Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1389

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
18/260101-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 13 april 2021 een man veroordeeld voor een poging tot doodslag, tweemaal een poging tot en eenmaal een voltooide diefstal uit een auto en diefstal door meerdere keren met een gestolen bankpas contactloos te pinnen tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en bijzondere voorwaarden onder meer inhoudende een klinische opname van maximaal één jaar.

De rechtbank heeft het beroep op noodweer en het beroep op noodweerexces verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat sprake was van een onmiddellijke ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf. Maar ook wanneer daarvan uitgegaan wordt is niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedraging van de verdachte, te weten het zwaaien met een flink mes richting het gezicht en de hals, geboden was voor zijn noodzakelijke verdediging. Het verdedigingsmiddel staat in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Met betrekking tot het beroep op noodweer exces oordeelde de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging die het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging.

Voorts heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen bevolen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/260101-20

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/298171-20

vorderingen na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 18/720135-19 en

21/007126-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] ,

thans gedetineerd in [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 maart 2021.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.M. Terpstra, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd:

in de zaak met parketnummer 18/260101-20 dat:
hij op of omstreeks 19 augustus 2020 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, met voormeld oogmerk, na kalm beraad en rustig overleg met een mes, althans een scherp voorwerp, in de keel en/of hals van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden, althans met een mes, althans een scherp voorwerp de keel en/of hals van die [slachtoffer] heeft geraakt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 augustus 2020 te Leeuwarden aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, met voormeld oogmerk, na kalm beraad en rustig overleg zwaar lichamelijk letsel, te weten een (steek)gat en/of (steek)scheur, althans een steekwond in de keel en/of hals (in het ziekenhuis met vijftien hechtingen
dichtgemaakt) heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp voorwerp te steken en/of te snijden, althans met een mes, althans scherp voorwerp de keel en/of hals van die [slachtoffer] te raken;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 augustus 2020 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer] , opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, met voormeld oogmerk, na kalm beraad en rustig overleg
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een mes, althans een scherp voorwerp in de keel en/of hals van die [slachtoffer]
te steken en/of te snijden, althans met een mes, althans een scherp voorwerp, de keel en/of hals van die [slachtoffer] te raken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 augustus 2020 te Leeuwarden, een persoon genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door deze met een mes, althans een scherp voorwerp in de keel en/of hals te steken en/of te snijden, althans met een mes, althans een scherp voorwerp in de keel en/of hals te raken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een (steek)gat en/of (steek)scheur (in het ziekenhuis met vijftien hechtingen dichtgemaakt), althans een steekwond in de keel en/of hals van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

