Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1549

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
18/830271-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830271-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 april 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.S. Slinkman, advocaat te Hoogezand.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Rademacher.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 december 2019, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot

de afgifte van een of meer geldbedragen, te weten 1000 euro en/of 2270,67 euro

en/of 400 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s),

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen

een of meer geldbedragen, te weten 1000 euro en/of 2270,67 euro en/of 400

euro, en/of een laptop en/of een koptelefoon en/of een gitaar, in elk geval

van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke

diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, en/of zijn mededader(s)

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij geld moest pinnen, en/of

- die [slachtoffer] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd dat hij/zij hem

en/of zijn familie, waaronder zijn moeder, vader en zusje zou/zouden afmaken

als hij niet mee zou werken, en/of

- die [slachtoffer] bij de keel heeft/hebben gegrepen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor afpersing in vereniging en diefstal met geweld in vereniging. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat hij de verklaringen van aangever betrouwbaar acht en dat hij deze verklaringen als uitgangspunt neemt voor het bewijs. De verklaringen van aangever worden ondersteund door andere bewijsmiddelen zoals de getuigenverklaring van [getuige] , de getuigenverklaring van de vader van aangever en de uitkomsten van het financiële onderzoek waaruit volgt dat er op 19 december 2019 vanaf de verschillende betaal- en spaarrekeningen van aangever geldbedragen worden verschoven naar de betaalrekening van aangever en dat van die betaalrekening € 400,- wordt overgemaakt naar de bankrekening van verdachte. Tot slot volgt uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte dat met het e-mailadres [e-mailadres] gemaild wordt met de bewindvoerder van verdachte over het bedrag dat van de rekening van aangever naar de rekening van verdachte is overgeschreven.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de onbekend gebleven medeverdachten en verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat er onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden is. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de nodige vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de verklaringen die aangever heeft afgelegd. Zo is onduidelijk gebleven waarom de onbekende mannen bij aangever aan de deur zijn gekomen en is onduidelijk hoe zij wisten dat er bij aangever geld te halen viel. Aangever zou vervolgens zijn meegenomen naar een woning in Groningen. In de woning is niets gebeurd. De onbekende mannen hebben niets tegen aangever gezegd, ze zouden hem enkel in de woning hebben laten zitten. Ook is het vreemd dat aangever heeft verklaard dat hij bang was voor verdachte, terwijl hij meerdere kansen heeft gehad om te vluchten. Bovendien heeft verdachte twee klompvoeten waardoor aangever makkelijk had kunnen weglopen. Het roept vragen op dat aangever niet meer over deze punten heeft verklaard. Nu de bewijsconstructie van het openbaar ministerie enkel op aannames is gebaseerd, dient verdachte integraal te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank stelt vast dat verdachte het tenlastegelegde ter terechtzitting heeft ontkend. Kort samengevat heeft verdachte verklaard dat hij, toen hij spullen kwam ophalen in zijn oude huis, twee onbekende mannen voor de deur van aangever heeft gezien, dat hij later die dag met die mannen en aangever mee is gereden naar Groningen en dat hij de volgende dag met aangever bij de bank is geweest. Hij ging zelf naar de bank om een adreswijziging door te geven. Toen hij met aangever bij café Knarie was, kwam de politie. Van de verklaring van aangever dat verdachte aanwezig zou zijn geweest bij een afpersing en/of diefstal met geweld waarbij verdachte de telefoon van aangever in zijn bezit zou hebben gehad klopt helemaal niets. Desgevraagd heeft verdachte verklaard dat aangever € 400,- op zijn rekening heeft gestort omdat aangevers pas niet werkte. Op vragen van de rechtbank hoe het kan dat verdachte een mail van de bank krijgt die gericht is aan aangever en hoe het kan dat verdachte gebeld is door een telefoonnummer waarvan aangever zegt dat het van één van de betrokken mannen was, heeft de verdachte geantwoord dat hij dat niet weet.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat deze door verdachte (eerst) ter terechtzitting afgelegde verklaringen vragen oproepen, leiden zij niet tot de conclusie dat het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Nu de verklaringen van aangever c.q. de rol van verdachte daarbij bovendien onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank zal verdachte daarom integraal vrijspreken van het ten laste gelegde.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 4.900,51 ter vergoeding van materiële schade en € 7.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, toepassing van de hoofdelijkheidsclausule en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering ten aanzien van de ten onrechte overgemaakte/ afgegeven bedragen wordt toegewezen tot een bedrag van

€ 2.204,67 met toepassing van de hoofdelijkheidsclausule. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overige materiële kosten te weten de reis- en verblijfkosten, huur aanhangwagen, vervanging gestolen spullen, dubbele maand huur, kosten voor slaapmedicatie en behandeling bij de psycholoog in rechtstreeks verband staan met de afpersing in vereniging en diefstal met geweld in vereniging. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en kunnen worden toegewezen. Het smartengeld dient te worden gematigd tot een bedrag van € 5.000,-.

De toegekende bedragen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en daarnaast dienst de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering nu hij vrijspraak heeft bepleit.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde, waaruit de schade zou zijn ontstaan, niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan integraal vrij.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en

mr. H.R. Bracht, rechters, bijgestaan door A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 april 2021.