december 2017 in de woning van het slachtoffer is geweest. Zo wordt in een afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek tussen verdachte en haar vriendin [getuige 2] over het feestje gesproken. [getuige 2] zegt dan dat zij zich nog wel kan herinneren dat verdachte haar 's morgens na het feestje al om kwart over zeven belde. Verdachte zegt in dat gesprek dat ze die ochtend toen direct naar bed is gegaan en dat zij toen tot elf uur heeft geslapen.48 Uit de historische verkeersgegevens van de telefoon van verdachte blijkt dat zij op de ochtend van 5 december 2017 om 07:16 uur met [getuige 2] belt en dat ze dan een cell-id in Noordscheschut aanstraalt. Vervolgens maakt de telefoon om 11:15 uur pas weer contact (met getuige [getuige 1] ).

Op 5 december is het slachtoffer de hele dag niet online geweest en dat komt niet overeen met zijn gebruikelijke patroon. Vanaf 6 december is het slachtoffer actief op zoek gegaan naar informatie over verdachte. Op 6 december om 13:38 uur heeft het slachtoffer met zijn vaste telefoon, nummer [telefoonnummer], contact gezocht met [bedrijf] te Farmsum, waar hij heeft gevraagd of er bij dit bedrijf ene [verdachte] werkte. Dit bleek niet het geval.

Uit onderzoek is gebleken dat [benadeelde partij 1] het slachtoffer op 7 december om 17:38 uur belt. Het slachtoffer meent dat het dan vroeg in de ochtend is, maar nadat zijn vader hem informeert over het juiste tijdstip, 17:38 uur, vraagt het slachtoffer zich af of hij mogelijk vergiftigd is. Naar aanleiding hiervan zijn de computerdata van de desktop Acer van het slachtoffer en de telefoondata uit zijn GSM Vodafone VF-795 Smart Speed 6 nader bekeken. Hierbij viel het op dat op 8 december is gezocht op de woorden “pathologische leugenaar”. Dit vond vrij snel plaats na diverse zoekslagen op [verdachte] .49

In de e-mailbox van het slachtoffer worden, naast drie boze e-mails aan verdachte in juni 201750, onder andere vier e-mails aangetroffen die het slachtoffer aan verdachte heeft gestuurd in de eerste helft van december 2017. Deze e-mails zijn door het slachtoffer verstuurd op 6, 8 en 11 december 2017. Op 6 december stuurt hij onder meer de tekst: “Jij speelt spelletjes met mij. Je hebt de Nederlandse vlag van de muur gehaald en je hebt de stekker uit de telefoon gehaald.” Ook stuurt hij op 6 december: “Iedere keer als jij hier bent geweest is er wat vreemds aan de hand” en “Je bent stiekem bezig en wat is het doel. Proberen mij uit dit huis te krijgen. Mij te doen flippen? Het is best gezellig maar met dit soort grappen heb ik liever niet meer dat je hier komt.”

In een e-mail die het slachtoffer een paar uur later op 6 december heeft gestuurd, schrijft hij: “[verdachte] jij haalt rare mindgames uit met mij. Dingetjes stuk maken of veranderen. Heel raar” en verder: “Iedere keer doe jij dit soort dingen als ik nog slaap. De stekker uit de telefoon trekken zodat ik onbereikbaar ben en dan komt er een smoesje dat de telefoon gevallen is. Heel stiekem. Waarom? Vrienden pesten elkaar toch niet door stiekem kleine dingen kapot te maken of door de war te sturen?”.

In zijn email van 6 december 2017 schrijft hij verder: “Heel zoetjes aan wordt ik de spelletjes en de leugens zat en dan ga ik wat ondernemen” en “wil je nog contact met mij hou dan op met de mindgames en de truckjes.”

Vervolgens stuurt hij op 8 december 2017 een e-mail aan verdachte met de tekst: “Waarom verplaats je hier dingen in huis zoals de Nederlandse vlag weghalen en op de kamerstoel leggen en het ophangen van gordijnen in de logeerkamer?” Ook stuurt hij: “Ik ben echt kwaad en wil je hier niet meer zomaar aan de deur hebben om mijn tijd in beslag te nemen. Ik zit liever alleen.”. Op 11 december 2017 om 05:06 uur stuurt hij haar een bericht met de tekst: “Arabieren beloven nogal wat dingen die ze niet kunnen waarmaken”.51

Alibi verdachte

Uit de historische verkeersgegeven van de telefoons van verdachte blijkt dat op 16 december 2017 om 20.24 en 20.27 uur een cell-id aan de [straatnaam] te Hoogeveen (binnen het dekkingsgebied van de woning van het slachtoffer) wordt aangestraald. Vervolgens vindt om 20.34 uur een gesprek vanaf de [straatnaam] in Hoogeveen plaats. Daarna zijn er geen mastgegevens meer bekend tot 19 december 2017 om 07:14 uur, omdat de mobiele telefoons die verdachte gebruikt in die periode allemaal zijn uitgeschakeld. Op 19 december 2017 vanaf 07:14 uur moment komen alle vijf telefoonnummers van verdachte weer in de lucht waarbij masten aan de [straatnaam] en de [straatnaam] te Hoogeveen worden aangestraald. Op dit laatste adres is het [naam ziekenhuis] gevestigd waar [getuige 2] werkt.52

