Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:145

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-01-2021
Datum publicatie
22-01-2021
Zaaknummer
LEE 20/1709
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mijnbouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND RECTIFICATIE (p. 1)

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/1709

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2021 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers,

en

het Instituut mijnbouwschade Groningen (voorheen de Minister van Economische Zaken en Klimaat), verweerder

(gemachtigden: mr. T.W. Franssen en R. Lubbers).

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers in totaal een bedrag van € 21.991,76 aan schadevergoeding toegekend. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2020. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verweerder heeft meegebracht R. Lubbers (werkzaam bij 10BE).

Overwegingen

Feiten

1. Op 6 februari 2018 hebben eisers verzocht om vergoeding van schade aan hun huis aan de [adres] te [woonplaats] door mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld.

2. Op 30 augustus 2019 heeft deskundige W. Kiers in opdracht van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (de TCMG) een adviesrapport uitgebracht naar aanleiding van de opname van de schade op 27 maart 2019 die naar aanleiding van de schademelding plaatsvond. Na de zienswijze van eisers van 12 oktober 2019 heeft Kiers op 28 oktober 2019 een herzien rapport opgesteld.

2.1.

In het eerste adviesrapport worden 34 schades beoordeeld. De schades 25 en 26 betreffen scheuren in het plafond van circa 0,8 en 0,4 meter lang. In het rapport is beschreven dat overbelasting door trillingen of veranderingen in de ondergrond veroorzaakt door mijnbouw invloed kan hebben gehad op deze schades. Schades 28 en 34 worden gekwalificeerd als verzakkingen aan de vloer van de begane grond. Ten aanzien van schade 28 is beschreven dat deze is ontstaan op de overgang van twee verschillende geconstrueerde vloervelden. Hierbij is aangegeven dat het voorste deel ligt op de fundering van de woning, dat op palen staat, en dat het achterste deel op zand is gestort. De bodem onder de op zand gestorte vloer kan, aldus het rapport, nooit zo worden verdicht dat verzakking van de vloer wordt voorkomen. De bodem zal hier hoe dan ook inklinken, waardoor de achterste vloer ten opzichte van het voorste deel zal zakken. Er is wel gekozen voor dilatatie (een voorziening om de werking tussen de verschillende vloerdelen op te vangen), maar het is niet te zien of dit ook in de vloerverwarming is doorgezet, aldus het rapport. De kitvoeg in de dilatatie scheurt door de krachten die er vanuit de vloer op worden uitgeoefend. Overbelasting door trillingen of ongelijke zettingen in de ondergrond veroorzaakt door aardbevingen hebben, ook aldus het rapport, geen invloed gehad op de gemelde schade en de schade kan niet als gelijksoortig worden gekwalificeerd aan de in Groningen veel voorkomende schades. Ten aanzien van schade 34 is beschreven dat de vloer ten opzichte van de wanden iets is verzakt, waardoor naden tussen de plinten en de vloer ontstaan en door spanning op de in de vloer gestorte afvoer van de wasmachine de afvoer is gescheurd. In het adviesrapport wordt ook over de oorzaak van deze schade geconcludeerd dat de schade is ontstaan door inklinking van de bodem onder de op zand gestorte vloer, die hoe dan ook zal inklinken. Ook hier wordt geen causaal verband aanwezig geacht tussen bodembeweging door mijnbouwactiviteit en de schade.

2.2.

In het herziene adviesrapport is over schadepost 28, voor zover hier van belang, opgenomen dat de fundering voldoet aan de berekeningen van de constructeur en dat er een dilatatie met een flexibele vulling is aangebracht in de vloer zodat het “oude” gedeelte en het “nieuwe” gedeelte los van elkaar kunnen werken. Het “oude” gedeelte is echter, aldus het rapport, niet meer aan zetting onderhevig terwijl het “nieuwe” gedeelte dat nog wel is. Ten aanzien van schadepost 34 is, voor zover van belang, opgenomen dat er een naad is te zien tussen de HSB-wand en de vloer. De HSB-wand is geplaatst nadat de betonvloer is gestort en is bevestigd aan de buitenmuur. De funderingsbalk en de betonvloer hebben een verschillende ondergrond voor wat betreft het draagvlak en “zetten” dus ook verschillend. De conclusie blijft gehandhaafd dat de schade het gevolg is van inklinking van de bodem onder de op zand gestorte vloer.

