Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1460

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
18/128569-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland locatie Leeuwarden heeft op 6 april 2021 een verdachte veroordeeld voor afpersing. Verdachte had daarbij het slachtoffer met een stuk hout op (onder meer) zijn hoofd geslagen en hem diverse sieraden afhandig gemaakt.

Aan verdachte werd mede gelet op het tijdsverloop tussen het bewezen verklaarde en de zitting en de positieve ontwikkeling van verdachte een taakstraf voor de duur van 160 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/128569-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 maart 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.W. Delhaye, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 23 maart 2019 te Leeuwarden met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een zegelring en/of een halsketting en/of drie, althans meerdere, oorbellen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde, door opzettelijk gewelddadig die [slachtoffer] meermalen (met een houten voorwerp/knuppel) tegen het hoofd en/of een of meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam te slaan en/of daarbij tegen de [slachtoffer] te zeggen dat hij zijn sieraden moest afgeven, althans woorden van gelijk aard of strekking, zulks terwijl voornoemd feit zwaar, althans enig, lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, te weten
- Spoortje traumatisch subarachnoïdaal bloed rechts pariëtaal en/of
- Gesluierde sinus maxillares links met dubieus fractuurtje laterale wand.
- Enkele kleine luchtconfiguraties rond TMJ gewricht rechts als mogelijke uiting van doorgemaakt trauma alhier, echter geen aantoonbare fractuur.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd. Ten aanzien van het zwaar lichamelijk letsel heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte van het zwaar lichamelijk letsel moet worden vrijgesproken en dat bewezenverklaring kan volgen voor afpersing.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 maart 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 maart 2019, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019073122 d.d. 2 juli 2019, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 maart 2019, opgenomen op pagina 45 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verdachte;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 maart 2019, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het te laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij op 23 maart 2019 te Leeuwarden met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een zegelring en een halsketting en drie oorbellen, welke aan [slachtoffer] toebehoorden, door opzettelijk gewelddadig [slachtoffer] meermalen met een houten voorwerp tegen het hoofd en andere delen van het lichaam te slaan, en daarbij tegen [slachtoffer] te zeggen dat hij zijn sieraden moest afgeven.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Afpersing.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte heeft gehandeld uit emotie. Er is sprake van een oud feit en verdachte heeft geen relevante veroordelingen op haar strafblad. Uit het positieve reclasseringsrapport blijkt verder dat verdachte de laatste twee jaren keihard aan zichzelf heeft gewerkt. Door haar fibromyalgie kan verdachte geen acht uren per dag werken. De raadsman pleit daarom voor oplegging van een taakstraf van 160 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een door de rechtbank te bepalen duur.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van Verslavingszorg Noord Nederland van 13 januari 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 februari 2021, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 23 maart 2019 schuldig gemaakt aan een afpersing, waarbij zij het slachtoffer met een stuk hout op zijn hoofd en andere lichaamsdelen heeft geslagen. Verdachte heeft het slachtoffer daarbij diverse sieraden afhandig gemaakt. Afpersing is een ernstig feit. De rechtbank rekent dit verdachte aan en overweegt dat een dergelijk feit het opleggen van een substantiële gevangenisstraf in beginsel zonder meer rechtvaardigt. De rechtbank dient echter ook rekening te houden met de persoon van verdachte en met de omstandigheden waaronder verdachte tot het bewezenverklaarde is gekomen.

Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte is gestopt met het gebruik van harddrugs, dat ze heeft gebroken met haar gebruikersvrienden en dat zij sinds onderhavige delict niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Zij heeft een positief sociaal netwerk en een steunende partnerrelatie. Er is sprake van een goed lopend behandeltraject bij de Forensische Polikliniek van GGZ Friesland waarbinnen verdachte zich ontvankelijk en afsprakentrouw opstelt. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag gemiddeld, gelet op de aanwezige beschermende factoren van huisvesting, houding, abstinentie van middelen, sociaal netwerk en de motivatie van verdachte voor behandeling en gedragsverandering.

De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering wijst daarbij op de negatieve gevolgen van een gevangenisstraf voor de huisvestingssituatie van verdachte. Een gevangenisstraf zal bovendien kunnen leiden tot stagnatie van het huidige behandeltraject van verdachte terwijl wordt ingeschat dat verdachte ook vrijwillig het ingezette behandeltraject zal blijven voortzetten.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Gelet op het tijdsverloop tussen het bewezen verklaarde en de zitting, de positieve ontwikkeling van verdachte en haar fibromyalgie, zal de rechtbank zich aansluiten bij het pleidooi van de raadsman.

Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis, passend en de oplegging daarvan geboden. Gelet op de ernst van het feit zal de rechtbank daarnaast aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 160 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. K.A. de Groot en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 april 2021.

Mr. Krijger en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.