Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1579

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-04-2021
Datum publicatie
26-04-2021
Zaaknummer
18/116224-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Dertien jaar gevangenisstraf voor een 35-jarige man uit Ferwert voor poging tot doodslag op zijn ex-vriendin en brandstichting in haar woning, gepleegd in de nacht van 26 op 27 april 2020 in Dokkum. Verdachte had een aantal jaren een relatie met de vrouw gehad. De vrouw had bij de politie melding gedaan dat de man haar bleef lastigvallen en haar ook bedreigd had. De rechtbank ziet in de door de politie verzamelde bewijsmiddelen genoeg bewijs voor de conclusie dat verdachte de feiten heeft gepleegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0367
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/116224-20

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 oktober 2020, 22 december 2020, 4 januari 2021 en 29 maart 2021.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.G. Eckhardt, advocaat te 's-Gravenhage.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 26 april 2020 en 27 april 2020 te Dokkum, in elk geval in de gemeente Noardeast-Fryslan in een woning/pand (gelegen aan of bij de [adres] ), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer 1]

- ( met een voorwerp en/of anderszins) tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft geslagen en/of gestompt, en/of

- tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft getrapt en/of geschopt,

althans (met een voorwerp en/of anderszins) ernstig geweld heeft uitgeoefend op het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 26 april 2020 en 27 april 2020 te Dokkum, in elk geval in de gemeente Noardeast-Fryslan, in een woning/pand (gelegen aan of bij de [adres] ), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer 1]

- ( met een voorwerp en/of anderszins) tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft geslagen en/of te gestompt, en/of

- tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft getrapt en/of te geschopt,

althans (met een voorwerp en/of anderszins) ernstig geweld heeft uitgeoefend op het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2
hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 26 april 2020 en 27 april 2020 te Dokkum, in elk geval in de gemeente Noardeast-Fryslân, in een woning (gelegen aan of bij de [adres] ) op een of meerdere plaats(en) in die woning opzettelijk brand heeft gesticht door (telkens) in die woning op een of meer plaats(en)(een) brandbare en/of vluchtige

en/of brand versnellende middel(en) en/of (vloei)stof(fen) te sprenkelen en/of uit te gieten en/of (vervolgens) (telkens) open vuur in aanraking te brengen met

- die brandbare en/of vluchtige en/of brand versnellende middel(en) en/of (vloei)stof(fen) en/of de goederen waarover die brandbare en/of vluchtige en / of brand versnellende middel(en) en / of (vloei) stof(fen) waren gesprenkeld en/of uitgegoten en/of

- een of meer andere goederen en/of inventaris en/of inboedel in die woning,

in elk geval met (een) brandbare goed(eren)/stof(fen),

ten gevolge waarvan een of meer bank(en) en/of een theedoek/handdoek en/of

muurbekleding en/of een of meer andere goederen en/of onderde(e)l(en) van de inventaris en/of inboedel van die woning en/of die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval (telkens) brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor die een of meer bank(en) en/of en/of een theedoek/handdoek en/of muurbekleding en/of die een of meer andere onderde(e)l(en) van de inventaris en/of inboedel van die woning en/of die woning en/of de naastgelegen woning en/of de inventaris

en/of inboedel van die naastgelegen woning, in elk geval (telkens) gemeen gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor de in die woning aanwezige [slachtoffer 1] en/of haar dochter [slachtoffer 2] en/of de bewoner(s) van de naastgelegen woning, in elk geval (telkens) levensgevaar voor een ander of anderen

en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] en/of haar dochter [slachtoffer 2] en/of de bewoner(s) van de naastgelegen woning, in elk geval (telkens) gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen,

te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde omdat er te weinig bewijs is om voorbedachte raad aan te nemen. De officier van justitie heeft veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van het onder 1. subsidiair en het onder 2. ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging en het oordeel van de rechtbank daaromtrent

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. Hij heeft daartoe verschillende argumenten aangevoerd.

De raadsman heeft een aantal vragen gesteld met betrekking tot het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) over de in de automat aangetroffen glasdeeltjes. De raadsman plaatst vraagtekens bij de vaststelling van het NFI dat 4 van de aangetroffen glassporen geschikt voor analyse waren en 3 stuks niet. De raadsman heeft aangegeven dat de grootte van de gebruikte glassporen nergens uit blijkt en dat dit van belang is omdat hoe groter het aantal aangetroffen glasbronnen is, hoe groter de kans wordt op het vinden van een toevallige overeenkomst. De raadsman heeft daarnaast gesteld dat de gebruikte onderzoeksmethode ook geschikt is voor het aantreffen van elementen en materialen en voor het aantreffen van schimmel. Het rapport vermeldt hierover niets. Het rapport vermeldt ook niets over bloed of andere biologische sporen die aangetroffen hadden moeten worden. De raadsman heeft zich daarnaast afgevraagd waarom de grootte van de productie batch niet is nagegaan en of er nog andere batches kunnen zijn met glas met exact dezelfde samenstelling.

De rechtbank stelt vast dat uit tabel 3 op pagina 7 van het betreffende rapport blijkt dat 7 op glas lijkende sporen zijn aangetroffen in de automat. Het NFI heeft aangegeven dat 4 van deze sporen groot genoeg waren voor een correcte analyse. De rechtbank heeft geen enkele reden aan te nemen dat het NFI de gevonden glassporen niet op de juiste wijze heeft gemeten en daarom meer of minder sporen heeft onderzocht dan had gemoeten. De rechtbank zal aan de constatering van de raadsman dat het rapport niets vermeldt over het aantreffen van elementen, materialen, schimmel, bloed of andere biologische sporen geen gevolgen verbinden. De opdracht aan het NFI was om het gevonden glas te vergelijken met het referentie-monster. Die opdracht heeft het NFI uitgevoerd.

Een onderzoek naar de productiebatch van glas wordt niet standaard uitgevoerd door een deskundige. Zoals uit de bijlage glasonderzoek naar voren komt, heeft het NFI voor de berekening van de likelihood ratio gebruik gemaakt van de standaard glasdatabase van referentieglas uit zaken. Wanneer er van glas met een bepaalde elementsamenstelling een groot aantal ruiten zijn geproduceerd, is de kans groter dat hier meer referentieglas van is opgenomen in de glasdatabase dan van glas met een samenstelling waarvan een klein aantal ruiten zijn geproduceerd. De grootte van de productiebatch heeft dus al indirect invloed op de samenstelling van de glasdatabase. Aangezien deze glasdatabase vervolgens door de deskundige wordt gebruikt om de likelihood ratio te berekenen, is de grootte van de productiebatch al indirect meegenomen in de likelihood ratio berekening. Met andere woorden, glas dat heel veel wordt gebruikt zal leiden tot een lagere likelihood ratio. Het NFI heeft hier dus rekening mee gehouden.

De rechtbank ziet geen beletselen om de conclusies van het rapport van het NFI over het vergelijkend glasonderzoek voor het bewijs te gebruiken.

De raadsman heeft vraagtekens gezet bij de constatering van het NFI dat de brand om 01:30 uur had kunnen ontstaan terwijl de brandweerman die ter plekke aanwezig was met zijn 35-jarige ervaring de schatting heeft gemaakt dat de brand niet of nauwelijks langer heeft geduurd dan 20 minuten.

De rechtbank ziet de door de raadsman gestelde vragen beantwoord in het rapport van het NFI van 21 maart 2021. Er is rekening gehouden met smeulend vuur en ventilatie via het kapot geslagen raam en later via de geopende garagedeur. De rechtbank ziet geen redenen te twijfelen aan de conclusies van het NFI met betrekking tot de mogelijke duur van de brand.

De raadsman heeft nog een aantal contra-indicaties voor het aanmerken van verdachte als dader genoemd, te weten:

- in de auto van verdachte wordt geen enkel technisch spoor van aangeefster aangetroffen, ook niet op voorwerpen;

- het voorwerp waarmee het ernstig letsel bij het slachtoffer is toegebracht is niet aangetroffen;

- er wordt geen DNA en/of vingerafdrukken van verdachte aangetroffen in de woning van het slachtoffer;

- de camerabeelden van 21 locaties leverden geen belastend bewijs op;

- het aangetroffen schoenzoolspoor kan niet worden geïndividualiseerd;

- er is DNA van een onbekende man aangetroffen in de woning van aangeefster;

- er zijn bij verdachte geen brandsporen aangetroffen.

De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman aangegeven contra-indicaties niet maken dat verdachte niet als dader zou kunnen worden aangemerkt. Ook de overige daaromtrent door de raadsman in zijn pleidooi gemaakte opmerkingen kunnen niet tot deze conclusie leiden.

De raadsman heeft diverse kanttekeningen geplaatst bij verschillende onderdelen van de door het slachtoffer afgelegde verklaringen en de bruikbaarheid daarvan voor het bewijs.

De rechtbank zal de door de raadsman genoemde delen van de verklaring van het slachtoffer niet voor het bewijs gebruiken.

Oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

1. het aantreffen van de slachtoffers

1.1.

Op 27 april 2020 omstreeks 03.20 uur kreeg verbalisant [verbalisant] een melding van een woningbrand aan [adres] te Dokkum. Om 03:23 uur was hij bij de woning en zag dat in de woonkamer brand woedde met gele vlammen. Het voorraam was geblakerd en een zijraam was gescheurd door de warmte van de brand. Van omstanders hoorde verbalisant dat de woning werd bewoond door een vrouw en haar driejarige dochter. Verbalisant zag bij de garagedeur vers bloed, afkomstig van de binnenzijde van de garage. Na het openen van de garagedeur zag verbalisant ongeveer een meter vanaf de deur een naakt persoon, half zittend op de knieën op de grond. De persoon zat onder het bloed en rondom de persoon lag op de grond veel bloed. De persoon leek op een vrouw. Verbalisant zag dat de persoon een behoorlijke wond op de rechterzijde van het hoofd had. In de garage stond een beetje rook. De gewonde persoon reageerde amper op verbalisant en bewoog licht na aanroepen. Om 03.25 uur was de ambulance ter plaatse.2

1.2.

