Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1304

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
18/244776-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door zijn 8-jarige stiefzoon opzettelijk met zijn voet in het water te hebben geduwd of getrapt. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat zij zich onvoldoende voorgelicht acht om een goede beslissing ten aanzien van de straf en/of maatregel te kunnen nemen. De rechtbank zal derhalve het onderzoek ter terechtzitting heropenen, teneinde de reclassering nader onderzoek te laten doen naar de uitvoerbaarheid van een tbs met voorwaarden en, indien mogelijk, een maatregelenrapport op te laten stellen. De rechtbank schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, niet langer dan drie maanden na heden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/244776-20

Tussenvonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd te [instelling].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 maart 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door J.P. Senior.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 28 september 2020 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een kind, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012), dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voormeld opzet dat kind aan de rand van een vlonder, boven een water, heeft (neer)gezet en/of (vervolgens) dat kind met zijn, verdachtes, voet een trap, althans een duw, in de rug heeft gegeven waardoor dat kind, volledig gekleed, in open water terecht is gekomen en/of (vervolgens) niet in staat was daar uit eigen kracht uit te komen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 28 september 2020 te Groningen een kind, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012), dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, heeft mishandeld door dat kind, aan de rand van een vlonder, boven een water (neer) te zetten en/of (vervolgens) dat kind met zijn, verdachtes, voet een trap, althans een duw, in de rug te geven waardoor dat kind, volledig gekleed, in open water terecht is gekomen en/of (vervolgens) niet in staat was daar uit eigen kracht uit te komen, ten gevolge waarvan verdachte een hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam van dat kind teweeg heeft gebracht.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde, poging tot zware mishandeling, kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat de handelingen van verdachte nimmer hadden kunnen leiden tot zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), zodat er geen sprake is geweest van een begin van uitvoering van zware mishandeling.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 30 maart 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb [slachtoffer] het water ingeduwd. [slachtoffer] is niet mijn biologische kind maar ik ben wel in het gezin aanwezig. [slachtoffer] ziet mij als vader.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 september 2020, opgenomen op pagina 60 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020268491 d.d. 13 oktober 2020, inhoudend als verklaring van [getuige 1]:

Ik was op 28 september 2020 in Hoogkerk (de rechtbank begrijpt: Groningen). Er lag een kind in het water. Ik zag een man op de vlonder staan. Ik vroeg aan de man waarom hij het kind er niet uithaalde. Ik ben samen met een andere man naar het jongetje toegelopen die in het water lag. Ik zag dat het jongetje de vlonder vasthield. Ik zag dat het jongetje helemaal nat was. Ik heb het jongetje met kracht uit het water moeten tillen samen met de andere man. Ik zag dat het jongetje een winterjas aanhad met capuchon en dat deze helemaal vol was met water. Ik zag verder dat hij een joggingsbroek aanhad met schoenen eronder. Dat jongetje had zich er onmogelijk zelf uit kunnen trekken. Het jongetje had gestrekte armen vanuit het water naar de vlonder.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 28 september 2020, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2]:

Ik zag aan de overkant van het Hoendiep (de rechtbank leest: in Groningen) een jongetje in het water. Ik zag dat het jongetje hing aan de steiger en de rest helemaal in het water. Ik zag dat degene die op de kant stond niets deed. Ik ben op mijn hurken gaan zitten en samen met een andere man hebben wij het kind uit het water getrokken. De man deed helemaal niets om het jongetje uit het water te halen. Dat jongetje kon er zelf niet uitkomen. Ik zag geen trapje of iets dergelijks.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2020, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Het volgende heb ik gezien op de filmpjes die verdachte met zijn telefoon heeft gemaakt.