en in de zaak met parketnummer 18/298171-20 dat:
1.
hij op of omstreeks 16 oktober 2020 te Leeuwarden, uit een personenauto, merk Daewoo (kenteken [kenteken] ), welke geparkeerd stond op of nabij de Duindoornstraat en/of Vuurdoornstraat alhier, althans op of aan de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig goed naar zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen immers
- hebbende verdachte één of meer portieren van bovengenoemde personenauto geopend en/of (vervolgens)
- is verdachte in bovengenoemde personenauto naar binnen gegaan en/of (vervolgens)
- hebbende verdachte meerdere vakjes en/of het dashboardkastje van genoemde auto geopend en/of (vervolgens)
- hebbende verdachte meerdere goederen uit die vakjes en/of dashboardkastje gehaald en/of deze goederen verspreid in de auto,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij in de periode van 7 oktober 2020 21.00 uur tot en met 8 oktober 2020 12.00 uur te Leeuwarden, uit een personenauto, merk Skoda (gekentekend [kenteken] ), geparkeerd staande op of nabij het Skrok alhier, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig goed naar zijn gading, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 2] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen immers
-hebbende verdachte één of meer portieren van genoemde personenauto geopend en/of
- is verdachte in genoemde personenauto naar binnen gegaan en/of
- hebbende verdachte meerdere goederen uit het dashboardkastje en/of uit zijvakken van de auto gehaald en/of (vervolgens)
- hebbende verdachte deze goederen door de auto verspreid (over onder meer de grond en/of de stoelen van deze auto),
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.
hij op of omstreeks 20 september 2020 te Leeuwarden, uit een personenauto, merk Audi (gekentekend [kenteken] ), geparkeerde staande aan of op de Vredeman de Vriesstraat alhier,
- een zonnebril, merk Ray Ban, type New Watfarer en/of
- een zonnebril, merk Oakley Holbrook en/of
- een zonnebril, merk Persol en/of
- een mes, merk Maserin Gourmet en/of
- een portemonnee, merk Secrid Vintage Brown (inhoudende een ING-bankpas met nummer [rekeningnummer] en/of een ING creditcard) , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 3] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.
hij op of omstreeks 21 september 2020 te Leeuwarden, meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal,
één of meer geldbedragen ( in totaal een geldbedrag van 69 euro), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) zonder toestemming
van die [benadeelde partij 3] diens ING-Creditcard [rekeningnummer] en/of ING- bankpas [rekeningnummer] (middels zgn. contactloos betalen) te gebruiken en/of met die Creditcard en/of bankpas de volgende betalingen heeft verricht
- broodjeszaak/coffeeshop om 00.58 uur, een betaling/geldopname van 10 euro en/of
- broodjeszaak/coffeeshop om 00.59 uur, een betaling/geldopname van 10 euro en/of
- [bedrijf 1] om 01.06 uur, een betaling/geldopname van 22,50 euro en/of
- [bedrijf 1] om 01.18 uur, een betaling/geldopname van 20,00 euro en/of
- [bedrijf 2] om 01.35 uur, een betaling/geldopname van 6,50 euro.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18/260101-20 primair en het in de zaak met parketnummer 18/298171-20 onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde. Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/260101-20 primair ten laste gelegde heeft zij vrijspraak gevorderd van de voorbedachten rade, nu hiervan uit de het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de in de zaak met parketnummer 18/260101-20 ten laste gelegde voorbedachten rade, nu uit de stukken niet blijkt van kalm beraad en rustig overleg. Tevens heeft zij bepleit dat verdachte geen vol opzet heeft gehad op de dood van aangever [slachtoffer] .

Oordeel van de rechtbank

In de zaak met parketnummer 18/260101-20.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De rechtbank zal verdachte daarom hiervan vrijspreken.

De rechtbank past in de zaak met parketnummer 18/260101-20 de volgende bewijsmiddelen toe die de hierna gegeven bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 30 maart 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 19 augustus 2020 in de avond te Leeuwarden had ik een fysieke ruzie met [slachtoffer] en [getuige 1] . Ik had een mes in de achterzak van mijn spijkerbroek zitten. Ik heb op enig moment dit mes gepakt. Dit was op het moment dat [getuige 1] mij bij een arm vast had en [slachtoffer] vlak voor mij stond. Vervolgens heb ik op het knopje gedrukt, zodat dit mes uitklapte. Het lemmet van het mes was ongeveer 15 centimeter lang. Ik draaide mij daarna om. Ik zwaaide op dat moment met het mes van achter mijn lichaam naar voren toe omhoog. Hier stond [slachtoffer] . Ik voelde dat ik met de punt van het mes iets raakte. Ik hoorde iemand zeggen dat [slachtoffer] was gestoken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van 2 september 2020, opgenomen op pagina 29 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met zaaknummer 2020228366 van 23 november 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Ik was op 19 augustus 2020 in Leeuwarden in gezelschap van [getuige 1] en [naam] . [getuige 1] trok [verdachte] . Ik liep naar [verdachte] toe. Ik voelde dat ik aan mijn hals geraakt werd. Direct daarop zag ik dat ik bloedde. Ik zag toen dat hij iets in een van zijn handen had. Ik zag iets glimmen. Ik had in de gaten dat ik in mijn hals gestoken of gesneden was. Het bloedde heel erg. Een arts op de eerste hulp heeft de wond dichtgemaakt met 15 hechtingen. Ik heb de snee onder mijn kin.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 3 september 2020, opgenomen op pagina 78 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Op 19 augustus 2020 trof ik [slachtoffer] in Leeuwarden. Op een gegeven moment kwam er een buurtgenoot aanlopen. Ik ken zijn naam niet maar het is een Armeniër. U toont mij een foto met daarop een persoon. Ik herken deze persoon als de Armeniër waar over ik in deze verklaring spreek. (Opmerking verbalisant: aan de getuige werd een foto getoond van [verdachte] .) Mogelijk heb ik de Armeniër vastgepakt. Daarop probeerde [slachtoffer] tussen de Armeniër en mij te komen. [slachtoffer] kwam tussen ons staan. Ik zag dat de Armeniër plotseling een mes tevoorschijn haalde. Ik weet niet waar hij dat vandaan haalde maar hij had het plotseling in zijn handen. Ik zag dat de Armeniër het mes in zijn rechterhand had en daar mee met een zwaai uithaalde naar de hals van [slachtoffer] . Ik zag niet of [slachtoffer] geraakt werd. Maar heel kort daarna zag ik dat [slachtoffer] flink bloedde vanuit zijn hals.

