Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1429

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
16-04-2021
Zaaknummer
18/251314-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“De rechtbank veroordeelt verdachte voor twee diefstallen met bedreiging met geweld tot een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen waarvan 49 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank legt daarbij de bijzondere voorwaarden op zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank legt daarnaast een werkstraf voor de duur van 50 uur op. Strafmaatoverweging. Toepassing van het adolescentenstrafrecht. Verminderde toerekeningsvatbaarheid.”

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77c
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77za
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/251314-20

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/076083-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd te [instelling].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 april 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G. Meijer, advocaat te Veendam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 6 oktober 2020, te Stadskanaal, drank (two pack Red Bull), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan (benzinestation) [benadeelde partij 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een medewerker van [benadeelde partij 1], genaamd [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat nadat hij, verdachte, het genoemde benzinestation had verlaten, een mes of een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft getoond aan en/of in de richting heeft gehouden van die [slachtoffer] en/of (daarbij) die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "wat wil jij nou";

2.
hij op of omstreeks 6 oktober 2020, te Stadskanaal, op of aan de openbare weg, de Belgiëlaan, een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, op die [benadeelde partij 2] is afgerend en/of (vervolgens) een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, heeft getoond aan en/of in de richting heeft gehouden van die [benadeelde partij 2] en/of (daarbij) die [benadeelde partij 2] de woorden heeft toegevoegd: "Geef hier, geef hier".

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van de tenlastegelegde feiten.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 april 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 oktober 2020, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020282807 d.d. 13 oktober 2020, inhoudend de verklaring van [slachtoffer].

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 april 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 oktober 2020, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van

[benadeelde partij 2].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.
hij op 6 oktober 2020, te Stadskanaal, drank (two pack Red Bull), dat toebehoorde aan benzinestation [benadeelde partij 1], heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen een medewerker van [benadeelde partij 1], genaamd [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat nadat hij, verdachte, het genoemde benzinestation had verlaten, een schroevendraaier heeft getoond aan en in de richting heeft gehouden van die [slachtoffer] en daarbij die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "wat wil jij nou";
2.
hij op 6 oktober 2020, te Stadskanaal, op de openbare weg, de Belgiëlaan, een mobiele telefoon, die toebehoorde aan [benadeelde partij 2], heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, op die [benadeelde partij 2] is afgerend en vervolgens een schroevendraaier heeft getoond aan en in de richting heeft gehouden van die [benadeelde partij 2] en daarbij die [benadeelde partij 2] de woorden heeft toegevoegd: "Geef hier, geef hier".

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

2. diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, met toepassing van het jeugdstrafrecht, ter zake het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen met aftrek waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaar, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport van 9 maart 2021. De officier van justitie heeft daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en van het toezicht gevorderd. Voorts heeft de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 50 uur (te vervangen door 25 dagen jeugddetentie) gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de duur van het door de officier van justitie geëiste onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie te beperken tot de tijd die verdachte tot aan de zitting in voorarrest heeft doorgebracht en hem per direct in vrijheid te stellen. Voor het overige heeft de raadsman aangevoerd dat hij zich kan vinden in de eis van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia rapportage en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 6 oktober 2020 schuldig gemaakt aan twee diefstallen met bedreiging met geweld. Verdachte is eerst naar [benadeelde partij 1] gegaan en heeft daar twee blikjes Red Bull gestolen. Nadat hij hierop door een medewerker is aangesproken, heeft verdachte een schroevendraaier gepakt en heeft hij hiermee de medewerker bedreigd. Vervolgens heeft verdachte slechts enkele minuten later de mobiele telefoon van mevrouw [benadeelde partij 2] gestolen waarbij hij haar heeft bedreigd met dezelfde schroevendraaier.

Verdachte heeft aangegeven dat hij onder invloed was van harddrugs en dat hij er niets aan kon doen. Dat maakt de bedreiging voor de slachtoffers echter niet minder beangstigend. Dat de situatie zeer beangstigend en bedreigend was en dat deze impact heeft gehad op de slachtoffers blijkt wel uit de aangiftes en uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. Verdachte heeft hier geen moment bij stilgestaan. Hij liet zich enkel door eigen financieel gewin leiden. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke delicten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende rapportages die in het kader van de persoonlijke omstandigheden zijn opgemaakt:

- een psychologisch Pro Justitia rapport van 5 januari 2021 opgemaakt door

N. van der Weegen, GZ-psycholoog;

- het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 9 maart 2021 opgemaakt door

[naam].

