Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1692

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
8914200 CV EXPL 20-8204
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen buitengerechtelijke ontbinding van gastouderovereenkomst voor hond (fokteef) vanwege coronamaatregelen. Matiging boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 8914200 \ CV EXPL 20-8204

vonnis van de kantonrechter d.d. 4 mei 2021

inzake

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. W. Hogenkamp,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. C. van den Brink.

Partijen zullen hierna [A] en [B] worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 januari 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

- de conclusie in antwoord in reconventie,

- nadere producties van de zijde van [B] ,

- de mondelinge behandeling gehouden op 22 maart 2021.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

[A] houdt zich bezig met het fokken van honden, te weten Australian Labradoodles. Op 15 februari 2018 is zijn pup [C] geboren. [A] heeft deze pup niet verkocht, maar gehouden om als fokteefje in te zetten in zijn fokprogramma.

2.2.

De werkwijze van [A] verloopt in grote lijnen als volgt. [A] plaatst zijn fokteefjes bij gastgezinnen, waar ze worden verzorgd en opgevoed. De gastgezinnen werken eraan mee dat de honden kunnen deelnemen aan het keurings- en fokprogramma van de Australian Labradoodle organisatie (de ALAEU). Daarvoor brengen zij de honden een aantal keren tijdelijk terug naar [A] , waar de honden gedekt kunnen worden en vervolgens - als dat slaagt - een nestje werpen. Gemiddeld gaat het om drie à vier nestjes per hond. Na afloop van het fokprogramma krijgt het gastgezin in beginsel het eerste recht van koop op de betreffende hond voor een symbolisch bedrag.

2.3.

[B] is omstreeks april 2018 met [A] in contact gekomen als gastouder voor [C]. [A] heeft een concept gastouderovereenkomst inzake het huisvesten en opvoeden van [C] aan [B] verzonden. In de begeleidende e-mail heeft hij het volgende voor zover van belang opgemerkt:

(…) ik vind de geschreven taal erin persoonlijk wat dwingend en onprettig overkomen. Wat er feitelijk in staat sta ik wel achter, maar 99% van de omgang met de hond etc. doe je vanuit je hart en je hoofd en niet hoe het in het contract geschreven is. (…) Het belang van de fokker is natuurlijk het financieel aspect. Vandaar dat er boetes in de clausule zijn opgemaakt. Stel dat jullie besluiten te emigreren en mijn fokhond is ineens weg, dan ondervind ik financiële schade van en dat moet natuurlijk verhaald worden. (…)

2.4.

De concept gastouderovereenkomst vermeldt dat deelname aan het fokprogramma zich tot een maximum van vier nestjes zal beperken. [B] heeft bij e-mail van 24 april 2018 aan [A] kenbaar gemaakt dat ze er moeite mee heeft om [C] vier keer zwanger te laten worden en pups te laten krijgen. Ze heeft gevraagd of één nestje kan volstaan. In reactie hierop schrijft [A] - voor zover hier van belang – nog diezelfde dag:

Slechts één keer een nestje is geen optie helaas.

(…)

Wat ik wel wil doen is om het aantal nestjes naar 3 terug te halen. En dan met een afkoopsom van € 500,- per gekregen nestje. Mocht ze geen nestje krijgen, omdat ze toch niet optimaal geschikt blijkt te zijn voor de fok is het bedrag € 2.000,- en per gekregen nestje neemt dat bedrag met € 500,- af.

Dus het overkopen na die 3 nestjes is dan voor een bedrag van € 500,-. Het liefst ben ik natuurlijk na onze "samenwerking" zo tevreden dat ik zeg, laat het geld maar zitten.

2.5.

