Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1473

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
8898754
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Schadevergoedingsuitspraak
Vereenvoudigde behandeling
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding voor studievertraging; kans; schadebeperking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2021/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 8898754 CV EXPL 20-8794

Vonnis van de kantonrechter van 20 april 2021

in de zaak van

[eiser]

wonende te Groningen,

eisende partij, hierna [eiser] te noemen,

gemachtigde: mevrouw mr. A. van Essen-Bosker, werkzaam bij Univé Rechtshulp te Assen (Postbus 557, 9400 AA),

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon Rijksuniversiteit Groningen,

gevestigd te Groningen (Postbus 72, 9700 AB),

gedaagde partij, hierna de RUG te noemen,

gemachtigde: mevrouw mr. M. van Mourik, advocaat te Groningen (Postbus 1100, 9701 BC).

PROCESGANG

1. Op de bij dagvaarding van 9 november 2020, met producties, vermelde gronden heeft [eiser] gevorderd om de RUG te veroordelen tot betaling van € 21.767,85 te vermeerderen met rente over € 20.785,00 vanaf 13 april 2018 tot aan de dag van de betaling, en van de proceskosten.

De RUG heeft bij antwoord, onder overlegging van producties, de vordering betwist.

Er is een mondelinge behandeling gehouden op 6 april 2021. [eiser] is verschenen met mevrouw mr. T. Galema als gemachtigde en voor de RUG zijn verschenen mevrouw prof. dr. M.A.J. van Duijn en mevrouw mr. M.E.A. Donkersloot met mr. Van Mourik. Mr. Galema heeft pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is gezegd.

Ten slotte is de uitspraak, nader en bij vervroeging, bepaald op vandaag.

OVERWEGINGEN

De feiten

2. De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.

2.1.

[eiser] heeft zich per 1 september 2013 ingeschreven als student bij de RUG voor de opleiding sociologie. De studie heeft een nominale studieduur van vier jaren, drie voor het Bachelor diploma en één voor de Master.

2.2.

In het tweede deel van het studiejaar 2017-2018 heeft [eiser] zich ingespannen om de vakken Voortgezette Statistiek I en II en het Bachelorwerkstuk te halen. Medio april 2018 had hij colleges voor Voortgezette Statistiek I gevolgd en op het eerste tentamen voor dat (deel)vak een onvoldoende behaald (5,3).

2.3.

Op 13 april 2018 heeft de zogenaamde tweede lezer, [tweede lezer], na overleg met de begeleider, [begeleider] besloten [eiser] uit te sluiten van verdere deelname aan het Bachelorwerkstuk. Dit gebeurde op grond van de toen geldende cursushandleiding om studenten eerder te laten stoppen, zodra duidelijk was dat het Bachelorwerkstuk niet met een voldoende zou kunnen worden afgerond, dan na voltooiing van het Bachelorwerkstuk.

2.4.

Het college van beroep voor de examens heeft op 11 september 2020 op het door [eiser] ingestelde beroep het besluit vernietigd omdat door dat besluit [eiser]:

(…) de mogelijkheid wordt ontnomen om een studieonderdeel, al dan niet succesvol, af te ronden. Feitelijk wordt appellant een eindoordeel over het betreffende studieonderdeel onthouden.

De wet biedt daarvoor, volgens het college, geen basis.

2.5.

Op 28 september 2018 zijn [eiser], Van Duijn en [tweede lezer] in gesprek gegaan over het vervolg van de studie van [eiser]. Daarbij heeft de RUG [eiser] twee mogelijkheden gegeven:

1. instromen in het reguliere traject voor het Bachelorwerkstuk per 1 februari 2019;

2. het oorspronkelijk gekozen onderwerp voor het Bachelorwerkstuk per direct weer oppakken met extra begeleiding en ondertussen het vak Voortgezette Statistiek afronden, waarmee de Bacheloropleiding per 1 februari 2019 zou kunnen worden afgerond en [eiser] per die datum zou kunnen instromen voor de Masteropleiding.

[eiser] heeft gekozen voor optie 1 en op 28 juni 2019 Voortgezette Statistiek behaald met een 6,2 en op 4 juli 2019 het Bachelorwerkstuk met een 6.

2.6.

In de periode vanaf 13 april 2018 tot 1 februari 2019 heeft [eiser] tijd besteed aan een betaald student-assistentschap. Daarmee heeft hij in die periode naar eigen zeggen € 14.000,00 verdiend.

2.7.

Per oktober 2020 heeft [eiser], hoewel nog niet afgestudeerd, een fulltimebaan betrokken bij de RUG, waarmee hij gemiddeld gezien meer verdient dan een pas afgestudeerd socioloog.

De standpunten van partijen

3. [eiser] heeft zich gebaseerd op de vaststaande feiten. [eiser] heeft aangevoerd door het onterechte besluit van de RUG een jaar studievertraging te hebben opgelopen. Daardoor lijdt hij schade omdat hij daardoor een jaar later kan toetreden tot de arbeidsmarkt. Met een beroep op De Letselschade Richtlijn Studievertraging begroot hij zijn schade op € 20.875,00. De snellere optie 2 vond [eiser] niet geschikt omdat dan het Bachelorwerkstuk niet synchroon liep met Voortgezette Statistiek – wat volgens de RUG wel wenselijk was – en omdat instromen in de Master in februari van een jaar een verkeerde volgorde van stage en scriptie en daarvoor voorbereidende vakken betekent.

