Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1613

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
LEE 21/1094
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Woningsluiting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOOR-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 21/1094

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. L.J.H. Kortz),

en

de burgemeester van de gemeente Waadhoeke, verweerder

(gemachtigde: P. Frölich).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het perceel van verzoekster aan [adres] te [plaats] (het perceel) voor de duur van 36 maanden gesloten, met ingang van 15 april 2021 om 13:00 uur.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2021. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter acht het spoedeisende belang in dit geval gegeven omdat het perceel, inclusief de woning, op korte termijn wordt gesloten. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd het besluit te schorsen. Verweerder heeft aangegeven dat het besluit wordt opgeschort tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.

3. Uit de bestuurlijke rapportage van 11 maart 2021 blijkt dat de politie-eenheid Noord-Nederland op 19 februari 2021 op het perceel van verzoekster in de achterste opstal een in werking zijnde productielocatie voor synthetische drugs heeft aangetroffen en dat in de woning van verzoekster 58 gram (vermoedelijk) harddrugs, een potje met drugsresten, een etui met twee ponypacks en twee vuurwapens zijn aangetroffen.

3.1

Bij voornemen van 12 maart 2021 heeft verweerder aan verzoekster medegedeeld dat hij voornemens is om het perceel voor een periode van 36 maanden te sluiten. Verzoekster heeft tegen dit voornemen een zienswijze ingediend.

3.2

Verweerder heeft vervolgens besloten conform het voornemen, waarbij de sluiting ingaat op 15 april 2021. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de politie tijdens een controle in de woning van verzoekster - onder meer - een handelshoeveelheid harddrugs en twee vuurwapens heeft aangetroffen, en een (in werking zijnde) productielocatie voor synthetische drugs in een opstal bij de woning. De aanwezigheid van een werkend drugslab met 250 liter vervaardigde BMK in de reactieketel, waarmee tussen de 405 en 540 kilogram onversneden amfetaminepasta vervaardigd kan worden, levert een extreme overtreding op van artikel 13, eerste lid, onder b, van de Opiumwet. Verweerder houdt rekening met het feit dat al eerder, op 18 april 2019, diverse bergingen op het perceel zijn gesloten vanwege de aanwezigheid van een hennepkwekerij en harddrugs. Met de sluiting wil verweerder onder meer bijdragen aan de vermindering van drugscriminaliteit, het vergroten van de veiligheid en leefbaarheid van de omgeving, het gebruik van de locatie als drugslocatie teniet te doen, en een signaal afgeven dat de geconstateerde feiten onacceptabel zijn.

4. Verzoekster betoogt onder meer dat zij niet de op hoogte was van de aanwezigheid van het drugslaboratorium, dat de drugs in de woning voor eigen gebruik waren, dat er geen ‘loop’ naar het perceel was, dat geen recidive mag worden aangenomen, en dat de sluiting en de duur van die sluiting disproportioneel zijn. Hierna wordt, voor zover van belang, ingegaan op haar argumenten.

5. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf: a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is; b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

6. Van toepassing zijn daarnaast de Beleidsregels Opiumwet 13b Waadhoeke (de Beleidsregels), het beleid van verweerder. In de Beleidsregels is bepaald dat als in een woning of lokaal en/of daarbij behorend erf voor de eerste keer een hoeveelheid harddrugs van meer dan 20 gram wordt aangetroffen de maatregel varieert van een waarschuwing tot sluiting voor een duur van 12 maanden. De op te leggen maatregel is afhankelijk van hetgeen is aangetroffen. In beginsel geldt bij een tweede constatering een verdubbeling van de maatregel en bij een derde constatering een verdrievoudiging.

7. Over de bevoegdheid van verweerder om het perceel te sluiten wordt als volgt overwogen.

7.1

Volgens vaste rechtspraak van de AbRS, waaronder de uitspraak van 1 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1435), is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5 gram softdrugs, de door het Openbaar Ministerie gehanteerde grenzen voor eigen gebruik, de aangetroffen drugs in beginsel geacht worden deels of geheel bestemd te zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor het pand een last onder bestuursdwang op te leggen. Op grond van vaste rechtspraak van de AbRS, waaronder de uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912) is daarnaast uitgangspunt dat als in een locatie een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de locatie een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf ook al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken.

