Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1531

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
27-04-2021
Zaaknummer
C/18/199587 / HA ZA 20-133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heeft de bank haar zorgplicht tegenover een klant geschonden door niet mee te werken aan het effectueren van een koopovereenkomst tussen deze klant en een derde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/199587 / HA ZA 20-133

Vonnis van 21 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Gieten,

eiser,

advocaat mr. E.Tj. van Dalen te Groningen,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.A. Stal te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de bank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 november 2020

  • -

    de akte van [eiser] van 1 maart 2021 met producties 9 en 10

  • -

    de akte van de bank van 8 maart 2021 met producties 1 tot en met 8

  • -

    de mondelinge behandeling van 8 maart 2021 en de schriftelijke aantekeningen die de griffier daarvan heeft gemaakt

  • -

    de spreekaantekeningen van [eiser]

  • -

    de spreekaantekeningen van de bank.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is directeur-grootaandeelhouder van de besloten vennootschap [eiser] Beheer en Exploitatie BV.

2.2.

[eiser] heeft tot 1 mei 2014 in het pand aan de [adres 1] te Musselkanaal een apotheek geëxploiteerd via de besloten vennootschap Apotheek Musselkanaal BV (hierna: Apotheek Musselkanaal). [eiser] was de indirecte bestuurder van Apotheek Musselkanaal en tevens de beherend apotheker.

2.3.

De bank heeft aan [eiser] en aan hem gelieerde rechtspersonen kredieten en leningen verstrekt. Tot zekerheid van terugbetaling van deze kredieten en leningen hebben [eiser] en de aan hem gelieerde rechtspersonen een recht van hypotheek aan de bank verstrekt op het pand waarin de apotheek was gevestigd in Musselkanaal en een ander pand in Ter Apel. Verder is er een recht van hypotheek aan de bank verstrekt op een stuk land in Gasselte.

2.4.

De vennootschap onder firma Apothekersgroep Groningen v.o.f. (hierna: Apothekersgroep Groningen) had naar aanleiding van verkoopplannen van [eiser] in het voorjaar van 2014 interesse in overname van de apotheek te Musselkanaal.

2.5.

Apothekersgroep Groningen bankierde ook bij de bank.

2.6.

Op 25 april 2014 is een koopovereenkomst tot stand gekomen waarbij Apothekersgroep Groningen tevens het huurcontract van de [adres 1] te Musselkanaal zou overnemen en de activiteiten van de apotheek zou gaan voortzetten. In de koopovereenkomst is een bedrag van € 1.378,040,00 als koopprijs opgenomen waarvan € 800.000,00 op 1 mei 2014 zou worden voldaan en € 578.040,00 zou worden omgezet in een lening met een looptijd van maximaal vijf maanden.

2.7.

In de koopovereenkomst van 25 april 2014 is (verder) onder meer het volgende

opgenomen:

(...)

Artikel 2 - Opschortende voorwaarden voor Overdracht

2.1

De overdracht door verkoper aan koper op grond van deze koopovereenkomst zal zijn opgeschort, totdat de Koopprijs zal zijn voldaan overeenkomstig artikel 3.4 (hierna te noemen: "de Opschortende voorwaarde ").

Voorts zal Koper gerechtigd zijn zijn medewerking aan de Overdracht en de betaling van de Koopprijs geheel of gedeeltelijk op te schorten, totdat zal zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. de medewerking van de contractuele wederpartijen voor de contractoverneming als bedoeld in artikel 6:159 BW van de Contracten als vermeld op Bijlage 2 zal bij voorbaat schriftelijk en zonder voorbehoud zijn verstrekt:

b. tussen Koper en [eiser] Beheer en Exploitatie zal een huurovereenkomst zijn ondertekend ten aanzien van de onroerende zaak waarin de Apotheek wordt geëxploiteerd - aan de [adres 1] te Musselkanaal - overeenkomstig het concept dat als Bijlage 3 aan deze Koopovereenkomst is gehecht. [eiser] Beheer en Exploitatie zal zich voorzien van schriftelijke toestemming van de hypotheekhouder, de Abn Amro Bank NV, als bedoeld in de hypotheekakte van 19 september 2011 onder het kopje 'Huurbeding ", waaruit de onvoorwaardelijke toestemming van de hypotheekhouder blijkt tot het aangaan van deze huurovereenkomst en zal deze verklaring aan Koper ter beschikking stellen;

