Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:136

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-01-2021
Datum publicatie
22-01-2021
Zaaknummer
C/18/202663 / KG ZA 20-263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Proceskostenveroordeling
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Kortgeding. Koopovereenkomst met opschortende voorwaarden (6:22 BW).

Medewerking aan levering gronden geëist.

Opschortende voorwaarde geacht te zijn vervuild. (6:23/lid 1 BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/202663 / KG ZA 20-263

Vonnis in kort geding van 19 januari 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap

[de besloten vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats besloten vennootschap] ,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna te noemen: [de besloten vennootschap] ,

advocaat: mr. R. de Vries te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] .

advocaat: mr. C.E. van der Wijk te Groningen.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 december 2020;

- de conclusie van eis in reconventie van 4 januari 2021;

- de mondelinge behandeling van 5 januari 2021;

- de pleitnota van [de besloten vennootschap] ;

- de pleitnota van [gedaagde] ;

- de (schriftelijke) eiswijziging van [de besloten vennootschap] .

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In dit kort geding zal van de volgende feiten worden uitgegaan.

2.2.

[gedaagde] is eigenaar van een boerderij aan de [woning] , kadastraal bekend als perceel [perceelnummer 1] . Hij is ook eigenaar van de percelen landbouwgrond kadastraal bekend als [perceelnummer 2] (gelegen aan de [straat] ) en [perceelnummer 3] (gelegen aan de [straat 2] ). Daarnaast heeft [gedaagde] in erfpacht van ASR (de verpachter) de percelen landbouwgrond aan de [straat] kadastraal bekend als [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] . De zus van [gedaagde] , [zus van gedaagde] , is eigenaar van het perceel landbouwgrond aan de [straat] kadastraal bekend als [perceelnummer 6] . Ten slotte is [gedaagde] eigenaar van een perceel landbouwgrond aan de [straat] kadastraal bekend als [perceelnummer 7] .

2.3.

Tussen [gedaagde] en zijn zus bestaat een commanditaire vennootschap genaamd [commanditaire vennootschap gedaagde] van waaruit [gedaagde] een akkerbouwbedrijf exploiteert. [gedaagde] treedt hierbij op als beherend vennoot en zijn zus als commanditaire vennoot. Zij heeft perceel [perceelnummer 6] in gebruik en genot in de commanditaire vennootschap ingebracht.

2.4.

Op de percelen van [gedaagde] ( [perceelnummer 1] , [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] ) rust een hypotheekrecht ten behoeve van de Rabobank. Nadat de Rabobank in de zomer van 2015 de executoriale verkoop daarvan had aangezegd, heeft [gedaagde] de heer [onderhandelaar] (hierna te noemen: [onderhandelaar] ) ingeschakeld om te proberen die verkoop te voorkomen. [onderhandelaar] heeft [de besloten vennootschap] vervolgens in een e-mail van 23 november 2015 geschreven dat [gedaagde] hem opdracht had gegeven voor de verkoop van percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] en de ruim 7,5 ha die rondom en achter de boerderij van [gedaagde] liggen en eigendom zijn van zijn zus [zus van gedaagde] . Ook is de vraag gesteld of [de besloten vennootschap] interesse had in de erfpacht. Partijen hebben in december 2015/januari 2016 onderhandelingen gevoerd.

2.5.

Notaris mr. Castelein heeft [onderhandelaar] op 28 januari 2016 een concept van een koopovereenkomst gestuurd, waarin [gedaagde] als verkoper en [de besloten vennootschap] als koper van de percelen c.q. erfpachtrechten is aangeduid, voor een totale koopsom van € 550.000,-

(€ 150.000,- voor [perceelnummer 4] / [perceelnummer 5] , € 100.000,- voor [perceelnummer 2] / [perceelnummer 3] en € 300.000,- voor [perceelnummer 6] ).

2.6.

[gedaagde] heeft de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] op 17 februari 2016 voor een bedrag van

€ 350.000,- verkocht aan zijn buurman, [buurman gedaagde] . Levering van deze percelen aan [buurman gedaagde] heeft nog niet plaatsgevonden.

2.7.

De advocaat van [de besloten vennootschap] heeft [gedaagde] bij brief van 2 maart 2016 verzocht mee te werken aan de verkoop en levering van de percelen [perceelnummer 2] , [perceelnummer 3] en [perceelnummer 6] en de erfpachtrechten op de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] . [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen koopovereenkomst tussen partijen was gesloten.

2.8.

Op 2 maart 2016 heeft [de besloten vennootschap] ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag tot levering gelegd op de eigendomspercelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] en de erfpachtrechten op de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] . In het voorafgaande beslagrekest bij de voorzieningenrechter heeft [de besloten vennootschap] vermeld dat deze beslagen strekken tot zekerheid voor de nakoming van de leveringsverplichting van [gedaagde] .

2.9.

In de vervolgens door [de besloten vennootschap] tegen [gedaagde] en diens zus [zus van gedaagde] aanhangig gemaakte bodemprocedure bij de handelskamer van deze rechtbank, locatie Groningen, heeft de rechtbank bij vonnis van 7 juni 2017 op vordering van [de besloten vennootschap] in conventie onder meer (a) voor recht verklaard dat er tussen [de besloten vennootschap] en [gedaagde] een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen ten aanzien van de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] , de erfpachtrechten op de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] , alsmede ten aanzien van perceel [perceelnummer 6] , (b) voor recht verklaard dat [gedaagde] beschikkingsbevoegd is met betrekking tot de percelen [perceelnummer 2] , [perceelnummer 3] en de erfpachtrechten op de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] en (c) voor recht verklaard dat [gedaagde] beschikkingsonbevoegd is ten aanzien van de verkoop en levering van het juridisch eigendom van perceel [perceelnummer 6] . De rechtbank heeft (onder meer) afgewezen de vordering van [de besloten vennootschap] om te bepalen dat het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van de nog op te maken akte van levering, althans dat dit vonnis in de plaats treedt van de door [gedaagde] ter zake van de levering benodigde rechtshandelingen.

2.10.

Op 5 februari 2018 heeft [de besloten vennootschap] de koopovereenkomst ontbonden voor zover die betrekking heeft op het perceel van de zus van [gedaagde] ( [perceelnummer 6] ).

2.11.

Op 23 februari 2018 heeft [de besloten vennootschap] ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag gelegd op de [perceelnummer 8] en [perceelnummer 1] voor verhaal van een vordering van € 91.000,00. In het voorafgaande beslagrekest bij de voorzieningenrechter heeft [de besloten vennootschap] vermeld dat zij schade heeft geleden in verband met de gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst terzake perceel [perceelnummer 6] , waardoor zij dit perceel niet heeft kunnen doorverkopen aan een derde, hetgeen tot een schade van € 67.500,00 heeft geleid, alsmede dat [de besloten vennootschap] een vordering op [gedaagde] heeft in verband met de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, in totaal een bedrag van € 2.813,72. De totale vordering komt daarmee, aldus [de besloten vennootschap] in het rekest, uit op € 70.313,72, welk bedrag op grond van de beslagsyllabus met 30% wordt vermeerderd.

2.12.

Beide partijen hebben hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof).

2.13.

Het hof heeft bij tussenarrest van 10 december 2019 onder meer overwogen:

(…)

4.6.