Verbalisant [verbalisant] zag dat er in de garage meerdere glasscherven lagen en zij zag dat het raam van de deur vanuit de garage naar de achterzijde van de woning en de tuin kapot was. Aan de brandweer werd doorgegeven dat er mogelijk nog een kind van drie jaar in de woning aanwezig zou zijn. Verbalisant hoorde later dat de brandweer het dochtertje uit bed had gehaald. Verbalisanten hielpen bij het tillen van het slachtoffer op de brancard van de ambulance. Verbalisant [verbalisant] hoorde de vrouw zeggen: "Ik wil dit niet meer, ik wil niet meer" of woorden van soortgelijke strekking. De betrokken slachtoffers waren [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1991, en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2017.3

Brandweerman [naam] was omstreeks 03.28 uur als bevelvoerder bij de woning. De manschappen troffen een slachtoffer aan in de garage van deze woning. De brandweer hoorde van de buren dat er een kind boven in de woning lag. De voordeur werd geforceerd en twee mensen van de brandweer hebben het kind uit haar bed gehaald. Het kind is met de ambulance weggebracht.4

2. het letsel van de slachtoffers

2.1.

De forensisch arts Brinker heeft op basis van ontvangen en bestudeerde documenten geconstateerd dat bij het slachtoffer [slachtoffer 1] ernstig schedel/ hersenletsel met o.a. een bloeduitstorting tussen het harde hersenvlies en het schedelbot, een breuk in de onderzijde van de schedel en een schedelfractuur verlopend over de gehele zijkant van de rechter schedelhelft zijn waargenomen. Bij de breuk aan de rechterkant van het hoofd werden losse botfragmenten gezien die gedeeltelijk het hoofd in verplaatst waren en die gedeeltelijk ontbraken. Een deel van de breuk liep vlak boven een groot bloedvat waar ook een grote bloeding werd gezien. Er was een breuk aan de linkerkant van de schedel, verlopend over het wandbeen en het slaapbeen, met daaronder een epidurale bloeding. Tijdens de operatie werd nog een bloeduitstorting onder het harde hersenvlies aan de rechterkant gezien.5 Het geconstateerde uitwendig letsel (op basis van gemaakte foto's) bestond onder andere uit een gehechte huidverwonding aan de neusbrug, paarsblauwe huidverkleuringen passend bij een bloeduitstorting in het gezicht, op een arm en op beide benen. Er werden huidbeschadigingen/huidverkleuringen passend bij schaafwonden of krasletsel gezien in het gezicht, op de borst, op de benen, op de armen en op de onderbuik.

Er waren huiddoorbrekingen passend bij een scheurwond op de linker onderarm en passend bij steek- of snijletsel op de buitenzijde van de rechter onderarm.6

De forensisch arts komt tot de conclusie dat er, zonder medisch ingrijpen, een zeer waarschijnlijke reële kans op overlijden was op basis van het beschreven hersen/ schedelletsel.7 De genoemde inwendige letsels aan beide zijden van de schedel en in het hoofd zijn ontstaan na inwerkend stomp geweld. Als er meerdere breukfragmenten en een indeukingsfractuur is dan pleit dit meer voor slagen tegen het hoofd dan voor een val. Voor het breken van de schedel is een hoogenergetische impact nodig op een gelokaliseerde oppervlak.8 De letsels op de onderarmen zijn veroorzaakt door een kantig voorwerp of oppervlak. De krasletsels op verschillende delen van het lichaam kunnen zijn ontstaan door een kantig, puntig of scherp voorwerp of oppervlak. Het is niet waarschijnlijk dat deze letsels passen bij het scenario dat het slachtoffer - al dan niet aan haar haren - de trap af is gesleept en vervolgens via de kamer en de keuken naar de garage is gesleept. De letsels op de onderarmen zouden qua locatie goed kunnen passen bij afweerletsel.9

2.2.

De forensisch arts Brinker heeft op basis van ontvangen en bestudeerde documenten geconstateerd dat bij het slachtoffer [slachtoffer 2] de aanwezigheid van roet op het gehele gelaat en op de armen zijn waargenomen. In de neus werd beiderzijds een zeer forse roetafzetting gezien en inwendig werden roetdeeltjes gezien tot voorbij de afsplitsing van de luchtpijp naar de linker en recht luchtpijptak.10 Er bestond een mild risico op het ontwikkelen van longklachten na de inhalatie van rook en roetdeeltjes, na spoeling van de luchtwegen om deze roetdeeltjes te verwijderen. Mogelijk zou het risico groter zijn als de luchtwegen niet zouden zijn gespoeld. Het zou goed mogelijk kunnen zijn dat bij het uitblijven van (medische) hulp en een langere verblijfsduur in de woning tijdens de brand het percentage HbCO in het bloed aanzienlijk hoger zou zijn geworden, met ernstige letsels (zuurstoftekort leidend tot orgaanschade en hersendood) van dien.11

3. de brand in de woning

3.1.

De bevelvoerder van de brandweer heeft verklaard dat het voor hem wel zeker is dat de brand is aangestoken omdat hij geen andere oorzaak heeft kunnen vinden voor de brand. De brand is ontstaan bij de bank die in brand stond. Er werden geen brandbronnen ontdekt, waardoor de brand zou kunnen zijn ontstaan. De bevelvoerder zag dat een raam van de bijkeuken van buiten naar binnen was ingeslagen. Het glas lag namelijk aan de binnenzijde. Het gat was dusdanig dat daardoor niet iemand naar binnen kon klimmen. Wel zou je door het gat in het raam de deur kunnen openen.12

3.2.

Verbalisanten hebben forensisch onderzoek verricht in de woning aan [adres] te Dokkum. Het betreft een twee-onder-een-kap woning. Aan de rechterzijde bevindt zich een inpandige garage. De woning is tevens te betreden door middel van een deur aan de voorzijde van de woning. Via deze deur wordt een hal betreden die toegang biedt tot de woonkamer met open keuken. De keuken biedt toegang tot de bijkeuken en deze biedt toegang tot de inpandige garage. Aan de achterzijde van de garage bevindt zich een deur welke toegang biedt tot de tuin. 13 De brand had zich voorgedaan op de begane grond. In de gehele woning was sprake van roetafzetting. Verbalisanten zagen een verbrand object in het zithoek gedeelte van de woonkamer. Dit was een bank geweest die dusdanig was aangetast door brand dat er alleen nog een skelet over was. De muurbekleding achter deze bank was aangetast door hitte inwerking en vuur. De bank was aan de linkerzijde meer vernietigd dan aan de rechterzijde.14 Een tweede bank stond haaks naast deze bank. Verbalisanten zagen dat deze aan de buitenzijde van de linker leuning brandschade had. Gelet op het brandbeeld is niet uit te sluiten dat deze leuning door hitte straling of vuuroverslag vanuit de andere bank in brand is geraakt. Met een speurhond is onderzoek gedaan naar brandversnellende middelen. De hond gaf op verschillende plekken meldingen. Daarna zijn de locaties gemeten met een PID-meter. Verbalisant vat zijn bevindingen als volgt samen. Nabij de bank die het meest ernstig aangetast was door vuur werden geen technische voorzieningen aangetroffen die het ontstaan van de brand zou kunnen verklaren. Bij deze bank werden geen indicatie voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen aangetroffen. Dit zou kunnen worden verklaard doordat, indien hier wel brandversnellende middelen aanwezig waren geweest, deze volledig waren verbrand. De tweede bank was aan een zijde aangetast door hitte-inwerking en vuur. Op deze bank werden op twee verschillende plaatsen een indicatie gezien (door de hond en de PID meter) voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen.15

Op de eetkamertafel werd een deels verbrande theedoek aangetroffen waarbij ook een indicatie voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen werd aangetroffen. Andere brandbare goederen in de nabijheid van de theedoek waren niet door hitte-inwerking en vuur aangetast. Op de tafel werden geen technische voorzieningen aangetroffen die het ontbranden van de theedoek zou kunnen verklaren. Dit kan passen in het beeld van brandstichting. Gelet op het voorgaande was er in de woonkamer sprake van minimaal twee brandhaarden. Gelet op het verschil in brandschade op de theedoek die op de tafel lag en op de bank, is het aannemelijk dat de bank eerder is gaan branden dan de theedoek. Verspreid in de woonkamer werd op diverse plaatsen een indicatie voor de aanwezigheid van brandversnellende middelen aangetroffen. Dit geeft het beeld dat er op diverse plaatsen in de woonkamer brandversnellende middelen zijn aangebracht.

In de woning was de zwaargewonde bewoonster kennelijk niet meer in staat om een hulpvraag te doen. In de woning was de driejarige dochter van de bewoonster op de eerste verdieping aanwezig. De brand vond plaats in de nachtelijke uren. Gelet op de aangetroffen sporen en het ontbreken van technische voorzieningen die de oorzaak van de twee brandhaarden zou kunnen verklaren, is er brand gesticht. In het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek werden er sporen van vloeistof onder de voet van de tv op het televisiemeubel (SIN AALN8205NL) en schuimrubber uitgesneden tussen 2 zittingen van de bank (SIN AALN8292NL) veiliggesteld.16 Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft deze monsters onderzocht en zij komen tot de conclusie dat in beide monsters vluchtige stoffen zijn aangetoond. De aangetoonde combinatie van deze stoffen wijst op een product van de subklasse kerosine.17

3.3.

Het NFI heeft materiaal, stukken en foto's bestudeerd en onderzocht op brandsporen in de woning en de relevante omstandigheden van het incident voor het brandverloop en er is experimenteel onderzoek uitgevoerd op de aangeleverde monsters van de vulling en bekleding van de verbrande bank.18 Het onderzoek heeft geleid tot de volgende interpretatie van de resultaten. De buurman heeft als eerste de brand gezien en omschreef deze als een kampvuur in de woonkamer. Deze verklaring past goed bij een gesmoorde brand in de bank die gestaag van links naar rechts de bank heeft opgebrand. Ook het feit dat een slaapkamer van de woning van de buren gevuld was met rook, geeft aan dat de brand een geruime tijd voor de ontdekking moet zijn ontstaan. Gezien de beperkt aanwezige ventilatie tijdens de brand zal de rook zich niet snel hebben kunnen verplaatsten. De bevelvoerder van de brandweer sprak van een brand met vlammen van één meter hoog, wat hoger is dan verwacht wordt van een gesmoorde brand. Echter, door toegenomen ventilatie, zoals door de geopende garagedeur en even later ook de voordeur, kan een gesmoorde brand oplaaien, met hogere vlammen als gevolg. Deze observatie van de brandweer geeft daarom geen informatie over de duur van de brand. Uit de wetenschappelijke literatuur blijkt dat een brand in een bank die door zuurstofgebrek gesmoord is, meerdere uren als kleine brand verder kan branden. Het is dus mogelijk dat de brand in de bank in de woonkamer al voor 1:50 uur was ontstaan, gegeven dat de brand om 3:18 uur was ontdekt.19 Het is aannemelijk dat de brand langer heeft gebrand dan de typische brandduur van 10 tot 20 minuten voor een bank. De verbrande bank is namelijk voor een aanzienlijk deel opgebrand zoals na een ongehinderde brand in een bank, maar brandde veel langzamer dan een ongehinderde brand door zuurstofgebrek. Om dezelfde mate van verbranding te krijgen, moet bij een lagere verbrandingssnelheid de brand logischerwijs langer hebben geduurd. Concreet betekent dit dat de verbrande bank langer zal hebben gebrand dan 20 minuten, met een maximale brandduur van enkele uren. Het wordt daarom mogelijk geacht dat de brand in de verbrande bank al omstreeks 1:50 uur was ontstaan, gegeven dat de brand om 3:18 uur was ontdekt.20

4. overig forensisch onderzoek in de woning

4.1.

