Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:170

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-01-2021
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
C/18/199069
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering tot uittreding op grond van artikel 2:343 BW afgewezen. Ook geen onrechtmatig handelen.’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2021-0099
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/199069 / HA ZA 20-109

Vonnis van 13 januari 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap

NB AGRO B.V.,

gevestigd te Tweede Exloërmond,

eiseres,

advocaat: mr. D.Y. Li, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

1. de besloten vennootschap

IVAYLO B.V.,

gevestigd te Groningen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat: mr. S.G. Rissik, kantoorhoudende te Roden.

Partijen zullen hierna NB Agro, Ivaylo en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 augustus 2020;

  • -

    de mondelinge behandeling van 1 december 2020 en de schriftelijke aantekeningen die daarvan door de griffier zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

NB Agro is bestuurder en voor 50% aandeelhouder van LimeTri B.V. (hierna: LimeTri). Enig bestuurder en enig aandeelhouder van NB Agro is mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ).

2.2.

Ivaylo is eveneens bestuurder en voor de overige 50% aandeelhouder van LimeTri. Enig bestuurder van Ivaylo is [gedaagde sub 2] .

2.3.

LimeTri is blijkens het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel een bedrijf dat zich bezighoudt met het ontwikkelen, produceren en uitgeven van software.

2.4.

In 2016 is tussen [naam 1] en [gedaagde sub 2] onenigheid ontstaan over het te voeren beleid in LimeTri. [naam 1] werkte fulltime voor LimeTri, maar sinds de ontstane onenigheid is [naam 1] per 1 juli 2016 niet meer werkzaam in het bedrijfspand van LimeTri aan de [adres] .

2.5.

Partijen hebben daarop met elkaar gesproken over de overname van de aandelen van NB Agro door Ivaylo. Omdat NB Agro meende dat partijen daarover overeenstemming hadden bereikt en Ivaylo dat betwistte, heeft NB Agro aan de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, het verzoek gedaan tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Dat verzoek is door de rechtbank toegewezen. Het voorlopig getuigenverhoor heeft in
2017 plaatsgevonden.

2.6.

Na het voorlopig getuigenverhoor hebben partijen de heer [naam 2] , registeraccountant, opdracht gegeven om de waarde van de aandelen vast te stellen. De heer [naam 2] heeft op 23 december 2019 een rapport uitgebracht. De heer [naam 2] heeft de going concern (DCF)-waarde van de aandelen per 1 juli 2016 bepaald op een bedrag van € 79.818,00 en per 31 december 2017 op € 95.270,00.

2.7.

NB Agro heeft daarop Ivaylo aangeschreven met het voorstel om de aandelen over te dragen tegen betaling van de door de heer [naam 2] vastgestelde going concern-waarde per
1 juli 2016. Ivaylo is daarmee niet akkoord gegaan.

3 Het geschil

3.1.

NB Agro vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

 Ivaylo te veroordelen tot overname van de aandelen die NB Agro houdt in LimeTri tegen voldoening van het bedrag van € 47.635,00 aan NB Agro, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, te rekenen vanaf 1 januari 2018 tot en met de dag der algehele voldoening, subsidiair te rekenen vanaf 1 juli 2016 tot en met de dag der algehele voldoening, alsmede Ivalyo te veroordelen tot betaling van € 5.000,00 aan NB Agro;

 [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 47.635,00 aan NB Agro, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, te rekenen vanaf 1 januari 2018 tot en met de dag der algehele voldoening, subsidiair te rekenen vanaf 1 juli 2016 tot en met de dag der algehele voldoening, alsmede [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van € 5.000,00 aan NB Agro, met dien verstande dat bij voldoening door Ivaylo, [gedaagde sub 2] zal zijn bevrijd en vice versa;

 Ivaylo en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding;

subsidiair

 Ivaylo en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 47.635,00 aan
NB Agro, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, te rekenen vanaf 1 januari 2018 tot en met de dag der algehele voldoening, subsidair te rekenen vanaf 1 juli 2016 tot en met de dag der algehele voldoening, alsmede Ivaylo en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van
€ 5.000,00 aan NB Agro, alsmede Ivaylo en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