3. In het primaire besluit heeft verweerder eisers een schadevergoeding van

€ 21.991,76 toegekend (herstelkosten € 20.288,68, bijkomende kosten € 945,--, wettelijke rente € 758,08). De schadevergoeding heeft mede betrekking op de schades 25/26. Ten aanzien van de schades 28 en 34 is met de genoemde rapportages, aldus verweerder, het bewijsvermoeden voldoende weerlegd, zodat die niet worden gekwalificeerd als mijnbouwschade.

3.1.

Op 3 maart 2020 heeft als onderdeel van de bezwaarfase een hoorzitting plaatsgevonden. Tijdens die hoorzitting heeft (de namens verweerder ingeschakelde) deskundige R. Lubbers verklaard, voor zover hier van belang, dat bij de herbouw van de woning had moeten worden gezorgd voor dilataties bij de aansluiting van de aanbouw op de hoofdbebouwing, maar dat hij die niet aantreft. Hierbij heeft Lubbers onder meer aangegeven dat er waarschijnlijk destijds al sprake was van enige inklinking van de bodem onder de fundering van de aanbouw omdat er al belasting aanwezig was en dat de aanbouw na de realisatie wellicht nog langer doorgezakt is vanwege het inklinkingsverschil tussen de heipalen en de betonfundering op zand.

3.2.

Op 24 maart 2020 heeft deskundige Lubbers in opdracht van de bezwaarschriftencommissie een addendum uitgebracht met een calculatie van de herstelkosten voor de schades 28 en 34. Deze schade is begroot op € 5.850,35.

4. In het advies van 8 april 2020 heeft de bezwaaradviescommissie onder meer aangegeven dat uit het rapport van deskundig Kiers blijkt dat de schades 28 en 34 verzakkingsschade betreft. Ook stelt de adviescommissie vast dat Kiers in zijn rapport de scheurvorming in het plafond en de wanden van de woonkamer en de keuken heeft erkend als mijnbouwschade (schades 25 en 26), terwijl dit scheuren betreft die zich net als de schades 28/34 bevinden op de grens tussen aanbouw en hoofdbebouwing. Er is ten onrechte onderscheid gemaakt tussen deze schades, aldus de bezwaaradviescommissie, zodat ook voor de schades 28/34 een vergoeding moet worden toegekend. Volgens de bezwaaradviescommissie maakt de verklaring van Lubbers tijdens de hoorzitting dit niet anders, omdat hij op slechts één van de mogelijke effecten van door mijnbouwactiviteiten veroorzaakte bevingen doelt en niet wordt voldaan aan de drie voorwaarden die daarvoor gelden. Hiermee zijn, aldus de bezwaaradviescommissie, de effecten van de trillingen door mijnbouwactiviteiten op de constructie niet uitgesloten, en is het bewijsvermoeden niet weerlegd.

4.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder volgt het advies van de bezwaaradviescommissie met betrekking tot de schades 28/34 niet. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bewijsvermoeden wel is weerlegd. Hierbij is gewezen op hetgeen Lubbers tijdens de hoorzitting heeft verklaard.

5. Op 5 oktober 2020 hebben de deskundigen ir. M.F.A. Derkink, ir. R. Loohuis en ing. W. Clemens in opdracht van verweerder een rapport opgesteld (rapport Derkink). In dit rapport wordt geconcludeerd dat de hoofdoorzaak van de schades 28/34 is gelegen in het feit dat, ten gevolge van de keuze voor twee verschillende fundatiesystemen (woonhuis en tussenbouw), door de gebouwbelastingen er een verschilzetting van circa 20 millimeter is opgetreden. De schade zou, aldus het rapport, ontegenzeggelijk ook zijn ontstaan als er geen trillingen door aardbevingen waren geweest.

Beoordeling van het geschil

6. Eisers voeren met verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie aan dat niet kan worden uitgesloten dat trillingen door mijnbouwactiviteiten effect hebben gehad op de constructie. Samengevat stellen zij dat de schades 28/34 zich net als de schades 25/26 manifesteren op de overgang tussen aanbouw en hoofdbebouwing en de schades 25/26 wel erkend worden als mijnbouwschade. Verweerder heeft, aldus eisers, niet onomstotelijk bewezen dat de schades 28/34 niet zijn veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bewijsvermoeden wel is weerlegd en verwijst in zijn verweerschrift naar de opinies van de deskundigen Kiers, Lubbers en naar het rapport Derkink. De oorzaak van de schades 28/34 is de zetting van het achterste deel van de woning: het achterste deel is lager komen te liggen dan het voorste deel, waardoor scheuren in vloer en muren zijn ontstaan. De zetting van het achterste deel van de woning houdt geen verband met bodembeweging door mijnbouwactiviteiten maar wordt veroorzaakt door het verschil in de wijze van funderen tussen het voorste en het achterste deel van de woning. Het voorste deel van de woning is gefundeerd op heipalen, terwijl het achterste deel van de woning ‘op staal’ is gefundeerd, dat wil zeggen dat het is gefundeerd op betonnen stroken die (zonder heipalen) op de bodem zijn geplaatst. De deskundigen hebben in dat verband aangegeven dat waar een fundering op heipalen zich na de bouw niet of nauwelijks nog zet, vanwege de kleefkracht van de palen ten opzichte van de grond en de draagkracht van de bodem waarop die palen is geplaatst, dit niet geldt voor de strokenfundering waarop het achterste deel van de woning is gebouwd. Verweerder neemt afstand van de conclusie van de bezwaaradviescommissie die naar zijn mening niet is onderbouwd en ten onrechte afwijkt van de duidelijke opinies van de deskundigen.