Verdachte heeft in haar verhoor bij de politie op 31 december 2017 verklaard dat zij op 16 december 2017 haar vlucht vanaf Schiphol naar Luton heeft gemist, waarop zij terug is gegaan naar Hoogeveen. Verdachte heeft verklaard dat ze toen naar [naam 3] of naar haar vriendin [getuige 2] is gegaan.53 [naam 3] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte in de periode 16 december 2017 tot 21 december 2017 niet bij hem heeft verbleven.54 [getuige 2] verklaart bij de rechter-commissaris dat verdachte op 18 december 2017 bij haar was, maar dat verdachte de nacht van 18 op 19 december 2017 niet bij haar heeft geslapen. [getuige 2] heeft verdachte die avond om ongeveer 21:00 uur à 21:15 uur teruggebracht naar het ziekenhuis, omdat daar de fiets van verdachte stond.55 Op 19 december 2017 leent verdachte de auto van [getuige 2] , maar gaat zij van Hoogeveen met de trein naar Zwolle om daar bij een Grenswisselkantoor

€ 50,00 over te maken aan haar zoon, waarna zij weer terugkeert naar Hoogeveen. Vanaf 19 december 2017 om 15:15 uur maken de telefoons van verdachte gebruik van de mast aan het [straatnaam] te Noordscheschut en verblijft zij bij [getuige 2] totdat zij op 21 december 2017 door [getuige 1] wordt opgehaald.56 Bij [getuige 1] verblijft zij tot het moment dat de politie haar daar op 30 december 2017 aantreft.57 [getuige 1] heeft verklaard dat hij het raar vond dat verdachte zo lang bij hem in huis verbleef en dat het leek alsof ze zich verschool bij hem.58

Financiële omstandigheden verdachte

Uit onderzoek blijkt dat de financiële situatie van verdachte slecht was. Ook verschillende getuigen verklaren hierover. Getuige [getuige 2] verklaart dat zij verdachte steeds geld heeft gegeven en dat dit in de loop der jaren wel iets van € 10.000,- is geweest. [getuige 2] verschafte sinds oktober 2017 een bedrag van € 600,- per maand aan verdachte voor de huur van een flat.59 Getuige [getuige 4] verklaart dat verdachte wel eens geld van haar en haar man leende, maar dat het geld wel altijd weer terug kwam. De laatste keer heeft verdachte een bedrag van in totaal € 5.500,- geleend, maar dat geld is door verdachte niet terugbetaald.60 In e-mails die door [getuige 4] en [naam 4] aan verdachte zijn gestuurd op 10 januari, 26 januari, 1 maart 2017 en 8 maart 2017 wordt gevraagd om terugbetaling van een bedrag van

€ 5.000,- of € 5.500,-.61 De zoon van verdachte, [naam 5] , heeft in een WhatsApp-gesprek met [getuige 4] op 18 januari 2018 aangegeven dat hij met verdachte had afgesproken dat zij naar Londen zou komen om hem geld te geven voor een reis naar Canada. Het zou gaan om een bedrag van £ 450,-. Doordat verdachte zich niet aan die afspraak heeft gehouden kon [naam 5] niet afreizen naar Canada.62

Uit onderzoek naar de bankrekeningen van verdachte is gebleken dat op bankrekening [rekeningnummer] in de periode van 20 januari 2017 t/m 8 januari 2018 in totaal een bedrag gestort werd van € 16.780,-. Het is onbekend op welke wijze verdachte aan de contanten is gekomen om deze stortingen te kunnen doen. Voor zover bekend had zij geen inkomsten uit arbeid. In elk geval is er geen salaris op deze rekening gestort. Verder blijkt dat verdachte in de periode van 23 november 2017 t/m 4 januari 2018 regelmatig in het rood stond. In de periode van 13 december t/m 22 december 2017 zijn er in het geheel geen mutaties. Verdachte [verdachte] ontving op rekening [rekeningnummer] in de periode 11 januari 2017 t/m 12 januari 2018 van [getuige 2] ([rekeningnummer]) in totaal

€ 5.970,-.63 [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte vanaf 21 december 2017 bij hem verbleef omdat zij geen geld had voor een hotel. Verdachte was volgens [getuige 1] helemaal blut.64

Bewijsoverweging van de rechtbank:

De rechtbank overweegt met betrekking tot het bovenstaande en hetgeen daarover door de verdediging en de officier van justitie is aangevoerd het volgende.

Doodsoorzaak

De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer tussen 18 december 2017 om 11:30 uur en 19 december 2017 om 16:43 uur is overleden ten gevolge van meervoudige inwerking van heftig uitwendig mechanisch stomp botsend geweld op het hoofd, passend bij meervoudig slaan met mogelijk een zwaar stomp (mogelijk deels kantig) voorwerp.

Toxicologisch onderzoek heeft de aanwezigheid van ethanol, quetiapine, valsartan, diazepam, N-desmethyldiazepam, lorazepam, venlafaxine en 0-desmethylvenlafaxine in het lichaamsmateriaal van het slachtoffer aangetoond. Het bewustzijn en het gedrag van het slachtoffer kan door de aanwezigheid van deze medicatie zijn beïnvloed, maar het overlijden kan hierdoor niet worden verklaard.

Aanwezigheid verdachte bij het slachtoffer

Gezien het feit dat het slachtoffer in slaapkleding in zijn eigen bed is aangetroffen en er geen sporen van braak zijn aangetroffen, is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat het slachtoffer de dader kende en dat het slachtoffer de dader waarschijnlijk zelf heeft binnen gelaten of dat de dader beschikte over een sleutel van de woning.