c. Verkoper zal zich voorzien van een schriftelijke verklaring van alle partijen, waaronder haar financier(s), dat zij onvoorwaardelijk afstand doen van alle pandrechten die rusten op de over te dragen Activa en zal deze verklaring(en) aan Koper ter beschikking stellen. [eiser] Beheer en Exploitatie zal zich voorzien van een schriftelijke verklaring van de hypotheekgever, de Abn Amro Bank NV, dat zij onvoorwaardelijk afstand doet van het pandrecht dat zij op grond van de hypotheekakte van 19 september 2011 heeft of mocht hebben op de roerende zaken die zich in de onroerend zaak bevinden waarin de apotheek wordt geëxploiteerd.

2.2

Partijen zullen zich inspannen om te bewerkstelligen dat de in artikel 2.1. opgenomen voorwaarden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk op 1 mei 2014 zullen zijn vervuld.

(…)

3.4

Betaling van de Koopprijs vindt plaats op de datum van Overdracht, door overmaking op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] [...) ten name van Verkoper.

2.8.

Bij e-mail van 29 april 2014 van [eiser] aan de bank schrijft hij, voor zover relevant:

Op 3 januari van dit jaar hebben we gesproken over een mogelijke overname van Apotheek Musselkanaal BV.

De potentiele kopers zijn gevonden en de verkoop kan per 1 mei 2014 doorgang vinden.

In de bijlagen treft u de door beide partijen goedgekeurde koopovereenkomst aan en het opgestelde huurcontract.

De stukken kunnen getekend worden, wanneer de ABNAMRO onvoorwaardelijk afstand doet van het pandrecht op inventaris, voorraden en debiteuren, conform hypotheekakte ([adres 1]) 2011 en laatste kredietovereenkomst en toestemming tot verhuur van de (apotheek)ruimte aan de [adres 1], [postcode 1] Musselkanaal.

Het spreekt voor zich dat ik hier schriftelijk een bevestiging van kan krijgen. Gaarne voor 29 april 2014, zodat de verkoop geen vertraging zal oplopen.

2.9.

Bij e-mail van 30 april 2014 van de bank aan [eiser] schrijft zij, voor zover relevant:

Uit uw mail begrijp ik dat ons wordt gevraagd onvoorwaardelijk afstand te doen van onze zekerheidsrechten alsmede toestemming om een huurovereenkomst aan te gaan met de koper.

Ik kan u melden dat wij wel voorwaarden zullen stellen aan de vrijgave van zekerheden. De belangrijkste voorwaarde is dat de volledige koopsom in mindering gebracht zal moeten worden op de totale kredietfaciliteit, wij verwachten hiertoe van de betrokken notaris een verzoek tot het verstrekken van een aflosnota.

Wij zullen de huurovereenkomst accepteren echter zal de huurder een ontruimingsverklaring moeten accepteren tot deze de volledige koopsom heeft voldaan en u schulden vrij bent ten aanzien van ABN AMRO. Uit de koopsom blijkt dat de koopsom niet in één bedrag zal worden voldaan maar dat dit in twee tranches zal gebeuren. Wat gebeurt er als de 2e tranche niet (volledig) voldaan kan worden? Heeft de koper reeds aangetoond over voldoende middelen te kunnen beschikken om de gehele koopsom te voldoen?

(…)

Ik vertrouw er op dat u middels dit schrijven duidelijk heeft onder welke voorwaarden wij bereid zijn mee te werken aan verkoop.

2.10.

De feitelijke overdracht van de apotheek aan Apothekersgroep Groningen heeft op 1 mei 2014 plaatsgevonden. Betaling van het bedrag van € 800.000,00 heeft die dag niet plaatsgevonden. Apothekersgroep Groningen is vanaf 1 mei 2014 de apotheek in Musselkanaal gaan exploiteren.

2.11.

Bij e-mail van 27 mei 2014 van de bank aan [eiser] en zijn adviseur [naam 1], verbonden aan [naam 1] Belastingadviseurs BV (hierna: [naam 1]), schrijft zij, voor zover relevant:

Wij zullen het pandrecht vrijgeven indien ook de 2e tranche is betaald door de koper. Indien de 2e tranche niet wordt betaald is dit een ontbindende voorwaarde voor de koop en zal het actief waarop het pandrecht rust van de huidige rechtspersoon blijven.