Een en ander betekent dat de overeenkomst waarop [de besloten vennootschap] zich beroept nog niet vast staat. Daarom zal zij in de gelegenheid worden gesteld te bewijzen wat zij daartoe heeft aangevoerd. Dat komt er in essentie op neer dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verkoop van [perceelnummer 6] (van [zus gedaagde partij] ) en de omvang van de huiskavel. Het zijn immers die twee, hiervoor als "obstakels" aangeduide aspecten die volgens [gedaagde] maakten dat het tot de door [de besloten vennootschap] gestelde verkoop van het geheel niet is gekomen (de eigendomspercelen [perceelnummer 2] , [perceelnummer 3] , de erfpachtgronden [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] , alsmede perceel [perceelnummer 6] van [zus gedaagde partij] ). Als dat bewijs niet wordt geleverd, dan leidt dat tot afwijzing van de vorderingen van [de besloten vennootschap] . Daarom zal het hof nu niet ingaan op de discussie die voor het overige is gevoerd, met uitzondering van het volgende. Dat geldt dus voor het geval het bewijs wel wordt geleverd.

Als de overeenkomst komt vast te staan, dan bevat die een voorwaarde die in de weg staat aan de ontbinding en toewijzing van de daarop gebaseerde geldvordering.

4.7.

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] slechts met de koop akkoord wilde gaan als hij zakelijke rechten zou behouden of opnieuw zou verkrijgen (ten aanzien van een deel van de erfpachtgrond (de huiskavel). Als vast komt te staan dat de omvang van die grond is 'afgekaart', dan nog heeft [gedaagde] de voorwaarde gesteld dat de eigenaar van die grond (ASR) daarmee akkoord zou gaan. Volgens hem ontbrak die toestemming (zie bijvoorbeeld conclusie van antwoord 45 t/m 47). [de besloten vennootschap] erkent van haar kant dat dit onderdeel van de afspraken op een later moment besproken moest worden, omdat het te behouden stukje grond in het erfpachtgedeelte zat, en ook ASR bij de besprekingen betrokken moest zijn. Zij lijkt ervan uit te gaan dat de notaris destijds in het concept van de koopakte ten onrechte niet een voorbehoud over de huiskavel heeft opgenomen (memorie van antwoord in principaal hoger beroep 59).

4.8.

Deze constatering brengt mee dat de vordering tot levering van de percelen en erfpachtrechten hoe dan ook (nog) niet opeisbaar is geworden, dat van verzuim van [gedaagde] ten tijde van de ingeroepen ontbinding geen sprake was en dat [de besloten vennootschap] om die reden de gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst (perceel [perceelnummer 6] ) niet heeft kunnen inroepen. De desbetreffende vordering en de daaraan gekoppelde schadevordering kunnen dus niet worden toegewezen.

(…)

Het hof heeft [de besloten vennootschap] toegelaten te bewijzen dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verkoop van perceel [perceelnummer 6] en over de omvang van het perceel rond de boerderij.

2.14.

Het hof heeft op 11 augustus 2020 eindarrest gewezen, waarbij het vonnis van de rechtbank is bekrachtigd. In dit arrest heeft het hof onder meer geconcludeerd dat [de besloten vennootschap] in het te leveren bewijs is geslaagd. Het hof heeft verder onder meer overwogen:

(…)

De huiskavel

(…)

2.22. (…)

Uit de verklaringen wordt duidelijk dat het ging om ongeveer 1,5 ha grond, die in ieder geval deels van ASR was, en niet (ook) om de grond van de zus van [gedaagde] die hij op de mondelinge behandeling heeft gearceerd. Die arcering is immers strijdig met zijn uitgangspunt dat de grond van de zus helemaal niet te koop is aangeboden. Het hof verwijst ter zake nog naar de conclusie van antwoord onder 43, waar ook wordt beweerd dat deze 1,5 ha (wat minder is dan het perceel dat door [gedaagde] is gearceerd) deels eigendom was van de zus. Waar [gedaagde] dus vage, tegenstrijdige en om die reden ongeloofwaardige verklaringen aflegt, zijn [onderhandelaar] en [de besloten vennootschap] er duidelijk over dat aan de wensen van [gedaagde] tegemoet zou worden gekomen als ASR eraan zou meewerken dat [gedaagde] nog erfpachtrecht zou houden van (een deel van) de huiskavel. Zoals gezegd, is aannemelijk dat het daarbij ging om circa 1,5 ha, en dat die kavel althans deels door ASR in erfpacht was uitgegeven. Ongeacht welk deel eigendom van ASR ook was: aan de uitvoering van de wensen van [gedaagde] moest deze eigenaar meewerken. Die medewerking is echter niet verleend, en is volgens [gedaagde] zelfs geweigerd. Dat brengt het hof bij de bindende eindbeslissing die hierover al is gegeven.

Het hof handhaaft zijn bindende eindbeslissing over de huiskavel

2.23.

Het hof heeft overwogen dat de vordering tot levering van de percelen en erfpachtrechten bij gebrek aan medewerking van ASR nog niet opeisbaar is geworden en dat daarom van verzuim van [gedaagde] ten tijde van de ingeroepen ontbinding geen sprake was. Dat betekent volgens het hof dat [de besloten vennootschap] de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst (perceel [perceelnummer 6] ) niet heeft kunnen inroepen en dat de desbetreffende vordering en de daaraan gekoppelde schadevergoeding niet kunnen worden toegewezen. In zijn laatste memorie vraagt [de besloten vennootschap] op die beslissing terug te komen. Dat is alleen mogelijk als bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat het hof aan die beslissing zou zijn gebonden. Buiten zulke uitzonderingsgevallen kan een dergelijke eindbeslissing alleen door aanwending van een bij de wet aangegeven rechtsmiddel worden bestreden.

2.24.

Wat [de besloten vennootschap] nu aanvoert, is dat [gedaagde] pas in zijn memorie van antwoord in het incidenteel appel een beroep heeft gedaan op de opschortende voorwaarde dat ASR toestemming zou geven voor het gebruik van de huiskavel. Volgens [de besloten vennootschap] heeft het hof miskend dat dat te laat is (in strijd met de zogenaamde twee-conclusie-regel). Dat is onjuist: de rechtbank heeft voor recht verklaard dat een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen en heeft een oordeel uitgesproken over de beschikkings(on)bevoegdheid van [gedaagde] ten aanzien van de desbetreffende percelen. In de memorie van grieven is [gedaagde] daartegen opgekomen. Op dat moment bestond voor hem geen noodzaak een beroep te doen op de opschortende voorwaarde. De noodzaak daartoe kwam pas op nadat in incidenteel appel een beroep op ontbinding werd gedaan; als een opschortende voorwaarde aan de verplichting tot nakoming in de weg stond, zou die vordering moeten stranden, evenals de daaraan verbonden vordering tot vermindering van de koopsom en betaling van schade.

2.25.