Op basis van de gedetailleerde verklaring van de vader van het slachtoffer en gelet op de inhoud van de e-mails die het slachtoffer aan verdachte heeft gestuurd op 6, 8 en 11 december 2017 en de eigen verklaring van verdachte, kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte in de maand(en) voorafgaand aan het overlijden van het slachtoffer meerdere keren bij hem thuis is geweest. Verdachte was naast de vader van het slachtoffer één van de weinige mensen die ook fysiek met enige regelmaat aanwezig is geweest in de woning van het slachtoffer. De rechtbank overweegt daarbij dat het slachtoffer weliswaar ook online sociale contacten had, zoals de raadsman heeft aangevoerd, maar dat niet is gebleken dat de mensen waarmee het slachtoffer op die manier contact had in de periode voor zijn overlijden ook fysiek aanwezig zijn geweest in de woning van het slachtoffer.

DNA en dactyloscopische sporen van verdachte

De rechtbank stelt vast dat DNA-sporen en vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen op glazen die zich in de vaatwasser van het slachtoffer bevonden. Op twee glazen (glas 2 en 6) zijn vingerafdrukken van verdachte aangetroffen. Op glas 2 is alleen DNA van verdachte aangetoond en op glas 1, glas 5 en glas 6 is een DNA-mengprofiel aangetroffen van verdachte en het slachtoffer. Ook zijn er vingerafdrukken van verdachte aangetroffen op een rol aluminiumfolie. Op die glazen zijn geen DNA-sporen of dactyloscopische sporen aangetroffen die aan iemand anders dan aan verdachte of het slachtoffer kunnen worden gekoppeld.

Verdachte heeft verklaard de DNA/vingersporen mogelijk achtergelaten te hebben toen zij op 11 december 2017 aanwezig is geweest op een feestje in de woning van het slachtoffer. Uit hetgeen hiervoor is opgenomen concludeert de rechtbank evenwel dat dit onaannemelijk is. Aannemelijker is dat verdachte niet op 11 december 2017, maar in de nacht van 4 op 5 december 2017 in de woning van het slachtoffer is geweest. Dit wordt ondersteund door de e-mailberichten die het slachtoffer aan verdachte heeft gestuurd op 6 december 2017 waarin hij beschuldigingen uit aan het adres van verdachte. Het slachtoffer beschuldigt in deze e-mails verdachte concreet van dingen die zij gedaan zou hebben in de woning van verdachte terwijl hij sliep. Zo geeft hij aan dat er iedere keer als verdachte bij hem is geweest er wat vreemds aan de hand is en dat verdachte stiekem bezig is. Hij benoemt daarbij onder meer het uit het stopcontact halen van de telefoon en het verplaatsen van een Nederlandse vlag en andere spullen in zijn woning. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen kort voor het versturen van de e-mails moeten hebben plaatsgevonden. Het scenario dat verdachte in de nacht van 4 op 5 december 2017 aanwezig is geweest bij het slachtoffer wordt bovendien bevestigd door het telefoongesprek dat verdachte met [getuige 2] heeft gevoerd in combinatie met de telefoongegevens van verdachte in die periode.

Het scenario dat op 11 december 2017 een feestje heeft plaatsgevonden in de woning, wordt ook voor het overige op geen enkele manier ondersteund door de inhoud van het dossier, terwijl er wel contra-indicaties zijn. Zo heeft het slachtoffer op 11 december 2017 nog een boze e-mail gestuurd aan verdachte, wat het naar het oordeel van de rechtbank onwaarschijnlijk maakt dat het slachtoffer verdachte dezelfde dag nog uitnodigt voor een feestje bij hem thuis. Ook blijkt uit de telefoongegeven van verdachte en het slachtoffer dat er die dag geen telefonisch contact heeft plaatsgevonden. Van andere personen die volgens verdachte op het feestje aanwezig zijn geweest is evenmin gebleken.

Dat de DNA-sporen en vingerafdrukken van verdachte mogelijk bij een eerder bezoek zijn achtergelaten, waarna het slachtoffer de glazen langere tijd niet zou hebben afgewassen, wordt naar het oordeel van de rechtbank weersproken door de feitelijke situatie in de woning van het slachtoffer. In de keuken en in de vaatwasser van het slachtoffer is afgezien van de zes glazen en drie gebruikte borden geen vuile vaat aangetroffen.

Alles afwegende acht de rechtbank de stelling dat de DNA-sporen en vingerafdrukken afkomstig zijn van een bezoek van verdachte op 11 december 2017 (of eerder), gelet op het vorenstaande dan ook onaannemelijk.

Sporen van medicatie

Naast de DNA-sporen en vingerafdrukken van verdachte zijn in de onderzochte glazen ook resten van medicijnen aangetroffen. In ieder van de 6 onderzochte glazen is quetiapine aangetoond. In glas 2 zijn naast quetiapine ook lorazepam, simvastatine en valsartan aangetoond en in glas 3 zijn quetiapine en simvastatine aangetoond en is een aanwijzing verkregen voor valsartan. Ook zijn in glas 1, glas 5 en glas 6 aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van betahistine. De rechtbank stelt voorts vast dat uit toxicologisch onderzoek is gebleken dat in het lichaamsmateriaal van het slachtoffer ethanol, quetiapine, valsartan, diazepam, N-desmethyldiazepam, lorazepam, venlafaxine en 0-desmethylvenlafaxine is aangetoond.

