Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1592

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
18/030177-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van veroordeelde met één jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/030177-00

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 26 april 2021 op een vordering van de officier van justitie tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling

in de zaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],

thans verblijvende te [instelling],

hierna te noemen: de veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank de termijn van terbeschikkingstelling van de veroordeelde zal verlengen met 2 jaren.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 13 april 2021, waarbij aanwezig waren de raadsman van de veroordeelde, mr. A.R. Ytsma, advocaat te Haarlem en de officier van justitie, mr. L. de Graaf. De veroordeelde en de deskundige, M.W.C. van de Rijdt, zijn verschenen via videoconferentie (beeld en geluid).

De rechtbank heeft acht geslagen op de stukken, waaronder met name het door het plaatsvervangend hoofd van de inrichting ondertekende rapport met advies d.d. 22 februari 2021 van het behandelteam van de instelling waar de veroordeelde van overheidswege wordt verpleegd, alsmede de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde.

De rechtbank heeft voorts gelet op de adviezen als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), opgemaakt door psychiater J.L.M. Dinjens d.d. 25 maart 2021 en klinisch psycholoog W.F. van Kordelaar d.d. 18 maart 2021, beiden niet verbonden aan de instelling waar de veroordeelde wordt verpleegd.

Motivering

De opgelegde terbeschikkingstelling

Bij vonnis van 1 maart 2001 heeft de rechtbank de veroordeelde wegens:

1. doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, en

2. doodslag

ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

De terbeschikkingstelling is aangevangen op 26 april 2005 en laatstelijk op 30 april 2019 verlengd met twee jaar, welke verlengingsbeslissing in hoger beroep door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is bevestigd bij beslissing van 12 september 2019.

Het advies van de instelling

In het voormeld verlengingsadvies wordt geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling te verlengen met 2 jaren. In dit verlengingsadvies is onder meer het volgende aangegeven, zakelijk weergegeven:

De veroordeelde is een 50-jarige man bij wie sprake is van ernstige cluster B persoonlijkheidsproblematiek, een hoge mate van psychopathie en verslavingsproblematiek. Gedurende het verblijf in vijf tbs-klinieken is behandeling niet van de grond gekomen, heeft geen verlof plaatsgevonden en is derhalve resocialisatie niet aan de orde geweest. In de verschillende klinieken is gepoogd om met de veroordeelde de delicten te bespreken om te komen tot een adequaat behandelaanbod. Vanwege discrepanties in de verhalen van de veroordeelde en de gegevens uit het strafdossier, als ook de ontkenning van één van de delicten, is er geen delictanalyse in samenwerking met de veroordeelde tot stand gekomen. De behandeling is tevens gefrustreerd door de vele incidenten met verbale dreigingen en gerichte agressie, waardoor er langere periodes zijn geweest waarin de veroordeelde in afzondering is verpleegd vanwege onbeheersbaar gedrag. Er is sprake van een niet te doorbreken weerstand, gebaseerd op angst en verzet, wat uiteindelijk heeft geleid tot een LFPZ (Langdurig Forensisch Psychiatrische Zorg) plaatsing. Hieraan voorafgaande heeft de veroordeelde in 2018 in het PBC verbleven, dat het advies van plaatsing in de LFPZ heeft onderschreven. Vanwege dreigende uitspraken van de veroordeelde wanneer sprake zou zijn van perspectiefverlies, is er door de toenmalige kliniek een EVBG (extra vlucht- en/of beheersgevaarlijk) status aangevraagd en toegekend in afwachting van een plaatsing in de LFPZ. De laatste periode in de van Mesdagkliniek heeft de veroordeelde op een Zeer Intensieve Zorg afdeling doorgebracht. De afwezigheid van behandeldruk, duidelijke regels en een bejegening, aangepast op de problematiek van de veroordeelde, hebben ervoor gezorgd dat het gedrag van de veroordeelde hanteerbaar is.

Bij het verlengen van de EVBG status in oktober 2019 is het advies geweest om bij overgang naar de LFPZ, de veroordeelde te plaatsen op de Zeer Intensieve Specialistische Zorgafdeling van de LFPZ binnen de P.I. Vught. Vanwege plaatsgebrek aldaar is de veroordeelde voor een korte periode geplaatst op de locatie in Zeeland, waar het gedrag van de veroordeelde zorgde voor een ontregeling van het afdelingsmilieu en er sprake was van een moeizame samenwerking met het behandelteam. Na een maand is de veroordeelde alsnog geplaatst op de ZISZ-afdeling in Vught waar het zo nu en dan onaangepaste gedrag van de veroordeelde op een directieve wijze bespreekbaar wordt gemaakt en waar nodig wordt begrensd. Dankzij de directieve bejegening en het verblijf binnen een structurerende individueel gerichte omgeving hebben zich in de afgelopen periode geen incidenten voorgedaan. De focus ligt op het komen tot een samenwerking met de veroordeelde waarin hij laat zien dat hij in staat is om zich aan bepaalde aanwijzingen en afspraken te houden, zonder in conflict te komen met zijn omgeving. Ook wordt ernaar gestreefd de veroordeelde te laten nadenken over zijn eigen gedrag, zodat een overplaatsing naar Zeeland gerealiseerd kan worden. Er worden momenteel geen mogelijkheden gezien om te komen tot verandering middels behandeling en evenmin tot meer vrijheden en/of tot verlaging van het risiconiveau met een daarbij behorende afschaling van het huidige, hoge beveiligingsniveau.