4. Een forensisch geneeskundige letselverklaring, op 26 januari 2021 opgemaakt en ondertekend door C. Oostdam, forensisch arts KNMG, voor zover inhoudend, als zijn verklaring:

Betrokkene: [slachtoffer] ,

Er is sprake van een diepe wond onder de kin waarvoor medische behandeling noodzakelijk was: de wond is gehecht met 15 hechtingen.

Het beschreven letsel (snij- of steekwond langer dan de mondhoekafstand) is hoogstwaarschijnlijk ontstaan door de opgegeven toedracht; het geslagen worden met een voorwerp dan wel gestoken of gesneden geworden in de hals.

Een diepe wond in de hals, ontstaan door geslagen geworden met een voorwerp dan wel gestoken of gesneden geworden, kan potentieel dodelijk zijn. De eerste factor die een belangrijke rol speelt is dat er bloedverlies ontstaat; dit kan slagaderlijk of aderlijk zijn en prioriteit is dan het stelpen van de bloeding en het voorkomen van optreden van shock.

De tweede factor is het beschadigen van vitale organen gelegen in de hals: een vrije luchtweg

nodig voor de ademhaling kan geobstrueerd worden door bloed afkomstig uit mond of keelholte, of de luchtweg zelf kan beschadigd raken. Andere vitale organen gelegen in de hals zijn zenuwen.

Voorwaardelijk opzet.

Verdachte ontkent dat hij de bedoeling heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven. Daarom moet worden beoordeeld of verdachte voorwaardelijk opzet had op dit gevolg.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg -zoals hier het overlijden van het slachtoffer- aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Aan de hand van het strafdossier en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte was met aangever [slachtoffer] en getuige [getuige 1] in een fysiek conflict verwikkeld. Verdachte werd aan een arm vastgehouden door [getuige 1] en voor hem stond [slachtoffer] . Verdachte heeft in deze situatie een mes uit zijn achterbroekzak gepakt en dit uitgeklapt. Het lemmet had een lengte van ongeveer 15 centimeter. Vervolgens heeft verdachte van achteren naar voren een zwaaiende beweging omhoog met zijn arm gemaakt, terwijl hij het mes in zijn hand hield. Het mes heeft hierbij [slachtoffer] in zijn hals geraakt en hier een diepe snijwond veroorzaakt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het gezicht en de hals/keel zeer kwetsbare en uiterst vitale delen zijn van het menselijk lichaam. Door met een mes van een flinke lengte, te weten 15 centimeter, richting het hoofd of de hals te zwaaien bestond er naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [slachtoffer] voor hem stond. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van verdachtes gedraging, te weten het van achter naar voren zwaaien met het mes omhoog en dus in de richting van het gezicht en de hals/keel van [slachtoffer] , het niet anders kan zijn dan dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard. De rechtbank acht daarom het primair ten laste gelegde, poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen.