Toerekeningsvatbaarheid

In het Pro Justitia rapport heeft de psycholoog geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een verstandelijke ontwikkelingsstoornis en aan een stoornis in het gebruik van cannabis. Het ontbreekt verdachte aan verscheidene vaardigheden waardoor hij niet in staat is om zelfstandig te functioneren. Hij heeft veel behoefte aan structuur en begeleiding. Een gebrek aan overzicht en veiligheid ten tijde van de delicten heeft verdachte zeer ontregeld. Door zijn verstandelijke ontwikkelingsstoornis overdenkt hij zijn gedrag niet goed en is hij niet in staat de gevolgen van zijn gedrag goed te overzien. Zijn verstandelijke ontwikkelingsstoornis en het daaruit voortvloeiende tekort aan probleemoplossende vaardigheden heeft zijn wilsvrijheid verminderd ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Doordat hij onder invloed van harddrugs was, heeft hij nog onnadenkender en impulsiever gehandeld. De psycholoog heeft daarom geadviseerd om verdachte de feiten in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt bovenstaande conclusie ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over, maakt die tot de hare en verklaart verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of in het kader van het zogenoemde adolescentenstrafrecht toepassing van het jeugdstrafrecht aan de orde is. Ten tijde van de feiten was verdachte 19 jaar oud, zodat in beginsel het commune (volwassenen)strafrecht dient te worden toegepast. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter adolescenten van 18 tot 23 jaar berechten op grond van het jeugdstrafrecht, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Uit het Pro Justitia rapport volgt dat de psycholoog heeft geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte heeft problemen op alle leefgebieden. Zijn ouders zijn onvoldoende bij machte gebleken hem hierin te ondersteunen. Verdachte is ook niet eerder behandeld of begeleid. Hij lijkt te profiteren van een pedagogische aanpak, zoals hij die nu binnen de justitiële jeugdinrichting (hierna: JJI) krijgt. Er lijken geen contra indicaties te zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen.

In het voornoemde reclasseringsadvies heeft de rapporteur ook geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte vertoont jonger gedrag dan bij zijn kalenderleeftijd past. Hij kan zijn gedrag niet organiseren en overziet zijn gedrag niet goed. Verdachte doet zijn best het goede pad te bewandelen, maar heeft onvoldoende vaardigheden om dit zelfstandig te kunnen. Uit zijn verblijf bij de JJI blijkt dat hij goed gedijt bij een pedagogisch aanpak. Daarnaast is er in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis reeds een jeugdreclasseringstraject ingezet en dat verloopt goed.

Gelet op het voorgaande en al hetgeen overigens uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken omtrent de problematiek van verdachte zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.

Jeugddetentie

In de oriëntatiepunten van het LOVS wordt voor een voltooide winkeloverval als uitgangspunt een jeugddetentie van vier maanden gehanteerd. Voor een straatroof met bedreiging met een wapen wordt als uitgangspunt een werkstraf van 120 uur dan wel een jeugddetentie van twee maanden gehanteerd. Als strafverminderend weegt de rechtbank mee dat de bewezenverklaarde feiten verdachte in een verminderde mate toe te rekenen zijn. Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat de begeleiding en het toezicht van de jeugdreclassering, die reeds in het kader van een schorsing waren gestart, binnenkort weer voortgezet kunnen worden.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 49 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaar, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport van 9 maart 2021, passend en geboden is. Daarnaast zal de rechtbank de geëiste werkstraf van 50 uren opleggen.

Het voorgaande houdt in dat verdachte heden het onvoorwaardelijk deel van zijn jeugddetentie heeft uitgezeten en de voorlopige hechtenis om die reden wordt opgeheven. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de oriëntatiepunten van het LOVS ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals door de raadsman is bepleit, het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie voor een kortere duur op te leggen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

In het voornoemde reclasseringsadvies heeft de rapporteur aangegeven dat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is. Dit maakt dat de rechtbank er ernstig rekening mee houdt dat verdachte, zonder de geadviseerde ondersteuning en begeleiding, wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. In het voorgaande ziet de rechtbank reden om de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht te gelasten.

Benadeelde partij

Mevrouw [benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 793,51 ter vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot de vordering heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering tot materiële schadevergoeding wordt toegewezen en dat het bedrag voor de immateriële schade wordt gematigd. Met betrekking tot de hoogte van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de gevorderde materiële schadevergoeding kan worden toegewezen en dat het bedrag van de immateriële schade gematigd dient te worden tot

€ 750,00.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De rechtbank acht de gevorderde vergoeding voor materiële schade, die niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, voor toewijzing vatbaar. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank aanleiding deze, gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend, te matigen tot een bedrag van € 750,00. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 1.543,51, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2020. De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Parketnummer 18/076083-19

Bij onherroepelijk vonnis van 6 december 2019 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 6 december 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 22 oktober 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 50 uren. Beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen.

een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 49 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde meewerkt met het toezicht door de jeugdreclassering en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde meewerkt aan ambulante begeleiding door [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig acht. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding;

3. dat de veroordeelde – indien blijkt dat enkel begeleiding onvoldoende is voor de problematiek van de veroordeelde of indien de veroordeelde een terugval heeft in middelengebruik – meewerkt aan ambulante behandeling bij [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

4. dat de veroordeelde zal verblijven bij het [instelling] van het Leger des Heils of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering. Het verblijf start zodra er plek is voor de veroordeelde en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering voor hem heeft opgesteld.

5. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt, onderwijs zal volgen of – indien er geen sprake is van onderwijs – een andere zinvolle dagbesteding zal verkrijgen en behouden, zulks ter beoordeling van de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan [instelling], [straatnaam] te Amersfoort, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, waarbij in het eerste jaar van de proeftijd het intensieve kader van ITB harde kern van toepassing is.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.543,51 (zegge: vijftienhonderd drieënveertig euro en eenenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2020.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde partij 2], te betalen een bedrag van € 1.543,51 (zegge: vijftienhonderd drieënveertig euro en eenenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2020. Dit bedrag bestaat uit € 793,51 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade.

Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 25 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18-076083-19:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 6 december 2019, te weten: een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. H.R. Bracht, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 april 2021.