Er is forensisch onderzoek verricht in de woning van het slachtoffer aan [adres] in Dokkum. Verbalisanten zagen dat er op de diverse treden van de trap naar de eerste verdieping bloedsporen zichtbaar waren.21 In de ouderslaapkamer werd op de vloer en op daar liggende kledingstukken bloed gezien. Op het matras van het bed zat een hoeslaken. Verbalisanten zagen dat er op het bed diverse vezels en ogenschijnlijk hele kleine glassplinters lagen. Verbalisanten zagen een veegspoor van bloed, mogelijk ontstaan door een bebloede hand/vingers.22 Een bloedspoor liep in de richting van de slaapkamerdeur en op de overloop liep een spoor bloed in de richting van de trap. Op de trap werd een spoor gezien van een vallende bloeddruppel. Er werden bloedsporen gezien mogelijk veroorzaakt door bebloede schoenzolen. Op de muur naast de trap werden bloedspatten gezien die ontstaan zijn als gevolg van een krachtsinwerking in vloeibaar bloed. Na de deur van de hal waren er sleepsporen bloed richting keuken en bijkeuken. Ter hoogte van de keuken, nabij de bijkeuken, was een grotere hoeveelheid bloed zichtbaar. Dat gaf de indicatie dat het slachtoffer (onder de aanname dat het bloed afkomstig is van het slachtoffer) op deze locatie gedurende enige (korte) tijd, even niet is/werd verplaatst.23

4.2.

Bij forensisch onderzoek in de woning aan [adres] in Dokkum werd in de bijkeuken, tussen de keukendeur en de deur tot de garage, veegsporen van en door bloed gezien. Verbalisanten zagen in de directe nabijheid daarvan rondvormige en ellipsvormige bloedspatten en voor een wasmachine zagen zij een grote pluk haar liggen. Het sleepspoor ging via de drempel naar de vloer van de garage. Nabij de garagedeur zagen verbalisanten bloedpoelen en rondvormige bloedspatten met veegsporen en afdrukpatronen geplaatst met bloed. Het bloedsporenbeeld gaf de indicatie dat het slachtoffer zich op verschillende locaties aan de voorzijde van de garage en tegen de garagedeur had bevonden.

Op de vloer van de garage was een bloedstroompatroon te zien dat onder de garagedeur door naar buiten liep.24 Tegen de muur van de garage stond een binnendeur met een beschadiging op een hoogte van ongeveer 140 cm met in de beschadiging haren. Naast de beschadiging zagen verbalisanten een afdrukpatroon geplaatst met bloed dat, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, mogelijk veroorzaakt is door bebloed haar.25 Op de vloer van de garage lagen ook haren. De beschadiging van de deur met daarin haren en de op de deur aanwezige sporen en de op de vloer aangetroffen haren geven de indicatie dat het slachtoffer (ook) in de garage is mishandeld.26

4.3.

Op de locatie [adres] te Dokkum zagen verbalisanten dat de keuken toegang biedt tot de bijkeuken en deze biedt toegang tot de inpandige garage. Aan de achterzijde van de garage biedt een deur toegang tot de tuin. Verbalisanten zagen dat de ruit van de laatstgenoemde deur verbroken was en dat er glas zowel aan de binnenzijde van de garage als aan de buitenzijde in de tuin lag. Zij zagen dat de ruit bestond uit twee glasplaten met lucht daartussen. Verbalisant heeft aan de buitenzijde van de deur een scherf uit de sponning veiliggesteld en voorzien van SIN AAIC7631NL en aan de binnenzijde van de deur een scherf uit de sponning veiliggesteld en voorzien van SIN AAIC7633NL27.

5. het aantreffen en aanhouden van verdachte en zijn gedragingen in de betreffende nacht

5.1.

In de nacht van 26 op 27 april 2020 zijn verbalisanten naar het adres van verdachte aan [adres] in Ferwert gereden. Er was een melding ontvangen van een woningbrand en het aantreffen van een zwaar gewonde vrouw op het adres [adres] te Dokkum. Er was een aandachtsvestiging op dit adres waarin stond dat de bewoonster, [slachtoffer 1] , gestalkt werd door een ex van haar, verdachte [verdachte] . De meldkamer had doorgegeven dat verdachte een Volvo en een Peugeot op zijn naam had staan.28 Om 03:45 uur waren zij bij de woning van verdachte en zagen dat er geen Volvo stond. Zij zochten in de omgeving naar de auto. Om 04:20 uur zagen zij de Volvo rijden op [adres] . Verbalisanten keerden hun voertuig maar zagen dat de Volvo daarna al uit het zicht was verdwenen. Dat was, gezien de afstand, alleen mogelijk wanneer de Volvo op hoge snelheid was weggereden. Verbalisanten keerden opnieuw en reden terug en zagen even later de Volvo opnieuw op [adres] rijden. Zij blokkeerden de weg en verbalisant stapte uit en sprak de bestuurder aan. Zij zagen dat de bestuurder het voertuig in de achteruit zette en achteruit liet rollen. Verbalisant heeft daarop het portier geopend en de bestuurder gesommeerd de motor uit te zetten. De bestuurder voldeed hieraan. Verbalisanten zagen dat de bestuurder trillende handen had en heel erg transpireerde. De bestuurder identificeerde zich als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985. Zij hoorden verdachte zeggen dat hij niets verkeerd had gedaan en dat hij ruzie had gehad met zijn vriendin. Hij zei dat hij geen contact meer had met [slachtoffer 1] en dat hij weg was geweest om de auto te wassen. Verbalisanten zagen dat de auto behoorlijk smerig was en onder het zand zat. In de auto stond een emmer met een doek. Op de bestuurdersstoel lagen twee doeken waar de bestuurder op kon zitten.29

5.2.

Verbalisanten hebben zich gevoegd bij de collega’s die verdachte voor de woning hadden aangehouden. De collega's vertelden dat de vrouw van verdachte buiten had gestaan toen zij hem aanhielden en dat zij hadden gehoord dat verdachte naar haar riep dat ze niet met de politie moest praten.30

5.3.

Verbalisanten verklaren dat [naam] hen op 27 april 2020 vertelde dat haar man, verdachte [verdachte] , de afgelopen nacht met de auto was vertrokken en dat hij daarna weer thuis was gekomen en vervolgens weer in zijn auto vertrok.31

5.4.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij gekraamd heeft bij [naam] en [verdachte] , verdachte, na de geboorte van hun vierde kindje in november 2019. Zij heeft met hen over het nu al twee of drie jaar vreemd gaan door verdachte met een vrouw uit Dokkum, een collega, gesproken. Verdachte had haar verteld dat hij niet lekker in zijn vel zat en dat de hele situatie hem boos maakte. Getuige hoorde verdachte soms schreeuwen, dan was er weer contact geweest tussen hem en de vrouw uit Dokkum.32 De getuige merkte veel woede in verdachte en er waren ruzies/woorden tussen verdachte en [naam] .33 De getuige verklaarde dat zij met [naam] had gesproken over die nacht (de rechtbank begrijpt de nacht van 26 op 27 april 2020) en dat [naam] had gezegd dat verdachte weg was toen zij die nacht wakker werd. Verdachte was een 10 of 15 minuten later thuis gekomen. Hij was helemaal naakt en zat onder de modder. Verdachte is toen gaan douchen en is daarna weer weggegaan.34 De getuige verklaarde dat [naam] haar verteld had dat zij en verdachte samen naar bed waren gegaan. Toen [naam] rond 03:00 uur of 03:30 uur wakker werd, was verdachte er niet en [naam] is toen naar beneden gegaan en 10 minuten later kwam verdachte thuis. [naam] had haar gezegd dat verdachte helemaal bloot thuis was gekomen en onder de modder. Hij had geen kleren, geen telefoon, helemaal niets bij zich.35

6. forensisch onderzoek met betrekking tot de personenauto Volvo

6.1.

Er is onderzoek uitgevoerd in de inbeslaggenomen Volvo personenauto van verdachte [verdachte] . De automat voor de bestuurdersstoel werd veiliggesteld voor een onderzoek naar glasresten in de mat. De mat werd voorzien van SIN AANR9452NL.36

6.2.

Uit een rapport van het NFI blijkt dat er vergelijkend glasonderzoek is verricht waarbij glassporen vanaf de sporendragers zijn vergeleken met de als vergelijkingsmateriaal ingestuurde glasmonsters, verder aangeduid als 'referentieglas'.37

In de onderzochte automat voorzien van SIN AANR9452NL werden zeven op glas lijkende sporen aangetroffen. Hiervan waren vier sporen geschikt voor analyses. Twee van deze sporen kwamen overeen met het referentieglas met SIN AAIC7631NL. De resultaten van het vergelijkend glasonderzoek zijn geëvalueerd onder de hypothesen: Eén of meer van de onderzochte glassporen op de sporendrager(s) zijn afkomstig van de gebroken ruit van de garagedeur (dit is hypothese 1) en alle onderzochte glassporen op de sporendrager(s) zijn afkomstig van (een) willekeurig andere ruit(en). De conclusie is dat het veel waarschijnlijker is dat hypothese 1 waar is, dan dat hypothese 2 waar is. Het resultaat 'veel waarschijnlijker' past bij een ordegrootte bewijskracht van 100 tot 10.000.38

7. verklaringen getuigen met betrekking tot het geweldsdelict en de brand

7.1.

