Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1757

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
177376
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Moeder verzoekt langere duur ots, dan dat door de GI is verzocht. Moeder niet-ontvankelijk op grond van art. 1:260, tweede lid, BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Leeuwarden

Zaaknummer: C/17/177376 / FJ RK 21-160

Datum uitspraak: 21 april 2021

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, gevestigd te Leeuwarden,
hierna te noemen de GI,

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 1],

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] , wonende te [plaats],

hierna te noemen de moeder,

[de vader] , wonende te [plaats],

hierna te noemen de vader.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de verzoeken van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met bijlagen van de GI van 17 februari 2021, ingekomen bij de griffie op 17 februari 2021.

1.2.

Op 13 april 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. Verschenen en gehoord zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. J.D. Nijenhuis;
- mevrouw [naam], namens de GI.

1.3.

De vader is opgeroepen, maar niet verschenen.

1.4.

De stukken van mr. J.D. Nijenhuis van 12 april 2021, ingekomen bij de griffie op 12 en 13 april 2021, zijn op grond van artikel 1.6 van het Procesreglement civiel jeugdrecht te laat ingediend. De aanvullende stukken zijn daarom geweigerd en blijven buiten beschouwing.

2. De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.

2.3.

Bij beschikking van 22 april 2020 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 22 april 2021.

3 Het verzoek

3.1.

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [de minderjarigen] te verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 22 oktober 2021. De GI voert hiertoe het volgende aan.

3.2.

De GI is van mening dat er het afgelopen jaar veel vooruitgang is geboekt en dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich goed ontwikkelen. Er is inmiddels reguliere onbegeleide omgang tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Zij gaan nu om het weekend naar de vader toe en in de helft van de vakanties. De omgang verloopt positief en de kinderen vinden het fijn. In onderling overleg spreken de ouders af en toe ook extra omgangsmomenten af. De ouders werken goed samen met de jeugdzorgwerker en er zijn het afgelopen jaar geen incidenten of escalaties meer geweest tussen de ouders. De GI is van mening dat de communicatie tussen de ouders nog wel kan verbeteren. Het is echter niet wenselijk om door middel van systeemtherapie alles uit het verleden weer op te halen en systemische begeleiding is onvoldoende effectief geweest en heeft juist tot escalaties geleid. De GI zou het goed vinden als de vader agressietherapie zou volgen, maar hij staat daar niet voor open en de GI heeft niet de bevoegdheid de vader tot agressietherapie te dwingen. De vader heeft wel gesprekken met zijn eigen hulpverlener van Limor. Bij de moeder is Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG) betrokken geweest. IAG gaat binnenkort afsluiten en daar zijn geen zorgelijke dingen uit naar voren gekomen. Er wordt wel psycho-educatie voor de kinderen aanbevolen om hen weerbaarder te maken. De GI is van mening dat het afgelopen jaar de ontwikkelingsbedreigingen zijn afgenomen en daarom verzoekt de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van zes maanden. In die periode kan de IAG bij de moeder worden afgerond en kunnen de ouders nog handvatten krijgen om de communicatie te verbeteren. Daarna zal een overdracht aan het gebiedsteam worden gerealiseerd, zodat er ook na de ondertoezichtstelling nog wel een vaste contactpersoon is.

4 Het standpunt van de moeder

4.1.

Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek van de GI, maar de moeder is het niet eens met de duur van de verlenging. Zij ziet in grote lijnen wel enige verbetering en de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat goed. De vader wil alleen graag controle over de kinderen. Hij is erg bezig met waar zij zijn en met wie er bij hun zijn. Zoals ook blijkt uit de beschikking van 22 april 2020 heeft de vader last van emotie- en agressieproblematiek. De moeder vindt dat die onderliggende problematiek niet goed is aangepakt de afgelopen periode. De vader wenst echter niet mee te werken aan agressietherapie. Er is een daadwerkelijke bedreiging geweest van de vader in de richting van de ex-partner van de moeder, waarop een strafrechtelijke veroordeling is gevolgd. Er zit een groot verschil in de communicatie die de GI te zien krijgt, waarbij zijn zussen de brieven schrijven en de communicatie tussen de vader en de moeder, waarin hij zelf de berichten schrijft. Als de moeder de vader wijst op het nakomen van gemaakte afspraken dan krijgt zij berichten vol met scheldwoorden en verwensingen terug. Zij vreest dat de agressie van de vader zal verergeren wanneer de ondertoezichtstelling over zes maanden zou stoppen. Dit is nog steeds een groot probleem en ook een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De moeder wil daarom dat er eerst echte verbetering zit in het agressieve gedrag van de vader in de communicatie tussen hen, voordat de ondertoezichtstelling wordt afgerond. Zij verzoekt daarom de ondertoezichtstelling te verlengen voor duur van één jaar, waarbij eerst een verlenging van zes maanden wordt uitgesproken en de beslissing over de resterende zes maanden wordt aangehouden.

5 De beoordeling

5.1.

Op grond van artikel 1:260 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW is voldaan. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt naar het oordeel van de kinderrechter dat een aantal gronden die hebben geleid tot de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog aanwezig zijn en dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

5.2.

De kinderrechter stelt vast dat het afgelopen jaar een positieve ontwikkeling heeft plaatsgevonden in de situatie van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Er is nu regelmatige omgang met de vader, de Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG) bij de moeder is bijna afgerond met een positief resultaat en er is voor de kinderen meer rust en stabiliteit. Het is bijzonder dat deze verbetering in zo'n korte periode is bewerkstelligd en de kinderrechter hoopt dat deze ontwikkeling wordt doorgezet. De kinderrechter heeft echter, net als de moeder, nog wel flinke zorgen over de emotie- en agressieregulatie van de vader. Uit berichten van de vader in de richting van de moeder, die tijdens de zitting zijn voorgedragen, blijkt dat er nog zeer veel, onacceptabele, agressie in de communicatie van de vader zit. Het is zorgelijk dat deze agressie vooral voorkomt in de directe communicatie tussen de ouders en niet in de communicatie die via de GI verloopt. De GI speelt daarin dus een gunstige rol. De kinderrechter constateert dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al veel hebben meegemaakt in hun leven, ook op het gebied van huiselijk geweld en acht het zeer belangrijk dat de kinderen hier niet opnieuw aan worden blootgesteld. Ook de agressieve manier van communiceren van de vader rekent de kinderrechter tot gewelddadig gedrag, dat invloed heeft op de gemoedsrust van de moeder en daardoor een ontwikkelingsbedreiging vormt voor de kinderen. Hoewel de kinderrechter de positieve stappen die de vader heeft gezet toejuicht, is zij wel van oordeel dat het noodzakelijk is dat het agressieve gedrag van de vader ten opzichte van de moeder achterwege blijft, voordat de ondertoezichtstelling wordt afgesloten.

5.3.

De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van zes maanden. De moeder heeft verzocht de ondertoezichtstelling voor een langere duur te verlengen.

Uit artikel 1:260 lid 2 BW blijkt echter dat de GI in de eerste plaats de bevoegdheid heeft om verlenging van de ondertoezichtstelling te vragen. Pas in het geval dat de GI geen verzoek doet om de ondertoezichtstelling te verlengen is een ouder bevoegd een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling te doen. De kinderrechter zal de moeder daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek verklaren.

5.4.

Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waaraan in ieder geval gewerkt moet worden:
- het huiselijk geweld en andere heftige gebeurtenissen waarvan de jongens mogelijk getuige zijn geweest, wat een effect kan hebben op hun sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling;
- de spanningen, dreigende situaties en scheldpartijen waarmee de jongens worden geconfronteerd vanuit de strijd tussen de ouders en het daarmee gepaard gaande beroep op hun loyaliteit.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] tot 22 april 2022;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling..

Deze beschikking is gegeven door mr. M. van der Hoeven, kinderrechter, in tegenwoordigheid van R.Y. Wesdijk, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.