8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. In deze procedure is de vraag aan de orde of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het bewijsvermoeden voor de schades 28 en 34 is weerlegd.

8.1.

Ingevolge artikel 6:177a, eerste lid, van het BW wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, dat die schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.

8.2.

Het zogenoemde panel van deskundigen heeft in een rapport van 22 januari 2019 verweerder geadviseerd het wettelijk bewijsvermoeden weerlegd te achten als de schadeoorzaak evident en aantoonbaar een andere is dan de bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk in het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg. Hierbij heeft het panel aangegeven dat deskundigen dit op een begrijpelijke en schriftelijke wijze dienen te motiveren.

8.3.

De Hoge Raad heeft op 19 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1278) antwoord gegeven op door de rechtbank Noord-Nederland gestelde prejudiciële vragen die onder meer zagen op de toepassing van het bewijsvermoeden. In dit kader heeft de Hoge Raad geantwoord dat als is voldaan aan de vereisten voor toepassing van het vermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het BW, de exploitant dat vermoeden alleen dan met succes weerlegt als hij er in slaagt te bewijzen dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of exploitatie van het mijnbouwwerk. Hierbij heeft de Hoge Raad aangegeven dat voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar dat voor bewijs kan volstaan dat de te bewijzen feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk worden.

8.4.

Verweerder past het bewijsvermoeden in de praktijk zo toe dat het pas weerlegd is als voor de schade met een voldoende grote mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door gaswinning kan worden aangewezen. Hiermee doet verweerder geen afbreuk aan de waarborg zoals door de Hoge Raad is geformuleerd. Voor zover verweerder een hogere eis stelt dan de Hoge Raad is dit ook in het voordeel van eisers. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 18 mei 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:1935). De rechtbank zal het bestreden besluit vol toetsen aan het criterium of met een voldoende mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak is aangewezen.

8.5.

Verweerder heeft meerdere deskundigen ingeschakeld om de schade aan de woning te beoordelen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS: 2019:4250), mag een bestuursorgaan, als in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid naar voren zijn gebracht.

8.6.

Wat eisers aanvoeren, levert naar het oordeel van de rechtbank niet een dergelijk aanknopingspunt op. Voor eisers sluiten de conclusies van de deskundigen niet aan bij hun eigen waarneming van de situatie, één waarin sprake is van frequente schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten midden in het aardbevingsgebied, en bij hun gevoel hierover. Daarbij zien zij hun gelijk bevestigd in de redenering in het advies van de bezwaaradviescommissie dat omdat de schades 25/26 worden vergoed, ook de schades 28/34 moeten worden vergoed, nu het alle schades betreffen die zich bevinden ter hoogte van de overgang van aanbouw en hoofdbebouwing. Eisers geven echter geen objectieve onderbouwing aan hun stellingen. Zo is geen contra-expertise ingebracht. Ook het advies van de bezwaaradviescommissie levert geen onderbouwing op omdat, zoals verweerder ook heeft aangevoerd, dat advies evenmin is gebaseerd op een deskundigenopinie. De berekeningen van de constructeur over de fundering van de woning, waar eisers ook op wijzen, zegt voorts niets over de vraag of de bodem de belasting van fundering en bovenbouw kan dragen en of de combinatie van die belasting en de samenstelling van de bodem tot zetting leidt.

8.7.

Gelet op het bovenstaande mocht verweerder zich op de rapporten van de deskundigen baseren. Op grond van die rapporten is verweerder terecht tot de conclusie gekomen dat voor wat betreft de schades 28/34 het bewijsvermoeden weerlegd is omdat voor die schades met een voldoende mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is aangewezen.

9. Gelet op het bovenstaande is het beroep van eisers ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.I. Havinga, griffier, op 8 januari 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.