Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1565

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
20/1740
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres had recht op een WW-uitkering. De uitkering is beëindigd op het moment dat zij werd gedetineerd. De detentie heeft langer dan zes maanden geduurd. Na de detentie heeft eiseres verzocht om het WW-recht te laten herleven. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 21, derde lid, van de WW, geweigerd het recht te laten herleven.

De rechtbank stelt vast dat een recht op een WW-uitkering valt onder de term ‘possessions’ uit artikel 1 van het Protocol nummer 1 bij het EVRM. De rechtbank heeft beoordeeld of in dit geval is voldaan aan de voorwaarden voor de eigendomsontneming uit dat artikel. De rechtbank overweegt in dat verband dat de inbreuk in de vorm van het intrekken van de uitkering en het niet laten herleven ervan als de detentie meer dan zes maanden heeft geduurd, bij wet is voorzien en wel in artikel 21 van de WW. Daarnaast overweegt de rechtbank dat er sprake van een legitieme doelstelling voor het hanteren van de regel dat het recht niet herleeft als de detentie meer dan zes maanden heeft geduurd. Gelet hierop en daarbij in aanmerking genomen de ruime beoordelingsmarge (‘margin of appreciation’) die de Staat in deze toekomt, is er geen sprake van een onevenwichtige afweging tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht. Evenmin kan worden gezegd dat er geen proportionaliteit bestaat tussen het gekozen middel en het beoogde doel. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van dat eiseres door de inbreuk op haar eigendomsrecht een onevenredig zware last dient te dragen.

Nu aan de voorwaarden voor de eigendomsontneming is voldaan, bestaat geen strijd met artikel 1 van het Protocol nummer 1 bij het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/1740


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.E.M.C. Koudijs),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: T.R. Vallinga).

Procesverloop

In het besluit van 11 februari 2020 (het primair besluit) heeft verweerder geweigerd de uitkering van eiseres krachtens de Werkloosheidswet (WW), welke uitkering per 1 december 2018 was beëindigd, per 25 november 2019 te laten herleven. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

In het besluit van 29 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De feiten

1.1

Bij besluit van 9 januari 2019 heeft verweerder eiseres vanaf 18 december 2018 een WW-uitkering toegekend. Deze uitkering is bij besluit van 29 januari 2019 per 1 december 2018 beëindigd, omdat eiseres per die datum is gedetineerd. De detentie is beëindigd op 25 november 2019.

1.2

Op 1 januari 2020 heeft eiseres een ‘Aanvraag WW herleving’ ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder geweigerd het recht op uitkering krachtens de WW per 25 november 2019 te laten herleven, omdat eiseres meer dan zes maanden gedetineerd is geweest. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, welk bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

Het standpunt van eiseres

2. Eiseres is van mening dat artikel 21, derde lid, van de WW, waar het besluit van verweerder op is gebaseerd, in strijd is met Europese wet- en regelgeving. Zij is van mening dat de door haar opgebouwde WW-rechten beschouwd dienen te worden als een opgebouwde kapitaalvordering die als nimmer verloren kan worden beschouwd. Ook niet als er sprake is geweest van een detentie van meer dan zes maanden.

Het standpunt van verweerder

3. In de wet is dwingendrechtelijk geregeld dat het WW-recht alleen kan herleven als de detentie niet langer heeft geduurd dan zes maanden. De detentie van eiseres heeft langer geduurd dan zes maanden, zodat haar WW-recht niet kan herleven. Er is hier geen sprake van strijd met Europese wet- en regelgeving, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van herleving die in de nationale wet- en regelgeving zijn gesteld. Als iemand niet aan die regels voldoet, dan is er geen sprake van een eigendoms/vermogensrecht. Tot slot merkt verweerder op dat de WW-premie die eiseres heeft betaald niet als een spaarpot kan worden beschouwd die uitgekeerd wordt als de werkloosheid zich voordoet. Bij de WW is namelijk geen sprake van een opbouwstelsel (spaarpotje) maar van een risicostelsel. Dat houdt in dat als het verzekerde risico zich voordoet en aan de voorwaarden is voldaan, de WW-uitkering tot uitbetaling komt.