Op 25 april 2018 hebben partijen de overeenkomt inzake het huisvesten en opvoeden van [C] (hierna: de overeenkomst) ondertekend. In deze overeenkomst is het volgende - voor zover hier van belang - bepaald:

Artikel 4 Keuring voor deelname aan het fokprogramma

4.1 (…)

Deelname aan het fokprogramma zal zich op basis van tijdsverloop tot een maximum van vier nestjes beperken. (…)

Artikel 5 Tijdelijk afstaan van de hond aan fokker

5.1

Indien de fokker besluit dat de hond op basis van de keuringsresultaten geschikt wordt geacht aan het fokprogramma deel te nemen zal het gastgezin, mede onder in acht name van het in artikel 4.1 van deze overeenkomst bepaalde [kantonrechter: betreffende de keuring voor deelname aan het fokprogramma], gedurende vier zwangerschapscycli van de hond hieraan haar onvoorwaardelijke medewerking verlenen. Mocht het gastgezin twijfelen aan de gezondheid van de hond of de gevolgen die de zwangerschap ten nadele van de hond met zich mee kan brengen, zal de hond door de fokker gekozen dierenarts als ook een door het gastgezin gekozen dierenarts worden gekeurd en bekeken of de hond wel weer toe is aan een nieuwe dracht/nestje. (…)

5.2

Het gastgezin zal zich gedurende de termijn van de loopsheid en de zwangerschap van de hond voor eigen rekening en risico volledig beschikbaar stellen en houden om tijdig aan de verzoeken van de fokker ter zake de beschikbaarstelling van de hond te kunnen voldoen. (…)

5.3.

Het gastgezin is jegens de fokker verplicht om laatstgenoemde uiterlijk binnen 24 uur nadat de hond loops is geworden telefonisch en per e-mail onverwijld over deze toestand in te lichten. (…)

Artikel 7 Schending van de overeenkomst, schade en ontbinding

7.1

Indien en zodra het gastgezin een of meerdere bepalingen uit deze overeenkomst en/of van het bijbehorende instructieblad schendt, zal de fokker het gastgezin aangetekend schriftelijk en/of per email met leesbevestiging in gebreke stellen.

7.2

Indien het gebrek door het gastgezin niet meer is te herstellen, dan wel niet ommegaand of binnen de door fokker gestelde termijn wordt ongedaan gemaakt, verkeert het gastgezin, zonder dat een nadere aankondiging of ingebrekestelling zal zijn vereist, jegens fokker in verzuim.

7.3

In het geval van verzuim heeft fokker het recht de overeenkomst per direct te ontbinden en verbeurt het gastgezin aan fokker een direct opeisbare forfaitaire schadevergoeding van € 10.000,00 respectievelijk verbeurt het gastgezin naar keuze van de fokker een direct opeisbare en niet voor matiging of compensatie vatbare [kantonrechter: bedoeld zal zijn "boete"] van € 10.000,- en van € 100,- per dag zolang de overtreding voortduurt onverminderd het recht van fokker om algehele schadevergoeding van het gastgezin te vorderen, tenzij zulks naar het oordeel van de rechter tot onbillijke en onredelijke situatie zou leiden.

7.4

Ingeval van verzuim heeft fokker het exclusieve recht te besluiten de overeenkomst tussen partijen direct te ontbinden en de hond ommegaand in zijn macht te brengen, waaraan het gastgezin onvoorwaardelijk dient mede te werken, onder andere door fokker onverwijld en ongehinderde toegang te verschaffen tot de plaats van de hond op dat moment verblijft.

7.5

Fokker en gastgezin dienen voor de interpretatie van omstandigheden die aanleiding tot twist geven, dergelijke twistpunten te allen tijde overeenkomstig de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te beoordelen en dienen zij over en weer steeds op basis van goede intenties en met respect voor de wederzijdse belangen te handelen.

2.6.

Met betrekking tot de huisvesting en verzorging van de pup zijn instructies opgesteld in een instructieblad, dat onderdeel uitmaakt van de overeenkomst. In het instructieblad staat onder andere (punt 12) dat het volgen van een puppycursus verplicht is en (punt 17) dat behandelingen door de dierenarts alleen na toestemming van de fokker mogen plaatsvinden.

2.7.

[C] is vervolgens bij [B] ondergebracht. Zij heeft de keuring om te worden toegelaten tot het fokprogramma doorstaan. In 2019 is de eerste loopsheid van [C] door [B] bij [A] gemeld, maar dat heeft toen niet tot een dekking geleid.

2.8.

Omstreeks 1 mei 2020 is [C] voor de tweede keer loops geworden. Op 11 mei 2020 heeft [B] de dierenarts bezocht en eveneens op die dag heeft zij [A] op de hoogte gesteld van de loopsheid. [B] heeft met [C] een bezoek gebracht aan [A] , waar een progesterontest is afgenomen. Een poging om de hond te laten dekken heeft toen niet meer plaatsgevonden omdat het geschikte moment daarvoor al was gepasseerd.