Toediening medicatie

De rechtbank is van oordeel dat het uiterst onaannemelijk is dat het slachtoffer de hiervoor genoemde medicatie zelf willens en wetens heeft ingenomen. De rechtbank heeft daarbij met name gelet op de verklaring van de vader van het slachtoffer, waaruit blijkt dat het slachtoffer een afkeer had van het gebruik van medicijnen en hij geen medicijnen zou gebruiken als het niet echt nodig was. De huisarts van het slachtoffer onderschrijft het beeld dat verdachte een afkeer had van het innemen van medicijnen. Uit de verklaring van de huisarts blijkt tevens dat het slachtoffer weliswaar in 2004 lorazepam voorgeschreven heeft gekregen, maar dat het slachtoffer niet bekend is met het gebruik van de andere medicatie die in zijn lichaam is aangetroffen. In de woning zijn bovendien, na grondig en uitgebreid onderzoek, geen medicijnverpakkingen of doordrukstrips van die medicijnen aangetroffen.

De rechtbank concludeert uit voornoemde feiten en omstandigheden dat het slachtoffer zelf niet de beschikking had over de medicatie die in zijn lichaamsmateriaal is aangetroffen en dat deze medicatie heimelijk aan hem moet zijn toegediend.

De rechtbank is, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, van oordeel dat uit het aangehaalde onderzoek van het NFI naar de oplosbaarheid en waarneembaarheid van de medicatie in drank niet blijkt dat het onmogelijk is om ongezien en/of ongemerkt medicatie toe te voegen aan drank. Uit het betreffende onderzoek blijkt dat niet eenduidig is aan te geven of een verandering in uiterlijk, smaak of geur van een drank na toevoeging van medicatie wordt waargenomen. Dit hangt af van onder andere de verlichting van een kamer, de kleur van de drank, de opmerkzaamheid van de drinker, hoe goed de drinker de originele drank kent en eventuele gelijktijdige inname van voedsel.

Beschikbaarheid medicatie

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank de beschikking gehad over de medicijnen die in het lichaam van het slachtoffer zijn aangetroffen. De rechtbank overweegt dat het naar haar oordeel verdachte is geweest die op 16 december 2017, terwijl zij onderweg was naar Schiphol, bij mevrouw [naam 1] in Meppel op bezoek en in huis is geweest en daar medicijnen (onder meer venlafaxine, valsartan, seroquel en lorazepam) heeft weggenomen. De rechtbank komt daartoe op grond van de eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting dat zij op 16 december 2017 een aantal malen telefonisch contact met mevrouw [naam 1] heeft gezocht en dat zij ook bij de woning van mevrouw [naam 1] is geweest en heeft aangebeld. Voorts blijkt uit de verklaringen van mevrouw [naam 1] en de getuige [getuige 5] , dat mevrouw [naam 1] die middag thuis was en zij steevast de deur opent als aangebeld wordt. Voorts heeft verdachte op een tweetal momenten van getuige [getuige 3] quetiapine gekregen en ook heeft zij op 20 november 2017 bij de apotheek diazepam verstrekt gekregen. Voornoemde medicatie komt overeen met de medicatie die in het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen. Tevens zijn resten van deze medicatie aangetoond in de glazen waarop ook DNA-sporen en vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen. De rechtbank concludeert daaruit dat verdachte nà 16 december 2017 nog bij het slachtoffer langs moet zijn geweest, aangezien de aanwezigheid van haar DNA en vingerafdrukken op de glazen in combinatie met de medicijnresten in die glazen in redelijkheid niet anders kan worden verklaard. De stelling van de raadsman dat deze medicijnen algemeen beschikbaar zijn, maakt dit, wat daar overigens ook van zij, naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat in de aangetroffen vingerafdrukken op de glazen geen medicijnresten zijn aangetroffen, maakt het voorgaande evenmin anders.

Alibi verdachte

De rechtbank constateert dat verdachte geen sluitend alibi heeft voor de periode van

16 december 2017 tot en met 19 december 2017, de periode waarin het slachtoffer om het leven is gebracht. Wel staat wat de rechtbank betreft vast dat verdachte in die periode in (de buurt van) Hoogeveen verbleef, aangezien de telefoons van verdachte, kort voor het moment dat deze op 16 december 2017 om 21.09 uur allemaal tegelijkertijd zijn uitgeschakeld, masten aanstralen in Hoogeveen. Ook op het moment dat alle mobiele telefoonnummers weer actief worden, op 19 december 2017 om 07.14 uur, stralen deze telefoons masten aan in Hoogeveen. Verdachte’s verklaring dat zij bij [naam 3] of haar vriendin,

[getuige 2] , heeft verbleven wordt door hen niet ondersteund. [naam 3] ontkent consequent dat verdachte in die periode bij hem heeft verbleven en [getuige 2] verklaart dat verdachte op 18 december 2017 weliswaar overdag bij haar was, maar dat verdachte in de nacht van 18 op 19 december 2017 niet bij haar is blijven slapen. [getuige 2] heeft naar haar zeggen verdachte op 18 december 2017 rond 21:00 uur teruggebracht naar het ziekenhuis waar de fiets van verdachte stond.

Hoewel de precieze verblijfplaats van verdachte in de periode dat het slachtoffer om het leven is gebracht op grond van deze verklaringen niet met zekerheid kan worden vastgesteld, stelt de rechtbank wel vast dat verdachte alleszins de mogelijkheid heeft gehad in die periode in de woning van het slachtoffer te verblijven, derhalve ook in de nacht van 18 op 19 december 2017. Verdachte had geen vaste woon- of verblijfplaats in Hoogeveen en was op zoek was naar een slaapplaats voor die nacht. Uit de verklaring van de vader van het slachtoffer en de e-mails van het slachtoffer aan verdachte blijkt tevens dat verdachte regelmatig zonder aankondiging bij het slachtoffer voor de deur stond.