(…)

De bevestiging aan de koper zal ik in een separate mail doen indien het verzoek van de koper mij per mail bereikt. Hierin zal ik uiteraard geen bedragen tot aflossing noemen. Wel zal hierin worden opgenomen dat de vrijgave pandrecht pas een feit is, als de betaling van de 2e tranche is voldaan ad EUR 800.000,-. Daarnaast zal ik daarin bevestigen dat de overeen te komen huurovereenkomst akkoord is mits voorzien van een ontruiming verklaring.

2.12.

Bij e-mail van 28 mei 2014 van [naam 1] namens [eiser] aan de bank schrijft hij, voor zover relevant:

De koper zal in een separate mail aan u verzoeken tot vrijgave van het pandrecht. Deze vrijgave vindt plaats nadat de 2e tranche is voldaan.

Voor de volledigheid graag Uw bevestiging van het voorgaande alsmede het model ontruiming verklaring zoals door Abn-Amro wordt gehanteerd zodat dit als addendum bij de huurovereenkomst kan worden toegevoegd.

2.13.

Bij e-mail van 29 mei 2014 van de bank aan [naam 1] schrijft zij in reactie op de e-mail van 28 mei 2014, voor zover relevant:

Hetgeen in uw mail is samengevat is m.i. de juiste weergave van onze besprekingen (…)

De zekerheden uit hoofde van het pandrecht op vorderingen/debiteuren, bedrijfsinventaris en/of goederen/voorraad zullen worden vrijgegeven in verband met de verkoop van de activiteiten en bezittingen in Apotheek Musselkanaal BV aan de koper. Alle overige zekerheden als genoemd in de overeenkomst als bijlage aan deze mail of voorafgaande kredietovereenkomsten, blijven onverminderd van kracht.

2.14.

Apothekersgroep Groningen heeft Apotheek Musselkanaal bij brief van 19 juni 2014 in gebreke gesteld met betrekking tot de nakoming van de verplichting tot levering van het actief, vrij van rechten van derden, alsmede met betrekking tot de nakoming van de verplichting tot het sluiten van een huurovereenkomst waarbij het huurbeding van de bank niet langer van kracht is. Onder meer een medicijnleverancier dreigde een beroep op haar eigendomsvoorbehoud te doen in verband met een openstaande vordering.

2.15.

Apotheek Musselkanaal heeft op haar beurt bij brief van 23 juni 2014 een ingebrekestelling aan Apothekersgroep Groningen gestuurd in verband met onder meer betaling van de eerste tranche van de koopsom.

2.16.

Bij brief van 27 juni 2014 heeft Apothekersgroep Groningen de koopovereenkomst ontbonden.

2.17.

Apotheek Musselkanaal heeft Apothekersgroep Groningen c.s. in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. In dit kort geding heeft Apotheek Musselkanaal het volgende gevorderd: 1) het ontruimen van [adres 1] te Musselkanaal door Apothekersgroep Groningen c.s., 2) het verbieden van Apothekersgroep Groningen c.s. tot het exploiteren van een apotheek in Musselkanaal en 3) het verbieden van het gebruik van patiëntenbestanden e.d., betrekking hebbend op Apotheek Musselkanaal. Bij vonnis van 22 september 2014 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen afgewezen.

2.18.

Apotheek Musselkanaal heeft Apothekersgroep Groningen gedagvaard voor de civiele rechter van voornoemde rechtbank en heeft betaling van de gehele koopsom gevorderd (zaaknummer/rolnummer C/18/150114/HAZA 14-211). Bij vonnis van 27 mei 2015 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen.

2.19.

Tegen het vonnis van 27 mei 2015 is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Bij arrest van 14 november 2017 heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 27 mei 2015 bekrachtigd.

2.20.

Op 13 september 2017 is Apotheek Musselkanaal failliet verklaard, met benoeming van mr. S. van Gessel tot curator (hierna: de curator).

2.21.

De curator heeft de vorderingen van Apotheek Musselkanaal op onder meer de bank aan [eiser] gecedeerd.

2.22.

Bij brief van 14 juni 2019 is de bank door [eiser] aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 1.225.000,00. Verder heeft [eiser] in deze brief de cessie aan de bank medegedeeld.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert – verkort weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat de bank toerekenbaar jegens [eiser] tekort is gekomen dan wel onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door na het sluiten van de koopovereenkomst van 25 april 2014 geen onvoorwaardelijke mededeling te doen tot het mogen aangaan van een huurovereenkomst en waarin de bank afstand doet van haar pandrechten op de roerende zaken die zich in de apotheek aan de [adres 1] te Musselkanaal bevinden. Verder vordert [eiser] de veroordeling van de bank om ten titel van schadevergoeding aan hem te betalen een bedrag van € 1.225.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 juni 2014 tot de dag der algehele voldoening, een en ander met veroordeling van de bank in de kosten van deze procedure waaronder een bedrag aan nasalaris.