2.9.

Bij e-mailbericht van 3 juli 2020 heeft [A] de overeenkomst met [B] buitengerechtelijk ontbonden en aan [B] verzocht om [C] aan hem af te staan onder betaling van een schadevergoeding van € 10.000,00. Volgens [A] heeft [B] in strijd met haar contractuele verplichtingen verzwegen dat [C] loops was en hierdoor is [A] niet in staat geweest om het fokprogramma met [C] in 2020 voort te zetten, is hij inkomsten misgelopen en stagneert de groei van zijn bedrijf.

2.10.

Als reactie heeft de gemachtigde van [B] op 14 juli 2020 het volgende

- voor zover van belang - aan [A] medegedeeld:

Op 1 mei jl. werd [C] voor de tweede maal loops. Op dat moment was er sprake van een uitzonderlijke situatie door de corona crisis en golden er strenge regels met betrekking tot de lock down. Om die reden is de loopsheid niet eerder gemeld dan op 11 mei jl. Op 11 mei jl. versoepelden de regels en was het weer mogelijk om [C] te laten dekken. (…)

Cliënten stellen zich op het standpunt dat hetgeen u nu van cliënten vordert niet redelijk is. Te gelden heeft immers dat wanneer er op 1 mei jl. wel was gemeld dat [C] loops was, dit geen verschil had gemaakt omdat het vanwege de geldende regels niet mogelijk was om [C] te laten dekken. (…)

De dierenarts van cliënten heeft aangegeven dat zij van mening is dat het beter is om te wachten met een nestje totdat [C] 3 jaar is. Cliënten hebben dit ook onder uw aandacht gebracht op 11 mei jl. toen de regels werden versoepeld en cliënten de loopsheid bij u hebben gemeld. (…).

2.11.

Partijen hebben via hun gemachtigde overleg gevoerd over een minnelijke regeling, maar zij zijn niet tot overeenstemming gekomen. [B] heeft [C] niet afgestaan en zij heeft geen schadevergoeding aan [A] betaald. Daarop heeft [A] de onderhavige dagvaarding uitgebracht.

2.12.

[B] heeft bij e-mail van 21 februari 2021 aan [A] medegedeeld dat sprake is van een nieuwe loopsheid bij [C]. [A] heeft hierop geantwoord dat hij door de juridische situatie en privéomstandigheden deze loopsheid bij [C] niet zal laten dekken.

3 De vordering en het verweer in conventie

3.1.

[A] vordert dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat de overeenkomst is ontbonden;

- [B] veroordeelt om [C] terug te leveren aan [A] binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis op straffe van de overeengekomen boete, dan wel op straffe van een dwangsom;

- [B] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 10.000,00 uit hoofde van de contractuele en gefixeerde schadevergoeding, dan wel schadevergoeding, te vermeerderen met rente;

- [B] veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke kosten voor juridische bijstand te vermeerderen met rente;

- [B] veroordeelt in de proceskosten, met inbegrip van de te maken nakosten.

3.2.

[A] heeft aan zijn vorderingen - kort gezegd - het volgende ten grondslag gelegd. [B] heeft zich niet gehouden aan de regels die volgen uit de overeenkomst. Zij heeft de verplichting geschonden om binnen 24 uur nadat de hond loops is geworden dit te melden bij [A] . Verder heeft zij zich niet gehouden aan de bij de overeenkomst horende instructie om melding te maken van haar bezoek aan de dierenarts (die bij die gelegenheid zou hebben aangegeven dat [C] nog niet 'toe' is aan een nestje). Tot slot heeft [B] zich niet gehouden aan de verplichting om [C] deel te laten nemen aan een puppycursus. Door het niet tijdig melden van de loopsheid is vrijwel zeker een kans op bevruchting van [C] en dus op een nestje verloren gegaan. Gelet op haar leeftijd en de gemiddelde tijd die moet zitten tussen de verschillende nestjes is een opbrengst van vier nestjes met [C] niet meer realistisch. [A] lijdt schade, nu een gemiddeld nestje (8 pups) minimaal € 16.000,00 oplevert voor de fokker.

3.3.