In de zaak met parketnummer 18/298171-20.

De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 18/298171-20 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

feit 1.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 maart 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 16 oktober 2020, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met zaaknummer 2020318411 van 13 november 2020, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2020, opgenomen op pagina 46 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] .

feit 2.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 maart 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 16 oktober 2020, opgenomen op pagina 36 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met zaaknummer 2020318411 van 13 november 2020, inhoudend de verklaring van

[benadeelde partij 2] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2020, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] .

feiten 3. en 4.

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 maart 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 24 september 2020, met bijlage goederen, opgenomen op pagina 41 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met zaaknummer 2020318411 van 13 november 2020, inhoudend de verklaring van [benadeelde partij 3] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 16 oktober 2020, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/260101-20 primair en het in de zaak met parketnummer 18/298171-20 onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/260101-20:

hij op 19 augustus 2020 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes in de hals van die [slachtoffer] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en in de zaak met parketnummer 18/298171-20:

1.
hij op 16 oktober 2020 te Leeuwarden, uit een personenauto, merk Daewoo, met kenteken [kenteken] , welke geparkeerd stond op de Duindoornstraat, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig goed naar zijn gading, dat geheel aan een ander toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen immers

- heeft verdachte één portier van bovengenoemde personenauto geopend en vervolgens
- is verdachte in bovengenoemde personenauto naar binnen gegaan en vervolgens
- heeft verdachte meerdere vakjes en het dashboardkastje van genoemde auto geopend en vervolgens
- heeft verdachte meerdere goederen uit die vakjes en het dashboardkastje gehaald en deze goederen verspreid in de auto,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 8 oktober 2020 te Leeuwarden, uit een personenauto, merk Skoda, met kenteken [kenteken] , geparkeerd staande op het Skrok, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig goed naar zijn gading, dat aan [benadeelde partij 2] toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen immers
- heeft verdachte één portier van genoemde personenauto geopend en
- is verdachte in genoemde personenauto naar binnen gegaan en
- heeft verdachte meerdere goederen uit het dashboardkastje en uit zijvakken van de auto gehaald en vervolgens
- heeft verdachte deze goederen door de auto verspreid, over onder meer de grond en de stoelen van deze auto,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.
hij op of omstreeks 20 september 2020 te Leeuwarden, uit een personenauto, merk Audi, met kenteken [kenteken] , geparkeerde staande aan de Vredeman de Vriesstraat,
- een zonnebril, merk Ray Ban, type New Watfarer en
- een zonnebril, merk Oakley Holbrook en
- een zonnebril, merk Persol en
- een mes, merk Maserin Gourmet en
- een portemonnee, merk Secrid Vintage Brown inhoudende een ING bankpas met nummer [rekeningnummer] en een ING creditcard,

goederen die toebehoorden aan [benadeelde partij 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.
hij op 21 september 2020 te Leeuwarden, meermalen, op verschillende tijdstippen, een geldbedrag, in totaal een geldbedrag van 69 euro, dat toebehoorde aan [benadeelde partij 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich telkens dat weg te nemen geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door telkens zonder toestemming van die [benadeelde partij 3] diens ING bankpas [rekeningnummer] middels zgn. contactloos betalen te gebruiken en met die bankpas de volgende betalingen heeft verricht
- broodjeszaak/coffeeshop om 00.58 uur, een betaling/geldopname van 10 euro en
- broodjeszaak/coffeeshop om 00.59 uur, een betaling/geldopname van 10 euro en
- [bedrijf 1] om 01.06 uur, een betaling/geldopname van 22,50 euro en
- [bedrijf 1] om 01.18 uur, een betaling/geldopname van 20,00 euro en
- [bedrijf 2] om 01.35 uur, een betaling/geldopname van 6,50 euro.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/260101-20:

primair: poging tot doodslag

en in de zaak met parketnummer 18/298171-20:

  1. poging tot diefstal;

  2. poging tot diefstal;

  3. diefstal;

