Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1734

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
18/270254-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/270254-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 mei 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],

ingeschreven op het adres [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 april 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Allersma, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Rademacher.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 april 2020 te Winschoten, gemeente Oldambt, opzettelijk in een kamer van een pand gelegen aan de [straatnaam] brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan die kamer en/of een aldaar aanwezige kast, geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor in die kamer en/of in dat pand aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar en/of gevaar voor lichamelijk letsel voor in dat pand aanwezige (mede)bewoners, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er voldoende bewijsmiddelen aanwezig zijn voor de conclusie dat verdachte de ten laste gelegde brandstichting heeft gepleegd en dat daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Daarentegen zou van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in het pand aanwezige (mede)bewoners of voor een ander of anderen geen sprake zijn geweest, zodat de raadsman heeft verzocht om verdachte daarvan vrij te spreken. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat hij de kans op het ontstaan van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te gering acht.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hierna zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 20 april 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 12 april 2020 heb ik ‘s avonds brand gesticht in mijn kamer. Ik woonde toen in een kamer van een pand aan de [straatnaam] in Winschoten. Ik heb een schoenendoos gepakt en daar heb ik deo op gespoten en toen heb ik de schoenendoos in brand gestoken. Het klopt dat ik de schoenendoos eerst nog heb gevuld met piepschuim. De schoenendoos die ik in brand heb gestoken stond in mijn kledingkast. In die kast lagen verder kleren en wat apparatuur. Vlakbij de kast stond mijn stoffen stoel. Nadat ik de schoenendoos in brand heb gestoken heb ik mijn kamer verlaten en ben ik de flat uitgelopen. Ik heb vervolgens op mijn fiets een rondje om de flat gereden en ben daarna teruggegaan naar mijn kamer. Toen ik terugkwam in mijn kamer was er al sprake van een grote brand. Ik kon toen al niet meer bij mijn kast komen omdat deze al in lichterlaaie stond. Ik heb vervolgens bewoners gewaarschuwd die in het pand aanwezig waren.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 juli 2020, opgenomen op pagina 4 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020093328 d.d. 24 september 2020, inhoudende als verklaring van de heer [benadeelde partij 1]:

Ik doe aangifte van brandstichting. Ik ben mede-eigenaar, met mijn zoon, van het kamer- en appartementenverhuurbedrijf aan de [straatnaam] te Winschoten. Op 12 april 2020 werd ik om kwart voor acht ’s avonds gebeld door een bewoner dat er brand was uitgebroken. Mijn zoon en ik gingen toen op de fiets daar naartoe. Toen ik er was zag ik allemaal rook. Ik keek in de kamer waar we het over hebben en ik zag toen de brandhaard. In de hoek, rechts achter de deur, stond alles in brand. Achteraf bleek dat een kledingkast te zijn. Het gebouw is opgedeeld in kamers. De brand is geweest in [kamernummer]. Dit is de kamer waar meneer [verdachte] gewoond heeft.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 september 2020, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als bevindingen:

Op 12 april 2020 kregen wij een melding dat er brand zou zijn op het adres [straatnaam] te Winschoten in de gemeente Oldambt. Wij zagen dat op dit adres een appartementencomplex gevestigd was met daarin 60 appartementen. Wij zagen dat er rook kwam uit een appartement, te weten appartement [kamernummer] op de begane grond van dit complex. Boven dit appartement zijn zes verdiepingen met elk vier appartementen. Ter plaatse gekomen hebben wij de belendende appartementen ontruimd.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen staat vast dat verdachte - zoals hij zelf ook heeft bekend - op 12 april 2020 opzettelijk brand heeft gesticht in zijn kamer in het pand gelegen aan de [straatnaam] in Winschoten. Verdachte heeft deze brand gesticht door een met piepschuim gevulde en met deodorant bespoten schoenendoos in brand te steken. Die schoenendoos stond op dat moment in een kledingkast. In de kledingkast bevonden zich diverse brandbare goederen en in de nabijheid van de kledingkast stond een brandbare stoffen stoel.