Door de tekortkomingen en doordat [B] niet bereid was om - bij wijze van minnelijke oplossing - een schadevergoeding aan [A] te betalen, is er inmiddels een vertrouwensbreuk tussen partijen ontstaan, die niet meer kan worden hersteld. [A] heeft de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden op 3 juli 2020 en verzoekt om gerechtelijke vaststelling door de rechter van deze ontbinding en om een veroordeling van [B] tot teruggave van de hond en tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding of de contractuele boete dan wel een door de rechter vast te stellen schadevergoeding.

3.4.

[B] voert verweer en heeft in dit verband - kort gezegd - het volgende aangevoerd. Ontbinding van de overeenkomst is in dit geval niet gerechtvaardigd gelet op de extreme omstandigheden die in Nederland rond 1 mei 2020 aan de orde waren (en zijn) door de coronacrisis. De dierenartsenpraktijken waren toen gesloten en alleen beschikbaar voor noodgevallen. Er is geen sprake geweest van het opzettelijk verzwijgen van de loopsheid van [C]. Het leek [B] alleen niet mogelijk om [C] te laten dekken, gelet op de geldende maatregelen. Toen de maatregelen versoepeld werden heeft [B] de loopsheid alsnog onmiddellijk gemeld en is ze in overleg met [A] met [C] naar de dierenarts gegaan om progesteron te laten prikken. Overigens is gelet op de verwachtingen van partijen over en weer in feite geen sprake van een tekortkoming. Het is namelijk nog steeds mogelijk dat [C], zoals afgesproken, drie nestjes zal werpen. De intenties van [B] zijn goed en zij staat er achter dat de overeenkomst in de toekomst gewoon wordt nagekomen. [B] zorgt goed voor [C], is aan haar gehecht geraakt en wil haar, nadat de overeengekomen nestjes zijn gefokt, graag kopen. Gelet op de buitengewone omstandigheden was er geen enkele reden om de overeenkomst per direct buitengerechtelijk te ontbinden, een bedrag aan schadevergoeding te vorderen en om [C] van [B] af te willen nemen. [A] stelt zich zeer onredelijk op, terwijl de overeenkomst bepaalt dat twistpunten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid beoordeeld moeten worden. Mocht een boete op zijn plaats zijn, dan verzoekt [B] om matiging. Het staat helemaal niet vast dat [A] door het niet melden van de loopsheid van [C] schade heeft geleden.

3.5.

Op de standpunten van partijen zal hierna - voor zover van belang - verder worden ingegaan.

4 De vordering en het verweer in reconventie

4.1.

[B] vordert veroordeling van [A] tot betaling van € 13.608,50, te vermeerderen met rente en kosten.

4.2.

[B] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [A] met zijn onredelijke opstelling handelt in strijd met artikel 7.5 van de overeenkomst, waarin staat dat twistpunten moeten worden beoordeeld overeenkomstig de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. [B] heeft schade geleden (de kosten die gemaakt zijn ten behoeve van [C], onder ander voor voeding en vaccinaties) die [A] dient te vergoeden indien [C] zou worden afgenomen van [B] .

4.3.

[A] voert verweer. Hij betwist dat er sprake is van een tekortkoming aan zijn kant en hij betwist tevens de hoogte van de gestelde schade.

4.4.

Op de standpunten van partijen zal hierna - voor zover van belang - nader worden ingegaan.

5 Beoordeling

In conventie

Wat zijn partijen overeengekomen

5.1.

Partijen verschillen onder meer van mening over de vraag of op basis van de overeenkomst maximaal drie dan wel vier dekkingen plaats kunnen vinden. Hieromtrent overweegt de kantonrechter het volgende.

5.2.

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf).

5.3.