Filmpje 6 (3:05 minuten): verdachte pakt [slachtoffer] op en zet hem op de rand voor het kanaal. Bij 1:51 hoor ik verdachte zeggen: ‘zal ik je het water induwen?’. Hierop hoor ik [slachtoffer] ‘nee’ zeggen. Bij 2:17 zie ik dat [slachtoffer] op de kade zit met zijn voeten richting het water. Vervolgens hoor ik bij 2:38 een plons en een gil, hierna hoor ik [slachtoffer] hard huilen en hoor ik: ‘help’. Ik hoor dat [slachtoffer] blijft schreeuwen: ‘help’. Ik zie dat [slachtoffer] probeert om aan de kant te klimmen. Ik zie dat hij met zijn arm over kade hangt. Ik hoor dat hij blijft schreeuwen: ‘help’.
Filmpje 7 (3:57 minuten): ik zie dat verdachte zijn spullen aan het inpakken is en ondertussen hoor ik [slachtoffer] op de achtergrond schreeuwen: ‘help. Papa help’. Bij 0:19 zie ik dat [slachtoffer] met twee handen de kade vast heeft. Ik hoor vervolgens dat [slachtoffer] acht keer schreeuwt: ‘help, sorry papa’. Bij 1:13 zie ik dat [slachtoffer] met twee handen de kade vast heeft en nog steeds in het water zit. Ik zie dat [slachtoffer] probeert aan de kant te klimmen. Ik hoor dat [slachtoffer] in paniek is en dat hij huilend om hulp blijft roepen. Bij 2:02 hoor ik [slachtoffer] schreeuwen: ‘papa help, help ik hou het niet meer’. Ik hoor dat [slachtoffer] maar blijft gillen en schreeuwen om hulp. Bij 2:20 hoor ik verdachte zeggen: ‘hij kan zwemmen’. Ik hoor een stem zeggen: ‘hij kan zichzelf niet omhoog trekken’. Hierop hoor ik verdachte zeggen: ‘kan ik niks aan doen. Klim eruit’. Hierop hoor ik [slachtoffer] schreeuwen: ‘ik kan het niet’. Bij 2:51 zie ik een manspersoon in beeld komen en zie ik dat hij richting [slachtoffer] loopt en zegt: ‘ik moet hem eruit halen’. Vervolgens zie ik bij 3:04 dat twee mannen [slachtoffer] uit het water halen. In totaal heeft [slachtoffer] 3:29 minuten in het water gelegen. Ik zie dat [slachtoffer] schokt en hapt naar adem.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2020, opgenomen op pagina 46 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 28 september 2020 was ik, verbalisant van het team watercalamiteiten, aan het Hoendiep bij de steiger naast de Hoogkerksterbrug te Hoogkerk. De volgende metingen zijn door mij verricht:

Buitentemperatuur: 13,5 graden;

Watertemperatuur: 18 graden;
Bodemgesteldheid: vlakke en harde bodem;
Waterpeil ter hoogte van steiger: 123 cm;
Afstand tussen wateroppervlak en bovenkant loopvlak steiger: 45 cm;
Afstand tussen loopvlak steiger en bovenkant buis/reling steiger: 35 cm.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 oktober 2020, opgenomen op pagina 3 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 30 september 2020 verklaarde de moeder van [slachtoffer] dat hij een lengte heeft van 1.30 meter.

Op grond van de bewijsmiddelen overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft zijn stiefzoon opzettelijk met zijn voet in het water geduwd of getrapt. [slachtoffer] - een achtjarig jongetje met winterkleding aan - hing al drieënhalve minuut met zijn armen aan de vlonder en met de rest van zijn lichaam in het water dat op dat moment 18 °C was, voordat twee mannen hem eruit hebben getrokken. Hij riep daarvoor vele malen in paniek om hulp en op een gegeven moment ook: ‘papa help, help ik hou het niet meer’. De kans dat [slachtoffer], als de omstanders niet zouden hebben ingegrepen, het niet meer vol zou houden om zich aan de vlonder vast te houden, los zou laten en onder water terecht zou komen is - mede gelet op zijn lengte (1.30 meter) en het waterpeil (1.23 meter), het tijdsverloop, het feit dat hij winterkleding aanhad en in paniek was omdat hij onverhoeds in het water was geduwd - aanmerkelijk.

Vaststaat dat de omstanders [slachtoffer] met zijn tweeën een krachtsinspanning hebben moeten leveren om hem uit het water te krijgen. Beide mannen hebben verklaard dat [slachtoffer] onmogelijk zelf uit het water had kunnen komen. Daarnaast staat vast dat verdachte verderop stond (bij zijn fiets) toen [slachtoffer] aan de vlonder hing en dus niet in staat was om ogenblikkelijk in te grijpen als [slachtoffer] de vlonder los zou laten. In dat geval zou [slachtoffer] dus hoogstwaarschijnlijk - in ieder geval met zijn mond en neus - enige tijd onder het water terecht zijn gekomen en had hij niet zelfstandig uit het water kunnen komen. Het is een feit van algemene bekendheid dat onder deze omstandigheden de kans aanmerkelijk is dat onderkoeling zou optreden en/of zuurstoftekort, hetgeen kan leiden tot (ernstig) hersenletsel, uitval van functies en/of andere vormen van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr.