Tussenconclusie rechtbank

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die heimelijk de medicatie aan het slachtoffer heeft toegediend.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat door het uitblijven van een verklaring van verdachte (en mede gezien de lage doseringen van de medicatie die in het lichaamsmateriaal van het slachtoffer zijn aangetroffen) niet kan worden bewezen dat het toedienen van de medicatie door verdachte is gedaan met het doel om het slachtoffer om het leven te brengen, zodat het toedienen van de medicatie als een afzonderlijk handeling en strafbaar feit moet worden beschouwd.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair onder het eerste gedachtestreepje ten laste gelegde gedraging die ziet op de toediening van medicijnen aan het slachtoffer. Gelet op deze gedeeltelijke vrijspraak van het primair ten laste gelegde, blijft naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid bestaan om tevens tot een bewezenverklaring te komen van het subsidiair of meer subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank stelt voorts vast dat het slachtoffer op enig moment nadat hij de medicatie toegediend heeft gekregen met fors geweld om het leven is gebracht.

Toedracht geweldshandelingen

Hoewel in het verzamelen van de medicijnen en het toedienen daarvan aanwijzingen zouden kunnen worden gevonden voor enig vooropgezet plan, acht de rechtbank - mede gelet op de omstandigheid dat de verklaringen van de verdachte geen inzicht hebben gegeven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan - niet wettig bewezen dat verdachte tevoren het plan had opgevat om het slachtoffer van het leven te beroven.

De rechtbank acht niet uitgesloten dat het motief voor het drogeren heeft gelegen in het ongestoord kunnen doorzoeken van de woning van het slachtoffer waarbij verdachte op zoek was naar geld of andere waardevolle voorwerpen. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het feit dat verdachte in zeer slechte financiële omstandigheden verkeerde ten tijde van het tenlastegelegde. Zij had bij meerdere mensen (forse) schulden terwijl geen reguliere bron van inkomsten bekend was, anders dan het lenen van geld van vrienden en kennissen. Ook had zij nauwelijks tot geen saldo op haar bankrekeningen. Verdachte had haar zoon beloofd geld te geven voor een reis naar Canada op 17 december 2017, maar zij heeft zich zelfs niet aan die toezegging kunnen houden. Ook had verdachte op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en verbleef zij door geldgebrek gedwongen bij verschillende vrienden en kennissen. De verklaring van verdachte dat zij bezittingen heeft in het buitenland is op geen enkele manier aannemelijk geworden.

Gelet op de e-mails die het slachtoffer op 6 december 2017 aan verdachte heeft gestuurd zijn er wel aanwijzingen dat verdachte eerder de woning van het slachtoffer heeft doorzocht op momenten dat hij sliep.

Uit het onderzoek in de woning is tevens gebleken dat op de slaapkamer van het slachtoffer, onder een kast, een geldkluis aanwezig was met daarin in totaal honderd gouden tientjes en

€ 5.750,00 aan contant geld. De rechtbank acht het zeer wel mogelijk dat verdachte op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van geld in de woning van het slachtoffer, dat zij hiernaar op zoek is geweest, en dat zij tijdens haar zoektocht op enig moment is gestoord en toen, in een opwelling, het slachtoffer van het leven heeft beroofd door hem met een voorwerp meerdere malen op het hoofd te slaan.

In het onderzoek is door de politie niet het voorwerp aangetroffen waarmee de dodelijke slagen zijn toegebracht zodat geen direct forensisch bewijs voor handen is dat het verdachte was die dit voorwerp heeft gehanteerd. Alle hierboven genoemde bevindingen uit het onderzoek leiden de rechtbank echter tot de slotsom dat het niet anders kan zijn geweest dan dat het verdachte is geweest die het geweld heeft toegepast dat tot de dood van het slachtoffer heeft geleid. Daar komt naar het oordeel van de rechtbank bij dat wèl op verdachte te herleiden forensisch (maar ook ander) bewijs voorhanden is waaruit kan worden afgeleid dat het verdachte is geweest die het slachtoffer voorafgaande aan de geweldshandelingen medicatie heeft toegediend.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het bovenstaande sprake is van omstandigheden die verdachte in hoge mate belasten en die redengevend zijn voor het bewijs dat zij het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Dit klemt temeer nu verdachte voor deze belastende omstandigheden geen aannemelijke verklaring naar voren heeft gebracht en zich hult in vaagheden.

Opzet op de dood

Gelet op de hevigheid van het toegepaste geweld op het hoofd van het slachtoffer kan het naar het oordeel van de rechtbank gelet op deze uiterlijke verschijningsvorm niet anders zijn dan dat het opzet van verdachte ook gericht is geweest op de dood van het slachtoffer.

Medeplegen

Het strafdossier bevat geen enkele concrete aanwijzing dat een ander dan verdachte betrokken is geweest bij het toedienen van medicatie aan dan wel bij het om het leven brengen van het slachtoffer. Er is uitgebreid onderzoek gedaan in de woning van het slachtoffer, maar er zijn geen concrete aanwijzingen gevonden waaruit blijkt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met één of meer andere personen, zodat er van uit moet worden gegaan dat verdachte alleen heeft gehandeld en dat zij zowel de medicatie heeft toegediend als het dodelijke geweld heeft toegepast.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).

De rechtbank acht zoals hiervoor overwogen - anders dan de officier van justitie - niet bewezen dat verdachte de medicijnen aan het slachtoffer heeft gegeven met het doel hem in een tijdelijke staat van bewusteloosheid of onmacht te brengen om hem vervolgens van het leven te beroven.

Gelet op het hiervoor geschetste scenario is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan het gewelddadig handelen voldoende tijd voor kalm beraad en gelegenheid voor bezinning heeft gehad, zodat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de tenlastegelegde moord. De rechtbank acht doodslag wel wettig en overtuigend bewezen.