Getuige [getuige] , die woonde aan de [adres] in Dokkum, heeft verklaard dat zijn vrouw hem in de nacht van 26 op 27 april 2020 omstreeks 01:35 uur wakker had gemaakt en verteld had dat zij een dof geluid had gehoord bij buurvrouw [slachtoffer 1] . De getuige hoorde kort daarna ook een geluid met een dof metaalachtige klank. Hij hoorde vijf of tien minuten later voetstappen die snel wegliepen.39 Diezelfde nacht vertelde dochter [naam] dat zij allemaal rook in haar slaapkamer had. [getuige] liep naar buiten en zag een hevige brand in de woonkamer van de buurvrouw. Hij zag vuur in het midden van de woonkamer; het vuur leek wel een kampvuur.40 [getuige] heeft verklaard dat hij, zijn vrouw, de beide dochters en zijn schoonmoeder thuis waren in de nacht van de brand.41 Die nacht werd zijn dochtertje [naam] wakker van de rook. [getuige] is naar buiten gegaan en zag een oranje gloed in de woning van buurvrouw [slachtoffer 1] die woonde op [adres] . Hij heeft om 03:18 uur 112 gebeld. Door de brand is er rook- en roetschade ontstaan in de garage en op de zolder van de garage. Het kamertje van [naam] , schuin boven de garage, en het zoldertje boven de garage waren helemaal zwart. De woning van [getuige] is via de garage geschakeld met de woning van buurvrouw [slachtoffer 1] .42

7.2.

Getuige [getuige] van de [adres] heeft verklaard dat zij die nacht omstreeks 01:30 uur een geluid hoorde alsof er glas kapot werd gegooid maar dan doffer. Ongeveer vijf of tien minuten later hoorde zij weer een zelfde soort geluid. Ongeveer vijf à tien minuten later hoorde zij de garagedeur bij de buurvrouw dicht slaan. Daarna hoorde zij voetstappen die zich met een snelle stap verwijderden.43 [getuige] heeft nader verklaard dat het om 01:50 uur

moet zijn geweest dat zij de garagedeur heeft horen dichtslaan en de voetstappen hoorde.44

7.3.

Getuige [getuige] , die aan de [adres] in Dokkum woonde, heeft verklaard dat zij in de nacht van de brand om naar schatting 01:30 uur een ijselijke gil hoorde van een vrouw. 45

7.4.

Getuige [getuige] van de [adres] in Dokkum heeft verklaard dat haar dochtertje om 01:30 uur bij haar op de slaapkamer kwam omdat zij iemand had horen schreeuwen.46

8. verklaringen en informatie uit documenten met betrekking tot de relatie tussen verdachte en het slachtoffer

8.1.

Uit een mutatierapport van de politie blijkt dat er op 8 november 2019 door [slachtoffer 1] , roepnaam [slachtoffer 1] , melding/aangifte is gedaan van bedreiging door haar ex [verdachte] , verdachte. Zij hadden ongeveer anderhalf jaar een relatie gehad. Verdachte was erg jaloers en [slachtoffer 1] mocht niks meer doen van verdachte. Haar wereld werd daardoor steeds kleiner. Verdachte was eigenlijk altijd gefrustreerd en negatief. Hij luisterde ook haar gesprekken af en verdachte gebruikte ook wel geweld. Verdachte was tijdens een ruzie op 22 april 2019 bewust naar boven gelopen en had het bedje met het tweejarige dochtertje van [slachtoffer 1] omgegooid. Hij had [slachtoffer 1] toen vastgepakt en op de grond gegooid. [slachtoffer 1] had hier blauwe plekken van. Haar dochtertje had twee bulten op haar hoofd gehad. Hier zijn foto’s van. Op de vrijdag van de Admiraliteitsdagen (de rechtbank begrijpt: 6 september 2019) was verdachte zonder de toestemming van [slachtoffer 1] in haar woning geweest. Later die avond is verdachte naar haar op zoek gegaan.47

De dag daarop stond verdachte ineens achter [slachtoffer 1] in haar woning. Hij wilde precies weten wat er het weekend was gebeurd en [slachtoffer 1] moest haar telefoon inleveren omdat verdachte alles wilde lezen. Verdachte heeft toen haar telefoon afgepakt en tot 03:00 uur heeft hij de telefoon uitgelezen en [slachtoffer 1] vragen gesteld. Op 19 september 2019 wilde verdachte met [slachtoffer 1] praten en hij wilde haar telefoon uitlezen. Op 6 november 2019 trof [slachtoffer 1] verdachte bij het Kruidvat en hij werd boos en [slachtoffer 1] moest het hele verhaal over de Admiraliteitsdagen nog eens doen. [slachtoffer 1] was met de fiets met haar dochtertje in een fietszitje. Verdachte was zo boos geworden dat hij zei dat hij hen wel kon slaan en hij ging met gebalde vuisten voor [slachtoffer 1] staan. Ook richtte hij zijn vuisten naar haar dochtertje. Verdachte had gezegd dat ze met haar kutkind naar huis moest gaan. [slachtoffer 1] durfde niet naar huis en ging naar de Jumbo. Ze zag verdachte een paar keer over het parkeerterrein rijden en verdachte belde haar op en vroeg waarom zij in de Jumbo was.48 Verdachte wilde die avond langs komen maar dat werd door [slachtoffer 1] geweigerd. Verdachte werd boos en zei uiteindelijk dat hij die avond bij [slachtoffer 1] langs zou komen en als zij dan weer voor hem zou vluchten dan zou hij haar en haar dochtertje [slachtoffer 2] vermoorden. [slachtoffer 1] verbleef daarom tijdelijk elders en zou in het weekend de sloten van haar woning laten vervangen omdat verdachte nog een sleutel had. Verbalisant nam tijdens het gesprek waar dat [slachtoffer 1] meerdere malen emotioneel werd. Ze was nu echt bang voor verdachte.49

8.2.

In een mutatierapport geeft de politie weer dat er op 13 november 2019 een stopgesprek is geweest met verdachte naar aanleiding van het mogelijk stalken van [slachtoffer 1] . Het incident met het bedje werd door verdachte bevestigd.

8.3.

In een mutatierapport geeft de politie weer dat zij op 29 december 2019 een melding kregen dat meldster, [slachtoffer 1] , lastig werd gevallen door verdachte, [verdachte] . Zij was verdachte in het zwembad tegen gekomen en hij had haar aangesproken en vertelde dat hij haar graag terug wilde. Verdachte was die avond door haar straat gereden. Zij heeft daarop haar buurvrouw gebeld die verdachte heeft verzocht weg te gaan. Verdachte was later teruggekomen toen de vader van haar dochtertje in de woning was. Verdachte was op de ramen gaan bonken. [slachtoffer 1] had verdachte daarna weg zien lopen naar zijn auto.50 De politie heeft verdachte duidelijk gemaakt dat hij echt moest stoppen.51

8.4.

De huisarts van het slachtoffer, [slachtoffer 1] , heeft doorgegeven dat haar uit het dossier is gebleken dat [slachtoffer 1] op 11 september 2019 is gezien door de praktijkondersteuner en dat is besproken dat zij door haar ex (de rechtbank begrijpt: [verdachte] , verdachte) hardhandig tegen een muur was gedrukt en dat zij daar een stijf gevoel in haar hals en bovenarmen en een blauwe plek aan had overgehouden. De blauwe plek heeft zij laten zien. Op de ingevulde vragenlijst is aangegeven dat [slachtoffer 1] had gezegd dat haar ex ongeoorloofd haar huis in was gegaan, mogelijk via het dakraam. Hij had haar mobiel afgepakt en haar hardhandig tegen de muur gedrukt.52

8.5.

Verbalisant heeft de veiliggestelde data van de werktelefoon van het slachtoffer [slachtoffer 1] onderzocht. Er werden afbeeldingen in de data gevonden waaronder twee afbeeldingen waarop [slachtoffer 1] een blauwe plek op de achterkant van een bovenarm laat zien. Datum created: 23 april 2019. Er waren acht afbeeldingen te zien waarop [slachtoffer 1] en mogelijk haar dochtertje staan afgebeeld. Er waren drie afbeeldingen waarop het vermoedelijke dochtertje te zien was. Aan de rechterzijde van het hoofd zijn 2 blauwe plekken te zien. Op twee afbeeldingen laat [slachtoffer 1] blauwe plekken op de achterkant van beide bovenarmen zien. Op een afbeelding maakt [slachtoffer 1] een foto van haar rug waarbij een blauwe plek te zien is op een van haar schouders. Twee afbeeldingen betreffen foto’s van de blauwe plekken op de achterkant van beide bovenarmen. Datum created voor al deze afbeeldingen: 24 april 2019. Er is een afbeelding waarop mogelijk [slachtoffer 1] staat afgebeeld. Te zien is dat [slachtoffer 1] een blauwe plek op haar borst heeft. Datum created: 13 september 2019. Er zijn twee afbeeldingen waarop [slachtoffer 1] een blauwe plek laat zien op de achterkant van een bovenarm. Datum created: 20 september 2019. Er zijn drie afbeeldingen waarop [slachtoffer 1] blauwe plekken laat zien op de achterkant van beide bovenarmen en tevens een blauwe plek op een van de bovenarmen. Datum created: 21 september 2019. Er zijn drie afbeeldingen waarop [slachtoffer 1] staat afgebeeld en blauwe plekken laat zien op de achterkant van een van de bovenarmen, de voorkant van een van de bovenarmen en aan de zijkant van haar hals/nek. Datum created: 22 september 2019. Er zijn twee afbeeldingen waarop [slachtoffer 1] een blauwe plek op de onderkant van een van de bovenarmen laat zien en er zijn twee afbeeldingen waarop is te zien dat [slachtoffer 1] een plekje op haar onderlip heeft. Datum created: 10 november 2019.53 Verbalisant heeft de meldingen die [slachtoffer 1] bij de politie had gedaan doorgenomen. Hij constateert dat uit de mutatie van 8 november 2019 kan blijken dat verdachte op 22 april 2019 het bedje met het dochtertje had omgegooid waardoor het dochtertje twee bulten op haar hoofd had gekregen. [slachtoffer 1] had daarbij aangegeven dat zij foto's had van de bulten op het hoofd van haar dochtertje. De hierboven omschreven foto's van het dochtertje met datum created 24 april 2019 betreffen hoogstwaarschijnlijk dit incident.54 De andere hierboven omschreven foto's met datum created 24 april 2019 passen mogelijk bij hetzelfde incident waarbij [slachtoffer 1] werd vastgepakt en op de grond gegooid.55

8.6.