NB Agro legt aan haar vordering, zakelijk weergegeven, primair ten grondslag dat Ivaylo op grond van artikel 2:343 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gehouden is om de aandelen van NB Agro over te nemen tegen betaling van een bedrag van € 47.635,00, omdat NB Agro door gedragingen van Ivaylo zodanig in haar rechten en/of belangen is geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Subsidair legt zij aan haar vordering ten grondslag dat Ivaylo zich jegens NB Agro onrechtmatig heeft gedragen, waardoor NB Agro een schade heeft geleden van € 47.635,00. [gedaagde sub 2] is op grond van artikel 2:11 BW als bestuurder van Ivaylo eveneens gehouden om de schade die NB Agro heeft geleden te voldoen.

3.3.

Ivaylo voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van NB Agro in haar vorderingen althans tot ontzegging daarvan, met veroordeling van NB Agro in de kosten van de procedure. Tot haar verweer voert zij, zakelijk weergegeven, het volgende aan. De vordering op grond van artikel 2:343 BW kan worden ingesteld jegens de medeaandeelhouders en/of tegen de vennootschap waar NB Agro aandeelhouder van is. [gedaagde sub 2] is geen aandeelhouder. De vordering jegens [gedaagde sub 2] die is gegrond op artikel 2:343 BW kan daarom niet kan worden toegewezen. Ivaylo is niet gehouden om op grond van artikel 2:343 BW de aandelen van NB Agro over te nemen, omdat NB Agro geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die het oordeel rechtvaardigen dat NB Agro door gedragingen van Ivaylo zodanig in haar belangen is geschaad dat het voorduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. Van onrechtmatig handelen is evenmin sprake.

4 De beoordeling

Vordering op grond van artikel 2:343 BW

4.1.

Artikel 2:343 lid 1 BW bepaalt dat de aandeelhouder die door gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, tegen die mede-aandeelhouders een vordering tot uittreding kan instellen, inhoudende dat zijn aandelen overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van artikel 343a worden overgenomen.

4.2.

De vordering tot uittreding kan worden ingesteld als aan de vereisten van artikel 2:343 lid 1 BW is voldaan en gebleken is dat de gedaagde aandeelhouder niet bereid is vrijwillig de aandelen (voor een reële prijs) over te nemen. Voor toewijzing van een uittredingsvordering dient sprake te zijn van een situatie waarin de meerderheid van aandeelhouders de minderheid in een onhoudbare situatie brengt en zonder wettelijke regeling er geen uitzicht op een redelijke oplossing zou bestaan (Kamerstukken II 1984/1985,18905, nummer 3, p.26). Het enkele feit dat een minderheidsaandeelhouder geen invloed kan uitoefenen op de besluitvorming leidt niet tot een succesvolle vordering op grond van dit artikel. Alleen een verstoorde verhouding is in het algemeen eveneens onvoldoende om tot toewijzing van de uittreedvordering te komen. Allerlei gedragingen van de medeaandeelhouder(s) of de vennootschap kunnen leiden tot toewijzing van de vordering tot uittreding. Het hoeft daarbij niet noodzakelijk om misdragingen van medeaandeelhouders te gaan en evenmin om gedragingen die in de hoedanigheid van aandeelhouder zijn verricht. De omstandigheden van het geval zijn beslissend.

4.3.