De rechtbank overweegt

4.1

De rechtbank oordeelt allereerst dat eiseres zich ten onrechte op het standpunt stelt dat, omdat zij in haar werkzame bestaan telkens WW-premie heeft betaald, zij nu recht heeft op een WW-uitkering. Dat zou betekenen dat er in het kader van de WW sprake zou zijn van een opbouwstelsel, wat niet juist is. De WW verzekert het risico op werkloosheid. Daarbij is niet van belang hoeveel WW-premie er in de loop der jaren is betaald. Dit betoog van eiseres faalt dan ook.

4.2

Uit artikel 21, eerste lid, van de WW volgt dat een recht op uitkering dat is geëindigd, bijvoorbeeld omdat sprake is geweest van detentie, herleeft met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer een aanvraag tot herleving van dat recht heeft ingediend. Uit het derde lid van artikel 21 van de WW volgt dat een recht op uitkering dat is geëindigd alleen kan herleven als de periode tussen de eindiging van het recht en het vervallen van de omstandigheid die tot de eindiging heeft geleid, niet langer is dan zes maanden.

4.3

De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseres aldus, dat zij van mening is dat verweerder, door haar recht op haar WW-uitkering niet te laten herleven op basis van artikel 21, derde lid, van de WW, heeft gehandeld in strijd met artikel 1 van het Protocol nummer 1 bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) (hierna het Protocol).

4.4

Op grond van artikel 1 van het Protocol heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom (‘possessions’). Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

4.5

De rechtbank stelt vast dat een recht op een WW-uitkering onder de term ‘possessions’ valt uit artikel 1 van het Protocol (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3478). Doordat de uitkering die eiseres had is ingetrokken vanwege de detentie en deze niet is herleefd, is haar feitelijk haar eigendom ontnomen. Beoordeeld moet daarom worden of aan de voorwaarden voor de eigendomsontneming uit artikel 1 van het Protocol is voldaan. Allereerst moet worden beoordeeld of de inbreuk op de bestaande aanspraak bij wet is voorzien. Vervolgens moet worden beoordeeld of de eigendomsontneming een legitieme doelstelling heeft en ten slotte of er een behoorlijk evenwicht is behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, een en ander onder de erkenning van de ruime beoordelingsmarge (‘margin of appreciation’) die de staat heeft bij de hantering van deze criteria.

4.6

De inbreuk in de vorm van het intrekken van de uitkering en het niet laten herleven ervan als de detentie meer dan zes maanden heeft geduurd, is bij wet voorzien en wel in artikel 21 van de WW.

4.7

Voor wat betreft de doelstelling van het niet laten herleven van de uitkering, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 26 oktober 1999 (ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8497 en RSV 2000/7). In deze uitspraak heeft de CRvB bij de uitleg van artikel 21, derde lid, van de WW aansluiting gezocht bij de strekking van de herlevingstermijn. De strekking is dat wordt voorkomen dat een werknemer aanspraak op een WW-uitkering zou kunnen maken nadat hij gedurende een lange tijd – namelijk langer dan zes maanden – buiten de arbeidsmarkt heeft gestaan. De wetgever heeft het bestaan van aanspraak op WW-uitkering voor een dergelijke werknemer niet wenselijk geacht omdat een dergelijke werknemer dan een te grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een legitieme doelstelling voor het hanteren van de regel dat het recht niet herleeft als de detentie meer dan zes maanden heeft geduurd.

4.8

Gelet op het bovenstaande en daarbij in aanmerking genomen de ruime beoordelingsmarge die de Staat in deze toekomt, is er geen sprake van een onevenwichtige afweging tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht. Evenmin kan worden gezegd dat er geen proportionaliteit bestaat tussen het gekozen middel en het beoogde doel. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van dat eiseres door de inbreuk op haar eigendomsrecht een onevenredig zware last dient te dragen.

4.9

Het beroep van eiseres slaagt daarom niet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

4.10

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier, op 20 mei 2021. De beslissing wordt in het openbaar uitgesproken op de eerstvolgende dinsdag na deze datum.

de griffier is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.