In het dagboek van het slachtoffer zat een los briefje met daarop de vraag: Wat is de impact van de dubbele/geheime relatie op mijn leven?56 Het antwoord op die vraag houdt in dat het slachtoffer alles deed wat [verdachte] , verdachte, zei en zich afsloot voor vrienden en familie. Zodra iemand te dichtbij kwam of haar confronteerde met de waarheid, verbrak zij meteen het contact. Verdachte wilde dat zij met niemand contact had; het was jaloezie, hij vertrouwde haar niet.57

8.7.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] in augustus 2019 heeft laten blijken dat zij bang was voor haar vriend of ex-vriend [verdachte] , verdachte. Hij drong zich aan haar op. [slachtoffer 1] liet hem foto's zien van blauwe plekken op haar armen. In het eerste weekend van september 2019 (de rechtbank begrijpt: het weekeinde van de Admiraliteitsdagen van 5 tot en met 8 september 2019) had [slachtoffer 1] hem in Dokkum aangesproken en gezegd "Hij is hier." Ze kwam erg angstig op hem over en vertelde dat ze gestalkt werd door verdachte. De getuige zag een man die met grote ogen alleen maar naar [slachtoffer 1] aan het kijken was. Hij had een telefoon in de hand en de telefoon van [slachtoffer 1] ging over. [slachtoffer 1] durfde niet weg te gaan en wilde niet naar huis omdat verdachte daar dan ook naar toe zou gaan. De getuige verklaarde dat hij, met [slachtoffer 1] achterop de fiets, weg is gegaan en dat verdachte hen bleef volgen. Hij bracht [slachtoffer 1] naar zijn zus58 en daar kreeg [slachtoffer 1] allemaal appjes van verdachte. De volgende dag had [slachtoffer 1] hem verteld dat zij dacht dat verdachte bij haar in huis was geweest. De sleutel van haar woning lag niet meer in haar auto. In april had [slachtoffer 1] verteld dat zij een nieuwe vriend had.59

8.8.

Verbalisanten hebben op 27 april 2020 met de vader, [naam] , de moeder, [naam] , en de ex, [naam] , van slachtoffer [slachtoffer 1] gesproken. [naam] is de vader van [slachtoffer 2] . De familie geeft aan te weten dat [slachtoffer 1] een stalker had, verdachte. [slachtoffer 1] was na haar bevallingsverlof op het werk in aanraking gekomen met verdachte die haar het hoofd op hol bracht en uiteindelijk heeft [slachtoffer 1] [naam] verlaten voor verdachte. In de zomer van 2018 zou [slachtoffer 1] achter de ware aard van verdachte zijn gekomen en gaf aan dat zij wel klaar met hem was, maar zij kwam er toen achter dat ze niet van hem af kon komen. Verdachte zou behoorlijk dominant zijn; ze mocht van hem geen contact meer hebben met familie en ze mocht niet naar begrafenissen, hij bepaalde wat [slachtoffer 1] wel en niet mocht doen en hij had narcistische neigingen. Eind 2018 escaleerde het en verdachte heeft bij [slachtoffer 1] ingebroken en hij heeft haar in het centrum van Dokkum met de dood bedreigd. [slachtoffer 1] durfde niet meer alleen thuis te zijn. [slachtoffer 1] werd door verdachte mishandeld. Na de Admiraliteitsdagen in september 2019 was het weer wat rustiger en werd de relatie naar de familie toe ook weer wat beter. Zij wisten van een vriendin van [slachtoffer 1] dat [slachtoffer 1] weer een relatie heeft.60

8.9.

[naam] , de moeder van het slachtoffer, heeft als getuige verklaard dat [slachtoffer 1] onder druk van verdachte het contact had verbroken met de familie. Er is toen van alles gebeurd, [slachtoffer 1] vertelde later dat zij werd mishandeld.61 Op 11 november 2019 heeft de getuige bij [slachtoffer 1] in huis gezeten omdat [slachtoffer 1] niet alleen durfde te zijn. Verdachte bedreigde haar steeds weer en belde haar. De getuige besloot om 21.00 uur naar huis te gaan. Toen zij thuis kwam, zag zij de auto van verdachte staan bij haar woning. Zij heeft toen [slachtoffer 1] gebeld en gezegd dat verdachte vast heeft gewacht tot zij, getuige, thuis was en dan zou verdachte wel naar haar, [slachtoffer 1] , gaan. Uiteindelijk is verdachte inderdaad naar [slachtoffer 1] gegaan. Zij heeft gewacht tot hij daar was en toen heeft zij 112 gebeld.62

8.10.

[naam] is door de politie gehoord over een drietal chatberichten die hij gezonden zou hebben naar verdachte. Getuige [slachtoffer 1] verklaarde dat hij contact had opgenomen met verdachte omdat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bedreigd had; zij moesten van kant gemaakt worden. Op een gegeven moment kon niemand contact meer krijgen met [slachtoffer 1] .63 [slachtoffer 1] was doodsbenauwd voor hem. Zij moest afstand van de familie nemen en mocht geen contact. Toen zij eens naar haar broers wilde, stond hij plotseling voor haar auto en zei: "Waar gaan we naar toe?"64 In de als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegde afdruk van de bewuste chatgesprekken staat, in een bericht van [verdachte] aan [naam] , het volgende: "By dizze krigest dan ek een hiele dúdlike warskoching werom. At ik mar iets fernim of lestich fallen wur of wat dan ek mar dan sil ik maatregelen nimme, tink der hiel goed oernei wast dochst."65

8.11.

Getuige [getuige] heeft over zijn collega [verdachte] , verdachte, verklaard dat deze hem wel heeft verteld wat er niet goed ging in zijn relatie met [slachtoffer 1] , bijvoorbeeld dat [slachtoffer 1] geen antwoord gaf op zijn vragen. Verdachte vertrouwde het allemaal niet en wilde haar telefoon controleren; het frustreerde hem. Verdachte heeft ook eens bij [slachtoffer 1] ingebroken. Hij is haar woning binnen gegaan en heeft gezocht naar haar autosleutel. Daarna is hij naar de Admiraliteitsdagen gegaan en het zinde hem niet dat zij met een collega op stap was gegaan. Verdachte was ook behoorlijk kwaad geworden toen [slachtoffer 1] achterop de fiets bij een jongen weg was gegaan. Verdachte was jaloers. Verdachte had hem ook verteld dat hij eens naar Sneek was gereden om te kijken of [slachtoffer 1] daar bij een collega was. Verdachte was bezitterig en wilde haar voor zich alleen. Verdachte vertelde over een aantal dingen die hij mee had gemaakt met [slachtoffer 1] . Hij was weleens kwaad geweest en had [slachtoffer 1] beet gepakt bij de armen waardoor ze blauwe plekken had opgelopen.66 Hij vertelde ook dat hij het kindje uit het bedje had geduwd. Verdachte had ook verteld dat [slachtoffer 1] had gezegd dat hij haar zou vermoorden. Verdachte heeft toen tegen de getuige gezegd dat hij dit uit kwaadheid gezegd had. Verdachte probeerde altijd uit te leggen dat het allemaal wel mee viel wat hij had gedaan; hij wou gewoon overal de controle over hebben. [slachtoffer 1] werd wel beperkt in haar dingen. Zij mocht bijvoorbeeld niet met hem, getuige, praten. Als [slachtoffer 1] op het werk kwam de laatste tijd werd hij echt heel zenuwachtig, tot zweten en trillen aan toe. Er was een incident dat [slachtoffer 1] met collega's mee ging om een visje te eten en dat verdachte ook bij de visboer verscheen en daar heel zenuwachtig werd. Toen [slachtoffer 1] daar later een gesprek over had, stond verdachte voor de deur.67 Verdachte zat zich helemaal op te winden en hij zweette enorm. Verdachte bleef heen en weer lopen en was steeds van zijn plek af. Het was de getuige echt opgevallen dat zodra verdachte er lucht van kreeg dat [slachtoffer 1] met iemand bij hen op de afdeling gepraat had, hij later bij die persoon zijn verhaal ging doen. De getuige verklaarde verder dat verdachte dingen afschoof op een ander, hij had het nooit gedaan, hij doet het altijd goed, dingen afschuiven op een ander, zichzelf goed praten, moeilijk of misschien wel helemaal niet zijn fouten toe kunnen geven.68 [slachtoffer 1] had eens verteld dat verdachte haar wel stevig vastgepakt had en dat zij daar blauwe plekken van kreeg. Verdachte beaamde dit wel. Hij probeerde zichzelf wel goed te praten. De getuige leerde verdachte steeds beter kennen en merkte aan alles dat hij de verhalen verdraaide. Zijn verhalen klopten op het laatst niet meer met elkaar; hij vertelde verschillende dingen op verschillende momenten. Het ging altijd over [slachtoffer 1] , altijd over dezelfde dingen. Verdachte probeerde de getuige aan zijn kant te krijgen door te zeggen dat alles wel mee viel, dat hij het niet had gedaan, dat [slachtoffer 1] alles omdraaide en dat soort dingen.69

8.12.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij werkzaam is als teamleider van [verdachte] , verdachte. Verdachte had hem op 12 november 2019 verteld dat hij een buitenechtelijke relatie had met [slachtoffer 1] . Verdachte moest op het politiebureau komen en daarom wilde hij dit ook aan zijn baas vertellen.70 Later hoorde de getuige van zijn manager dat [slachtoffer 1] op het politiebureau melding had gedaan van doodsbedreiging en dat verdachte moest komen. Verdachte had hem dit niet verteld. Op 5 december 2019 is er een correctiegesprek geweest waarbij hij, zijn manager en verdachte aanwezig waren.71 De afspraak was dat verdachte [slachtoffer 1] moest mijden. Als een van de beiden naar de locatie moest waar de ander werkzaam was dan moeten zij toestemming vragen aan de betrokken teamleider. Het verslag van het gesprek is niet door verdachte getekend, het zinde hem niet. Getuige heeft een helder beeld over hoe verdachte in elkaar zit. Hij heeft de mentaliteit om geen verliezer te zijn. Hij gaat niet als verliezer uit de strijd komen, dat kon getuige aan alles merken bij de reactie van verdachte op het verslag. Verdachte was ook heel erg boos op de getuige geweest in verband met de genomen beslissing dat [slachtoffer 1] wel naar de kerstborrel mocht en verdachte niet.72

8.13.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij het slachtoffer, [slachtoffer 1] , al vanaf de wieg kent. Zij wist dat er, in verband met [verdachte] , verdachte, een AOL op de woning van [slachtoffer 1] zat. De man van getuige [getuige] heeft een keer extra haken op de woning van [slachtoffer 1] gezet. Op een gegeven moment had [slachtoffer 1] niet meer gereageerd op Whatsapp en getuige had op 28 juli 2018 het laatste appje gekregen. Daarna was er geen contact meer via Whatsapp maar nog wel via SMS. Op 6 juli 2019 kwam [slachtoffer 1] weer op de app. Later had [slachtoffer 1] gezegd dat zij een jaar niet meer op de app was geweest omdat verdachte haar controleerde. Hij zag dan precies wanneer ze online was geweest. Verdachte wilde dan precies weten met wie ze contact had gehad. Zij moest aan verdachte ook precies vertellen wie ze op straat tegen was gekomen en wat diegene van haar wilde; hij wilde echt de controle hebben.73 Vanaf 3 augustus 2019 had [slachtoffer 1] opnieuw geen Whatsapp meer. Op 7 september 2019 kwam ze weer op de app met de vraag of de man van de getuige extra haken op de deuren van haar woning wilde zetten. Haar man had dit geregeld en later heeft een klusjesman nog nieuwe sloten op de deuren gezet. [slachtoffer 1] miste namelijk de huissleutel die in haar auto had gelegen. Vanaf 8 september 2019 was [slachtoffer 1] weer offline en op 8 november 2019 kwam ze weer online. [slachtoffer 1] had geappt dat verdachte haar en [slachtoffer 2] had bedreigd en dat de politie ingeschakeld was.74

8.14.