In dit geval is in de overeenkomst vastgelegd dat het gastoudergezin gedurende vier zwangerschapscycli van de hond haar onvoorwaardelijke medewerking moet verlenen aan het fokprogramma. Partijen hebben echter voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst via e-mails expliciet met elkaar gecommuniceerd over het aantal nestjes. Daaruit vloeit voort dat het de bedoeling van partijen is geweest om [C] maximaal drie in plaats van vier nestjes te laten werpen. De e-mail van [A] van 24 april 2018 (zie hiervoor onder 2.4.), waarin hij bevestigt dat hij akkoord is met drie nestjes in plaats van de vier, is naar het oordeel van de kantonrechter op dit punt duidelijk en daarmee een vastlegging van de ter zake gemaakte afspraken tussen partijen, in afwijking van de ‘standaardtekst’ van de overeenkomst. Daarbij weegt de kantonrechter ook mee dat [A] ter zitting heeft verklaard dat het contract dat hij aan [B] opstuurde door hem van een collega-fokker was verkregen en dat hij nog nooit eerder met een gastoudercontract had gewerkt omdat hij net begonnen was als fokker. Aldus moet de correspondentie die tussen partijen is gevoerd over wat de afspraken over en weer zouden zijn worden meegewogen bij de vraag wat er overeen is gekomen.

5.4.

De kantonrechter gaat er gelet op het vorenstaande dan ook van uit dat partijen maximaal drie nestjes zijn overeengekomen.

Heeft [A] de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig ontbonden

5.5.

Ontbinding van de overeenkomst op grond van schending van de instructies met betrekking tot het bezoeken van de dierenarts en deelname aan puppycursus was in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter niet mogelijk. [B] heeft aangevoerd dat door het ontbreken van een ingebrekestelling hieromtrent, geen verzuim is ontstaan en [A] heeft dat niet, althans onvoldoende weersproken.

5.6.

Voor wat betreft de schending van artikel 5.3. van de overeenkomst overweegt de kantonrechter het volgende. Niet in geschil is dat [C] omstreeks 1 mei 2020 loops was en dat [B] deze loopsheid niet tijdig binnen 24 uur (want pas op 11 mei 2020) bij [A] heeft gemeld. Daarmee staat vast dat [B] heeft gehandeld in strijd met artikel 5.3 van de overeenkomst. Nu deze schending als zodanig niet meer hersteld kan worden (omdat de termijn om te melden is verstreken), is er sprake van verzuim zoals bedoeld in artikel 7.2 van de overeenkomst. Aan [A] kwam dan ook in beginsel de bevoegdheid toe om de overeenkomst met een beroep op de artikelen 7.3 en 7.4 te ontbinden.

5.7.

[B] heeft echter een beroep gedaan op de (beperkende werking van de) redelijkheid en billijkheid gelet op de buitengewone omstandigheden en geldende coronamaatregelen die golden ten tijde van de loopsheid van [C]. Hieromtrent overweegt de kantonrechter als volgt.

5.8.

Als uitgangspunt in het contractenrecht geldt dat overeenkomsten moeten worden nagekomen. Artikel 6:2 BW bepaalt echter een norm die voor alle verbintenissen geldt: de norm van redelijkheid en billijkheid. De schuldeiser en de schuldenaar moeten zich in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid gedragen. In de overeenkomst tussen partijen is deze algemene norm eveneens opgenomen. De redelijkheid en billijkheid kunnen een aanvullende en een beperkende werking hebben. In artikel 6:258 BW gaat het over de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Ingevolge dat artikel is het mogelijk dat de rechter op grond van onvoorziene omstandigheden ingrijpt in de rechtsgevolgen van een overeenkomst, wanneer ongewijzigde instandhouding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij de toets of hiervan sprake is moet de rechter zich volgens vaste jurisprudentie terughoudend opstellen.

5.9.

De kantonrechter is allereerst van oordeel dat de coronacrisis als zodanig als een onvoorziene omstandigheid kan worden aangemerkt. Deze crisis heeft sinds maart 2020 de wereld en ook Nederland in zijn greep. Vanuit de Nederlandse overheid zijn diverse maatregelen getroffen die er met name op gericht waren en zijn om mensen zoveel mogelijk thuis te laten blijven en niet onnodig te laten reizen. Dit alles met als doel om (verdere) besmettingen met het coronavirus te voorkomen. Op 1 mei 2020 golden de meeste maatregelen nog onverkort. Hoewel niet is komen vast te staan dat alle dierenartsenpraktijken op 1 mei 2020 gesloten waren (of alleen geopend voor noodgevallen), acht de kantonrechter het goed mogelijk dat sommige praktijken in die periode niet urgente medische behandelingen hebben afgehouden. De kantonrechter is verder van oordeel dat de reisbewegingen die nodig zouden zijn om een hond te laten dekken niet gevat kunnen worden onder het kopje "noodzakelijke reizen". Van belang hierbij is dat het bij de reisbewegingen rondom het doen slagen van een dekking om meer gaat dat een enkel bezoek aan de dierenarts. Aannemelijk is dat er meer dan 1 maal progesteron geprikt moet worden bij de dierenarts om het juiste moment van de dekking te bepalen, waarna de hond naar de fokker gebracht moet worden om in contact te komen met de reu. Zoals [A] ook heeft aangevoerd vinden er standaard twee dekpogingen plaats om de kans op een succesvolle bevruchting te verhogen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [B] zich dan ook terecht af mogen vragen in hoeverre de algemene maatregelen die golden in verband met het coronavirus zich verhielden tot het laten dekken van een hond, wat meerdere reisbewegingen met zich brengt.