3.2.

Aan de vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat door het hof in zijn arrest van 14 november 2017 is overwogen dat het aan de bank is te wijten dat de vordering van Apotheek Musselkanaal tot betaling van de koopsom is afgewezen. De bank was niet bereid om, zoals contractueel met Apothekersgroep Groningen overeen was gekomen, het pandrecht op de activa in de apotheek onvoorwaardelijk vrij te geven en de ontruimingsverklaring waarmee de bank haar rechten uit het huurbeding in de hypotheekakte richting Apothekersgroep Groningen te laten vervallen. Doordat de bank niet meewerkte, is Apotheek Musselkanaal jegens Apothekersgroep Groningen tekortgekomen in de nakoming van de koopovereenkomst. Zij is door Apothekersgroep Groningen in gebreke gesteld en vervolgens in verzuim geraakt. Gelet op deze situatie heeft het hof geoordeeld dat de tekortkoming van Apotheek Musselkanaal het beroep op ontbinding van de koopovereenkomst door Apothekersgroep Groningen rechtvaardigt. Door het niet betalen van de koopsom door Apothekersgroep Groningen, zijn [eiser] en de aan hem gelieerde vennootschappen in financiële problemen gekomen. Dit zou niet zijn gebeurd als de bank volledig en onvoorwaardelijk haar medewerking aan de koopovereenkomst zou hebben verleend zoals overeengekomen, aldus [eiser]. Daarmee heeft de bank ook niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht en onrechtmatig gehandeld. Daar komt bij dat de bank door het vrijgeven van haar rechten geen onnodig risico zou hebben gelopen nu [eiser] voldoende onderpand aan de bank bood. In totaal begroot [eiser] de schade veroorzaakt door de handelwijze van de bank op € 1.225.000,00 zijnde de goodwill die hij is misgelopen door de ontbinding van de koopovereenkomst.

4 Het verweer

4.1.

De bank concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met de veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

4.2.

De bank betwist dat zij aansprakelijk is voor de door [eiser] gestelde schade omdat er van enige tekortkoming in de nakoming van een verplichting geen sprake is en zij evenmin onrechtmatig heeft gehandeld. De bank heeft geen bemoeienis gehad met de door [eiser] met Apothekersgroep Groningen gesloten koopovereenkomst. De daarin opgenomen toegezegde verklaringen van de bank, heeft zij niet gegeven. [eiser] heeft er ook niet op mogen vertrouwen dat de bank de door hem verlangde verklaringen zou afgeven. [eiser] informeerde de bank nadat de koopovereenkomst tot stand was gekomen over de inhoud daarvan. Daarop is door de bank kenbaar gemaakt dat zij geen afstand van zekerheden zou doen voordat betaling van de gehele koopsom zou hebben plaatsgevonden. Het was aan [eiser] om een oplossing voor het door hem gecreëerde probleem te vinden. De bank heeft, om de transactie met Apothekersgroep Groningen te redden, voorgesteld om uit de eerste tranche van de koopsom bij voorrang een schuld bij een medicijnleverancier en het pensioenfonds te voldoen. De bank betwist dat zij door de vrijgave van zekerheden geen risico zou hebben gelopen. De totale executiewaarde van de zekerheden bedroeg € 693.000,00 voor een restvordering van circa € 800.000,00. Bij het slagen van de transactie zou de gehele opbrengst van de verkoop aan de bank zijn toegekomen en zou de bank volledig zijn terugbetaald. Omdat de bank echter toestond vorderingen aan een medicijnleverancier en het pensioenfonds bij voorrang zouden worden voldaan, zou een vordering van de bank op [eiser] resteren. Van een voordeel aan de zijde van [eiser] van € 1.225.000,00 zou nooit sprake geweest kunnen zijn. De (hoogte van de) schade wordt om die reden ook door de bank betwist. Voorts voert de bank aan dat [eiser] de omvang van de schade niet nader heeft onderbouwd. In het bijzonder heeft [eiser] nagelaten om te onderbouwen waardoor het niet doorgaan van de koopovereenkomst heeft gemaakt dat de volledige goodwill is verdampt.