Het subsidiair ten laste gelegde

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte met het toedienen van medicatie het slachtoffer opzettelijk heeft gepoogd het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Op basis van de concentraties medicijnen in het lichaamsmateriaal van het slachtoffer kan niet worden vastgesteld hoeveel medicijnen precies zijn toegediend, omdat niet bekend is hoeveel tijd er is verstreken tussen de inname van de medicijnen en het overlijden. De hoeveelheid medicijnen die in de onderzochte glazen heeft gezeten kan evenmin worden berekend. Wel kan worden vastgesteld dat op grond van de resultaten van het toxicologisch onderzoek een bijdrage van ethanol, drugs, geneesmiddelen en/of bestrijdingsmiddelen aan het overlijden van het slachtoffer niet kan worden geconcludeerd en het overlijden van het slachtoffer niet worden verklaard. Nu niet kan worden vastgesteld hoeveel medicatie is toegediend aan het slachtoffer en wat de precieze gevolgen daarvan zijn geweest, kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet worden vastgesteld of die hoeveelheid medicijnen geschikt is geweest om zwaar lichamelijk letsel teweeg te brengen bij het slachtoffer. De rechtbank zal verdachte daarom van het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Het meer subsidiair ten laste gelegde

Met betrekking tot het meer subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor overwogen heeft verdachte heimelijk medicatie gegeven aan het slachtoffer terwijl het slachtoffer deze medicatie niet voorgeschreven heeft gekregen door een arts en hij ook niet bekend was met het gebruik van deze medicatie. Uit het (aanvullend) toxicologisch onderzoek blijkt dat de stoffen quetiapine en lorazepam stoffen zijn die de hersenfuncties dempen en hierdoor kunnen leiden tot onder andere slaperigheid en ademhalingsdepressie.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zo zeer gericht op het in een van de normale gezondheidstoestand afwijkende toestand brengen van het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat de verdachte het opzet, in ieder geval in voorwaardelijke zin, heeft gehad om het slachtoffer te drogeren. Zij heeft door haar handelswijze als hiervoor omschreven en de geschetste en ook te voorziene gevolgen, willen en wetens het risico genomen de gezondheid van het slachtoffer te schaden en heeft de aanmerkelijke kans dat die schade zou optreden bewust aanvaard.

Gelet op de voorbereidingshandelingen die noodzakelijk zijn geweest om de medicijnen te verkrijgen en heimelijk te kunnen toedienen zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, concludeert de rechtbank dat de verdachte voorafgaand aan haar handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit, zodat zij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling met voorbedachten rade.

De rechtbank volgt in de bewezenverklaring de volgorde van de tenlastelegging, maar merkt daarbij op, wellicht ten overvloede, dat het onder 2 bewezenverklaarde feit in tijd als eerste heeft plaatsgevonden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair en meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 16 december 2017 tot en met 20 december 2017 in de gemeente Hoogeveen opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen met geweld met een hard voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] geslagen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

2.

zij in de periode van 16 december 2017 tot en met 20 december 2017 in de gemeente Hoogeveen met voorbedachten rade [slachtoffer] opzettelijk heeft mishandeld door die [slachtoffer] met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meerdere kalmerende, slaapverwekkende en/of spierverslappende geneesmiddelen (waaronder quetiapine en lorazepam) toe te dienen en aldus de gezondheid van die [slachtoffer] heeft benadeeld.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. doodslag

2. mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de primair ten laste gelegde moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak. Bij een eventuele bewezenverklaring heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn en dat dit tot strafvermindering zou moeten leiden. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en dat verdachte een zeer broze gezondheid heeft. Een lange gevangenisstraf zou mogelijk betekenen dat verdachte de gevangenis niet levend zal verlaten.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de periode 17 december tot 20 december 2017 [slachtoffer] in zijn woning aan de [straatnaam] te Hoogeveen opzettelijk en met zeer fors geweld van het leven beroofd. Ook heeft zij het slachtoffer met voorbedachte raad mishandeld door hem meerdere kalmerende, slaapverwekkende en/of spierverslappende geneesmiddelen (waaronder quetiapine en lorazepam) te geven.

Door het slachtoffer van het leven te beroven heeft zij een grove en onherstelbare inbreuk gemaakt op het meest fundamentele recht waarover de mens beschikt, te weten het recht op leven.

Uit de ter terechtzitting afgelegde slachtofferverklaringen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , de vader en de zus van het slachtoffer, blijkt dat de impact van de dood van het slachtoffer buitengewoon groot is. Verdachte heeft een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht en zeer groot leed toegebracht aan de nabestaanden, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van een dierbare. De vader en moeder van het slachtoffer hebben hun zwaar toegetakelde zoon dood aangetroffen in zijn bed. Het valt te verwachten dat deze gruwelijke beelden hen altijd zullen bijblijven.