7.2

In de woning van verzoekster is een hoeveelheid harddrugs gevonden die boven de 0,5 gram ligt. Daarnaast is in een opstal een professioneel drugslab aangetroffen. De voorzieningenrechter houdt het er voor dat de drugs niet bedoeld waren voor eigen gebruik, ook niet de in de woning aangetroffen drugs. Verzoekster onderbouwt de stelling van eigen gebruik niet, terwijl de gevonden hoeveelheid de 0,5 gram ver overschrijdt, en op het perceel een drugslab aanwezig is, dat gericht is op handel. De betwisting van de ‘loop’ naar het pand is daarnaast onvoldoende gelet op het drugslab en de bekendheid van het perceel als plaats waar criminele activiteiten plaatsvinden, zoals omschreven door een omwonende, wiens verklaring in het geding is gebracht, en gelet op het feit dat in 2019 ook al een hennepkwekerij werd aangetroffen op het perceel. De stelling dat verzoekster geen verwijt treft van de aanwezigheid van het drugslab neemt de bevoegdheid tot sluiting niet weg. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster ook bevestigd dat wat in dit verband is aangevoerd in de sleutel van de evenredigheid moet worden beoordeeld.

8. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet beschikt verweerder over beleidsruimte, zodat de voorzieningenrechter het sluitingsbevel terughoudende toetst. Uit vaste rechtspraak van de AbRS (onder meer de uitspraak van 9 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3057) volgt wel dat het feit dat een besluit tot sluiting in overeenstemming is met de beleidsregel, niet zonder meer betekent dat terecht tot sluiting is besloten. Verweerder dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In geschil is de vraag of verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat geen aanleiding bestaat om een andere, lichtere maatregel te treffen.

9. Over de evenredigheid wordt als volgt overwogen.

9.1

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er in de gegeven omstandigheden reden is voor een sluiting van het perceel voor een aanzienlijke periode. De genomen maatregel is terug te voeren tot het beleid van verweerder. Hierbij heeft verweerder tot uitgangspunt mogen nemen dat er sprake is van recidive vanwege de aanwezigheid van een hennepkwekerij in 2019. In het beleid van verweerder is sprake van recidive als binnen vijf jaar na de vorige constatering wederom een handelshoeveelheid drugs op dezelfde locatie dan wel bij dezelfde overtreder wordt aangetroffen. Van dat laatste is hier sprake.

9.2

Verweerder heeft allereerst veel gewicht mogen toekennen aan de ernst van de feiten: uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat in de woning 58 gram harddrugs is aangetroffen, twee vuurwapens, waarvan één vuurwapen was doorgeladen en voorzien van scherpe patronen, en dat in een opstal bij de woning een drugslab actief was. Gelet op de ernst van de feiten en de recidive mag verweerder het herstel van de openbare orde zwaarwegend achten, net als het afgeven van een signaal dat drugscriminaliteit niet wordt getolereerd, en de andere belangen die pleiten voor de sluiting van het perceel. Hier komt bij dat verzoekster van de aanwezigheid van de drugs, de vuurwapens en het drugslab een verwijt gemaakt worden. Verzoekster is de eigenaresse van het perceel en is daarmee in beginsel verantwoordelijk voor het gebruik van haar eigendom door anderen: zij had daarop in elk geval enig toezicht moeten houden. Dat is niet gebeurd: ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij helemaal niet op de rest van het perceel kwam. Dit gebrek aan toezicht kan haar des te meer worden verweten gelet op het feit dat er in 2019 een hennepkwekerij op het perceel werd aangetroffen. Er is onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat verzoekster niet in staat is geweest om enig toezicht te houden of dat om andere redenen de ontstane situatie haar niet kan worden toegerekend. Dat verzoekster de woning zal moeten verlaten en de andere consequenties die een langdurige sluiting van het perceel voor haar hebben, wegen, zo mocht verweerder ook vinden, niet op tegen de belangen die pleiten vóór een sluiting. Het verlaten van de woning is inherent aan een sluiting. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Een emotionele binding met de woning en het continueren van een bepaalde levensstijl - rust, dieren - levert die omstandigheid ook niet op. Van een binding aan de woning op medische gronden is daarnaast geen sprake, zo heeft de gemachtigde van verzoekster ter zitting desgevraagd verklaard. Verweerder heeft daarnaast concrete hulp aangeboden bij het vinden van nieuwe woonruimte.

10. Gelet hierop heeft verweerder, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om tot sluiting van het perceel over te gaan. Een sluiting voor de duur van 24 maanden komt de voorzieningenrechter daarbij voorshands niet onevenredig voor. De constatering dat in het besluit de duur van 36 maanden slechts beperkt is gemotiveerd in termen van het beleid van verweerder, wat daar ook verder precies van zij, kan niet leiden tot toewijzing van de gevraagde voorziening.

11. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

12. Verweerder heeft gewacht met het tenuitvoerleggen van de opgelegde maatregel. Om verzoekster de kans te bieden de nodige maatregelen te nemen zal de voorzieningenrechter bepalen dat de sluiting ingaat op vrijdag 7 mei 2021 om 13:00 uur en

36 maanden daarna eindigt, dus op dinsdag 7 mei 2024 om 13:00 uur.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat de woningsluiting ingaat op 7 mei 2021 om 13:00 uur.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier, op 23 april 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier voorzieningenrechter

(de griffier is verhinderd deze uitspraak mede

te ondertekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.