De deskundige M.W.C. van de Rijdt heeft tijdens de zitting van 13 april 2021 het advies bevestigd en nader toegelicht. Deze toelichting houdt – zakelijk weergegeven – in:

De veroordeelde verblijft momenteel in Vught, maar hij wordt over twee weken overgeplaatst naar Zeeland. Deze overplaatsing wordt momenteel voorbereid. Er zullen medewerkers uit Zeeland naar Vught komen om uitleg te geven over het programma en de eerste periode van het verblijf aldaar. Vooralsnog is sprake van wantrouwen tussen de veroordeelde en het behandelteam. Er zal in Zeeland gekoerst gaan worden op het komen tot een samenwerkingsrelatie. Het is de bedoeling dat in Zeeland stapsgewijs uitbreiding kan plaatsvinden van bewegingsvrijheid en de mate van autonomie. Zodoende kan de veroordeelde mogelijk wat meer beslissen over zijn eigen leven, uiteraard binnen de beperkingen van de kliniek.

De adviezen van de deskundigen als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid Sv.

Uit de door de deskundigen opgemaakte rapporten van psychiater J.L.M. Dinjens en klinisch psycholoog W.F. van Kordelaar blijkt dat de veroordeelde niet heeft willen meewerken aan de onderzoeken. De psychiater heeft zich onthouden van een advies, maar is van mening dat op basis van het dossier weinig anders lijkt te resteren dan verlenging van de tbs-maatregel. De psycholoog heeft geoordeeld dat de gegevens in het dossier dat sinds 2005 is bijgehouden zodanig consistent zijn, dat op basis daarvan de vragen naar diagnostiek, gevaars- en behandelingsprognoses en daarmee die naar de verlenging van de maatregel en het continueren van de LFPZ-status, verantwoord kunnen worden beantwoord. De psycholoog heeft geadviseerd de termijn van de terbeschikkingstelling met 2 jaren te verlengen. Het is niet in te zien dat na een jaar een situatie aan de orde kan zijn waarin een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging aan de orde is.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij haar vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met 2 jaren. De veroordeelde is sinds 2005 ter beschikking gesteld en behandeling is niet van de grond gekomen doordat de veroordeelde behandeling heeft geweigerd. Ook al zou de veroordeelde in Zeeland gaan meewerken aan behandeling, dan nog is een verlenging met 2 jaar noodzakelijk.

Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman

De veroordeelde en zijn raadsman hebben gepleit voor een verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het van belang is om een vinger aan de pols te houden en dat het voor de veroordeelde van belang is om perspectief te krijgen. Daarnaast had de veroordeelde willen meewerken aan de onderzoeken van de gedragsdeskundigen, maar heeft hij dit uiteindelijk geweigerd toen bleek dat hij van de kliniek in Vught enkel via een luik met de deskundigen mocht praten. Op die manier wenst de veroordeelde niet te communiceren. Het is in het belang van de veroordeelde dat aan het verblijf in Vught een einde komt, maar de overplaatsing naar Zeeland vraagt er ook om dat vinger aan de pols wordt gehouden. In de toekomst, mogelijk in 2022, zal een zorgconferentie plaatsvinden. De LFPZ-beslissing wordt over het algemeen gekoppeld aan een verlengingszitting en mede daarom is het van belang dat de terbeschikkingstelling met niet meer dan een jaar wordt verlengd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de in het onderliggende vonnis voorkomende bewezenverklaring, de kwalificatie en de motivering van de opgelegde straf en maatregel, in onderling verband en samenhang bezien vast, dat het evident is dat de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd ter zake van misdrijven gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten gekwalificeerde doodslag en doodslag.

Op grond van de inhoud van voormelde adviezen, de door de deskundige gegeven toelichting en hetgeen overigens uit het onderzoek ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de ernstige cluster B persoonlijkheidsproblematiek, de hoge mate van psychopathie en de verslavingsproblematiek onverminderd aanwezig zijn. Het recidiverisico wordt hoog ingeschat bij beëindiging van de maatregel. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen vereist dat de termijn van de dwangmaatregel wordt verlengd.

De rechtbank zal de maatregel echter niet verlengen met 2 jaar. De rechtbank overweegt hiertoe dat de veroordeelde op korte termijn overgeplaatst zal worden vanuit Vught naar Zeeland, waar hij de kans krijgt een nieuwe start te maken. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat de veroordeelde – kennelijk vanwege de door de raadsman geschetste omstandigheden – niet heeft meegewerkt aan de deskundigenrapportages. De rechtbank acht het van belang dat de veroordeelde volgend jaar opnieuw de kans krijgt mee te werken aan onderzoeken van deskundigen als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid Sv. Tot slot acht de rechtbank het van belang dat de veroordeelde een positieve stimulans krijgt. Dit betekent echter niet dat de maatregel nu binnen afzienbare tijd zal worden beëindigd. De rechtbank benadrukt dat de veroordeelde die verwachting niet aan deze beslissing kan ontlenen.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, de terbeschikkingstelling met 1 jaar verlengen. Voorts zal de rechtbank het openbaar ministerie voor de volgende verlengingszitting in 2022 de opdracht geven tot het aanvragen van nieuwe adviezen van deskundigen als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid Sv.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van veroordeelde met 1 jaar.

De rechtbank geeft aan het openbaar ministerie de opdracht tot het aanvragen van adviezen van deskundigen als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid Sv, voor de verlengingszitting in 2022.

Deze beslissing is gegeven door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. H.M. Lenting, rechters, bijgestaan door mr. E.F. Jonkman, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2021.