5 De beoordeling

5.1.

Het geschil ziet op de vraag of er tussen [eiser] en de bank afspraken zijn gemaakt in het kader van het vrijgeven van rechten naar aanleiding van een door [eiser] met een derde gesloten koopovereenkomst en of de bank zich aan die afspraken heeft gehouden. Mocht in rechte niet blijken dat tussen [eiser] en de bank dergelijke afspraken zijn gemaakt, dan stelt [eiser] dat de bank onrechtmatig heeft gehandeld door haar zekerheden niet vrij te geven en dat de bank daarmee haar zorgplicht heeft geschonden.

Er is geen sprake van enige tekortkoming in de nakoming van een verbintenis aan de zijde van de bank

5.2.

[eiser] stelt ten eerste dat de bank tekort is gekomen in de nakoming van haar verplichtingen jegens Apotheek Musselkanaal door geen medewerking te verlenen aan het vrijgeven van zekerheden zoals in de koopovereenkomst met Apothekersgroep Groningen overeen is gekomen.

5.3.

Vast staat dat de bank pas na de totstandkoming van de koopovereenkomst door [eiser] over de inhoud daarvan is geïnformeerd. De daarin opgenomen toezeggingen zijn niet vooraf door [eiser] met de bank kortgesloten. Namens [eiser] is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat zowel hij als Apothekersgroep Groningen bankierden bij de bank en dat de bank door toezending van de koopovereenkomst wist wat er van haar werd verwacht. De rechtbank oordeelt dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, is niet gebleken dat door [eiser] voor de totstandkoming van de koopovereenkomst met Apothekersgroep Groningen een overeenkomst met de bank is gesloten inhoudende dat zij haar zekerheden zou vrijgeven. Het enkel toezenden van een koopovereenkomst met een derde aan de bank met daarin toezeggingen van de bank, constitueert naar het oordeel van de rechtbank geen instemming van de bank met die toezeggingen. Van een tekortkoming in dat kader van de bank kan dan ook geen sprake zijn.

5.4.

Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat er eind mei 2014 een overeenkomst met de bank tot stand is gekomen inhoudende – kort gezegd – dat de bank haar zekerheden onvoorwaardelijk prijs zou geven, is ook dit niet gebleken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de e-mails waarnaar [eiser] in dit kader verwijst van 28 en 29 mei 2014 niet blijkt van een zodanige toezegging van de bank dan wel concrete afspraken daartoe. Uit die e-mails blijkt juist dat de bank eerst over zal gaan tot vrijgave van het pandrecht nadat de tweede tranche is voldaan en daarmee de volledige koopsom is betaald. Verder schrijft de bank in haar e-mail van 28 mei 2019 dat de met Apothekergroep Groningen overeengekomen huurovereenkomst akkoord is mits voorzien van een ontruimingsverklaring. In de reactie op deze e-mail namens [eiser] van 29 mei 2014 wordt vervolgens bevestigd dat het pandrecht zal worden vrijgegeven na betaling van de tweede tranche, derhalve volledige betaling van de koopsom, met daarbij het verzoek aan de bank om het door haar gehanteerde modelontruimingsverklaring toe te zenden zodat dit als addendum bij de huurovereenkomst kan worden gevoegd.

5.5.

Ook uit laatstgenoemd feitencomplex kan niet het worden afgeleid dat met de bank is overeengekomen dat zij haar zekerheden prijs zou geven. Van een tekortkoming kan daarom geen sprake zijn.

5.6.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat [eiser] er, gelet op hetgeen partijen in de e-mails over en weer naar elkaar hebben geschreven en de afspraken die zijn gemaakt over welke wijze de deelbetalingen van de koopsom zouden worden afgeboekt, ook niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de bank haar zekerheden zou prijsgeven. Door de bank is immers steeds in haar e-mails onomwonden geschreven dat zij niet tot vrijgave over zou gaan totdat de koopsom volledig door Apothekersgroep Groningen zou zijn betaald.

Er is evenmin sprake van een onrechtmatige daad

5.7.

Subsidiair heeft [eiser] de aansprakelijkheid van de bank gegrond op een onrechtmatige daad, die hierop neerkomt dat de bank niet aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan door niet een onvoorwaardelijke mededeling ten aanzien van zowel de huur als de pandrechten af te geven. Als gevolg hiervan is de koopovereenkomst door de koper ontbonden en is er schade ontstaan. De bank heeft volgens [eiser] haar eigen belangen laten prevaleren boven zijn belangen.