Doodslag behoort tot de meest ernstige misdrijven in het Nederlandse strafstelsel en een delict als het onderhavige veroorzaakt groot leed bij nabestaanden en draagt bij aan angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan, alsmede het feit dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor het bewezenverklaarde.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde feit is begaan, uit het oogpunt van vergelding een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is. De rechtbank zal echter een minder hoge gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, aangezien de rechtbank de tenlastegelegde moord niet bewezen acht. Daarbij heeft de rechtbank voorts gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank ook meegewogen dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

Redelijke termijn

De raadsman heeft overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten in voorlopige hechtenis verkeert te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – kan echter in bepaalde gevallen worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Verdachte is in Engeland aangehouden op 29 augustus 2018, waarna zij op 2 mei 2019 is overgeleverd aan Nederland. Daarbij dient opgemerkt te worden dat verdachte zich lange tijd heeft verzet tegen deze overlevering, waardoor het procesverloop vertraging heeft opgelopen. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak stond oorspronkelijk gepland op 13 augustus 2020, maar in verband met de toevoeging van nieuwe stukken aan het strafdossier is op verzoek van de verdediging de behandeling van de strafzaak aangehouden. Op 26 november 2020 stond opnieuw een inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte gepland, maar deze zitting kon geen doorgang vinden omdat de raadsman van verdachte besmet was met het coronavirus. Uiteindelijk heeft de inhoudelijke behandeling op 8 en 9 april 2021 kunnen plaatsvinden.

De rechtbank stelt vast dat meerdere factoren van invloed zijn geweest op het lange procesverloop, maar dat de redelijke termijn in aanzienlijke mate is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding matiging van de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden. De rechtbank acht de overschrijding niet dusdanig dat een grotere matiging dan 6 maanden aan de orde is, nu de overschrijding van de redelijke termijn mede is veroorzaakt door van de verdachte zelf afhankelijke factoren.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [benadeelde partij 1] , tot een bedrag van € 561,86 ter zake van materiële schade en

€ 30.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [benadeelde partij 2] , tot een bedrag van € 5.638,89 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk zijn, gelet op de bepleite vrijspraak. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vorderingen, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zullen daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 december 2017.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 287 en 301 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair impliciet primair (moord) en subsidiair (poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel) is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder primair impliciet subsidiair (doodslag) en het meer subsidiair ten laste gelegde (mishandeling gepleegd met voorbedachten rade) bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en 6 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van 18/950103-17, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 30.561,86 (zegge: dertigduizendvijfhonderdéénenzestig euro en zesentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1], te betalen een bedrag van € 30.561,86 (zegge: dertigduizendvijfhonderdéénenzestig euro en zesentachtig eurocent), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2017. Dit bedrag bestaat uit € 561,86 aan materiële schade en € 30.000,00 aan immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 187 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/950103-17, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 5.638,89 (zegge: vijfduizendzeshonderdachtendertig euro en negenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2], te betalen een bedrag van € 5.638,89 (zegge: vijfduizendzeshonderdachtendertig euro en negenentachtig eurocent), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 20 december 2017. Dit bedrag bestaat uit € 5.638,89 aan materiële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 63 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr. J.G. de Bock en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door mr. E.E. de Vries, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2021.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummer aangeduide processen-verbaal en andere stukken betreft dit op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de politie eenheid Noord-Nederland, Team Grootschalige Opsporing, Dienst Regionale Recherche, onderzoek ARSOL met het kenmerk NNRAB17013, met als sluitingsdatum 1 november 2019 dan wel het bijgevoegde en afzonderlijk genummerd Forensisch dossier met sluitingsdatum 29 oktober 2019.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2018, p. 1319 e.v.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 december 2017, p. 1177 e.v.

4 Proces-verbaal PD-onderzoek woning, [straatnaam] te Hoogeveen, d.d. 10 september 2018, p. 40 e.v. van het Forensisch dossier (p. 66 specifiek).

5 Proces-verbaal van bevindingen ‘beelden [supermarkt] ’, d.d. 19 januari 2018, p. 1322 e.v.

6 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 januari 2018, p. 1224 e.v.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2018, p. 1293 e.v. (p. 1294 specifiek)

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , d.d. 27 december 2017, p. 479 e.v.

9 Proces-verbaal PD-onderzoek woning, [straatnaam] te Hoogeveen, d.d. 10 september 2018, p. 40 e.v. (p. 71/72 specifiek)

10 Definitief sectierapport d.d. 29 maart 2018, p. 472 e.v. van het Forensisch dossier.

11 Radiologisch onderzoek drs. [naam 6], d.d. 5 maart 2018, p. 495 e.v. van het Forensisch dossier.

12 Neuropathologisch onderzoek dr. [naam 7], d.d. 24 september 2018, p. 506 e.v. van het Forensisch dossier.

13 Proces-verbaal Bloedspoorpatroonanalyse/Luminol- en ALCV-onderzoeken, d.d. 21 december 2018, p. 97 e.v. van het Forensisch dossier (p. 111 specifiek)

14 NFI-rapport ‘MIT-express onderzoek aan schedeldelen naar aanleiding van doodslag/moord in Hoogeveen op 20 december 2017’, d.d. 25 januari 2018, p. 563 e.v. van het Forensisch dossier.

15 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 december 2017, p. 1182 e.v.

16 Proces-verbaal PD-onderzoek woning, [straatnaam] te Hoogeveen, d.d. 10 september 2018, p. 40 e.v. van het Forensisch dossier (p. 76 specifiek).

17 Proces-verbaal PD-onderzoek woning, [straatnaam] te Hoogeveen, d.d. 10 september 2018, p. 40 e.v. van het Forensisch dossier (p. 72 specifiek).

18 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 december 2017, p. 1200 e.v.

19 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2018, p. 1859 e.v.

20 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, d.d. 9 februari 2018, p. 2772 e.v.

21 Proces-verbaal PD-onderzoek woning, [straatnaam] te Hoogeveen, d.d. 10 september 2018, p. 40 e.v. van het Forensisch dossier (p. 73 specifiek).

22 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde partij 1] , d.d. 19 juni 2018, p. 342 e.v. (p. 347 specifiek)

23 Proces-verbaal Dactyloscopische en DNA-onderzoeken in het THO Arsol, d.d. 29 augustus 2018, p. 164 e.v. van het Forensisch dossier.