  4. diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/260101-20 zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt, zodat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uitgegaan moet worden van de verklaring van verdachte dat hij naar buiten is gelokt en dat aangever [slachtoffer] en anderen hem stonden op te wachten. Verdachte werd vervolgens agressief benaderd en hij kon niet weglopen, omdat [getuige 1] hem had vastgepakt. Vervolgens heeft [slachtoffer] hem mishandeld door hem te duwen, te schoppen en te slaan. In deze situatie kon verdachte één arm los krijgen en heeft toen een mes gepakt. Hij heeft éénmaal met dit mes gezwaaid om weg te kunnen komen. Er was derhalve sprake van een onmiddellijke ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en verdachte heeft gehandeld uit noodweer.

Subsidiair is sprake van intensief noodweerexces. Verdachte heeft gehandeld uit een hevige gemoedsbeweging, waardoor hij wellicht heeft gekozen voor een te zwaar middel. Hij stond in een groep van zeven tot acht personen en hij wist met wie hij te maken had. Hij had last van ontwenningsverschijnselen en had geen kracht om uit de groep te komen, terwijl hij werd mishandeld. Hierdoor werd hij erg bang en vreesde voor wat ze hem zouden gaan aandoen.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat zowel het beroep op noodweer als het beroep op (intensief) noodweerexces moet worden verworpen. Zij heeft betoogd dat uitgegaan moet worden van de situatie zoals beschreven door aangever [slachtoffer] . In dat geval is verdachte agressief op de groep, waarin het slachtoffer stond, afgerend en heeft vervolgens met een mes gezwaaid. Zij acht de verklaringen van verdachte niet geloofwaardig nu hij niet consistent heeft verklaard.

De rechtbank heeft op basis van het dossier en dan met name gelet op de verklaringen van verdachte en die van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] en de behandeling ter terechtzitting de overtuiging bekomen dat verdachte naar buiten is gelokt en dat aangever [slachtoffer] en anderen hem stonden op te wachten. [getuige 2] werd weggestuurd en er ontstond een fysiek conflict waarbij verdachte door [getuige 1] werd vastgehouden en tegengehouden en door [slachtoffer] werd geduwd. Verdachte heeft verklaard dat hij ook werd geschopt en meerdere malen werd geslagen. De rechtbank kan dit laatste niet met zekerheid vaststellen, maar kan dit ook niet uitsluiten. Uit het dossier blijkt overigens niet van letsel bij verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij vervolgens een arm kon loskrijgen en dat hij toen zijn mes uit zijn broekzak kon pakken en dit kon openklappen. Hierna heeft hij met het mes gezwaaid om de anderen op afstand te houden, zodat hij weg kon lopen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier niet worden uitgesloten dat door de gedragingen van aangever [slachtoffer] en [getuige 1] sprake was van een onmiddellijke ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf. Echter ook als daarvan uitgegaan zou worden is niet aannemelijk geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedraging van de verdachte, te weten het zwaaien met een flink mes richting het gezicht en de hals van [slachtoffer] , geboden was voor zijn noodzakelijke verdediging. Het verdedigingsmiddel staat namelijk in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

De rechtbank is verder van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging die het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging. Het door verdachte gestelde geweld is onvoldoende om een dergelijke gemoedsbeweging aan te nemen en bovendien is het handelen van verdachte dermate disproportioneel dat dit niet aangemerkt kan worden als een onmiddellijk gevolg van een door de aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. De door de verdediging aangevoerde angstgevoelens en de ontwenningsverschijnselen kunnen daaraan niet afdoen. Dit zijn omstandigheden die niet veroorzaakt zijn door de gestelde aanval. Verdachte wist vanaf het moment dat hij naar buiten ging dat aangever [slachtoffer] samen met andere buiten stond en met wat voor persoon hij dus te maken had. Ook had hij toen al last van ontwenningsverschijnselen en had hij weinig kracht. Het beroep op (intensief) noodweerexces wordt dan ook verworpen.