5.8.

Het is vaste rechtspraak dat de bank in het maatschappelijke verkeer, als bij uitstek deskundig en professioneel financieel dienstverlener, een bijzondere zorgplicht heeft, ten aanzien van haar cliënten en in voorkomende gevallen ook ten aanzien van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden. De reikwijdte van deze zorgplicht is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

5.9.

De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] dat de bank geen reden had om haar zekerheidsrechten niet prijs te geven omdat door [eiser] voldoende onderpand aan de bank was verstrekt en zij daardoor geen risico liep. [eiser] heeft in dat kader gesteld dat op het moment van de transactie een bedrag van € 1.590.800,00 aan onderpand aanwezig was. Een en ander is door de bank gemotiveerd weersproken.

5.10.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Vooropgesteld wordt dat Apotheek Musselkanaal was ondergebracht bij de afdeling Bijzonder Beheer van de bank. De bank hield dan ook verscherpt toezicht op de schulden van [eiser]. [eiser] heeft niet weersproken dat de vordering van de bank totaal ongeveer € 1.300.000,00 bedroeg. Door de bank is, om voor [eiser] enige ruimte te creëren om met Apothekersgroep Groningen tot een oplossing te kunnen komen, toegezegd dat van de eerste tranche van € 800.000,00 die Apothekersgroep Groningen zou voldoen, als eerste de vordering van het pensioenfonds en de medicijnleverancier in mindering zou strekken en dat dit bedrag niet volledig op de vorderingen van de bank in mindering zou strekken. Dit betekende dat de bank daarmee een bedrag van € 300.000,00 minder zou ontvangen naar aanleiding van de eerste betaling. Volgens de bank, hetgeen niet door [eiser] is weersproken, resteerde daarmee een schuld van ongeveer € 800.000,00 aan de bank. De rechtbank is met de bank van oordeel dat voor de waarde van de zekerheden niet de taxatiewaarde bepalend is maar de executiewaarde. [eiser] heeft niet weersproken dat de executiewaarde van de resterende zekerheden na vrijgave zoals opgenomen in de koopovereenkomst, € 693.000,00 zou bedragen. Dit houdt in dat de bank daarmee een aanzienlijk risico zou hebben gelopen zeker nu de vorderingen van de bank reeds bij de afdeling Bijzonder Beheer waren ondergebracht. In redelijkheid kon van de bank, gegeven deze omstandigheden, dan ook niet worden verwacht de zekerheden zoals in de koopovereenkomst opgenomen prijs te geven.

5.11.

Verder heeft [eiser] betoogd dat de bank bij de koopovereenkomst betrokken was als schuldeiser van [eiser] en in eerste instantie als financier voor Apothekergroep Groningen. Daarmee had de bank twee petten op, aldus [eiser]. De betrokken afdelingen binnen de bank hadden onderling geen overleg, waardoor regie vanuit de bank volgens [eiser] ontbrak. Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele feit dat de bank zowel aan de zijde van de koper als de verkoper betrokken was niet zonder meer in strijd met haar zorgplicht dan wel onrechtmatig. Daar is meer voor nodig. De rechtbank oordeelt dat door [eiser] onvoldoende feiten naar voren zijn gebracht waaruit geconcludeerd zou moeten worden dat het enkele feit dat er kennelijk geen regie van uit de bank werd gevoerd, een schending van haar zorgplicht betekent. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarom de bank bij een overeenkomst die an sich tussen twee professionele partijen tot stand is gekomen en waarbij de bank niet als adviseur is geconsulteerd, een zorgplicht heeft om die overeenkomst tot een goed einde te brengen. Dit klemt temeer nu door [eiser] toezeggingen zijn gedaan namens de bank zonder ruggespraak met de bank en hij de bank daarmee als het ware voor een voldongen feit heeft gesteld. Van een onrechtmatige daad is al met al dan ook niet gebleken.

5.12.

Voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

5.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de bank worden vastgesteld op:

- griffierecht € 4.131,00

- salaris advocaat 7.712,00 (2,0 punten × tarief € 3.856,00)

Totaal € 11.843,00.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de bank tot op heden vastgesteld op € 11.843,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.1

1 type: 596/eh coll: