Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1600

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
18/250300-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft een 33-jarige man veroordeeld tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (ISD-maatregel).

De man heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en diefstal met valse sleutel, door na afloop van een seksdate een pinpas te ontvreemden. Vervolgens heeft hij diverse betalingen verricht met de gestolen pinpas. Daarnaast heeft verdachte een bezorger van lachgas afgeperst door hem op straat onder bedreiging van een mes te dwingen zijn portemonnee af te staan. Het is niet de eerste keer dat verdachte zich schuldig maakt aan strafbare feiten. Uit zijn strafblad blijkt dat hij de afgelopen jaren vaak is veroordeeld voor onder andere (winkel)diefstallen, belediging, fraude en afpersing.

Gezien de aard en ernst van de feiten en de geschiedenis van verdachte acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel aangewezen. Daarbij heeft de rechtbank allereerst in aanmerking genomen dat is voldaan aan de eisen die de wet daaromtrent stelt. Verder moet er gelet op de documentatie en het reclasseringsrapport ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. In het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte delicten veelal onder invloed van drugs pleegt om zijn (hard)drugsverslaving te financieren. Verder heeft verdachte op diverse leefgebieden problemen. Vanwege het hoge recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de ISD-maatregel eist. Gezien de mislukte interventies in het verleden acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel voorts niet in strijd met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/250300-20

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

momenteel gedetineerd in de [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 april 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.G. Knegt, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 13 september 2020 tot en met 14 september 2020, te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, in/uit een woning aan de [straatnaam] , een bankpas en/of een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 14 september 2020, te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte dat weg te nemen geld (telkens)onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [benadeelde partij 1] , door met gebruikmaking van genoemde bankpas contactloos te betalen bij [bedrijf 1] aan de [straatnaam] en/of [bedrijf 2] aan de [straatnaam] en/of [bedrijf 3] aan de [straatnaam] ;
3.
hij op of omstreeks 30 mei 2020, te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, op de openbare weg, te weten de Jan van de Capellestraat, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] of aan een derde, te weten aan [bedrijf 4] toebehoorde, door die [slachtoffer 1] , die toen aldaar optrad als bezorger (van lachgas) en zijn auto had stilgezet om een bestelling weg te brengen, aan te spreken en/of (vervolgens) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen/voor te houden en/of (daarbij) op dreigende/eisende toon te zeggen: "geef mij die portemonnee", althans worden van dergelijke aard en/of strekking;
4.
hij op of omstreeks 17 oktober 2019, te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, op de openbare weg, te weten de [straatnaam] , [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van 20 euro, althans een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] of aan een derde, te weten aan [benadeelde partij 2] toebehoorde, door die [slachtoffer 2] , die toen aldaar als pizzabezorger werkzaam was en zich op een fiets verplaatste, de weg af te snijden en/of (aldus) tot stoppen te dwingen en/of (vervolgens) op dreigende/eisende toon tegen die [slachtoffer 2] te zeggen: "geef me geld, anders gebeurt er wat", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 4. tenlastegelegde feit wegens het ontbreken van bewijs. Verder heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor de onder 1., 2. en 3. tenlastegelegde feiten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

  • -

    Feiten 1 en 2: de verklaring van aangever is betrouwbaar, omdat hij aangifte heeft gedaan van diefstal van zijn portemonnee en pinpas nadat hij met verdachte een seksdate heeft gehad. Het is algemeen bekend dat slachtoffers in dit soort zaken geen aangifte doen, omdat zij daarmee een deel van hun privéleven prijsgeven. Verder wordt de aangifte ondersteund door de overige bewijsmiddelen. Gebleken is dat verdachte zonder toestemming van aangever met de gestolen pinpas heeft betaald bij de [bedrijf 3] , de [bedrijf 2] en een tankstation in Leeuwarden. De verklaring van verdachte is niet aannemelijk, mede omdat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd.

  • -

    Feit 3: op basis van de aangifte, beschreven camerabeelden en herkenning van verdachte door verschillende verbalisanten, kan het feit wettig en overtuigend worden bewezen. De verklaring van verdachte dat hij op de plaats delict is geweest wegens een afspraak met een bekende is niet aannemelijk.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

  • -

    Feiten 1 en 2: de verklaring van aangever en de camerabeelden kunnen niet de overtuiging dragen dat verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan diefstal en diefstal met valse sleutel. Verdachte verklaart dat hij met toestemming van aangever diens betaalpas heeft gebruikt en die lezing is niet onaannemelijk.

  • -

    Feit 3: op grond van de camerabeelden kan niet worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de beroving. Het door aangever gegeven signalement sluit niet aan bij de uiterlijke kenmerken van verdachte. Dat verdachte zich op de plaats delict bevond, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

  • -

    Feit 4: het dossier bevat geen objectieve gegevens die wijzen op betrokkenheid van verdachte bij de overval. De verklaring van getuige [getuige 1] is hoogst onbetrouwbaar. Wegens het ontbreken van bewijs moet vrijspraak volgen.

Oordeel van de rechtbank

Feit 4.

De rechtbank acht het onder 4. tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Aangever heeft een gedetailleerde en consistente verklaring afgelegd met betrekking tot de overval die in de avond van 17 oktober 2019 heeft plaatsgevonden. Die verklaring kan als bewijs dienen, maar is op zichzelf onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Niet alleen bevat de aangifte onvoldoende gegevens omtrent eventuele betrokkenheid van verdachte bij de overval, maar ook anderszins bevat het dossier geen aanknopingspunten voor de stelling dat verdachte de overvaller is geweest. De als getuigen aangemerkte [getuige 1] en [getuige 2] hebben de auditu-verklaringen afgelegd, oftewel hun verklaringen zijn “van horen zeggen”. Hun verklaringen zijn bovendien weinig concreet. Daarom is de rechtbank van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Feiten 1. en 2.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter zitting van 13 april 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik ben in de periode van 13 tot en met 14 september 2020 bij [benadeelde partij 1] geweest. Ik heb op 14 september 2020 bij de [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 1] betaald met de pinpas van [benadeelde partij 1].

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 september 2020, opgenomen op pagina 77 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020293601 d.d. 26 oktober 2020, inhoudend als verklaring van [benadeelde partij 1] :

Ik doe aangifte van diefstal, gepleegd op 13 september 2020 te Leeuwarden door een man die zichzelf [verdachte] of [verdachte] noemt. Weggenomen is mijn bankpas van de Rabobank. Met die bankpas is door de man die zich [verdachte] of [verdachte] noemt voor in totaal € 41,90 contactloos gepind zonder mijn toestemming bij [bedrijf 1] aan de [straatnaam] , [bedrijf 2] aan de [straatnaam] en de [bedrijf 3] aan de [straatnaam] in Leeuwarden. Ik woon aan de [straatnaam] te Leeuwarden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 september 2020, opgenomen op pagina 84 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op 28 september 2020 ben ik bij de aangever langs geweest. Hij kon mij op dat moment een bankafschrift overhandigen en deze voegde ik achter de aangifte. Ik zag op het bankafschrift dat er op 14 september 2020 om 10.40 uur 20,00 euro was gepind bij het [bedrijf 1] , gelegen aan de [straatnaam] te Leeuwarden. Ik zag op het bankafschrift dat er 21,90 euro was gepind bij de [bedrijf 2] v/d Berge te Leeuwarden. Uit het bankafschrift bleek dat er ook 10,00 euro was afgeschreven bij de [bedrijf 3] , gelegen aan de [straatnaam] te Leeuwarden. De aangever vertelde mij dat hij deze afschrijving niet had gedaan, omdat zijn bankpas toen gestolen was. Ik ben vervolgens op 29 september 2020 naar de [bedrijf 3] gegaan. Samen met een medewerker bekeek ik de beelden die bij de [bedrijf 3] zijn gemaakt. Ik zag dat dezelfde man als de man van het [bedrijf 1] de [bedrijf 3] inliep en om 13.04 uur 10,00 euro pinde bij de servicebalie van de [bedrijf 3] . Ik zag dat hij contactloos betaalde.

Bewijsoverweging

De rechtbank stelt voorop dat zij de verklaring van aangever betrouwbaar acht, omdat aangever gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Niet valt in te zien waarom hij een valse of leugenachtige verklaring zou hebben afgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat aangever door het doen van aangifte een gevoelig deel van zijn privéleven heeft prijsgegeven. Aangever had immers een seksdate met verdachte. Omdat de feiten zich in deze context hebben afgespeeld, ligt de drempel tot het doen van aangifte in de regel hoger. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte.

Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 14 september 2020 de pinpas van aangever heeft weggenomen en vervolgens met die pinpas geld heeft gepind bij de [bedrijf 3] in Leeuwarden door contactloos te betalen. Ook heeft verdachte betalingen verricht bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] in Leeuwarden, waarbij hij gebruik maakte van de pinpas van aangever. Verdachte heeft erkend dat hij de pinpas van aangever heeft gebruikt, maar stelt dat hij toestemming had van aangever. De rechtbank leidt uit de verklaring van aangever af dat die toestemming ontbrak en zij acht de verklaring van verdachte op dit punt niet aannemelijk. Niet valt in te zien waarom aangever aan verdachte toestemming zou hebben gegeven om op verschillende plekken in Leeuwarden met zijn pinpas te betalen en geld op te nemen.

Omdat verdachte niet gerechtigd was gebruik te maken van de pinpas, dienen zijn betalingen als diefstal met valse sleutel gekwalificeerd te worden, zodat de rechtbank feit 2. bewezen acht. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook feit 1. wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna is opgenomen in de bewezenverklaring. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor diefstal van 140,00 euro uit de portemonnee van aangever. Voor dit deel van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Feit 3.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 13 april 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

In de nacht van 29 op 30 mei 2020 ben ik ter hoogte van de Jan van de Capellestraat in Leeuwarden geweest. Ik ben op de camerabeelden van die nacht te zien. Ik droeg een camouflage T-shirt en had een schoudertasje bij me. Datzelfde tasje is later in beslag genomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 mei 2020, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020293601 d.d. 26 oktober 2020, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op zaterdag 30 mei 2020 was ik werkzaam als bezorger bij het bedrijf [bedrijf 4] , gevestigd in Leeuwarden. Omstreeks 00:45 uur bevond ik mij op de kruising Jan van de Capellestraat en Carel van Manderstraat. Op het moment dat ik mijn voertuig parkeerde draaide de motor nog en had ik de versnelling in de neutraal staan. Op dat moment klopte er een voor mij onbekende persoon op het raam. Ik keek naar de persoon en ik zag direct dat hij drugs had gebruikt. Dit zag ik doordat hij met zijn kaken en lichaamsdelen ongecontroleerde bewegingen maakte. Hij maakte een zeer onrustige indruk. Vervolgens gaf ik hem een sigaretje. Ik stak de sigaret voor hem aan. Ik sprak in het Engels: "Excuseer, ik moet een bestelling leveren". Hij stapte aan de kant waardoor ik de deur kon openen. Ik opende de deur en ik had mijn portemonnee in mijn rechterhand en mijn telefoon in mijn linkerhand. Ik stopte vervolgens mijn portemonnee in mijn linker binnenzak van mijn jasje. Het wegstoppen van de portemonnee was zichtbaar voor hem. Vervolgens stapte ik uit de auto. Op het moment dat hij heel dicht bij me kwam staan hoorde ik een klik. Ik herkende een klik van een mes die werd opengeklapt. Ik zag door het licht van de lantaarnpaal een lemmet van een mes. Dit betrof een stiletto. Twee seconden later zei hij op een dreigde toon: "Geef mij de portemonnee!". Ik overhandigde hem de portemonnee. Hij liep weg vanaf Carel van Manderstraat en liep in de richting van de Verlengde Schrans. Daar sloeg hij rechtsaf in de richting van [bedrijf 5] gelegen aan de [straatnaam] te Leeuwarden. Toen hij rechts afsloeg, de Verlengde Schrans op, verloor ik hem uit het zicht. De portemonnee die werd meegenomen is gemaakt van leer en is zwart van kleur. Er zat exact 400 euro in de portemonnee.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 3 juni 2020, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

kleding : Van zijn kleding weet ik alleen nog dat hij een t-shirt aan had met

allerlei kleuren erop. Het viel me op dat hij alleen een t-shirt aan had en geen jas omdat het buiten inmiddels nacht was en toch best fris.

schouder tasje: Het was een schouder tasje en had een donkere kleur.