NB Agro heeft ten aanzien van het beoordelingskader van artikel 2:343 lid 1 BW (verder) verwezen naar twee uitspraken. Het gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) heeft in zijn arrest van 22 oktober 1992 geoordeeld dat allerhande gedragingen van mede-aandeelhouders ertoe kunnen leiden dat een ‘benarde’ aandeelhouder geraakt in een situatie waarin het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer kan worden gevergd. Daarbij wordt niet de eis gesteld dat het belang van de vennootschap zelf op enigerlei wijze in het geding is. De strekking van art. 2:343 BW brengt mede dat bij de toepassing van dit artikel niet alleen wordt gelet op gedragingen van de mede-aandeelhouders die verband houden met hun aandeelhouderschap, maar op alle gedragingen, van welke aard dan ook, die leiden tot het ontstaan van de in artikel 2:343 BW aangeduide toestand van benardheid (gerechtshof Amsterdam 22 oktober 1992, ECLI:NL:GHAMS:1992:AD1761). Ook in het latere arrest van het gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) van 24 februari 1994 herhaalt het gerechtshof dat allerhande gedragingen van mede-aandeelhouders ertoe kunnen leiden dat de in de verdrukking gebrachte aandeelhouder in voormelde situatie belandt. Daarbij behoeft op zich nog geen sprake te zijn van misdragingen van de mede-aandeelhouders (gerechtshof Amsterdam 24 februari 1994, ECLI:NL:GHAMS:1994:AD2051).

4.4.

Tegen de achtergrond van het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt. De vordering op grond van artikel 2:343 lid 1 BW die NB Agro jegens [gedaagde sub 2] heeft ingesteld zal in ieder geval worden afgewezen, omdat [gedaagde sub 2] geen aandeelhouder is en een vordering op grond van artikel 2:343 lid 1 BW daarom niet met succes jegens hem kan worden ingesteld
(r.o. 4.1.).

4.5.

Resteert de vraag of de vordering die NB Agro jegens Ivalyo heeft ingesteld kan slagen. NB Agro heeft ten aanzien van de vordering op grond van artikel 2:343 lid 1 BW meerdere omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan – gelet op het voorgaande beoordelingskader en voormelde jurisprudentie – de vordering van NB Agro volgens haar zou moeten worden toegewezen. Die omstandigheden betreffen het door Ivalyo weren van NB Agro uit LimeTri door het innemen van de sleutels, de klikker voor het toegangshek tot de parkeerplaats, het innemen van de bankpas, het intrekken van de accounts, het intrekken van de toegang tot de LimeTri-servers en het intrekken van de toegang tot de AgroSense-data. Ivaylo heeft betwist de toegang te hebben ontzegd; volgens haar zijn partijen op enig moment met elkaar gebrouilleerd vanwege een verschil van inzicht en heeft [naam 1] daarop besloten om de sleutels van het kantoorpand in te leveren en niet meer langer werkzaam te zijn in het kantoorpand van LimeTri. [naam 1] zou haar werkzaamheden voor LimeTri hebben afgebouwd en een nieuw bedrijf hebben opgericht waarvoor zij sindsdien werkzaamheden heeft verricht. De toegang tot de digitale server zou in overleg met [naam 1] voor haar zijn afgesloten.

4.6.

[naam 1] heeft naar aanleiding van het verweer van Ivaylo erkend dat zij de sleutels van het kantoorpand van LimeTri heeft ingeleverd en dat zij ervoor gekozen heeft om niet meer in het kantoorpand van LimeTri werkzaam te zijn. Ook heeft zij erkend dat zij vervolgens werkzaamheden vanuit haar nieuw opgerichte bedrijf heeft verricht. [naam 1] meent dat zij niet anders kon, omdat partijen het niet eens konden worden over het te voeren beleid van LimeTri en [naam 1] inkomsten moest genereren, maar dat verschil in inzicht betreft naar het oordeel van de rechtbank geen gedraging van Ivaylo, zoals is bepaald in artikel 2:343 lid 1 BW. Ook de omstandigheid dat Ivaylo - ondanks de verwachtingen van NB Agro - uiteindelijk niet bereid bleek om de aandelen van NB Agro over te nemen, betreft geen gedraging van Ivaylo op grond waarvan de vordering op de voet van artikel 2:343 lid 1 BW kan worden toegewezen. De door NB Agro aangevoerde omstandigheden komen in er in de kern genomen op neer dat de verhouding tussen NB Agro en Ivaylo is verstoord en dat gegeven kan op zichzelf genomen niet een vordering op grond van artikel 2:343 lid 1 BW dragen. Gesteld noch gebleken is dat Ivaylo NB Agro in een onhoudbare situatie heeft gebracht (r.o. 4.2.). De vordering zal voor zover die gestoeld is op artikel 2:343 lid 1 BW dan ook worden afgewezen.

Vordering op grond van onrechtmatige daad

4.7.

NB Agro stelt subsidiair dat Ivaylo onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Ter onderbouwing daarvan voert NB Agro allereerst dezelfde omstandigheden aan als de omstandigheden die zij aan haar vordering op grond van artikel 2:343 BW ten grondslag heeft gelegd, te weten: het door Ivalyo c.q. [gedaagde sub 2] weren van NB Agro uit Lime Tri door het innemen van de sleutels, de klikker voor het toegangshek tot de parkeerplaats, het innemen van de bankpas, het intrekken van de accounts, het intrekken van de toegang tot de LimeTri-servers en het intrekken van de toegang tot de AgroSense-data. Ivaylo heeft gemotiveerd betwist dat zij NB Agro uit LimeTri heeft geweerd en NB Agro heeft daarop erkend dat zij er (zelf) voor gekozen heeft om niet meer langer bij LimeTri werkzaam te zijn, omdat de verhouding tussen partijen (ernstig) was verstoord. Gelet daarop valt zonder nadere onderbouwing, die niet is gegeven, niet in te zien op grond waarvan tot het oordeel moet worden gekomen dat Ivaylo onrechtmatig jegens NB Agro heeft gehandeld. Partijen zijn met elkaar gebrouilleerd en gesteld noch gebleken is dat Ivaylo ter zake daarvan een verwijt valt te maken.

4.8.

NB Agro stelt verder dat Ivaylo onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, omdat Ivaylo de activiteiten van LimeTri zou hebben laten ‘opdrogen’ en hebben ‘overgeheveld’ aan Corizon B.V. Ivaylo heeft als bestuurder van LimeTri deze activiteiten uitgevoerd, dan wel toegestaan, waardoor haar een persoonlijk ernstig verwijt zou zijn te maken en zij aansprakelijk is voor de schade die NB Agro daardoor heeft geleden (Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758) . Ivaylo heeft betwist dat haar een persoonlijk verwijt valt te maken. Het had op de weg van NB Agro gelegen om haar stelling vervolgens nader te onderbouwen, maar dat heeft zij nagelaten. Voor zover NB Agro ook bedoelt dat Ivaylo onrechtmatig heeft gehandeld door de onderhandelingen met betrekking tot de overname van de aandelen vroegtijdig af te hebben gebroken, heeft zij daarvoor eveneens onvoldoende gesteld. De vordering op grond van onrechtmatige daad die jegens Ivaylo is ingesteld, zal daarom worden afgewezen.

4.9.

NB Agro heeft tijdens de mondelinge behandeling tot slot toegelicht dat de vordering op grond van onrechtmatige daad ook jegens [gedaagde sub 2] is ingesteld, omdat [gedaagde sub 2] op de voet van artikel 2:11 BW gehouden zou zijn de schade van NB Agro te vergoeden die NB Agro door het onrechtmatig handelen van Ivaylo heeft geleden. Nu niet is komen vast te staan dat Ivaylo onrechtmatig heeft gehandeld, zal de vordering op grond van onrechtmatige daad voor zover die jegens [gedaagde sub 2] is ingesteld, eveneens worden afgewezen.

4.10.

NB Agro zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ivaylo worden begroot op:

- griffierecht € 2.042,00

- salaris advocaat € 2.148,00 (2,0 punt× tarief € 1.074,00)

Totaal € 4.190,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt NB Agro in de proceskosten, aan de zijde van Ivaylo tot op heden begroot op € 4.190,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2021.1

1 type: 710