De rechtbank acht de feiten strafbaar nu ook overigens geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18/260101-20 primair en het in de zaak met parketnummer 18/298171-20 onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren waarvan één jaar voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van drie jaren en de volgende bijzondere voorwaarden:

  • -

    een meldplicht bij de reclassering van Tactus Verslavingszorg te Zutphen;

  • -

    de verplichting zich op te laten nemen voor een klinische behandeling in de Piet Roordakliniek van Tactus Verslavingszorg of een soortgelijke instelling, voor de maximale duur van twaalf maanden;

  • -

    de verplichting zich aansluitend aan het klinische traject, ambulant te laten behandelen door de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering;

  • -

    de verplichting aansluitend aan het klinische traject mee te werken aan een indicatiestelling en plaatsing voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

  • -

    een drugsverbod en de verplichting mee te werken aan controles hierop;

  • -

    de verplichting zich in te spannen voor het vinden van werk dan wel dagbesteding en dit te behouden;

  • -

    de verplichting mee te werken aan het aflossen van schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke personen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit -in het geval de rechtbank verdachte in de zaak met parketnummer 18/260101-20 ontslaat van alle rechtsvervolging- voor oplegging van een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf (met aftrek) passend bij de omstandigheden van het geval. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat bij het bepalen van de straf rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte de vermogensdelicten heeft gepleegd, omdat hij na het incident van 19 augustus 2020 zijn leven niet meer zeker was en op straat leefde.

Subsidiair -bij een veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 18/260101-20 ten laste gelegde- heeft de raadsvrouw gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest met opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de officier van justitie gevorderd en door de reclassering geadviseerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages opgemaakt door Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 20 oktober 2020, 27 januari 2021, 2 februari 2021 en 29 maart 2021, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, tweemaal een poging tot en eenmaal een voltooide diefstal uit een auto en diefstal door meerdere keren met een gestolen bankpas contactloos te pinnen.

De gebeurtenissen op 19 augustus 2020 die zijn uitgemond in de poging tot doodslag door verdachte vonden hun aanleiding in het feit dat verdachte uit een auto van een dealer cocaïne had gestolen en deze had opgerookt. Hierna is verdachte door de personen die vonden dat ze recht op deze cocaïne hadden naar buiten gelokt en is er een fysiek conflict ontstaan. Tijdens dit conflict heeft verdachte een mes uit zijn broekzak gepakt en heeft hij hiermee in de richting van het gezicht en hals van het slachtoffer gezwaaid, waardoor deze een diepe snijwond in zijn hals kreeg. De wond moest worden gehecht. Het slachtoffer maar ook verdachte mag zich gelukkig prijzen dat het letsel van het slachtoffer betrekkelijk beperkt is gebleven.

De volgende dag is verdachte zelf aangevallen door bekenden van het slachtoffer. Verdachte is toen met een honkbalknuppel hard tegen zijn hoofd geslagen en hij is tweemaal in zijn bovenlichaam gestoken met een mes, waarbij het mes dwars door zijn leverkwab is gegaan. Nadat verdachte uit het ziekenhuis was ontslagen, heeft hij een zwervend bestaan geleid. In deze periode heeft hij meerdere malen geprobeerd goederen uit auto’s te stelen. Ook heeft hij uit een auto een grote hoeveelheid zonnebrillen en een portemonnee met onder meer een bankpas en een creditcard weggenomen. Met de gestolen bankpas heeft verdachte vervolgens meerdere malen contactloos betalingen verricht.

Verdachte is ernstig verslaafd aan heroïne en cocaïne. Door de diefstal van de cocaïne heeft verdachte zich in een crimineel circuit begeven waarin hij kon verwachten dat zijn gedrag niet zonder gevolgen zou blijven. Het vervolgens tijdens een fysiek conflict op straat met een fors mes te zwaaien en hiermee iemand te verwonden, schokt de samenleving. Het gevoel van veiligheid wordt hierdoor aangetast en bovendien heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Voorts zijn de vermogensdelicten, die verdachte hoofdzakelijk heeft gepleegd om zijn verslaving te bekostigen, voor de gedupeerden daarvan zeer vervelende feiten die voor schade en veel overlast zorgen. Verdachte heeft deze feiten weliswaar bekend, maar niet is gebleken dat hij beseft wat zijn gedrag voor anderen betekent. De rechtbank acht dit kwalijk.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van lange duur het uitgangpunt moet zijn.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij ten tijde van het plegen van de feiten nog liep in een proeftijd van een veroordeling wegens geweldsdelicten en in een proeftijd van een veroordeling wegens vermogensdelicten. Aan beide proeftijden waren bijzondere voorwaarden gekoppeld, maar blijkbaar waren de voorwaardelijke straffen en de bijzondere voorwaarden onvoldoende om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten is gaan plegen.

Door de reclassering zijn diverse rapportages opgemaakt. Hieruit blijkt dat verdachte zijn leven niet op orde heeft. Er is sprake van financiële problemen, een instabiele huisvestingssituatie en geen structuur of daginvulling. Tevens is er sprake van langdurige verslavingsproblematiek die mede leidt tot delictgedrag. Volgens de reclassering heeft verdachte inzicht in zijn problematiek en is hij zich ervan bewust dat hij hulp en ondersteuning nodig heeft om tot verandering te komen. In het verleden zijn er diverse hulpverleningstrajecten ingezet, maar dit mocht niet baten, omdat verdachte zich onttrok aan behandeling. De kans op onttrekking aan de behandeling kan dan ook worden ingeschat als gemiddeld tot hoog. Om tot uitsluiting te komen van recidive en om tot abstinentie te komen van middelengebruik, adviseert de reclassering om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met onder meer een klinische behandelvoorwaarde. Verdachte kan op 29 april 2021 worden opgenomen in de Piet Roordakliniek in Zutphen. Na dit klinische traject adviseert de reclassering oplegging van een ambulante behandeling door de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland en de verplichting van begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Tevens zou verdachte een drugsverbod opgelegd moeten krijgen en de verplichting van het hebben van dagbesteding en zijn medewerking moeten verlenen aan schuldhulpverlening.

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het traject dat de reclassering heeft geadviseerd nodig is om de langdurige middelenproblematiek van verdachte te behandelen en om te voorkomen dat hij opnieuw strafbare feiten pleegt. De rechtbank is van oordeel dat dit traject later in moet gaan dan 29 april 2021, omdat een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd om recht te doen aan de ernst van de feiten.

De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde duur niet passend en geen recht doen aan de omstandigheden waaronder de poging tot doodslag is gepleegd. Tevens houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte de volgende dag naar aanleiding van dit feit is neergestoken en daarbij ernstig gewond is geraakt. Voorts houden de voorwaarden die de rechtbank zal stellen in dat verdachte maximaal twaalf maanden intensief klinisch moet worden behandeld. De rechtbank zal ook deze omstandigheid meewegen bij de hoogte van de straf.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd voor de duur van drie jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, passend en geboden en zal deze straf opleggen.

Inbeslaggenomen goederen

In de zaak met parketnummer 18/298171-20 bevindt zich een beslaglijst bij de stukken met daarop een zwart horloge en een schroevendraaierset. Nu verdachte te terechtzitting heeft aangegeven afstand van deze goederen te doen heeft de officier van justitie geen beslissing gevorderd omtrent deze goederen.

De rechtbank zal dan ook geen beslissing nemen omtrent deze goederen nu verdachte afstand hiervan heeft gedaan en het belang van een beslissing hiermee is komen te vervallen.

Benadeelde partij

[benadeelde partij 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 630,-- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering van [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu deze vordering onvoldoende is onderbouwd waardoor de waarde van de weggenomen portemonnee en zonnebrillen niet kan worden vastgesteld.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering van [benadeelde partij 3] moet worden afgewezen, nu deze vordering niet is onderbouwd en dit wel mag worden verwacht.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] schade heeft geleden die rechtstreeks het gevolg is van het onder 3. bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Bij de vordering zijn geen aankoopbewijzen overgelegd, zodat de waarde van de weggenomen goederen niet is vast te stellen Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

In de zaak met parketnummer 18/18/720135-19

Bij onherroepelijk vonnis van 27 september 2019 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en bijzondere voorwaarden. De proeftijd is ingegaan op 12 oktober 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 24 december 2020, welke ter terechtzitting van 28 januari 2021 aanhangig is geworden, de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

In de zaak met parketnummer 21/007126-17

Bij onherroepelijk arrest van 29 maart 2019 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren en bijzonder voorwaarden. De proeftijd is ingegaan op 13 juni 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 24 december 2020, welke ter terechtzitting van 28 januari 2021 aanhangig is geworden, de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Ter terechtzitting van 30 maart 2021 heeft de officier van justitie toewijzing van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling gevorderd.

De raadsvrouw heeft primair gepleit voor afwijzing van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling, omdat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging in de zaak met parketnummer 18/260101-20. Subsidiair heeft zij gepleit in de zaak met parketnummer 18/720135-19 voor gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot ten uitvoerlegging en verlenging van de proeftijd voor het overig deel, omdat verdachte ook nog een andere opgelegde taakstraf moet uitvoeren en het wel te overzien moet zijn voor hem. In de zaak met parketnummer 21/007126-17 heeft zij subsidiair verlenging van de proeftijd bepleit, omdat de gevangenisstraf het reclasseringstraject niet moet doorkruisen.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de beide proeftijden, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straffen, mede gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor omtrent de op te leggen straf heeft overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de proeftijden te verlengen of de vorderingen gedeeltelijk toe te wijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/260101-20 primair en het in de zaak met parketnummer 18/298171-20 onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden, dat de veroordeelde:

  1. zich binnen vijf dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie telefonisch meldt bij de reclassering van Tactus Verslavingszorg, Verlengde Ooyerhoekseweg 30 te Zutphen, telefoonnummer 088-3822887 en zich vervolgens zowel telefonisch als op kantoor op afspraken bij de reclassering blijft melden zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

  2. zich aansluitend op zijn detentie gedurende maximaal twaalf maanden van de proeftijd zal laten opnemen voor een klinische behandeling in de Piet Roordakliniek van Tactus Verslavingszorg of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven, waarbij het innemen van medicatie onderdeel kan zijn van de behandeling en waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels van die zorginstelling;

  3. op aanwijzing van de reclassering tijdens en na de klinische behandeling zal meewerken aan een overgang naar ambulante zorg en begeleid wonen of maatschappelijke opvang en zal meewerken aan een hiervoor benodigde indicatiestelling en een plaatsing;

  4. -aansluitend op de klinische behandeling- zich ambulant zal laten behandelen door de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en voor zolang de reclassering dat nodig vindt, waarbij veroordeelde zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, ook indien dit het innemen van medicatie inhoudt;

  5. -aansluitend op de klinische behandeling- zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zulks op aanwijzing van de reclassering en voor zolang de reclassering dat nodig vindt, en zich zal houden aan de huisregels en het (dag)-programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

  6. zich zal onthouden van het gebruik van drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod, op aanwijzing van de reclassering, mee te werken aan bloed- of urineonderzoek;

  7. zich zal inspannen voor het vinden van werk of een dagbesteding en zich zal laten begeleiden naar dit werk of de dagbesteding en dit werk of de dagbesteding zal behouden;

  8. zal meewerken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, waarbij de veroordeelde de reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schulden.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstellingen, te weten gedurende het klinische traject Tactus Verslavingszorg en tijdens het daaropvolgend ambulante traject Verslavingszorg Noord Nederland, de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Benadeelde partij

In de zaak met parketnummer 18/298171-20 feit 3.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/720135-19:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 27 september 2019, te weten:

200 uren taakstraf.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

21/007126-17:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 maart 2019, te weten:

zes maanden gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. K.A. de Groot en mr. H.G. Punt, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 april 2021.

Mr. H.G. Punt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.