[de besloten vennootschap] heeft daarnaast bestreden dat sprake is van de opschortende voorwaarde waar [gedaagde] zich op beroept, en waarvan die partij volgens hem de bewijslast draagt. Het hof zou hebben miskend dat dit verweer van [gedaagde] niet is onderbouwd. Uit de getuigenverklaringen blijkt volgens [de besloten vennootschap] juist dat het niet om een harde voorwaarde ging. Ook dat is onjuist: het hof heeft zijn oordeel gebaseerd op het debat dat tot dat moment was gevoerd, en heeft daartoe onder meer verwezen naar de memorie van antwoord in principaal hoger beroep van [de besloten vennootschap] onder 59. Daar voert [de besloten vennootschap] aan dat het behoud van een stuk grond (de voorwaarde) niet in het concept van de koopakte is opgenomen. Bestreden wordt daar niet dat die voorwaarde was overeengekomen: onder 58 erkent [de besloten vennootschap] juist dat de details omtrent het huisperceel niet konden worden afgekaart omdat ook de grondeigenaar bij die besprekingen betrokken diende te zijn (het hof leest: dat deze moest instemmen). In 59 bepleit [de besloten vennootschap] vervolgens slechts dat de omissie bij het opstellen van het concept niet tot gevolg heeft dat een al gesloten overeenkomst van tafel zou zijn. Ook in onderdeel 8 van deze memorie gaat [de besloten vennootschap] er zelf van uit dat [gedaagde] 1,5 ha bij zijn woning wilde behouden, dat dat stukje grond in het erfpachtgedeelte zat, en dat grondeigenaar ASR bij de besprekingen daarover betrokken diende te zijn. [gedaagde] heeft dat terecht als een opschortende voorwaarde geduid. Over het bestaan (en het nog niet vervuld zijn) van deze voorwaarde, bestond naar het oordeel van het hof ten tijde van het wijzen van het vorige arrest dus geen discussie. De afgelegde getuigenverklaringen vormen geen reden om daarop terug te komen. [onderhandelaar] merkt weliswaar op dat het niet om een harde voorwaarde bij de verkoop ging ( [gedaagde] had op dat moment geen keus), maar dan nog kan het als voorwaarde aan de orde zijn geweest. Er hoefde ook niet hard over te worden onderhandeld, omdat [de besloten vennootschap] volgens dezelfde [onderhandelaar] (en overigens ook volgens [de besloten vennootschap] zelf) aan dat verzoek tegemoet wilde komen als ASR groen licht zou geven.

2.26.

Het hof komt dan ook niet terug op het oordeel dat de vordering tot gedeeltelijke ontbinding en verlaging van de koopsom en de aan de ontbinding gekoppelde vordering tot betaling van schadevergoeding (artikel 6:277 BW) niet kunnen worden toegewezen. De consequentie daarvan is, dat noch de grieven van [gedaagde] (waarin de overeenkomst wordt bestreden) noch die van [de besloten vennootschap] (waarin de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst wordt bepleit) tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden.

(…)

2.15.

[gedaagde] heeft een aanzienlijke achterstand inzake de betaling van de aan ASR verschuldigde erfpachtcanon laten ontstaan.

2.16.

De advocaat van [de besloten vennootschap] heeft de advocaat van [gedaagde] bij e-mail van 26 augustus 2020 geschreven:

"(…) Naar aanleiding van het oordeel van het hof is cliënte met de ASR in overleg getreden omtrent het behoud van het stuk grond bij de boerderij van [gedaagde] dat voor 0.5 hectare "in de ASR-grond" zit. Van cliënte begreep ik dat het behoud van het stuk grond zo goed als rond is en er thans tussen cliënte en de ASR alleen nog gesprekken lopen over de feitelijke uitvoering hiervan.

Evenwel schijnt uw cliënt nog een betalingsachterstand te hebben bij ASR en wenst ASR het verschuldigde bedrag te ontvangen alvorens de (nadere) feitelijke uitvoering wordt besproken.

(…)

Ik stel voor dat u /uw cliënt contact opneemt met ASR om het exacte bedrag vast te stellen.

Graag ontvang ik van u de bevestiging van ASR dat zij volledig is voldaan."

2.17.

De advocaat van [gedaagde] heeft [de besloten vennootschap] bij brief van 28 september 2020 medegedeeld dat haar cliënt niet bereid is mee te werken aan levering van het gekochte. Hiertoe schrijft zij:

"(…) Zoals u bekend heeft het hof in het arrest van 11 augustus 2020 haar bindende eindbeslissing uit het tussenarrest van 10 december 2019 in stand gelaten. Dat betekent dat tussen partijen vast staat dat er sprake is van een opschortende voorwaarde.

Deze opschortende voorwaarde is niet vervuld omdat de ASR reeds in 2016 heeft gemeld dat zij niet wenste mee te werken aan behoud van een stuk grond door cliënt. Als gevolg daarvan is de verbintenis destijds definitief niet in werking getreden.

Van uw advocaat, en nu ook van u rechtstreeks, heb ik begrepen dat u gesprekken hebt gevoerd met de ASR over de uitvoering van de opschortende voorwaarde waarbij de ASR heeft aangegeven dat zij alleen zou willen meewerken aan de destijds door cliënt gestelde voorwaarde indien cliënt eerst zijn achterstand bij de ASR inlost. Een medewerker van de ASR bevestigde mij dat de ASR deze voorwaarde stelt.

Kortom ook thans heeft de ASR te kennen gegeven dat zij onder de huidige omstandigheden niet bereid is om haar medewerking te verlenen. Dat betekent dat ook thans de opschortende voorwaarde niet vervuld is en derhalve ook thans de verbintenis definitief niet in werking treedt (voor zover de verbintenis haar werking al niet zou hebben verloren door het niet in vervulling gaan van de voorwaarde in 2016).

Ten overvloede vermeld ik nog dat de financiële situatie van mijn cliënt onverminderd slecht is zodat hij ook thans niet in staat is om de achterstand aan de ASR ineens in te lossen.

(…)

Voorts verzoek ik u mij binnen drie dagen na heden te bevestigen dat de door [de besloten vennootschap] gelegde leverings- en conservatoire beslagen op de onroerende zaken en erfpachtrechten van cliënt per omgaande worden opgeheven. (…)"

2.18.

In reactie hierop heeft (de gevolmachtigde van) [de besloten vennootschap] bij brief van 8 oktober 2020 aan de advocaat van [gedaagde] medegedeeld dat [de besloten vennootschap] bereid is om de betalingsachterstand van [gedaagde] bij ASR in te lossen, dat dit voorstel met ASR is besproken en dat laatstgenoemde daarmee akkoord is. Hiermee kan overgegaan worden tot levering van het gekochte, aldus [de besloten vennootschap] .

2.19. (

De gevolmachtigde van) [de besloten vennootschap] heeft bij e-mail aan de advocaat van [gedaagde] van 26 oktober 2020 een (aangepaste) koopovereenkomst toegezonden, die is geactualiseerd naar aanleiding van de overwegingen van rechtbank en hof. In deze e-mail is tevens vermeld dat de juridische levering van het gekochte op 15 december 2020 gepland staat.

2.20.

De advocaat van [gedaagde] heeft bij brief aan [de besloten vennootschap] van 30 oktober 2020 volhard in het standpunt dat de overeengekomen opschortende voorwaarde niet is vervuld, waartoe zij schrijft:

"(…) In 2016 heeft de ASR geweigerd haar medewerking te verlenen als gevolg waarvan de opschortende voorwaarde niet is vervuld en de overeenkomst niet in werking is getreden. Daarmee is de discussie gesloten voor zover er al sprake kan zijn van een discussie.

Voor zover alsnog voldaan zou kunnen worden aan de destijds tussen partijen overeengekomen voorwaarde - quod non - blijkt dat thans nog immer niet aan de orde te zijn. Immers is de ASR tot op heden niet bereid haar medewerking te verlenen aan de voorwaarden zoals die destijds zijn overeengekomen. Het in één keer inlossen van de achterstand bij ASR betreft een nieuwe aanvulling op de destijds overeengekomen opschortende voorwaarde nu dit tussen partijen niet is overeengekomen. Daar komt bij dat dit bovendien in financiële zin absoluut niet haalbaar is. Ook niet op de wijze zoals door u voorgesteld. Ik neem aan dat ik u niet hoef te herinneren aan de positie van de bank in deze kwestie. (…)"

2.21.

ASR heeft [de besloten vennootschap] bij brief van 17 november 2020 met als onderwerp 'bereidheidsverklaring inzake [gedaagde] ' onder meer geschreven:

"(…) Conform de uitspraak van het Hof in hoger beroep bent u onder andere verplicht om een oppervlakte van 00.50.00 hectare van het perceel kadastraal bekend gemeente [perceelnummer 4] , grenzend aan het erf aan de heer [gedaagde] in volledig eigendom te leveren.

U heeft ons gevraagd medewerking te verlenen aan de verkoop van voormelde oppervlakte van 00.50.00 hectare. Wij zijn bereid onze medewerking te verlenen aan een gedeeltelijke verkoop van de bloot eigendom zoals door het Hof aan u is opgelegd, maar dan wel onder het voorbehoud dat overeenstemming wordt bereikt over de voorwaarden en de koopsom maar door u ook de betalingsachterstand wordt voldaan van de canon, te verhogen met de rente en kosten per datum passeren akte van levering. De betalingsachterstand is door ons berekend op € 20.218,12 zegge twintig duizend tweehonderd achttien euro en twaalf eurocent (zie bijlage). Om een en ander formeel af te wikkelen zal alsdan door u een akte van cessie worden opgemaakt en aan ons ter beoordeling worden voorgelegd.

Vorenstaande bij elkaar opgeteld en het feit dat een overeenkomst onder voorwaarden is ontstaan aangaande de aankoop van het erfpachtrecht van [gedaagde] heeft u doen besluiten bij ons aanvullend de vraag neer te leggen of wij bereid zijn gelijktijdig met de overdracht van het erfpachtsrecht van de heer [gedaagde] aan u de bloot eigendom van de percelen kadastraal bekend gemeente [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] met een totale oppervlakte van 20.08.35 hectare aan u te verkopen.

In principe zijn we daartoe bereid, maar ook dan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat verkoop van de bloot eigendom plaats kan vinden onder het voorbehoud dat de betalingsachterstand van de heer [gedaagde] inclusief rente en kosten (zie bijlage) per datum aktepassering door u wordt voldaan. Mocht u bereid zijn aan die voorwaarden te voldoen dan zullen wij u, nadat uiteraard ook over de overige voorwaarden en de koopsom overeenstemming is bereikt, aan u een formele aanbieding/overeenkomst aanbieden. (…).

2.22.

ASR heeft de advocaat van [gedaagde] bij e-mail van 23 november 2020 om 00:22 uur geschreven:

"(…) Wij zijn niet bereid om medewerking te verlenen aan een splitsing van het erfpachtperceel omdat wij hebben begrepen dat dit om een oppervlakte van maximaal 00.50.00 hectare zou gaan. Een contract met een oppervlakte van die grootte past om diverse redenen niet in onze portefeuille."

2.23.

ASR heeft de advocaat van [gedaagde] bij e-mail van 23 november 2020 te 12:35 uur geschreven:

"In een eerdere mail gaf ik aan dat wij geen medewerking zullen verlenen aan een splitsing van het erfpachtrecht waarbij die splitsing met zich mee brengt dat er een uitgifte in erfpacht zou ontstaan van slechts een halve hectare een en ander overigens los van het feit wie in dat geval eigenaar van het erfpachtrecht wordt.

Onder voorbehoud dat over de voorwaarden en details overeenstemming wordt bereikt en een overeenkomst tot stand komt tussen ASR en [de besloten vennootschap] aangaande die halve hectare zijn wij, ook om een bijdrage te leveren aan de uitvoering van de uitspraak van het Hof, bereid aan [de besloten vennootschap] de bloot eigendom van die halve hectare in eigendom over te dragen."

2.24.

De advocaat van [de besloten vennootschap] heeft de advocaat van [gedaagde] bij brief van 24 november 2020 verzocht om mede te delen of [gedaagde] alsnog tot levering van de percelen en de erfpachtrechten zal overgaan. [gedaagde] is hiertoe niet bereid gebleken.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[de besloten vennootschap] vordert na - wijziging van eis - dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

ten aanzien van de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] en de erfpachtrechten op de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] :

primair:

( i) [gedaagde] gebiedt om binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis medewerking te verlenen om de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] en de erfpachtrechten op de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] , conform de koopovereenkomst die als productie 9 is overgelegd, aan [de besloten vennootschap] over te dragen en bepaalt dat [gedaagde] in dat verband gehouden is om al datgene te doen dat noodzakelijk is om tot uitvoering van de koopovereenkomst te komen, waaronder, maar niet uitsluitend, het opstellen van een notariële akte van levering, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] weigert hieraan - geheel of gedeeltelijk - zijn medewerking te verlenen;

subsidiair:

(ii) [gedaagde] gebiedt om binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis medewerking te verlenen om de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] en de erfpachtrechten op de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] , conform de koopovereenkomst die als productie 9 is overgelegd, aan [de besloten vennootschap] over te dragen, met dien verstande dat [gedaagde] de 0,5 hectare grond - in afwijking van deze koopovereenkomst - behoudt ten titel van erfpacht, en bepaalt dat [gedaagde] in dat verband gehouden is om al datgene te doen dat noodzakelijk is om tot uitvoering van de koopovereenkomst te komen, waaronder, maar niet uitsluitend, het opstellen van een notariële akte van levering, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] weigert hieraan - geheel of gedeeltelijk - zijn medewerking te verlenen;

meer subsidiair:

(iii) [gedaagde] gebiedt om binnen zeven dagen nadat [de besloten vennootschap] het bloot eigendom van de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] heeft verkregen medewerking te verlenen om de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] en de erfpachtrechten op de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] , conform de als productie 9 overgelegde koopovereenkomst, aan [de besloten vennootschap] over te dragen en bepaalt dat [gedaagde] in dat verband gehouden is om al datgene te doen dat noodzakelijk is om tot uitvoering van de koopovereenkomst te komen, waaronder, maar niet uitsluitend, het opstellen van een notariële akte van levering, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] weigert hieraan - geheel of gedeeltelijk - zijn medewerking te verlenen;

nog meer subsidiair:

(iv) [gedaagde] gebiedt om binnen zeven dagen nadat [de besloten vennootschap] het bloot eigendom van de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] heeft verkregen medewerking te verlenen om de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] en de erfpachtrechten op de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] , conform de koopovereenkomst die als productie 9 is overgelegd, aan [de besloten vennootschap] over te dragen, met dien verstande dat [gedaagde] de 0,5 hectare grond - in afwijking van deze koopovereenkomst - behoudt ten titel van erfpacht, en bepaalt dat [gedaagde] in dat verband gehouden is om al datgene te doen dat noodzakelijk is om tot uitvoering van de koopovereenkomst te komen, waaronder, maar niet uitsluitend, het opstellen van een notariële akte van levering, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] weigert hieraan - geheel of gedeeltelijk - zijn medewerking te verlenen;

uiterst subsidiair:

( v) bepaalt dat op grond van artikel 3:300 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het in dit kort geding te wijzen vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte leveringsakte, althans dat dit vonnis in de plaats treedt van alle door [gedaagde] ter zake van de levering benodigde rechtshandelingen, strekkende tot de levering van de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] en de erfpachtrechten op de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] , onder de voorwaarden zoals vermeld in het tussen [de besloten vennootschap] en [gedaagde] gewezen vonnis en arrest en zoals verwoord in de als productie 9 overgelegde schriftelijke koopovereenkomst en, subsidiair, met dien verstande dat [gedaagde] de 0,5 hectare grond - in afwijking van de koopovereenkomst van productie 9 - behoudt ten titel van erfpacht;

ten aanzien van het perceel [perceelnummer 6] :

(vi) [gedaagde] gebiedt om binnen vier weken na het in dezen te wijzen vonnis al datgene te doen dat noodzakelijk is om tot levering te kunnen komen van het perceel [perceelnummer 6] , waaronder begrepen het effectueren van zijn koopoptie c.q. het recht van eerste koop, al dan niet middels het entameren van een gerechtelijke procedure waarbij de dagvaarding binnen de genoemde termijn moet zijn uitgebracht, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] niet aan de voornoemde verplichting voldoet en/of anderszins weigert hieraan - geheel of gedeeltelijk - zijn medewerking te verlenen;

(vii) [gedaagde] gebiedt om binnen vier weken na het in dezen te wijzen vonnis alle informatie met betrekking tot zijn koopoptie c.q. het recht van eerste koop op het perceel [perceelnummer 6] aan [de besloten vennootschap] te overleggen en [de besloten vennootschap] op de hoogte te houden van de (eventueel) geëntameerde procedure ter effectuering van zijn koopoptie c.q. het recht van eerste koop, onder meer middels de toezending van alle processtukken, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] niet aan de voornoemde verplichting voldoet en/of anderszins hieraan - geheel of gedeeltelijk - zijn medewerking te verlenen;

en voorts

(viii) [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente indien voldoening niet binnen een termijn van veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt.

3.2.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de besloten vennootschap] , met veroordeling van [de besloten vennootschap] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente indien voldoening niet binnen een termijn van veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt.

in reconventie

3.3.

[gedaagde] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

(1) [de besloten vennootschap] veroordeelt om de leveringsbeslagen op de percelen [perceelnummer 4] , [perceelnummer 2] , [perceelnummer 5] en [perceelnummer 3] en de verhaalsbeslagen op de percelen [perceelnummer 1] en [perceelnummer 7] die ten laste van [gedaagde] zijn gelegd uit hoofde van de verloven van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 2 maart 2016 en 22 februari 2018, op te heffen binnen 24 uur na het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 20.000,- per dag of dagdeel dat [de besloten vennootschap] nalaat om deze beslagen op te heffen;

(2) [de besloten vennootschap] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente indien voldoening niet binnen een termijn van veertien dagen na dagtekening van het vonnis plaatsvindt.

3.4.

[de besloten vennootschap] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - in de proceskosten.

4 De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de voorzieningenrechter deze vorderingen hierna gezamenlijk behandelen.

Kern van de zaak

4.2.

In geschil in conventie is of, zoals [de besloten vennootschap] stelt en [gedaagde] betwist, tussen hen thans nog sprake is van een koopovereenkomst met betrekking tot een tweetal eigendomspercelen van [gedaagde] , zijn erfpachtrechten op een tweetal percelen alsmede het perceel van zijn zus, en - in het verlengde daarvan - of [gedaagde] gehouden is om mee te werken aan levering van de eigendomspercelen en erfpachtrechten en handelingen moet verrichten om te komen tot levering van het perceel van zijn zus aan [de besloten vennootschap] . In reconventie gaat het om de vraag of de ten laste van [gedaagde] door [de besloten vennootschap] gelegde leverings- en verhaalsbeslagen moeten worden opgeheven.

Uitgangspunt in dit kort geding: de uitspraken van rechtbank en hof

4.3.

De rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening nadat de civiele bodemrechter reeds een uitspraak over (een deel van) het geschil van partijen heeft gedaan, moet in beginsel zijn eigen uitspraak afstemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of de eerdere uitspraak reeds in kracht van gewijsde is gegaan. Onder bijzondere omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit uitgangspunt. Dit zal het geval kunnen zijn indien de uitspraak van de bodemrechter op een evidente misslag berust, alsook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, indien hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen.1 Geen van deze uitzonderingssituaties is in deze zaak aan de orde, zodat de voorzieningenrechter haar uitspraak in dit kort geding zal afstemmen op de uitspraken van rechtbank en hof in de bodemprocedure tussen partijen.

4.4.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank van 7 juni 2017 in zijn eindarrest van 11 augustus 2020 bekrachtigd. Tegen dit arrest is geen cassatieberoep ingesteld, waarmee het arrest in kracht van gewijsde is gegaan. Het arrest heeft daarmee, zoals [de besloten vennootschap] terecht stelt, gezag van gewijsde gekregen. Dit betekent dat de beslissingen van rechtbank en hof over de rechtsbetrekking in geschil in een andere (opvolgende) procedure tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben.

4.5.

Een en ander leidt ertoe dat de voorzieningenrechter in dit kort geding zal uitgaan van de inhoudelijke beslissingen die door rechtbank en hof zijn genomen, zoals hierna nader zal worden besproken.

Koopovereenkomst met opschortende voorwaarde

4.6.

Op grond van de uitspraken van rechtbank en hof moet ervan worden uitgegaan dat tussen [de besloten vennootschap] en [gedaagde] , als koper respectievelijk verkoper, een rechtsgeldige koopovereenkomst tot stand is gekomen ten aanzien van de eigendomspercelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] , de erfpachtrechten op de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] , alsmede ten aanzien van perceel [perceelnummer 6] , dat aan de zus van [gedaagde] in eigendom toebehoort. Daarnaast moet op basis van het arrest van het hof van 10 december 2019 - meer specifiek: de rechtsoverwegingen 4.6. en 4.7. - ervan worden uitgegaan dat voor de gehele koopovereenkomst, dus ten aanzien van alle hiervoor genoemde percelen en erfpachtrechten, de opschortende voorwaarde geldt dat ASR, in haar hoedanigheid van erfverpachter, akkoord zou gaan met het behoud van het erfpachtrecht door [gedaagde] althans het opnieuw verkrijgen van het erfpachtrecht door [gedaagde] ten aanzien van een deel van erfpachtperceel [perceelnummer 4] (een gedeelte van de huiskavel). De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] dan ook niet in diens betoog dat de opschortende voorwaarde zo (beperkt) moet worden uitgelegd, dat [gedaagde] de erfpacht moet (kunnen) behouden met ASR als zijn verpachter.

4.7.

Artikel 6:22 BW bepaalt dat een opschortende voorwaarde de werking van de verbintenis eerst met het plaatsvinden van de gebeurtenis doet aanvangen. De opschortende voorwaarde zorgt ervoor dat een of meerdere verbintenissen bij het aangaan van de overeenkomst nog niet hoeven te worden nagekomen. De schuldeiser die nakoming van een verbintenis onder opschortende voorwaarde vordert, in dit geval [de besloten vennootschap] , draagt de stelplicht en de bewijslast voor de vervulling van die voorwaarde.2

Is de koopovereenkomst van partijen in 2016 al tenietgegaan?

4.8.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de werking van de verbintenis tot levering van de percelen en de erfpachtrechten in 2016 niet is aangevangen ten gevolge van de weigering van ASR (tegenover [de besloten vennootschap] ) om akkoord te gaan met voortzetting van de erfpachtovereenkomst met [gedaagde] ten aanzien van perceel [perceelnummer 4] , voor zover het ging om een strook van 0,5 ha bij de woning (de huiskavel). Hierdoor kon de verbintenis tot levering niet meer in werking treden en is de koopovereenkomst destijds al definitief tenietgegaan, aldus [gedaagde] . Hij acht zich reeds om die reden niet meer gehouden tot levering van de percelen en de erfpachtrechten aan [de besloten vennootschap] .

4.9.

[de besloten vennootschap] betwist dat de koopovereenkomst in 2016 teniet zou zijn gegaan. Het niet vervullen van een opschortende voorwaarde uit een overeenkomst brengt niet mee dat de overeenkomst teniet gaat. Er is derhalve nog steeds sprake van een koopovereenkomst die partijen bindt. Het hof heeft dit volgens [de besloten vennootschap] in de beide arresten ook bevestigd.

4.10.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de koopovereenkomst van partijen op dit moment nog steeds bestaat. Een overeenkomst die onder een opschortende voorwaarde is aangegaan, leidt ertoe dat de betreffende verbintenissen (nog) niet behoeven te worden nagekomen, of zoals het hof heeft overwogen: niet opeisbaar zijn. Anders dan [gedaagde] heeft bepleit, gaat een overeenkomst onder opschortende voorwaarde echter niet (van rechtswege) teniet indien de opschortende voorwaarde niet wordt vervuld. Dat, zoals [gedaagde] stelt, sprake is van een (definitieve) weigering van ASR akkoord te gaan met behoud van het erfpachtrecht door [gedaagde] of het opnieuw verkrijgen van het erfpachtrecht ten aanzien van een deel van erfpachtperceel [perceelnummer 4] is verder vooralsnog onvoldoende gebleken.

Is de opschortende voorwaarde inmiddels wel vervuld?

4.11.

[de besloten vennootschap] stelt dat de opschortende voorwaarde in dit geval is vervuld en dat daarmee de verbintenissen van [gedaagde] uit hoofde van de koopovereenkomst opeisbaar zijn geworden. Daartoe voert [de besloten vennootschap] aan dat ASR op 17 november 2020 een bereidheidverklaring heeft afgegeven, waarin zij aangeeft de vereiste toestemming voor voortzetting van het erfpachtrecht door [gedaagde] te verlenen. ASR is in dat verband bereid om de eigendom van (erfpacht)perceel [perceelnummer 4] in eigendom over te dragen aan [de besloten vennootschap] , zodat [de besloten vennootschap] zelf in staat wordt gesteld om het hiervan deel uitmakende gedeelte van de huiskavel aan [gedaagde] ter beschikking te stellen. ASR heeft hieraan de voorwaarde verbonden dat de betalingsachterstand van [gedaagde] bij ASR wordt ingelost. Gezien de ondubbelzinnige toezegging van ASR om haar medewerking te verlenen aan het behoud van de huiskavel door [gedaagde] , is sprake van de in dezen benodigde toestemming van ASR.

4.12.

[gedaagde] betwist dat de opschortende voorwaarde is vervuld. Daartoe voert hij aan dat ASR de vereiste toestemming niet heeft gegeven. Dit blijkt niet uit de brief van ASR van 17 november 2020. In die brief is de opschortende voorwaarde op onjuiste wijze weergegeven, anders dan het hof heeft overwogen. Het ging er immers om dat [gedaagde] met medewerking van ASR een erfpachtrecht op een deel van de huiskavel zou behouden. Daarmee stond het [gedaagde] voor ogen dat hij een deel van de huiskavel in erfpacht zou kunnen behouden, met behoud van ASR als zijn erfverpachter.

4.13.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de opschortende voorwaarde niet is vervuld. Daartoe overweegt zij het volgende.

4.14.

Vooropgesteld wordt dat het standpunt van [gedaagde] dat ASR niet bereid is om mee te werken aan behoud van het erfpachtrecht op een gedeelte van de huiskavel moet worden verworpen. [gedaagde] verwijst in dit kader naar de e-mail van ASR aan zijn advocaat van 23 november 2020 om 00:22 uur. In die e-mail zegt ASR naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet meer dan dat zij niet bereid is om mee te werken aan een splitsing van het erfpachtperceel ( [perceelnummer 4] ) waarbij slechts ten aanzien van een oppervlakte van 00.50.00 ha erfpachtgrond de erfpachtrelatie tussen partijen overblijft, omdat een zodanig klein perceel niet in haar portefeuille past. ASR zegt in deze e-mail echter niet dat zij niet bereid is om op een andere wijze mee te werken aan het behoud van een erfpachtrecht voor [gedaagde] dan wel het opnieuw verkrijgen van het erfpachtrecht door [gedaagde] ten aanzien

van een deel van erfpachtperceel [perceelnummer 4] . Dat blijkt ook duidelijk uit de daaropvolgende e-mail van ASR van diezelfde dag, 12:35 uur, aan de advocaat van [gedaagde] .

4.15.

De voorzieningenrechter stelt vervolgens vast dat ASR zich in haar brief aan [de besloten vennootschap] van 17 november 2020 akkoord verklaart met behoud van een deel van het erfpachtrecht van [gedaagde] op haar perceel [perceelnummer 4] (een deel van de huiskavel), middels overname van de bloot eigendom van deze grond door [de besloten vennootschap] . ASR heeft hierbij echter wel het voorbehoud gemaakt dat tussen haar en [de besloten vennootschap] overeenstemming wordt bereikt over de voorwaarden voor verkoop en dat de betalingsachterstand van de erfpachtcanon wordt voldaan vóór de aktepassering. Gesteld noch gebleken is echter dat [de besloten vennootschap] en ASR al overeenstemming hebben bereikt over de condities voor de verkoop van genoemd erfpachtperceel, terwijl de betalingsachterstand bij ASR vooralsnog niet is voldaan. Aldus is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans nog geen sprake van een definitief akkoord van ASR met behoud van het erfpachtrecht van [gedaagde] op een deel van de huiskavel dan wel het opnieuw verkrijgen van het erfpachtrecht door [gedaagde] ten aanzien

van een deel van erfpachtperceel [perceelnummer 4] . Deze omstandigheden zijn, zoals hierna wordt overwogen, echter niet fataal voor de vorderingen van [de besloten vennootschap] tot levering van de door haar gekochte percelen en erfpachtrechten.

Beletten vervulling opschortende voorwaarde

4.16.

Uit artikel 6:23 lid 1 BW volgt dat wanneer de partij die bij de niet-vervulling van de opschortende voorwaarde belang had de vervulling heeft belet, de opschortende voorwaarde als vervuld geldt, indien redelijkheid en billijkheid dat verlangen. Wat redelijkheid en billijkheid verlangen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en strekking van zowel de voorwaarde als van de belettende handeling.

4.17.

In het onderhavige geval heeft [gedaagde] , die niet (meer) bereid is om de verkochte percelen en erfpachtrechten aan [de besloten vennootschap] te leveren, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter belang (gehad) bij het beletten van de vervulling van de overeengekomen opschortende voorwaarde. Immers, zolang [gedaagde] niet tot betaling van de achterstallige erfpachtcanon aan ASR overgaat, gaat ASR nog niet (definitief) akkoord met overdracht van de blote eigendom van perceel [perceelnummer 4] , met handhaving van het erfpachtrecht van [gedaagde] , aan [de besloten vennootschap] en kan [gedaagde] zich aan zijn vaststaande leveringsverplichting tegenover [de besloten vennootschap] onttrekken. Hieraan kan niet afdoen de omstandigheid dat [gedaagde] naar eigen zeggen niet de financiële middelen heeft om de achterstallige erfpachtcanon te betalen. Tegen deze achtergrond verlangen redelijkheid en billijkheid naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat de overeengekomen opschortende voorwaarde in de verhouding tussen [de besloten vennootschap] en [gedaagde] als vervuld geldt. Dit klemt te meer, nu [de besloten vennootschap] bereid is om de betalingsachterstand aan ASR te voldoen en ASR daaraan meewerkt.

4.18.

Nu de opschortende voorwaarde als vervuld geldt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de vordering van [de besloten vennootschap] tot levering van de percelen en de erfpachtrechten thans opeisbaar. Gelet daarop en de omstandigheid dat de Rabobank als hypotheekhouder voornemens is om executiemaatregelen jegens [gedaagde] te treffen, is het spoedeisend belang van [de besloten vennootschap] bij de levering van de percelen en erfpachtrechten thans ook voldoende aanwezig.

Meewerken aan levering eigendomspercelen en erfpachtrechten

4.19.

De voorzieningenrechter concludeert tegen deze achtergrond dat [gedaagde] gehouden is om te voldoen aan zijn verplichting tot levering van de verkochte eigendomspercelen ( [perceelnummer 1] en [perceelnummer 3] ) en de erfpachtrechten ( [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] ) aan [de besloten vennootschap] , door mee te werken aan het notariële transport van de eigendomspercelen en erfpachtrechten. Daarbij geldt wel dat voorafgaand aan de levering - tot genoegen van ASR - er finale overeenstemming tussen ASR en [de besloten vennootschap] moet zijn over de verkoop en levering van de blote eigendom van perceel [perceelnummer 4] aan [de besloten vennootschap] én dat de achterstand in de betaling van de erfpachtcanon door [de besloten vennootschap] moet zijn aangezuiverd. Bij de notariële levering van perceel [perceelnummer 4] kan dan vervolgens rekening gehouden worden met het door [gedaagde] gewenste behoud van zijn erfpachtrecht op een gedeelte van dit perceel, in die zin dat [de besloten vennootschap] in plaats van ASR zijn nieuwe erfverpachter wordt voor de 0,5 ha bij de woning van [gedaagde] . Hiermee wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter gewaarborgd dat [gedaagde] de 0,5 hectare bij de boerderij kan behouden. [gedaagde] heeft tot zijn verweer nog aangevoerd dat hij niet tegen zijn zin met een andere contractspartij kan worden opgescheept. Dit verweer kan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen. Het staat ASR als huidig bloot eigenaar van de erfpachtgrond van perceel [perceelnummer 4] vrij om de blote eigendom van dit perceel aan [de besloten vennootschap] over te dragen, met dien verstande dat hierop wél het beperkte recht van [gedaagde] (zijn erfpachtrecht) blijft rusten. Tegen deze (goederenrechtelijke) overdracht kan [gedaagde] zich niet verzetten.

4.20.

De na wijziging van eis voorliggende nog meer subsidiaire vordering van [de besloten vennootschap] in conventie sluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan bij de hiervoor aangenomen verplichting tot medewerking van [gedaagde] . Deze vordering zal dan ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal een hierna bij de beslissing te noemen dwangsom, met een maximumbedrag, aan de veroordeling tot medewerking aan de levering van de percelen en de erfpachtrechten verbinden.

4.21.

De overige vorderingen in conventie ten aanzien van de percelen [perceelnummer 1] , [perceelnummer 3] , [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] zullen daarom worden afgewezen.

Het perceel van zus [zus van gedaagde] ( [perceelnummer 6] )

4.22.

[de besloten vennootschap] stelt dat [gedaagde] een koopoptie c.q. een recht van eerste koop heeft ten aanzien van dit perceel. Nu [gedaagde] dit perceel aan [de besloten vennootschap] heeft verkocht, dient [gedaagde] al datgene te doen wat noodzakelijk is om tot levering van dit perceel aan [de besloten vennootschap] te komen. Daartoe dient [gedaagde] zijn koopoptie c.q. recht van eerste koop tegenover zijn zus te effectueren, al dan niet door middel van het op korte termijn entameren van een juridische procedure. Verder dient [gedaagde] op korte termijn alle informatie met betrekking tot zijn koopoptie c.q. recht van eerste koop aan [de besloten vennootschap] te verstrekken en [de besloten vennootschap] op de hoogte te houden van de hiervoor bedoelde (eventueel) geëntameerde procedure.

4.23.

[gedaagde] betwist de onderhavige vordering, waartoe hij (ook hier) aanvoert dat de onderliggende koopovereenkomst reeds in 2016 geheel teniet is gegaan, zodat hij niet meer verplicht is tot levering van perceel [perceelnummer 6] aan [de besloten vennootschap] . Voorts is uit de getuigenverklaring van tussenpersoon [onderhandelaar] gebleken dat, voor zover daadwerkelijk sprake is (geweest) van een koopoptie, deze koopoptie niet hard is. [onderhandelaar] heeft dit destijds door een advocaat laten beoordelen en die heeft negatief geadviseerd. Ten slotte heeft [gedaagde] ook niet de financiële middelen voorhanden om de door [de besloten vennootschap] verlangde procedure tegen zijn zus te entameren.

4.24.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [de besloten vennootschap] - binnen het bestek van dit kort geding, waarin voor nadere bewijslevering geen plaats is - vooralsnog onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] daadwerkelijk een koopoptie c.q. recht van eerste koop heeft ten aanzien van het aan zijn zus in eigendom toebehorende perceel [perceelnummer 6] , dat door [gedaagde] aan [de besloten vennootschap] is verkocht. Van de zijde van [de besloten vennootschap] zijn geen stukken in het geding gebracht waaruit de gestelde koopoptie c.q. recht van eerste koop blijkt, terwijl [de besloten vennootschap] ook overigens geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, die aannemelijk maken dat [gedaagde] jegens zijn zus een koopoptie c.q. recht van eerste koop betreffende perceel [perceelnummer 6] heeft.

4.25.

Tegen deze achtergrond kan [gedaagde] vooralsnog, hoewel vast staat dat hij perceel [perceelnummer 6] aan [de besloten vennootschap] heeft verkocht, niet worden verplicht om over te gaan tot het effectueren van de gestelde koopoptie c.q. recht van eerste koop tegenover zijn zus. De daarop betrekking hebbende vorderingen van [de besloten vennootschap] zullen derhalve worden afgewezen.

De opheffing van de ten laste van [gedaagde] gelegde leverings- en verhaalsbeslagen

4.26.

[gedaagde] legt aan zijn vordering in reconventie tot opheffing van deze beslagen allereerst ten grondslag dat de koopovereenkomst reeds in 2016 teniet is gegaan, zodat de in verband daarmee gelegde leverings- en verhaalsbeslagen onrechtmatig zijn. [gedaagde] heeft thans ook groot belang bij opheffing van de leveringsbeslagen, omdat hij de eigendomspercelen aan zijn buurman, [buurman gedaagde] , heeft verkocht en de beslagen hem belemmeren om de percelen aan de buurman te leveren. Ten aanzien van het verhaalsbeslag geldt bovendien dat dit beslag is gegrond op een (vermeende) vordering die zou zijn ontstaan uit hoofde van de gedeeltelijke ontbinding van de koopovereenkomst. Het hof heeft echter geoordeeld dat [de besloten vennootschap] ten onrechte deze ontbinding heeft ingeroepen, zodat de betreffende vordering ongegrond is. De andere vordering die aan het conservatoire verhaalsbeslag ten grondslag is gelegd, betrof de proceskostenveroordeling die in eerste aanleg was uitgesproken (en uitvoerbaar bij voorraad was verklaard). Van deze vordering kon echter enkel executoriaal beslag worden gelegd en geen conservatoir beslag. De proceskostenveroordeling is inmiddels ook voldaan. Daarmee is de betreffende vordering van [de besloten vennootschap] teniet gegaan, aldus [gedaagde] .

4.27.

[de besloten vennootschap] voert verweer tegen de gevorderde opheffing van voornoemde beslagen. Zij voert daartoe aan, onder verwijzing naar haar standpunt in conventie, dat [gedaagde] thans onverkort gehouden is tot levering van de betreffende percelen en erfpachtrechten aan [de besloten vennootschap] . Indien de beslagen zouden worden opgeheven voorafgaand aan deze levering, kan [gedaagde] de eigendomspercelen alsnog aan buurman [buurman gedaagde] leveren. Daarmee is het belang van [de besloten vennootschap] bij handhaving van de beslagen evident. [gedaagde] heeft zichzelf in de nesten gewerkt door de eigendomspercelen twee keer te verkopen. Die omstandigheid komt voor zijn eigen risico. [de besloten vennootschap] wijst er ook op dat de aard van een vordering tot opheffing van beslagen meebrengt dat er altijd een belangenafweging moet plaatsvinden. Wat betreft het verhaalsbeslag stelt [de besloten vennootschap] zich op het standpunt dat [gedaagde] nog niet duidelijk heeft gemaakt dat hij bereid is om het door hem verkochte perceel [perceelnummer 6] aan [de besloten vennootschap] te leveren. Mocht dat niet het geval zijn, dan lijdt [de besloten vennootschap] schade, die zij op [gedaagde] wil verhalen.

4.28.

Op grond van artikel 705 lid 1 en 2 Rv kan de voorzieningenrechter gelegde beslagen opheffen, onder meer bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt of, indien het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld. Het is aan de beslagene om zulks voldoende aannemelijk te maken.

4.29.

[gedaagde] vordert dat de voorzieningenrechter [de besloten vennootschap] veroordeelt om de door laatstgenoemde gelegde beslagen op te heffen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter verdient het evenwel de voorkeur dat de rechter zelf beslagen opheft, om eventuele problemen bij de uitvoering van een daartoe strekkende veroordeling te voorkomen. De voorzieningenrechter zal de vordering van [gedaagde] dienovereenkomstig opvatten.

4.30.

[gedaagde] heeft als enige opheffingsgrond aangevoerd dat sprake is van ondeugdelijke vorderingen van [de besloten vennootschap] waarvoor de onderhavige beslagen zijn gelegd. De voorzieningenrechter zal zich hierna dan ook tot de beoordeling van deze opheffingsgrond beperken.

Ondeugdelijkheid beslag

4.31.

Het ligt op de weg van degene die opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de kortgedingprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. Er zal evenwel moeten worden beslist aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet plaatsvinden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van zijn vordering in de bodemprocedure zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.3

4.32.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet de vordering van [de besloten vennootschap] op [gedaagde] tot levering van de percelen en de erfpachtrechten voorshands als deugdelijk worden beschouwd. Zoals hiervoor is overwogen: er is sprake van een rechtsgeldige koopovereenkomst ter zake en de vordering tot levering is inmiddels opeisbaar. Er is op dit moment derhalve sprake van een "harde leveringsvordering" van [de besloten vennootschap] , die rechtvaardigt dat de leveringsbeslagen worden gehandhaafd. Een afweging van de wederzijdse belangen leidt niet tot een andere uitkomst, te meer nu voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] kennelijk van plan is om de eerst aan [de besloten vennootschap] verkochte eigendomspercelen aan zijn buurman, [buurman gedaagde] , aan wie deze eigendomspercelen later óók zijn verkocht, te leveren.

4.33.

Vast staat dat het verhaalsbeslag op de percelen T [perceelnummer 1] en [perceelnummer 7] in februari 2018 is gelegd in verband met een schadevordering van [de besloten vennootschap] voor het geval de verkoop van perceel [perceelnummer 6] door [gedaagde] aan [de besloten vennootschap] niet geëffectueerd kan worden en in verband met de destijds nog niet betaalde proceskostenveroordeling in eerste aanleg.

4.34.

De voorzieningenrechter overweegt dat in eerste aanleg door de rechtbank, is geoordeeld dat ook perceel [perceelnummer 6] deel uitmaakt van de koopovereenkomst van partijen, alsmede dat [gedaagde] beschikkingsonbevoegd was ten aanzien van dit perceel. Dit oordeel is (ook) door het hof bekrachtigd. Op grond van deze koopovereenkomst is [gedaagde] derhalve ook gehouden om perceel [perceelnummer 6] aan [de besloten vennootschap] te leveren. Indien hij daartoe niet in staat is, is hij naar voorlopig oordeel, zoals [de besloten vennootschap] terecht aanvoert, schadeplichtig jegens [de besloten vennootschap] . Dit rechtvaardigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter reeds voldoende de handhaving van de gelegde verhaalsbeslagen. Een afweging van de wederzijdse belangen van partijen maakt dit niet anders.

4.35.

Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter de in reconventie gevorderde opheffing van de leverings- en verhaalsbeslagen afwijzen.

Proceskosten en nakosten

4.36.

[gedaagde] zal als de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld, aan de zijde van [de besloten vennootschap] vastgesteld als volgt:

- dagvaardingskosten € 102,96

- vastrecht € 667,00

- salaris advocaat € 980,00

-------------

€ 1.749,96

4.37.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld, aan de zijde van [de besloten vennootschap] vastgesteld als volgt:

- salaris advocaat € 490,00 (0,5 x € 980,00)

4.38.

De door [de besloten vennootschap] gevorderde nakosten zijn toewijsbaar als hierna bij de beslissing te melden, evenals de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

in conventie

ten aanzien van de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] en de erfpachtrechten op percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] :

1. veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen nadat [de besloten vennootschap] van ASR het bloot eigendom van de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] heeft verkregen zijn medewerking te verlenen om de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] en de erfpachtrechten op de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] , conform de als productie 9 overgelegde koopovereenkomst, aan [de besloten vennootschap] over te dragen, met dien verstande dat [gedaagde] de 0,5 hectare grond bij zijn woning - in afwijking van de koopovereenkomst - behoudt ten titel van erfpacht;

2. veroordeelt [gedaagde] in dit verband om alles te doen dat noodzakelijk is om tot uitvoering van de koopovereenkomst te komen, waaronder - maar niet uitsluitend - het meewerken aan het opstellen van een notariële akte van levering;

3. bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom van € 2.500,00 zal verbeuren voor iedere dag dat hij in gebreke blijft om zijn medewerking als hiervoor bedoeld te verlenen;

4. verbindt aan de aldus te verbeuren dwangsommen een maximum van € 50.000,00;

5. wijst af het meer of anders gevorderde;

ten aanzien van perceel [perceelnummer 6] :

6. wijst af het gevorderde;

voor het overige:

7. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [de besloten vennootschap] vastgesteld op

€ 1.749,96;

in reconventie

8. wijst de vorderingen van [gedaagde] af;

9. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [de besloten vennootschap] vastgesteld op

€ 490,00;

zowel in conventie als in reconventie

10. veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van € 157,00 zonder betekening van dit vonnis, te vermeerderen met € 82,00 in geval van betekening;

11. gelast [gedaagde] om de proceskosten en de nakosten binnen veertien dagen na heden te voldoen en bepaalt - voor het geval de voldoening (geheel of gedeeltelijk) uitblijft - dat [gedaagde] daarover de wettelijke rente moet betalen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele voldoening.

12. verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de beslissingen hiervoor genoemd onder 1, 2, 3, 4, 7, 9, 10 en 11.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2021 in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Postma.

MP (614)

1 vgl. Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:806.

2 vgl. Hoge Raad 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228.

3 HR 14 juni 1996, NJ 1997, 481.