De buurvrouw van het slachtoffer heeft een verklaring afgelegd over wat er begin november 2019, waarschijnlijk rond Sint Maarten, was gebeurd. [slachtoffer 1] had haar in paniek gebeld dat [verdachte] uit Ferwert, verdachte, bij haar voor de deur stond en zij vroeg mij om hem te zeggen weg te gaan. Verdachte zei dat hij antwoorden wilde hebben van [slachtoffer 1] . Daarna is hij weggelopen. Even later kwam [naam] [slachtoffer 2] brengen. Daarna belde [slachtoffer 1] haar weer en zei dat verdachte weer om haar huis liep en zij had de getuige gevraagd opnieuw naar buiten te gaan. De getuige deed dit en verdachte had haar op een zielig toontje gezegd dat hij het niet snapte en dat haar ex-man er ook nog zat en dat hij met [slachtoffer 1] wilde praten. De getuige had gezegd dat hij weg moest gaan en hij liep weg.75

9. verklaringen van verdachte en gesprekken waaraan verdachte deelgenomen heeft

9.1.

Verdachte heeft verklaard dat hij eind 2017 een relatie heeft gekregen met zijn collega, [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] is in 2018 gescheiden van haar man, verdachte bleef bij zijn partner [naam] met wie hij nu vier kinderen heeft. Verdachte heeft verklaard dat tijdens zijn relatie met [slachtoffer 1] de jongste twee kinderen zijn geboren. De drie maanden voor 27 april 2020 hadden verdachte en [slachtoffer 1] regelmatig contact via een Telegram-account. Het weekend voor 27 april 2020 stuurden verdachte en [slachtoffer 1] elkaar 138 berichtjes. [slachtoffer 1] heeft een dochtertje, [slachtoffer 2] . Verdachte heeft verklaard dat bij een ruzie tussen hem en [slachtoffer 1] een incident is geweest met [slachtoffer 2] . Verdachte had het ledikantje van [slachtoffer 2] opgetild en toen schoof [slachtoffer 2] uit haar bedje. Tijdens de relatie met [slachtoffer 1] wilde verdachte haar telefoon zien om te kijken naar wie [slachtoffer 1] berichtjes had gestuurd. Hij heeft [slachtoffer 1] ook meerdere malen gevraagd of zij een vriend had. [slachtoffer 1] is twee keer zwanger van verdachte geweest en zij heeft twee keer een abortus ondergaan. Van de tweede foetus is een echo gemaakt en de foto daarvan heeft verdachte op een gegeven moment als profielfoto gebruikt bij zijn Telegram- account. [slachtoffer 1] heeft tijdens de relatie melding gedaan bij de politie over het gedrag van verdachte. [slachtoffer 1] had de sloten van de deur van haar woning laten vervangen. In september 2019 tijdens de Admiraliteitsdagen, is verdachte de woning van [slachtoffer 1] binnengekomen via een openstaand raam. Verdachte had gezien dat zij online was maar zij reageerde niet op zijn berichtjes. Tijdens de Admiraliteitsdagen is verdachte [slachtoffer 1] gaan zoeken maar [slachtoffer 1] wilde niet met hem praten en zij liep weg. Op 13 november 2019 heeft verdachte met de politie een stopgesprek gehad over zijn relatie met [slachtoffer 1] . Daarna is verdachte wel doorgegaan met het onderhouden van contact met [slachtoffer 1] . Op zijn werk was de relatie met collega [slachtoffer 1] bekend geworden en verdachte had te horen gekregen dat hij op het werk alle contact met [slachtoffer 1] moest vermijden. Er werden afspraken gemaakt zodat verdachte en [slachtoffer 1] niet tegelijk op de locatie waar verdachte werkte, zouden zijn. Verdachte heeft haar daar toch nog een keer gezien toen [slachtoffer 1] een gesprek met zijn teamleider had. In december 2019 is verdachte nog bij de woning van [slachtoffer 1] geweest en heeft toen op de deur gebonkt. De buurvrouw heeft verdachte twee keer weggestuurd toen hij bij de woning van [slachtoffer 1] was.

9.2.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 29 maart 2021 verklaard dat hij in de nacht van 26 op 27 april 2020 twee keer vanuit zijn woning in Ferwert vertrokken is in zijn auto. De eerste keer dat hij die nacht wakker werd, is hij weggegaan met de auto. Toen hij weer terug kwam, was [naam] wakker. Verdachte was naakt toen hij thuis kwam. Hij heeft zich gedoucht en aangekleed. Verdachte en zijn partner [naam] kregen ruzie over [slachtoffer 1] en over dat verdachte nog contact met haar had. [naam] had eerder tegen hem gezegd dat het over was tussen hen als hij nog contact met [slachtoffer 1] zou hebben. Verdachte is daarna opnieuw weggegaan met de auto. Verdachte nam zijn twee telefoons mee. Hij heeft het Telegram account en alle Telegram-berichtjes tussen hem en [slachtoffer 1] van zijn telefoon gewist. Hij heeft de telefoons op de vliegtuigstand gezet. Hij nam een sopje mee in een emmer en wat oude handdoeken en is ergens onderweg de auto gaan wassen. Verdachte heeft verklaard dat hij bij terugkomst bij zijn woning na de tweede keer dat hij weg was geweest, werd aangehouden door de politie en dat hij toen tegen zijn partner [naam] heeft tegen geroepen dat zij niet met de politie moest praten. In de eerste verhoren heeft hij de eerste keer dat hij weg is geweest voor de politie verzwegen.76

9.3.

Er zijn geluidsopnames gemaakt van een skypegesprek op 8 juni 2020 tussen verdachte vanuit de Penitentiaire Inrichting (PI) en zijn partner [naam] . Verdachte geeft aan het in de PI vreselijk te vinden en dat hij nog nooit wat gehad heeft, nog nooit wat gedaan heeft. Na de reactie van [naam] 'nee, dan op deze manier he' zegt verdachte: "Anders was ik nooit van haar afgekomen."77

9.4.

In een opgenomen telefoongesprek op 31 mei 2020 gevoerd tussen verdachte en [naam]78 zegt verdachte dat hij nu weer een beetje tot zichzelf komt en dat er dingen zijn die hij zich ook weer herinnert. Vervolgens zegt verdachte: "Zij heeft mij ook haast om het leven gebracht he? Zij heeft mij ook bijna om het leven gebracht."79

9.5.

In een op 21 mei 2020 gevoerd en opgenomen skypegesprek tussen verdachte en zijn partner [naam]80 spreekt verdachte over nachtmerries en paniekaanvallen waarop [naam] reageert met "… maar had mij gewoon elke keer maar wakker gemaakt…"en "… maar waarom heb mij dat niet verteld…".81

9.6.

In de privé telefoon van slachtoffer [slachtoffer 1] werd een chatsessie aangetroffen tussen haar en verdachte van 22 april 2020 om 23:19 uur tot en met 26 april 2020 om 22:05 uur.82 Het ging hierbij om 138 berichtjes. Op 25 en 26 april is het verdachte die om 06:47 respectievelijk 06:21 de chatgesprekken weer vervolgd na een aantal uren van niet chatten. Verdachte vraagt [slachtoffer 1] of hij de liefde van haar leven is, daarnaast maakt hij haar allerlei verwijten. De laatste chat in dit weekeinde en een aantal uren voor de gepleegde feiten is van [slachtoffer 1] met als inhoud dat ze er erg verdrietig van wordt.83

Nadere bewijsoverweging

1. De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om te komen tot een veroordeling voor de onder 1. primair ten laste gelegde poging tot moord. De rechtbank zal verdachte hier dan ook van vrijspreken.

2. Ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot doodslag en de ten laste gelegde brandstichting komt de rechtbank tot het oordeel dat uit de bewijsmiddelen voortvloeit dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. De rechtbank acht daarom het onder 1. subsidiair ten laste gelegde en het onder 2. ten laste gelegde, op basis van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen. Wat de onder 1. subsidiair ten laste gelegde opzet betreft, gaat de rechtbank uit van 'vol' opzet bij verdachte op de dood van het slachtoffer. De rechtbank leidt dit af uit het feit dat er gericht meerdere harde slagen met een voorwerp op en tegen het hoofd van het slachtoffer zijn gegeven, waarna het slachtoffer hulpeloos is achtergelaten in de woning waarin brand was gesticht.

3. De rechtbank heeft zich bij de keuze van de bewijsmiddelen en de waardering daarvan rekenschap gegeven van het feit dat de verklaringen van de gehoorde getuigen beïnvloed kunnen zijn door de plaatsgevonden misdrijven en de daarop gevolgde detentie van verdachte. De rechtbank heeft dan ook vooral gekeken naar de eigen waarnemingen van de getuigen, gedaan in de periode voorafgaand aan de misdrijven. Deze waarnemingen betreffen met name het gedrag van verdachte ten opzichte van het slachtoffer, binnen de context van de relatie tussen hen.

4. De rechtbank kent een doorslaggevend gewicht toe aan het feit dat verdachte, midden in de nacht van het misdrijf, twee keer in zijn auto is vertrokken en beide keren onder bijzondere omstandigheden is teruggekeerd bij zijn woning. De eerste keer naakt en onder de modder. De tweede keer met een lege emmer en natte doeken in de auto, terwijl hij tot twee keer toe de politie probeerde te ontlopen en spontaan zegt dat hij niets verkeerd heeft gedaan, dat hij ruzie heeft met zijn vriendin en dat hij geen contact meer heeft met [slachtoffer 1] . Eenmaal aangehouden riep hij naar zijn partner dat zij niet met de politie moest praten. Verdachte heeft bij de politie in eerste instantie verzwegen dat hij tweemaal weg is geweest.