3. Een naar wettelijk voorschrift proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 september 2020, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :

In het onderzoek heb ik camerabeelden veilig laten stellen welke gericht waren op en rondom het plaats delict. Op deze beelden is een persoon te zien welke voldoet aan het opgegeven signalement welke door de aangever werd verstrekt. Vanaf de beelden is een screenshot door mij gemaakt. Dit screenshot heb ik via de regionale (politie) briefing gedeeld om de identiteit te achterhalen van de verdachte. Op het screenshot is tevens te zien dat de verdachte een tweetal tatoeages heeft op zijn rechteronderarm. Door een drietal collega’s werd positief gereageerd. Afzonderlijk van elkaar konden ze mij vertellen dat ze de verdachte herkende als zijnde [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -1988 te Leeuwarden. Met deze kennis heb ik in de politiesystemen gekeken. In het politiesysteem zag ik dat er politiefoto’s van verdachte [verdachte] waren gemaakt, waaronder foto's van zijn tatoeages. Ik zag dat verdachte [verdachte] op zijn rechter onderarm een tweetal foto’s heeft getatoeëerd. Op het screenshot heeft de verdachte op precies dezelfde plek, precies dezelfde tatoeages zitten waardoor ik met 100% zekerheid kan zeggen dat de verdachte, [verdachte] betreft.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juli 2020, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van [verbalisant 3] :

Op dinsdag 7 juli 2020 werden door mij de camerabeelden bekeken van de diefstal met bedreiging met geweld, beschreven in de aangifte van [slachtoffer 1] . Er werden beelden beschikbaar gesteld van een camera op een hoekpand van de Huizumerlaan te Leeuwarden. De beelden omvatten de periode van 30 mei 2020 te 00.00.00 uur tot en met 30 mei 2020 te 02.00.00 uur. Op de beelden is de kruising zichtbaar van de Verlengde Schrans-Schrans met de Carel van Manderstraat-Huizumerlaan. Op de beelden is tussen 00.38.56 en 00.43.42 te zien dat de auto van aangever vanaf de Verlengde Schrans afslaat en de Carel van Manderstraat inrijdt, en daarna de auto aan de linkerkant van de weg tot stilstand brengt ter hoogte van de Jan van de Capellestraat. Vervolgens komt een man, met een meerkleurig shirt, zoals omschreven door aangever, vanaf de Verlengde Schrans aanlopen en gaat bij de auto staan. Even later komt de man terug lopen vanaf de auto, richting de kruising. Hij slaat bij de Verlengde Schrans rechts af en gaat hardlopend weg. Hierna werden de beelden nogmaals bekeken vanaf 00.00.00 uur. De vermoedelijke overvaller komt om 00.08.55 uur in beeld. Hij loopt dan over het trottoir aan de westzijde van de Verlengde Schrans. Hij loopt wat ongecontroleerd met zijn armen te zwaaien en hoofd te schudden. Hij draagt een shirt met meerdere kleuren. Zijn manier van lopen wekt de indruk alsof hij onder invloed is van drank of drugs. Op de Huizumerlaan draait hij en hij loopt over de kruising in de richting van de Carel van Manderstraat. Te zien is dat de man een tatoeage heeft aan de binnenzijde van zijn rechter onderarm. Om 00.38.56 komt de auto met aangever vanaf de Verlengde Schrans aanrijden en slaat linksaf de Carel van Manderstraat in. Hij stopt links van de weg, te hoogte van de Jan van de Capellestraat. De lichten van de auto blijven branden.

Om 00.39.40 loopt de man weer het beeld in. Hij steekt de Verlengde Schrans over en loopt daarbij vlak voor een voorbijrijdende auto langs.

Hij loopt met zwaaiende armen richting de geparkeerde auto van aangever.

Door de oplichtende remlichten van de auto is niet goed waarneembaar wat er bij de auto gebeurd.

Om 00.41.51 gaan de remlichten uit. Te zien is dat er iemand naar de auto loopt.

Om 00.42.41 komt de man met zwaaide armen vanaf de auto lopen. Hij heeft een brandende sigaret in zijn linkerhand. Hij loopt in de richting van de kruising. Hij kijkt een aantal keren achterom. Om 00.43.05 gaat hij de hoek om, richting Verlengde Schrans. Direct daarop gaar hij hardlopend er vandoor in zuidelijke richting.

Even later gaat de auto van aangever, nadat deze gekeerd is, dezelfde kant op.

6. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 6 oktober 2020, opgenomen op pagina 128 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 6 oktober 2020 onder beslagene [verdachte] in beslag genomen: een zwarte (schouder)tas. Eigenaar: [verdachte] .

7. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 6 oktober 2020, opgenomen op pagina 130 van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 6 oktober 2020 onder beslagene [verdachte] in beslag genomen: een shirt met camouflagekleuren. Eigenaar: [verdachte] .