5.10.

De kantonrechter is van oordeel dat het logisch en beter geweest zou zijn als [B] , terstond na het ontdekken van de tweede loopsheid van [C], met [A] in overleg was getreden over de loopsheid van [C] in relatie tot de geldende coronamaatregelen. Dat dit verzuim zou moeten leiden tot ontbinding van de overeenkomst met [A] is naar het oordeel van de kantonrechter echter onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De kantonrechter weegt in dit verband mee dat [B] wel onmiddellijk na versoepeling van de maatregelen per 11 mei 2020 de loopsheid van [C] alsnog bij [A] heeft gemeld. Toen is zij ook direct alsnog met de hond naar de dierenarts geweest om te checken of een dekking nog zou lukken. Verder was het partijen er in de kern om te doen dat er drie nestjes zouden komen en dat [B] daarna [C] zou kunnen overnemen van [A] . De kantonrechter is van oordeel dat de overeenkomst wat dat betreft nog steeds kan worden nagekomen. [C] is nog een relatief jonge hond (zij is nu 3) en de kantonrechter heeft geen redenen om aan te nemen dat die drie nestjes er in de komende jaren niet zouden kunnen komen, ook al is de tweede loopsheid niet tijdig gemeld. Het niet melden van de loopsheid van [C] hoeft dan ook geen financiële gevolgen te hebben voor [A] . Overigens merkt de kantonrechter op dat [B] de derde loopsheid van [C] recentelijk bij [A] heeft gemeld, maar dat [A] om hem moverende redenen toen heeft besloten om geen dekking te laten plaatsvinden. Als dat gegeven er toe zou leiden dat er uiteindelijk geen drie nestjes meer te fokken zijn met [C] (of zelfs helemaal geen, omdat aldus [A] een hond niet ouder dan 4 jaar mag zijn om voor het eerst een nestje te krijgen) is dat het gevolg van de eigen keuze van [A] . Dat moet dan ook voor zijn rekening en risico blijven. De door [A] gestelde vertrouwensbreuk tussen partijen maakt niet dat de overeenkomst niet in stand zou kunnen blijven. [B] heeft er blijk van gegeven dat zij de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst verder na zal komen. [A] is een (semi)professionele hondenfokker en van hem kan en mag in redelijkheid verwacht worden dat hij op een zakelijke manier uitvoering blijft geven aan de overeenkomst.

5.11.

Gelet op het vorenstaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat de overeenkomst tussen partijen niet kon worden ontbonden. De kantonrechter wijst daarom de door [A] gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen rechtsgeldig is ontbonden af. Dit betekent dat ook de vordering tot afgifte van [C] door [B] aan [A] zal worden afgewezen, omdat een grondslag voor toewijzing van die vordering ontbreekt.

Contractuele boete

5.12.

Op grond van de overeenkomst verbeurt het gastgezin in geval van verzuim een direct opeisbare forfaitaire schadevergoeding van € 10.000,00 dan wel een direct opeisbare en niet voor matiging of compensatie vatbare boete van € 10.000,00. Hiervoor is overwogen dat [B] het bepaalde in artikel 5.3 van de overeenkomst heeft geschonden, dat de schending niet hersteld kan worden en dat er daarom sprake is van verzuim. [B] is in beginsel dan ook de forfaitaire schadevergoeding dan wel de contractuele boete (het gaat in beide gevallen in feite om hetzelfde) verschuldigd.

5.13.

