Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1749

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
06-05-2021
Zaaknummer
18/053867-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, veroordeelt een man wegens winkeldiefstal en lokaalvredebreuk. Aan hem wordt een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren opgelegd. De rechtbank wijst twee vorderingen tot tenuitvoerlegging af.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 138
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/053867-21

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 18/920249-18 en 18/124901-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 mei 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 mei 2021.

Verdachte is niet in persoon verschenen, maar vertegenwoordigd door mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Assen, die daartoe bepaaldelijk was gemachtigd.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 24 februari 2021 te Emmen en hoeveelheid vlees, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2

hij op of omstreeks 22 februari 2021 te Emmen een hoeveelheid vlees, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3

hij op of omstreeks 24 februari 2021 te Emmen in het besloten lokaal een pand van de [benadeelde partij] , gevestigd aan de [straatnaam] bij [benadeelde partij] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 7 mei 2020 schriftelijk de toegang tot de [benadeelde partij] te Emmen ontzegd voor de duur van 12 maanden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1, 2 en 3.

Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie bewezenverklaring gevorderd op grond van de aangifte [getuige] namens de [benadeelde partij] te Emmen en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de camerabeelden van de [benadeelde partij] .

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot feiten 1 en 3. Verdachte bekent deze feiten. De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2. Zij heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat verdachte dit feit ontkent en dat er overigens onvoldoende wettig bewijs voor dit feit is.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

In het dossier bevindt zich een aangifte d.d. 25 februari 2021 van [getuige] , waaruit kort gezegd volgt dat [getuige] op 23 februari 2021 heeft geconstateerd dat er vlees uit de winkelvoorraad van de [benadeelde partij] te Emmen mist. Vervolgens heeft [getuige] op camerabeelden gezien dat verdachte op 22 februari 2020 vleesproducten uit het schap pakt en in zijn winkelwagen legt. Als verdachte even later bij de zelfscan kassa komt, liggen de vleesproducten niet meer in zijn winkelwagen en rekent hij niets af.

Verdachte ontkent deze winkeldiefstal te hebben gepleegd. De rechtbank constateert dat uit de in het dossier opgenomen beschrijving van de camerabeelden van 22 februari 2021, noch uit de verklaring van aangever volgt dat op de genoemde camerabeelden een wegnemingshandeling te zien is. De enkele constatering dat verdachte op enig moment vleesproducten in zijn winkelwagen heeft gedaan en op een later moment de zelfscan kassa is gepasseerd zonder iets af te rekenen, levert naar het oordeel van de rechtbank (zonder informatie over wat er in de tussentijd is gebeurd) onvoldoende wettig bewijs op voor de onder 2 ten laste gelegde diefstal, hetgeen een vrijspraak van dit feit betekent.

De rechtbank overweegt daarbij nog dat op de (op verzoek van de rechtbank) toegezonden camerabeelden in het geheel niets relevants met betrekking tot dit feit is te zien.

De rechtbank acht feiten 1 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Ieder bewijsmiddel is slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 februari 2021, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2021051116 d.d. 9 maart 2021, inhoudend de verklaring van [getuige] ;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 februari 2021, opgenomen op pagina 9 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 februari 2021, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [verdachte] ;

4. een schriftelijk bescheid, te weten een winkelontzegging d.d. 7 mei 2020, opgenomen op pagina 14 van voornoemd dossier.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij op 24 februari 2021 te Emmen en hoeveelheid vlees, toebehorend aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3

hij op 24 februari 2021 te Emmen in het besloten lokaal een pand van de [benadeelde partij] , gevestigd aan de [straatnaam] bij [benadeelde partij] in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 7 mei 2020 schriftelijk de toegang tot de [benadeelde partij] te Emmen ontzegd voor de duur van 12 maanden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal.

3. In het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van de duur van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft - na bespreking van mogelijke alternatieven - aangegeven dat op dit moment, onder de huidige omstandigheden oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel de beste mogelijkheid biedt voor een spoedige en adequate behandeling van verdachtes problematiek. Daarbij heeft zij verzocht om zo spoedig mogelijk aan te vangen met een klinische behandeling in dat kader, nu verdachte daartoe gemotiveerd is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf/maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van 26 april 2021, 23 maart 2021 en 5 maart 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie 13 april 2021, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal door een hoeveelheid vlees weg te nemen uit een supermarkt. Aan verdachte was naar aanleiding van een eerdere winkeldiefstal de toegang tot de betreffende supermarkt ontzegd, waardoor hij zich tevens schuldig heeft gemaakt aan het wederrechtelijk binnendringen in deze supermarkt.

Winkeldiefstallen zijn zeer ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder veroorzaken voor de gedupeerde bedrijven. De kosten die met winkeldiefstallen gepaard gaan worden bovendien doorberekend naar de betalende consument.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte meermalen - ook in het zeer recente verleden - onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Uit het reclasseringsrapport d.d. 26 april 2021 en de toelichting van de deskundige ter terechtzitting volgt dat de reclassering adviseert om de ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte heeft reeds meer dan tien jaar een hardnekkige verslaving aan basecocaïne en heroïne. Daarnaast gebruikt hij regelmatig cannabis en alcohol. Zolang verdachte zijn middelengebruik niet weet te controleren en zijn gebruik niet kan bekostigen, is de kans op recidive zeer hoog. Eerder opgelegde ambulante en kortdurende klinische behandelingen binnen een voorwaardelijk strafkader leidden niet tot abstinentie of gecontroleerd middelengebruik. Er is sprake van een lang bestaand patroon van vastzitten, vrijkomen, terugvallen en opnieuw vastzitten dat in de visie van de reclassering niet op een andere manier kan worden doorbroken dan door oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Met het oog op eerdere ervaringen schiet een voorwaardelijke straf of oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel te kort. Verdachte staat open voor een langdurige klinische behandeling in een forensische verslavingskliniek en de reclassering adviseert dan ook om de intramurale fase in de PI zo kort mogelijk te laten duren, teneinde verdachte maximaal van een klinische behandeling en een passend aanvullend ambulant nazorgtraject te laten profiteren.

Ten aanzien van de gevorderde ISD-maatregel overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het door verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat verdachte in de vijf jaren hieraan voorafgaand ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld, terwijl de onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Daarnaast moet er, zoals de reclassering ook heeft geconcludeerd en gelet op de veelvuldige eerdere veroordelingen van verdachte, ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan.

Gelet op de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers is de officier van justitie ook bevoegd tot het vorderen van oplegging van de ISD-maatregel in de onderhavige zaak. De veiligheid van goederen eist naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van de ISD-maatregel. Aan de voorwaarden voor oplegging van de ISD-maatregel is naar het oordeel van de rechtbank dus voldaan.

De rechtbank ziet net als de reclassering geen reëel alternatief voor een andere afdoening dan door middel van de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel en zal daartoe dan ook overgaan. In het verleden hebben noch (on)voorwaardelijke gevangenisstraffen, noch (klinische) behandeltrajecten een gedragsverandering bij verdachte teweeggebracht. De rechtbank acht het zowel in het belang van de bescherming van de maatschappij als in het belang van verdachte - hetgeen hij zelf ook lijkt te onderkennen - dat aan hem een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren wordt opgelegd. Gelet op de huidige motivatie van verdachte hecht de rechtbank er waarde aan dat zo spoedig mogelijk wordt gestart met de in het kader daarvan beoogde (klinische) behandeling.

De rechtbank zal de duur die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de ISD-maatregel, teneinde verdachte maximaal te kunnen laten profiteren van de behandeling en begeleiding in het kader van de ISD-maatregel.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 19 december 2018 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 80 dagen, waarvan 37 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 3 januari 2019 en bij vonnis van de politierechter van 4 september 2019 verlengd met een jaar. Als algemene voorwaarde is gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

Bij onherroepelijk vonnis van 3 juni 2020 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 56 dagen, waarvan 43 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 18 juni 2020. Als algemene voorwaarde is gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

Hoewel de onderhavige feiten zijn gepleegd tijdens de proeftijd(en), is de rechtbank met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de beide vorderingen dienen te worden afgewezen. Gelet op de op te leggen ISD-maatregel acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen thans niet opportuun. Daar komt bij dat de afwijzing van de vorderingen met zich mee zal brengen dat verdachte na ommekomst van de ISD-maatregel nog een stok achter de deur heeft in de vorm van de voorwaardelijk aan hem opgelegde gevangenisstraffen en in dat kader tevens gebruik kan blijven maken van onder meer de als bijzondere voorwaarde opgelegde begeleiding van de reclassering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/920249-18:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 19 december 2018.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/124901-20:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 3 juni 2020.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Depping, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. B.I. Klaassens, rechters, bijgestaan door C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 mei 2021.

Mr. Depping en mr. Klaassens zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen evenals de griffier.