24 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 oktober 2019, p. 2125 e.v.

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] , d.d. 12 februari 2018, p. 800 e.v. (zie bijlage op p. 803 voor de telefoonlijst en p. 1454 voor de inhoud van het SMS-bericht)

26 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 22 oktober 2019, p. 2125 e.v.

27 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] , d.d. 12 februari 2018, p. 800 e.v.

28 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , d.d. 4 september 2018, p. 946 e.v.

29 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 september 2018, p. 1868 e.v.

30 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , d.d. 8 maart 2018, p. 826 e.v.

31 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 8 mei 2018, p. 2162 e.v. (specifiek p. 2177)

32 NFI-rapport ‘toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer] ’, d.d. 15 augustus 2018, p. 520 e.v. van het Forensisch dossier.

33 NFI-rapportage ‘Aanvullend toxicologisch onderzoek aan maaginhoud, hartbloed, inhoud van glazen en vloeistof uit een whisky fles naar aanleiding van toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer] ’, d.d. 23 april 2019, p. 548 e.v. van het Forensisch dossier

34 NFI-rapportage ‘Aanvullend toxicologisch onderzoek aan inhoud van glazen en vloeistof uit een whisky fles en aanvullende vragen naar aanleiding van toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer] ’, d.d. 25 oktober 2018, p. 540 e.v. van het Forensisch dossier.

35 NFI-rapport ‘Aanvullend toxicologisch onderzoek aan maaginhoud, hartbloed, inhoud van glazen en vloeistof uit een whisky fles naar aanleiding van toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer] ’, d.d. 23 april 2019, p. 548 e.v. van het Forensisch dossier.

36 NFI-rapport ‘toxicologisch onderzoek aan inhoud van serviesgoed en de maaginhoud van [slachtoffer] ’, d.d. 15 augustus 2018, p. 532 e.v. van het Forensisch dossier.

37 Proces-verbaal ‘dactyloscopische en DNA-onderzoeken in het TGO Arsol’, p. 164 e.v. van het Forensisch dossier.

38 NFI-rapport ‘DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in Hoogeveen op 20 december 2017’ d.d. 25 april 2018, p. 607 e.v. van het Forensisch dossier.

39 NFI-rapportage ‘Toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal van [slachtoffer] ’, d.d. 15 augsustus 2018, p. 520 e.v. (p. 530 en 531 specifiek) van het Forensisch dossier.

40 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde partij 1] , d.d. 15 januari 2018, p. 329 e.v. (p. 330 specifiek)

41 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 juni 2018, p. 1805 e.v.

42 Relaas proces-verbaal d.d. 1 november 2019, p. 28.

43 Proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 1] , d.d. 15 januari 2018, p. 329 e.v.

44 Proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 1] , d.d. 19 juni 2018, p. 342 e.v.

45 Proces-verbaal van verhoor getuige [verdachte] , d.d. 31 december 2017, p. 576 e.v.

46 Proces-verbaal van bevindingen historische verkeersgegevens [verdachte] , d.d. 20 februari 2018, p. 1425 e.v.

47 Uitdraai internetpagina Hoogeveensche Courant, ADM-016-01, P. 1172 e.v.

48 Uitdraai tapgesprek tussen verdachte en [getuige 2] , p. 2048 e.v.

49 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 20 augustus 2018, p. 1306 e.v.

50 Proces-verbaal van bevindingen ‘mailbox verdachte [verdachte] ’, d.d. 19 augustus 2020, als losse bijlage toegevoegd aan het dossier (AH-180-01).

51 Aanvullend proces-verbaal d.d. 23 juli 2020 n.a.v. rechtshulpverzoek aan Microsoft m.b.t. het e-mailadres van [slachtoffer] (later toegevoegd aan het dossier en doorgenummerd), p. 5889 e.v.

52 Proces-verbaal van bevindingen historische verkeersgegevens [verdachte] d.d. 20 februari 2018, p. 1425 e.v. (p. 1428 specifiek)

53 Proces-verbaal verhoor getuige [verdachte] , d.d. 31 december 2017, p. 576 e.v.

54 Proces-verbaal verhoor getuige [naam 3] door de rechter-commissaris, d.d. 17 juni 2020, afzonderlijk toegevoegd aan het dossier. Zie ook het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 3] , d.d. 23 december 2017 (p. 381 e.v.) en het verhoor d.d. 23 januari 2018 (p. 386 e.v.)

55 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] door de rechter-commissaris, d.d. 10 juni 2020, afzonderlijk toegevoegd aan het dossier.

56 Proces-verbaal van bevindingen tijdlijn juni 2017 tot en met 8 januari 2018, d.d. 25 juli 2019, p. 2062 e.v.

57 Proces-verbaal verhoor getuige P. [getuige 1] , d.d. 30 december 2017, p. 495 e.v.

58 Proces-verbaal verhoor getuige P. [getuige 1] , d.d. 23 april 2018, p. 508 e.v.

59 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2] , d.d. 31 januari 2018, p. 659 e.v. (p. 665 e.v. specifiek).

60 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] , d.d. 30 december 2017, p. 708 e.v.

61 Proces-verbaal van bevindingen ‘mailbox verdachte [verdachte] ’, d.d. 19 augustus 2020, als bijlage toegevoegd aan het dossier (AH-180-01).

62 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 9 april 2018 (met bijlage), p. 1624 e.v.

63 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 20 juni 2019, p. 2149 e.v.

64 Proces-verbaal van verhoor getuige P. [getuige 1] , d.d. 25 januari 2018, p. 502 e.v.