Bewijsoverweging

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte zich op 30 mei 2020 omstreeks het door aangever genoemde tijdstip van de overval bevond aan de Jan van Capellestraat te Leeuwarden. Verdachte heeft erkend dat hij de man is op de genoemde camerabeelden. Verdachte droeg een camouflage T-shirt met meerdere kleuren en wekte door zijn ongecontroleerde bewegingen de indruk dat hij onder invloed van drugs verkeerde. Die beschrijving stemt overeen met de beschrijving die aangever heeft gegeven van de dader. Aangever noemt verder dat de dader een zwart schoudertasje droeg. Verdachte heeft bevestigd dat hij een schoudertasje droeg.

Ook de verklaring van aangever met betrekking tot de looprichtingen van de dader voorafgaande en na de overval, stemmen overeen met de beschreven camerabeelden. Aangever heeft verklaard dat hij de dader kort voor de overval een sigaret gaf en voor hem aanstak. De overval heeft volgens aangever plaatsgevonden rond 00:45 uur. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte om 00:42 uur met zwaaiende armen vanaf de auto van aangever komt lopen en een brandende sigaret in zijn hand heeft. Dat het door aangever opgegeven signalement niet volledig overeenkomt met de uiterlijke kenmerken van verdachte is niet verwonderlijk nu het donker was toen de overval werd gepleegd. Ook is algemeen bekend dat daderbeschrijvingen zelden volledig overeenkomen met de werkelijkheid. De rechtbank concludeert op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen dat verdachte degene is geweest die de overval op aangever heeft gepleegd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 3. tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1., 2. en 3. wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 13 september 2020 tot en met 14 september 2020 te Leeuwarden uit een woning aan de [straatnaam] , een bankpas die toebehoorde aan [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 14 september 2020 te Leeuwarden meermalen telkens een hoeveelheid geld dat geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, waarbij verdachte dat weg te nemen geld telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas op naam van [benadeelde partij 1] , door met gebruikmaking van genoemde bankpas contactloos te betalen bij [bedrijf 1] aan de [straatnaam] en [bedrijf 2] aan de [straatnaam] en [bedrijf 3] aan de [straatnaam] ;
3.
hij op 30 mei 2020 te Leeuwarden met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld op de openbare weg, te weten de Jan van de Capellestraat, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld dat geheel aan die [slachtoffer 1] of aan [bedrijf 4] toebehoorde, door die [slachtoffer 1] , die toen aldaar optrad als bezorger van lachgas en zijn auto had stilgezet om een bestelling weg te brengen, aan te spreken en vervolgens een mes te tonen/voor te houden en daarbij op dreigende/eisende toon te zeggen: "geef mij die portemonnee".

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman heeft met betrekking tot de onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten gesteld dat sprake is van eendaadse samenloop ofwel voortgezette handeling. Daartegen heeft de officier van justitie verzocht geen eendaadse samenloop of voortgezette handeling aan te nemen.

De rechtbank overweegt als volgt. Van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien de bewezenverklaarde gedragingen in die mate samenhangen en zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelen dat de verdachte in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de overtreden strafbepalingen niet of slechts weinig uiteenloopt. Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezenverklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het "wilsbesluit") zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt.

Feit 1. ziet op de gewone diefstal van een pinpas. Feit 2 ziet op het vervolgens wegnemen van geld met die pinpas; dit levert een diefstal met valse sleutel op. De daardoor overtreden artikelen 310, respectievelijk 310 juncto 311 van het Wetboek van Strafrecht beschermen de eigendom tegen diefstal, al dan niet in bijzondere situaties. Hoewel het beschermd belang van deze artikelen vrijwel samenvalt, hebben de feiten 1. en 2. zich niet op min of meer dezelfde tijd en plaats afgespeeld. Er is dus geen sprake van eendaadse samenloop. Verder overweegt de rechtbank dat feiten 1. en 2. zich chronologisch na elkaar hebben afgespeeld, maar dat tussen het plegen ervan geruime tijd is verstreken. Bovendien had verdachte na het wegnemen van de pinpas ook kunnen afzien van het ‘pinnen’, zodat daarvoor een hernieuwd wilsbesluit nodig was. Van een voortgezette handeling is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu de elkaar opvolgende gedragingen niet zo nauw samenhangen dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt.

Dat neemt niet weg dat de rechtbank bij de strafoplegging binnen de grenzen van het strafmaximum rekening zal houden met alle factoren die zij van belang acht, waaronder de concrete ernst van de feiten in onderlinge samenhang, het voorkomen van een onevenredige bestraffing en de persoon van de verdachte.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal.

2. Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

3. Afpersing.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voor de feiten 1., 2. en 3. gevorderd dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel, omdat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat bij oplegging van de ISD-maatregel een tussentijdse beoordeling moet worden bepaald.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 10 december 2020, de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en diefstal met valse sleutel, door na afloop van een seksdate een pinpas te ontvreemden. Vervolgens heeft verdachte diverse betalingen verricht met de gestolen pinpas. Daarnaast heeft verdachte een bezorger van lachgas afgeperst door hem op straat onder bedreiging van een mes te dwingen zijn portemonnee af te staan.

Verdachte heeft hierdoor op brutale wijze een inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van een ander. Daarnaast heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht bij het slachtoffer van de afpersing. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij zich kennelijk enkel heeft laten leiden door financieel gewin en geen oog heeft gehad voor de gevolgen van zijn handelen. Ook is algemeen bekend dat zulke feiten gevoelens van onveiligheid oproepen in de samenleving. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Het is niet de eerste keer dat verdachte zich schuldig maakt aan strafbare feiten. Uit zijn strafblad blijkt dat hij de afgelopen jaren vaak is veroordeeld voor onder andere (winkel)diefstallen, belediging, fraude en afpersing.

Gezien de aard en ernst van de feiten en de geschiedenis van verdachte acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel aangewezen. Daarbij heeft de rechtbank allereerst in aanmerking genomen dat is voldaan aan de eisen die de wet daaromtrent stelt. De door verdachte begane misdrijven zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld. Voor al die veroordelingen geldt dat de straffen reeds zijn geëxecuteerd.

Gelet op de documentatie en het reclasseringsrapport moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. In het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte delicten veelal onder invloed van drugs pleegt om zijn (hard)drugsverslaving te financieren. Verder heeft verdachte op diverse leefgebieden problemen: hij beschikt niet over huisvesting, werk of dagbesteding, hij mist een steunend sociaal netwerk en heeft schulden. Dit maakt dat de reclassering het recidiverisico hoog acht. Vanwege dit hoge recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de ISD-maatregel eist.

De ISD-maatregel heeft te gelden als ultimum remedium. De rechtbank acht die uiterste grens nu inderdaad bereikt. De tot nu toe opgelegde straffen hebben er niet toe geleid dat verdachte zijn gedrag heeft veranderd. Andere interventies hebben evenmin tot gedragsverandering geleid. Er hebben zowel klinische als ambulante opnames plaatsgevonden om de verslavingsproblematiek te behandelen, maar zonder resultaat. De meeste trajecten zijn voortijdig afgebroken, veelal door toedoen van verdachte. Op dit moment gebruikt verdachte geen verdovende middelen vanwege zijn verblijf in de P.I., maar hij heeft ter zitting aangegeven dat hij vermoedelijk zal terugvallen in gebruik zodra hij in vrijheid wordt gesteld. Daarmee bestaat ook een grote kans dat verdachte zal terugvallen in vermogensdelicten om zijn verslaving te bekostigen. De rechtbank is van oordeel dat ook aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan.

De rechtbank zal in het belang van de beveiliging van de maatschappij het advies van de reclassering overnemen. Voor een ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm, zoals de raadsman heeft voorgesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding. Voorwaardelijke straffen zijn tot op heden steeds te licht gebleken. Hoewel de ISD-maatregel in de eerste plaats strekt tot beveiliging van de maatschappij, moet ook gewerkt worden aan de onderliggende verslavingsproblematiek om het recidiverisico terug te brengen. Dat vereist naar het oordeel van de rechtbank een behandeling in gedwongen kader.

Alles overwegend zal de rechtbank de maatregel ISD opleggen voor de duur van twee jaar. De rechtbank houdt hierbij geen rekening met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, omdat het karakter van de maatregel zich daartegen verzet. Wel acht de rechtbank een tussentijdse beoordeling op zijn plaats om geïnformeerd te worden over het behandelverloop, en om de noodzaak tot voortzetting van de ISD-maatregel te toetsen. De rechtbank zal bepalen dat één jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging een beoordeling zal plaatsvinden als bedoeld in artikel 38s, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57, 310, 311 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 4. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Gelast de tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel en beveelt het openbaar ministerie de rechtbank daarover tijdig te berichten in dier voege dat de tussentijdse beoordeling plaats zal vinden één jaar na het begin van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. B.F. Hammerle en mr. S. van Gessel, rechters, bijgestaan door mr. M. Postma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 april 2021.