[B] heeft echter een beroep gedaan op matiging. Voor matiging van een contractuele boete kan slechts reden zijn als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist (zie artikel 6:94 BW). Dit brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. De overeenkomst bevat voorts ook zelf in artikel 7.3. een matigingsmogelijkheid door de rechter in het geval deze oordeelt dat sprake is van een onbillijke en onredelijke situatie.

5.14.

In dit kader is van belang dat de strekking van het boetebeding in hoofdzaak gelegen is in het voorkomen van uitzonderlijke situaties met grote financiële gevolgen voor [A] , bijvoorbeeld als [B] de hond structureel aan het fokprogramma zou onttrekken, zoals bij vertrek naar het buitenland met [C]. Dat partijen deze situatie voor ogen hadden bij het aangaan van de overeenkomst, blijkt ook uit de correspondentie tussen partijen zoals die toen is gevoerd (zie hiervoor onder 2.3.). In dit geval is er geen sprake van dat [B] er met [C] vandoor is gedaan en staat ook niet vast dat [A] door het eenmalig niet melden van de loopsheid van [C] schade heeft geleden of zal lijden. De kantonrechter heeft immers geoordeeld dat de overeenkomst tussen [A] en [B] niet rechtsgeldig is ontbonden en de kans op drie nestjes is nog steeds aanwezig. De verhouding tussen de verbeurde boete van € 10.000,00 en de schade die [A] heeft geleden (namelijk geen actuele schade) is daarom disproportioneel.

5.15.

De kantonrechter neemt verder in aanmerking dat de coronacrisis kan worden aangemerkt als een exceptionele situatie, met veel onzekerheden. [B] en [A] hadden in feite alleen een (niet onbegrijpelijk) verschil van inzicht over de uitleg van de lockdown maatregelen zonder dat daar overleg over is geweest. [A] had zelf eventueel ook contact met [B] kunnen opnemen om te overleggen over de manier waarop het gastgezin zou moeten handelen in tijden van corona. Gezien het moment van de eerste loopsheid was een tweede loopsheid tijdens de beperkende coronamaatregelen immers niet geheel onverwacht. Dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter acht het onder de gegeven omstandigheden niet redelijk dat het te laat melden van de loopsheid van [C] alleen voor rekening en risico van [B] wordt gebracht. De kantonrechter weegt tot slot mee dat van onwil aan de zijde van [B] om haar medewerking te verlenen aan de contractueel overeengekomen drie dekkingen, niet is gebleken.

5.16.

Gezien voornoemde omstandigheden leidt toepassing van het boetebeding naar het oordeel van de kantonrechter tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de boete aanzienlijk te matigen. Nu de tekortkoming aan de zijde van [B] er wel toe heeft geleid dat de relatie tussen haar en [A] is verslechterd en dat het vertrouwen van [A] in [B] is verminderd, acht de kantonrechter een geringe vergoeding op zijn plaats.

5.17.

Alles afwegende komt de kantonrechter tot de slotsom dat de in beginsel verbeurde boete van € 10.000,00 zal worden gematigd tot € 500,00, nog te vermeerderen met wettelijke rente zoals gevorderd.

Buitengerechtelijke kosten

5.18.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten van juridische bijstand zal worden afgewezen, reeds omdat [A] heeft nagelaten om een omschrijving te geven van de voor rekening van [A] verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden.

Proceskosten

5.19.

De kantonrechter ziet in het slechts gedeeltelijk toewijzen van de vordering aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

In reconventie

5.20.

[B] heeft aangegeven dat een schadevergoeding wordt gevorderd: "indien [C] zou worden afgenomen van [B] " (arcering door de kantonrechter). De kantonrechter leidt hieruit af dat haar vordering aangemerkt kan worden als een voorwaardelijke vordering.

5.21.

De kantonrechter is in conventie tot de conclusie gekomen dat de vordering van [A] tot afgifte van [C] moet worden afgewezen. Dit betekent dat de voorwaarde, zoals hiervoor aangehaald, niet is ingetreden. Aan behandeling van de vordering van [B] in reconventie komt de kantonrechter dan ook niet toe.

6 Beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt [B] tot betaling aan [A] van een bedrag van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 november 2020, zijnde de dag van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

6.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft het onder 6.1. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 518