5. Verdachte heeft op een gegeven moment bij de politie verklaard dat hij de betreffende nacht wakker is geworden na een nachtmerrie over [slachtoffer 1] en dat hij toen naakt van huis is gegaan en ergens heen is gereden waar hij dwars door weilanden en sloten is gaan rennen om de paniek van de nachtmerrie kwijt te raken. Verdachte heeft niet gezegd welke route hij gereden heeft en waar precies hij door de weilanden en sloten is gerend. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. Verdachte kwam met deze verklaring pas nadat hij door de politie werd geconfronteerd met het feit dat hij die nacht naakt thuis was gekomen. Verder blijkt uit de afgeluisterde gesprekken dat verdachte zijn partner [naam] ervan probeerde te overtuigen dat hij dit veel vaker deed en dat zij dat wist. Bovendien zit er geen enkele logica in deze verklaring. Voor de rechtbank zit de logica van het midden in de nacht naakt thuiskomen, in het verbergen van kleding en schoenen die gedragen zijn bij het plegen van de misdrijven. Kleding en schoenen waarop bloed, haren, speeksel of andere sporen van het slachtoffer zaten of konden zitten. Kleding en schoenen waarop sporen van de brandbare stoffen zaten of konden zitten. Sporen die als bewijs tegen verdachte konden worden gebruikt en die daarom moesten verdwijnen. Daar komt nog bij dat, anders dan verdachte bij zijn aanhouding heeft gezegd, uit het intensieve contact dat verdachte en het slachtoffer voorafgaand aan het feit hebben gehad via Telegram, blijkt dat verdachte contact had en ook wilde hebben met het slachtoffer.

6. Dan komt de tweede keer dat verdachte de nacht van het misdrijf met de auto van huis weggegaan is. Verdachte heeft verklaard dat hij een emmer heeft gepakt, een sopje heeft gemaakt en dit, samen met een doekje en wat handdoeken, meegenomen heeft in zijn auto. Hij heeft ook nog het fietsenrek op de auto gezet, maar niet de fiets omdat dat te zwaar was voor zijn knie waar hij veel last van had. Daarna is hij weggereden. Verdachte zegt niet via welke route hij is gereden of waar hij onderweg gestopt is. Verdachte heeft als reden voor deze tweede rit gegeven dat hij zijn auto ging wassen. De auto die naar zeggen van verdachte al drie jaar niet was gewassen en nu, midden in de nacht, schoon moest worden gemaakt. Niet op straat voor de woning maar ergens in het duister van de nacht buiten het dorp. Niet met een waterslang met stromend water maar met een sopje in een emmer en een doekje.

De rechtbank acht ook dit deel van de verklaring van verdachte niet geloofwaardig. Voortbordurend op de hierboven door de rechtbank aangegeven logische verklaring voor het naakt thuiskomen, is er evenzeer een logische verklaring voor het meenemen van een emmer met een sopje. Verdachte is na het plegen van de misdrijven met kleding en schoenen aan in zijn auto gestapt en weggereden. In de auto zouden daardoor sporen achtergebleven kunnen zijn van het slachtoffer of van de brandstichting. Sporen aan de binnenzijde van de auto, met name op de bestuurdersstoel. De stoel die door het schoonmaken kennelijk flink nat was geworden omdat verdachte daar twee handdoeken op had gelegd om te voorkomen dat zijn zitvlak nat werd op de weg terug naar huis.

7. De rechtbank plaatst het plegen van deze misdrijven door verdachte in het scenario dat verdachte klem zat tussen twee relaties. De relatie met zijn partner [naam] en de relatie met collega [slachtoffer 1] , het slachtoffer. Verdachte bleef bij zijn partner, maar bleef ook contact onderhouden met het slachtoffer en dit leverde gaandeweg steeds meer problemen voor hem op. Zijn partner [naam] wist van zijn verhouding waardoor zijn relatie met haar onder grote druk kwam te staan. Ook de relatie met het slachtoffer verslechterde en wel in die mate dat zij de buitenwacht op de hoogte bracht van de relatie met verdachte en de problemen die zij binnen die relatie had met hem. Haar familie, de politie, de buren, haar vriendinnen en collega's en haar leidinggevende werden door haar op de hoogte gesteld. Verdachte werd daarop, niet alleen door zijn partner, maar ook door anderen aangesproken op zijn gedrag en ter verantwoording geroepen. De vader van het slachtoffer benaderde hem, hij moest voor een gesprek naar de politie en hij moest met twee leidinggevenden een gesprek voeren op zijn werk. Hem werd de wacht aangezegd, hij moest stoppen met het lastigvallen van het slachtoffer of anders zouden er maatregelen volgen. Op de werkvloer kreeg verdachte beperkingen opgelegd; hij kon niet meer gaan en staan waar hij wilde omdat hij de opdracht kreeg uit de buurt van het slachtoffer te blijven. Hij werd uitgesloten van deelname aan de kerstborrel omdat het slachtoffer daar zou zijn. Hij werd meerdere malen bij de woning van het slachtoffer aangesproken door buurtgenoten die hem zeiden dat hij weg moest gaan. Dit alles moet zeer frustrerend voor verdachte zijn geweest, vooral ook omdat hij - met tussenpozen - contact bleef houden met het slachtoffer via appjes. In de dagen voor de gepleegde feiten was er nog intensief contact tussen verdachte en het slachtoffer; zij verstuurden tussen de avond van 22 april 2020 en de avond van 26 april 2020 in totaal 138 berichtjes naar elkaar. Dit hernieuwde intensieve contact moet haast wel de opmaat zijn geweest naar de misdrijven. Verdachte zat klem en dreigde van verschillende kanten als verliezer uit de hele affaire te komen; daar moest definitief een einde aan komen.

8. De door de raadsman en de verdachte aangevoerde argumenten om verdachte niet als dader aan te merken en om hem vrij te spreken, maken het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank betrekt hierbij dat de politie ook de toenmalige vriend van het slachtoffer, de ex-man van het slachtoffer en een kennis van het slachtoffer met wie zij wel via de telefoon contact had, heeft gehoord om te kunnen bepalen of zij wellicht in de gelegenheid waren geweest de misdrijven te plegen. Het onderzoek heeft zich dus niet exclusief op verdachte gericht. Na het uitsluiten van andere personen, bleef verdachte als de meest aannemelijke potentiële dader over. Noch in het strafdossier noch naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is er ook maar een begin van een objectieve aanwijzing gevonden voor een ander aannemelijke dader dan verdachte.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. subsidiair en het onder 2. tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij in de periode omvattende de dagen 26 april 2020 en 27 april 2020 te Dokkum, in een woning/pand, gelegen aan of bij [adres] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer 1] met een voorwerp en/of anderszins tegen het hoofd en een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft geslagen en/of gestompt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;


2
hij in de periode omvattende de dagen 26 april 2020 en 27 april 2020 te Dokkum, in een woning, gelegen aan of bij [adres] , op meerdere plaatsen in die woning opzettelijk brand heeft gesticht door telkens in die woning op meerdere plaatsen een brandbaar en/of vluchtige en/of brand versnellend middel en/of vloeistof te sprenkelen en/of uit te gieten en/of vervolgens telkens open vuur in aanraking te brengen met

- dat brandbare en/of vluchtige en/of brand versnellende middel en/of vloeistof en/of de goederen waarover dat brandbare en/of vluchtige en/of brand versnellende middelen en/of vloeistof was gesprenkeld en/of uitgegoten en/of

- een of meer andere goederen en/of inventaris en/of inboedel in die woning,

ten gevolge waarvan banken en een theedoek geheel of gedeeltelijk zijn verbrand,

en daarvan gemeen gevaar voor de inventaris en inboedel van die woning en die woning en de naastgelegen woning en de inventaris en inboedel van die naastgelegen woning,

en levensgevaar voor de in die woning aanwezige [slachtoffer 1] en haar dochter [slachtoffer 2] en de bewoners van de naastgelegen woning, te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair: Poging tot doodslag.

2. Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1. subsidiair en feit 2. wordt veroordeeld tot dertien jaren gevangenisstraf.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft niets aangevoerd over een eventueel op te leggen straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van Reclassering Nederland van 4 maart 2021 en van het Nederlands Instituut Forensische Psychiatrie en Psychologie van 11 februari 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, gepleegd ten opzichte van een collega met wie hij een aantal jaren een relatie had. Hij is 's nachts haar woning binnengedrongen en heeft haar meerdere malen met een voorwerp op haar hoofd geslagen waardoor zij ernstig schedel- en hersenletsel heeft opgelopen. Het is alleen aan adequaat medisch handelen en een spoedoperatie in het UMCG te danken dat het slachtoffer in leven is gebleven. Alsof dat nog niet genoeg was, heeft verdachte brand gesticht in de woning door in ieder geval een theedoek en een zitbank in brand te steken. Door deze brand is levensgevaar ontstaan voor het slachtoffer, het driejarige dochtertje van het slachtoffer dat boven sliep en voor het gezin van de naaste buren waar rook naar binnen was gedrongen. De buren werden gelukkig op tijd wakker, ontdekten de brand in de woning van het slachtoffer en alarmeerden de hulpdiensten. Wat zich precies in de woning van het slachtoffer heeft afgespeeld, is niet bekend geworden. Het slachtoffer kan zich daar, door het opgelopen schedel- en hersenletsel, niets van herinneren en verdachte ontkent daar toen te zijn geweest. De gevolgen van wat er die nacht in de woning gebeurd is, zijn daarentegen overduidelijk. Het slachtoffer is bijna dood geslagen en in haar woning is op twee plaatsen brand gesticht met alle gevaren van dien voor in de eerste plaats het slachtoffer en haar dochtertje die boven in haar bedje lag te slapen en in de tweede plaats voor de naaste buren waar de rook al de woning was binnengedrongen.

De ernst van de feiten en de impact van deze misdrijven op het leven van de slachtoffers is ook duidelijk gemaakt aan de hand van het door het slachtoffer [slachtoffer 1] uitgeoefende spreekrecht en aan de hand van het namens haar dochtertje uitgeoefende spreekrecht. Oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur is dan ook passend.

Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn handelen genomen. Integendeel, de teneur in alle verhoren is consequent dat niet hij maar het slachtoffer [slachtoffer 1] de kwade genius is. Zij heeft hem gestalkt, zij heeft hem bedreigd, zij heeft geprobeerd hem van het leven te beroven. Alles komt door haar, hem treft geen blaam. Het mag duidelijk zijn dat de rechtbank verdachte ook hier niet in kan volgen. Het geeft echter wel een beeld van de persoon van verdachte. Verdachte heeft niet mee willen werken aan het in het Pieter Baan Centrum uitgevoerde multidisciplinaire onderzoek. De observatie van verdachte heeft de deskundigen - in combinatie met de bestudeerde gerechtelijke stukken - geleid tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor een forse persoonlijkheidspathologie. Wel zijn er aanwijzingen voor een meer neurotische persoonlijkheidsstructuur (nerveus gespannen, neiging tot controleren, perfectionisme) met een narcistische kleuring, waarbij verdachte gevoelig is voor kritiek en/of beschadiging van zijn imago. Er kan niet vastgesteld worden of deze kenmerken het niveau van een persoonlijkheidsstoornis halen. Het gevolg hiervan is dat de rechtbank geen rekening kan houden met eventuele strafverlagende omstandigheden.

De rechtbank houdt verdachte voor zijn handelen en de gevolgen daarvan dan ook ten volle verantwoordelijk.

De officier van justitie heeft oplegging van dertien jaren gevangenisstraf geëist. Voor de poging tot doodslag kan maximaal tien jaar gevangenisstraf worden opgelegd. Voor een brandstichting met levensgevaar voor personen geldt een strafmaximum van vijftien jaar. De verplichte toepassing van de samenloopbepalingen maakt dat de rechtbank verdachte kan veroordelen tot maximaal twintig jaren gevangenisstraf. In het licht daarvan en bij gebrek aan strafverlagende factoren, ziet de rechtbank geen redenen een gevangenisstraf van minder lange (of juiste langere) duur op te leggen dan geëist. De rechtbank is daarbij van oordeel dat een straf van deze duur ook recht doet aan het aan de slachtoffers toegebrachte leed.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1], tot een bedrag van € 546.372,03, ter terechtzitting van 29 maart 2021 vermeerderd met een bedrag van € 41,60 ter zake van materiële schade en € 75.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2], via haar wettelijk vertegenwoordiger, tot een bedrag van € 401,43 ter vergoeding van materiële schade en € 750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gevorderd dat de verzochte vergoeding voor materiële schade, geleden tot heden, zal worden toegewezen, evenals de toekomstige materiële schade voor zover dit de kosten voor gehoorapparaten en eigen risico voor de zorgverzekering betreffen, met niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor de overige verzochte toekomstige materiële schade. De officier van justitie vordert daarnaast toewijzing van € 42.500,00 aan immateriële schade met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij voor het overige. De schadevergoedingsmaatregel zou moeten worden opgelegd met betrekking tot de toegewezen bedragen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gevorderd dat deze zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen moeten worden afgewezen omdat er vrijspraak bepleit is. De raadsman heeft voorts gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] niet eenvoudig of laagdrempelig is en zorgt voor een onevenredige belasting in het strafgeding. De benadeelde partij moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

De rechtbank acht de gevorderde schade voor kosten gemaakt tijdens het verblijf van het slachtoffer in het ziekenhuis of de revalidatiekliniek toewijsbaar tot het gevorderde bedrag van € 1.335,00. De gevorderde kosten in verband met het eigen risico over het jaar 2020 acht de rechtbank eveneens toewijsbaar. Het betreft een bedrag van € 385,00, vermeerderd met € 15,00 incassokosten. De gevorderde kosten met betrekking tot de storing aan de CV-ketel acht de rechtbank niet toewijsbaar nu de gegeven onderbouwing onvoldoende is om een rechtstreeks verband aan te nemen met een van de bewezenverklaarde feiten. Aanhouding van de strafzaak tegen verdachte om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen hiervoor een nadere onderbouwing te geven, ziet de rechtbank als een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De gevorderde reiskosten gemaakt door de benadeelde partij zijn - voor zover zij niet zien op reiskosten ten behoeve van het bijwonen van de zittingen - toewijsbaar. De reiskosten voor het bijwonen van terechtzittingen vallen - naar vaste jurisprudentie - onder gemaakte proceskosten; het is geen rechtstreeks geleden schade. Dit betreft, gezien bijlage 6 van de vordering, 5 x 60 kilometer x € 0,26 = € 78,00. De gevorderde reiskosten van de ouders van de benadeelde partij in verband met de bezoeken aan haar in het ziekenhuis en het revalidatiecentrum acht de rechtbank toewijsbaar als rechtstreeks geleden schade. De rechtbank acht de gevorderde kosten zonder nut in de vorm van het televisieabonnement in een te ver verwijderd verband staan met de gepleegde misdrijven om als rechtstreeks geleden schade aan te merken. De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De gevorderde schade geleden door het maken van extra kosten voor kinderopvang, door het verlies van verdienvermogen, door de kosten voor het opstellen van een medisch advies en de kosten voor een gezondheidsverklaring van het CBR kunnen, als rechtstreeks geleden schade, worden toegewezen.

De rechtbank acht de gevorderde stelpost van € 13.000,00 in verband met verlies van verdienvermogen in de periode van 1 februari 2021 t/m 28 april 2022 op dit moment niet toewijsbaar nu er teveel onzekere factoren zijn. Nadere invulling van deze factoren zou tot gevolg hebben dat de strafzaak tegen verdachte zou moeten worden aangehouden. De rechtbank ziet dit als een onevenredige belasting van het strafgeding en zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van haar vordering. Ditzelfde geldt voor de gevorderde stelpost van € 500.000,00 in verband met het toekomstig verliesvermogen voor de periode na 22 april 2022. De benadeelde partij zal ook in de kosten voor een in de toekomst nog in te winnen medisch advies, voor in de toekomst nog te maken reiskosten als gevolg van medische behandelingen, voor het in de toekomst verschuldigde eigen risico van de zorgverzekeraar en voor de in de toekomst nog te maken kosten voor een gehoortoestel niet-ontvankelijk worden verklaard op de grond dat de beoordeling van deze posten een onevenredige belasting van het strafgeding zullen opleveren.

De benadeelde partij heeft aan immateriële schade een bedrag gevorderd van € 75.000,00. De benadeelde partij heeft hierbij rekening gehouden met een 'worst case scenario' mocht zij er niet in slagen om te re-integreren in eigen of ander werk als gevolg van blijvende cognitieve beperkingen. De rechtbank acht een bedrag van € 42.500,00 toewijsbaar, onder niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het meer-gevorderde op grond van een onevenredige belasting van het strafgeding.

De toegewezen bedragen aan materiële schade betreffen daarmee:

- € 1.335,00 kosten ziekenhuis / revalidatie

- € 385,00 euro eigen risico

- € 15,00 euro incassokosten

- € 544,44 euro reiskosten benadeelde partij

- € 274,05 euro extra kosten kinderopvang

- € 1.068,33 kosten opstellen medisch advies

- € 737,61 euro aan verlies verdienvermogen

- € 37,80 kosten gezondheidsverklaring CBR.

In totaal gaat het om een bedrag van € 4.397,23.

Aan geleden immateriële schade wordt een bedrag van € 42.500,00 toegewezen.

De rechtbank zal de verzochte vermeerdering met wettelijk rente vanaf 27 april 2020 toewijzen ten aanzien van de toegewezen bedragen aan schade.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat voor zover dit de toegewezen bedragen aan schade betreft, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op € 78,00, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat deze benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2020.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. subsidiair en het onder 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 46.897,23 (zegge: zesenveertig duizend achthonderd zevenennegentig euro en drieëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2020.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 78,00.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 46.897,23 (zegge: zesenveertig duizend achthonderd zevenennegentig euro en drieëntwintig eurocent), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 27 april 2020. Dit bedrag bestaat uit € 4.397,23 aan materiële schade en

€ 42.500,00 aan immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 269 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.231,43 (zegge: éénduizend tweehonderd en éénendertig euro en drieënveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2020.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 1.231,43 (zegge: éénduizend tweehonderd en éénendertig euro en drieënveertig eurocent), te verhogen met de wettelijke rente vanaf 27 april 2020. Dit bedrag bestaat uit € 481,43 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 22 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. B.F. Hammerle en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 april 2021.

Mr. van Sloten is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met BVH-nummer 202010798, gesloten op 26 november 2020.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 534 en 535.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 536 en 537.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam] , pagina 2084 en 2085.

5 Het Forensisch Geneeskundig Letselverslag mbt [slachtoffer 1] , afzonderlijk stuk, pagina 4.

6 pagina 5 t/m 11

7 pagina 12

8 pagina 14

9 pagina 15

10 Het Forensisch Geneeskundig Letselverslag mbt [slachtoffer 2] , afzonderlijk stuk, pagina 3.

11 pagina 4 en 5

12 Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam] , pagina 2085.

13 Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning, pagina 770.

14 pagina 771

15 pagina 772

16 pagina 773 en 774

17 Het rapport van het NFI van 26 mei 2020, pagina 1094.

18 Het rapport van het NFI van 23 maart 2021, afzonderlijk stuk, pagina 5 en 6.

19 pagina 17

20 pagina 18

21 Een proces-verbaal forensisch onderzoek, pagina 786.

22 pagina 787

23 pagina 788

24 Een proces-verbaal forensisch onderzoek, pagina 807.

25 pagina 808

26 pagina 809

27 Een proces-verbaal forensisch onderzoek, pagina 850.

28 Een proces-verbaal aanhouding verdachte, pagina 560.

29 pagina 561

30 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 573.

31 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 2048.

32 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 2172.

33 pagina 2173

34 pagina 2175

35 pagina 2176

36 Een proces-verbaal van forensisch onderzoek, pagina 846 en 847.

37 Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 1099.

38 pagina 1102 en 1103

39 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 2034.

40 pagina 2035

41 Een proces-verbaal van verhoor aangever [getuige] , pagina 2015.

42 pagina 2016

43 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 2030.

44 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 2033.

45 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 2189.

46 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 2192.

47 Een mutatierapport van Politie Noord-Nederland, pagina 1912

48 pagina 1913

49 pagina 1914

50 Een mutatierapport van Politie Noord-Nederland, pagina 1920.

51 pagina 1921

52 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 557.

53 Een proces-verbaal bevindingen, pagina 712.

54 pagina 713

55 pagina 714

56 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 690

57 pagina 710

58 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 2045.

59 pagina 2046

60 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 2027.

61 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 2160.

62 pagina 2161

63 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 2260.

64 pagina 2261

65 pagina 2264

66 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 2266.

67 pagina 2267

68 pagina 2268

69 pagina 2270

70 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 2181.

71 pagina 2182

72 pagina 2183

73 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 2104.

74 pagina 2105

75 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 2124.

76 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 maart 2021.

77 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 1506.

78 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1594.

79 pagina 1604

80 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 1484.

81 pagina 1490

82 Een aanvullend proces-verbaal van politie, pagina 2296.

83 pagina 2307 t/m 2328