4. Het verweer van de RUG is dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen het besluit van 13 april 2018 en de door [eiser] beweerde schade. [eiser] was geen “nominale” student en de kans dat zijn Bachelorwerkstuk bij beoordeling aan het eind een onvoldoende zou krijgen is niet denkbeeldig. Ook de kans dat [eiser] Voortgezette Statistiek zou hebben behaald is niet groot, ook omdat hij vaak niet aanwezig was bij de colleges van Voortgezette Statistiek I. De RUG heeft gewezen op de schadebeperkingsplicht van [eiser] en gewezen op zijn verdiensten. Ten slotte heeft de RUG gesteld dat [eiser] nog voor zijn afstuderen goed betaald in dienst is gekomen bij de RUG.

De beoordeling van het geschil

5. De kantonrechter stelt vast dat het besluit van 13 april 2018 een onrechtmatig besluit is geweest. Het is de kantonrechter duidelijk dat die onrechtmatigheid niet ziet op de materiële inhoud van het besluit (het tussentijdse niveau van het Bachelorwerkstuk is onvoldoende) maar op het tijdstip daarvan. [eiser] had recht op een oordeel (al of niet voldoende), maar aan het eind van het traject voor het Bachelorwerkstuk.

6. [eiser] heeft door het besluit de kans gemist om aan het eind van het studiejaar 2017-2018 zijn Bachelor te halen. Die kans oordeelt de kantonrechter 50% zodat 50% van de door studievertraging veroorzaakt schade in beginsel voor rekening van de RUG behoort te komen. Redengevend voor het 50/50-oordeel is, dat het inhoudelijke oordeel over het Bachelorwerkstuk medio april 2018 een onvoldoende inhield, dat het behalen van Voortgezette Statistiek bepaald geen gelopen race was door de onvoldoende op Voortgezette Statistiek I en dat zijn studieverleden leert dat [eiser] zich, door de nodige nevenactiviteiten, niet manifesteerde als een “nominale” student die in de voorgeschreven tijd alles haalde wat hij zich voornam te halen.

7. [eiser] heeft studievertraging opgelopen. De duur van die studievertraging is naar het oordeel van de kantonrechter een jaar. [eiser] heeft voor de door de RUG aangereikte optie 1 mogen kiezen. Redengevend daarvoor is, dat het advies van de RUG aan studenten is om het Bachelorwerkstuk tegelijk met Voortgezette Statistiek te volgen en dat instromen in de Master per februari niet wenselijk en inmiddels (om die reden?) ook onmogelijk is. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat docenten Voortgezette Statistiek hem na het besluit hebben geadviseerd dat vak weer op te pakken tegelijk met zijn volgende poging voor het Bachelorwerkstuk. Dat aan een jaar studievertraging een schadebedrag van € 20.785,00 gekoppeld kan worden, door analoge toepassing van De Letselschade Richtlijn Studievertraging, hebben partijen geen onderdeel van hun geschil gemaakt. Op grond van bovenstaande komt in beginsel 50% daarvan voor rekening van de RUG, een bedrag van € 10.392,50.

8. [eiser] is verplicht geweest zijn schade te beperken. De RUG heeft daarop gewezen. Ter zitting is onweersproken vast komen te staan dat in de periode april 2018 tot februari 2019 [eiser] betaald werk heeft verricht in plaats van te studeren. Er viel ook niet te studeren omdat het Bachelorwerkstuk en Voortgezette Statistiek de laatste Bachelor vakken waren, terwijl door de harde scheiding tussen Bachelor en Master niet alvast in de Mastervakken gewerkt kon worden. Met die betaalde werkzaamheden heeft [eiser], eveneens onweersproken, € 14.000,00 verdiend. Die betaalde werkzaamheden, in plaats van studie, zijn mogelijk geweest door het bestreden besluit en de terechte keuze voor optie 1.

9. De slotsom is dat [eiser] geen schade heeft geleden die de RUG moet vergoeden. De in rechtsoverweging 7 berekende som wordt ruimschoots gedekt door de verdiensten van [eiser] op grond van zijn schadebeperkingsplicht. [eiser] heeft zijn vordering enkel gebaseerd op gemist inkomen door later toetreden tot de arbeidsmarkt.

Alle verdere argumenten van partijen kunnen onbesproken blijven door het ontbreken van belang daarbij.

10. [eiser] verliest de procedure en moet de proceskosten van de RUG betalen. Deze begroot de kantonrechter op € 996,00 aan salaris van de gemachtigde (2 punten x € 498,00 per punt)

B E S L I S S I N G

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de kant van de RUG, een bedrag van € 996,00, te vermeerderen met nakosten en de wettelijke rente wanneer deze niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 20 april 2021 bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

RTjT