Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1457

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
18/750118-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland locatie Leeuwarden heeft op 6 april 2021 een verdachte veroordeeld voor het voorhanden hebben van een wapen en munitie. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geld.

Aan de niet-verschenen verdachte werd, mede gelet op het forse tijdsverloop, conform de eis van de officier van justitie een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750118-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 maart 2021.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, die verklaard heeft niet tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 augustus 2017 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1755,09 gram, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 29 augustus 2017 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden,

een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch pistool (merk Crvena Zastava), en/of munitie van categorie III, te weten 13 centraalvuur kogelpatronen, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 29 augustus 2017 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden,

althans in Nederland, van geld, te weten 8300 euro,

a. a) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld

en/of

b) verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat het cocaïne betrof. De inbeslaggenomen stof is in een door de politie uitgevoerde indicatieve test positief getest als MDMA. Het bewijs dat de stof inderdaad MDMA betreft, kan echter niet enkel op een indicatieve test worden gebaseerd.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 2 en 3.

Oordeel van de rechtbank

ten aanzien van feit 1.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard nu er onvoldoende wettig bewijs is. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

ten aanzien van de feiten 2 en 3.

De rechtbank acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 november 2017, opgenomen op pagina 257 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017090853-1 d.d. 19 december 2017, inhoudend de verklaring van [verdachte] ;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 30 augustus 2017, opgenomen op pagina 182 e.v. van voormeld dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek vuurwapen en munitie met bijlagen d.d. 1 november 2017, opgenomen op pagina 337 e.v. van voormeld dossier, inhoudend een relaas van verbalisant [verbalisant 8] .

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a en b Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.

De rechtbank leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af. Door de politie is in de woning van [naam] in totaal € 8.300,00 aangetroffen in een rolkoffer in de kast op de slaapkamer van voornoemde [naam] . Het betrof een stapel met briefgeld die door middel van een elastiek bij elkaar was vastgebonden: 126 briefjes van

€ 100,00 en 20 briefjes van € 50,00. Behalve dit geldbedrag lag in die koffer ook een plastic tas met daarin een wapen en munitie. Verdachte heeft tijdens zijn verhoor -onder meer- verklaard dat het geldbedrag hem toebehoorde, dat hij dit had overgehouden van de periode dat hij nog werk had en dat hij dit bedrag in een koffer in de slaapkamer van [naam] had gestopt. Ook heeft verdachte verklaard dat hij zwervende is en geen uitkering of inkomsten heeft.

Gelet de aangetroffen hoeveelheid contant geld in coupures van € 100,00 en € 50,00, alsmede gelet op de vindplaats van het geld in de nabijheid van een doorgeladen wapen met munitie in een koffer in een kast van een woning waar verdachte zo nu en dan sliep, is de rechtbank van oordeel dat hieruit zonder meer het gerechtvaardigd vermoeden afgeleid kan worden dat sprake is van witwassen. Van de verdachte mag daarom worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring die de verdachte daarover heeft gegeven niet als zo'n verklaring kan worden aangemerkt. De rechtbank acht het namelijk volstrekt ongeloofwaardig dat verdachte enerzijds een (zwervend) leven leidde zonder uitkering of inkomsten, maar anderzijds wel de beschikking had over een grote som contant geld met een legale herkomst.

De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 3 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

2.

hij op 29 augustus 2017 te Leeuwarden, een wapen van categorie III, te weten een semi-automatisch pistool (merk Crvena Zastava), en munitie van categorie III, te weten 13 centraalvuur kogelpatronen, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 29 augustus 2017 te Leeuwarden, van geld, te weten 8.300 euro, de vindplaats heeft verborgen en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geld -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

3. primair

Witwassen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 2 en 3 primair wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van het voorarrest, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van één jaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen en munitie. Het voorhanden hebben van een wapen en de bijbehorende munitie brengt grote veiligheidsrisico’s mee en verhoogt het risico op levensbedreigende geweldsdelicten.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen van geld. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving.

Verdachte is niet ter zitting verschenen. Volgens zijn justitiële documentatie is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld.

Op zichzelf zou voor de bewezen verklaarde feiten zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur opgelegd kunnen worden. Met name gelet op het forse tijdsverloop acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal daarom aan verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden opleggen.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht het inbeslaggenomen geldbedrag ad € 8.300,00 vatbaar voor verbeurdverklaring nu met betrekking tot dit geldbedrag het feit is begaan.

De rechtbank acht het inbeslaggenomen pistool met munitie en de 1.755,09 gram van een stof gelijkend op MDMA vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten is aangetroffen terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36d, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 3 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op één jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen geldbedrag ad € 8.300,00.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen 1.755,09 gram van een stof gelijkend op MDMA, een pistool (merk Crvena Zastava) en 13 centraalvuur kogelpatronen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. K.A. de Groot en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 april 2021.

Mr. Krijger en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.