Verdachte heeft na de brandstichting zijn kamer korte tijd verlaten. Toen hij terugkwam was de brand inmiddels zo groot geworden dat de kledingkast volledig in brand stond. De brand was op dat moment voor verdachte onbeheersbaar geworden. De rechtbank is van oordeel dat er gemeen gevaar voor in die kamer en in dat pand aanwezige goederen te duchten is geweest.

Anders dan de raadsman van verdachte heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat van de brand ook levensgevaar en gevaar voor lichamelijk letsel voor in het pand aanwezige (mede)bewoners te duchten was. Om in rechte zodanig gevaar als vaststaand te kunnen aannemen is vereist dat het levensgevaar of gevaar voor (zwaar) lichamelijk letsel ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest (vgl. HR 17 februari 2009, NJ 2009/120). Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat de brand is gesticht in een kamer in een pand met meerdere omliggende kamers, op een tijdstip waarop, naar algemeen bekend is, de kans zeer groot is dat minstens een deel van de bewoners van de omliggende kamers thuis is. Uit het feit dat verdachte na de brandstichting bewoners heeft gewaarschuwd, blijkt dat er op dat moment inderdaad bewoners thuis waren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar en gevaar voor lichamelijk letsel van (mede)bewoners voorzienbaar was.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 12 april 2020 te Winschoten, gemeente Oldambt, opzettelijk in een kamer van een pand gelegen aan de [straatnaam] brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof ten gevolge waarvan een aldaar aanwezige kast geheel of gedeeltelijk is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor in die kamer en in dat pand aanwezige goederen en levensgevaar en gevaar voor lichamelijk letsel voor in dat pand aanwezige medebewoners te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde feit levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar met een proeftijd van 3 jaren en tot een taakstraf van 240 uren. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, bestaande uit een meldplicht bij de reclassering, klinische diagnostiek en behandeling in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en het meewerken aan middelencontrole.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ervoor gepleit om geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in verband met de detentieschade die mogelijk bij verdachte zou kunnen ontstaan als een voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer gelegd zou worden. Ook heeft de raadsman ervoor gepleit om de duur van de taakstraf te beperken tot 240 uren, waarvan 120 uren voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages van de reclassering, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer twee maanden nagedacht over een plan om brand te stichten in zijn kamer. Op die manier wilde verdachte wraak nemen op zijn verhuurder, die volgens hem een te hoog maandelijks huurbedrag zou afschrijven. Hoewel verdachte in deze periode zich bewust was van het gevaar dat een brandstichting voor goederen en personen zou opleveren, heeft hij er voor gekozen om de brandstichting toch uit te voeren. Door zijn brandstichting is er vervolgens daadwerkelijk gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de in het pand aanwezige (mede)bewoners te duchten geweest. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij de bevrediging van zijn eigen wraakgevoelens heeft laten prevaleren boven de veiligheid van personen en goederen.

Uit het uittrekstel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte in het verleden enkele malen met justitie in aanraking is gekomen. Daarbij baart het de rechtbank zorgen dat de delicten waarvoor dit het geval is in ernst toenemen.

Deze zorgen worden versterkt door de inhoud van de reclasseringsadviezen van 17 maart en 15 en 19 april 2021. Daaruit volgt dat verdachte een kwetsbare man is die over onvoldoende vaardigheden bezit om zijn leven op de rit te krijgen en vorm te geven. Verdachte overschreeuwt zichzelf met reactief en agressief gedrag en stelt zich bedreigend op tegenover anderen, zodra hij het gevoel heeft dat hem onrecht wordt aangedaan. Het is volgens de reclassering de afgelopen jaren onvoldoende duidelijk geworden waar het gedrag van verdachte vandaan komt, welke problematiek er exact speelt en op welk niveau hij cognitief functioneert. De reclassering concludeert daarom dat er sprake is van een zorgelijke situatie waar betrokken hulverleners op dit moment onvoldoende grip op krijgen. Gelet op deze conclusie adviseert de reclassering om bij een bewezenverklaring van het ten laste gelegde, een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, klinische diagnostiek en behandeling in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en het meewerken aan middelencontrole. Gelet op de kwetsbaarheid van verdachte adviseert de reclassering om hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat er een grote kans op detentieschade bestaat.

Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 160 uren een passende afdoening. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden die de reclassering heeft geadviseerd en die hiervoor zijn opgesomd. De rechtbank acht het opleggen van die voorwaarden van belang zodat beter zicht wordt verkregen op de oorzaken van de problematiek van verdachte, waarna vervolgens door middel van behandeling, begeleiding en monitoring het recidivegevaar zoveel mogelijk kan worden ingeperkt. Dat de rechtbank, anders dan door de raadsman van verdachte is bepleit, wel een voorwaardelijke gevangenisstraf oplegt, heeft als reden dat de rechtbank in de strafmaat tot uitdrukking wil brengen dat het bewezenverklaarde een ernstig strafbaar feit oplevert. Wel ziet de rechtbank aanleiding om een taakstraf van kortere duur op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd, gelet op de beperkte belastbaarheid van verdachte en de omstandigheid dat de behandeling de komende tijd al veel van hem zal vergen.

Benadeelde partij

[benadeelde partij 2], vertegenwoordigd door de heer [benadeelde partij 1], heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 9.718,72 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 6.500,-- te vermeerderen met de gevorderde 21% btw en de wettelijke rente. Ook heeft hij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag gevorderd.

De officier van justitie heeft daartoe naar voren gebracht dat hij het voor het afvoeren van de inventaris opgevoerde bedrag van € 1.800,-- te hoog vindt en dat de toewijzing van deze kostenpost dient te worden beperkt tot een bedrag van € 300,--. De overige opgevoerde kosten komen hem, ondanks het ontbreken van facturen, redelijk voor.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hiertoe heeft hij allereerst aangevoerd dat niet duidelijk is of de heer [benadeelde partij 1] de vordering als natuurlijk persoon of als vertegenwoordiger van een rechtspersoon heeft ingediend. Verder heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Daarbij is van belang dat is gebleken dat in ieder geval een deel van de schade door de verzekering is vergoed en de informatie hierover niet bij de vordering is gevoegd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de heer [benadeelde partij 1] ter terechtzitting is verschenen en aldaar de door hem ondertekende vordering heeft toegelicht. Hij heeft hierbij aangegeven dat hij zijn vordering namens zijn bedrijf heeft ingediend. Gelet daarop en gelet op hetgeen zich verder in het dossier bevindt, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de heer [benadeelde partij 1] bevoegd was om de vordering tot schadevergoeding namens het bedrijf [benadeelde partij 2] in te dienen en dat hij de vordering namens dit bedrijf heeft ingediend.

De rechtbank overweegt verder het volgende. Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Bij de vordering is enkel een door de benadeelde partij zelf opgemaakte factuur gevoegd die niet is voorzien van bijlagen, zoals aanschaffacturen en informatie met betrekking tot de door de verzekering vergoede schade. Dit maakt dat de hoogte van de schade, die door de verdediging betwist wordt, onvoldoende is komen vast te staan.

Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.


Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering Verslavingszorg Noord Nederland te Groningen, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering neemt contact op met de veroordeelde voor de eerste afspraak;

2. dat de veroordeelde zich laat opnemen in FPA Kompas of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De veroordeelde werkt binnen deze opname mee aan diagnostiek en behandeling. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3. dat de veroordeelde zich laat behandelen door het Forensisch FACT-team van Verslavingszorg Noord Nederland en Lentis of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

4. dat de veroordeelde, indien de reclassering dit nodig vindt, aansluitend op de opname in FPA Kompas of een soortgelijke zorginstelling, verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

5. dat de veroordeelde meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te monitoren en bespreekbaar te maken. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, speekselonderzoek en ademonderzoek (blaastest). De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 160 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van 18/270254-20:

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk. Deze vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat verdachte en de benadeelde partij de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. H. Brouwer en

mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2021.