De gedragingen van verdachte kunnen naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg, namelijk het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen willens en wetens heeft aanvaard. De verdachte heeft daarmee in ieder geval in voorwaardelijke zin opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer.

De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 28 september 2020 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een kind, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2012), dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voormeld opzet dat kind aan de rand van een vlonder, boven een water, heeft (neer)gezet en vervolgens dat kind met zijn, verdachtes, voet een trap, althans een duw, in de rug heeft gegeven waardoor dat kind, volledig gekleed, in open water terecht is gekomen en vervolgens niet in staat was daar uit eigen kracht uit te komen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

primair poging tot zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Heropening onderzoek

Bij de beraadslaging over de (eventueel) aan verdachte op te leggen straf en/of maatregel is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat zij zich onvoldoende voorgelicht acht om een goede beslissing te kunnen nemen.

Uit de omtrent verdachte opgemaakte psychiatrische en psychologische rapportages volgt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De rapporteurs concluderen dat er sprake is van een psychische stoornis in de zin van een ongespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis en van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met psychopathische kenmerken.

De kans op recidive wordt, mede gelet op eerdere incidenten, ingeschat als hoog en geweldescalaties kunnen onder andere gedempt worden door behandeling van de agressie-regulatieproblematiek. Dit kan naar inzicht van de rapporteurs niet in de vorm van een ambulante agressie-regulatietraining. Dat is in het verleden al geprobeerd en mislukt en daarvoor is de problematiek te ernstig en de kans op geweldsescalaties te hoog. Een meer intensief psychotherapeutisch traject is aangewezen. Er wordt geadviseerd om verdachte een langdurige klinische behandeling op te leggen in een forensische setting met een hoge zorgintensiteit en een hoog beveiligingsniveau, gevolgd door een stevig resocialisatietraject met veel begrenzing en controle. Aangezien hulpverlening in het recente verleden onvoldoende van de grond is gekomen en verdachte zelf geen intrinsieke motivatie kent tot het aangaan van een hulpverleningstraject, is een gedwongen kader volgens de deskundigen aan de orde.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bevindingen en conclusies van de deskundigen inzichtelijk en goed gemotiveerd. De rechtbank zal zich daar dan ook mee verenigen.

Ter terechtzitting is door de officier van justitie in het licht van bovengenoemde rapportages oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging gevorderd. De rechtbank constateert dat aan de voorwaarden voor oplegging van de maatregel van tbs wordt voldaan. De bevindingen van de deskundigen maken naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende duidelijk dat behandeling noodzakelijk is om de kans op herhaling te beperken en dat met een lichter juridisch kader dan deze maatregel naar het zich laat aanzien niet kan worden volstaan. Oplegging van dwangverpleging daarbij acht de rechtbank echter een ultimum remedium. De rechtbank wil, gelet op de documentatie en ziekte- en hulpverleningsgeschiedenis van verdachte, onderzoeken of het mogelijk is met de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden te volstaan. Te meer nu verdachte zich ter zitting uitdrukkelijk bereid en overtuigd heeft verklaard actief aan behandeling van zijn psychisch-emotionele problematiek te werken, en in die zin een ommezwaai in zijn gedrag te bewerkstelligen.

De rechtbank acht het, om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, daarvoor noodzakelijk dat door de reclassering nader onderzoek wordt gedaan in de zin van een maatregelenrapport in het licht van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Om een zo duidelijk mogelijk advies te verkrijgen heeft de rechtbank er voor gekozen zich al in dit tussenvonnis uit te spreken over het bewezen te achten feit, zoals hiervoor opgenomen. De reclassering kan dan ook bij het te verrichten onderzoek als uitgangspunt nemen dat dit feit vast staat.


De rechtbank zal derhalve het onderzoek ter terechtzitting heropenen en de stukken in handen stellen van de officier van justitie, teneinde de reclassering nader onderzoek te laten verrichten naar de uitvoerbaarheid van een tbs met voorwaarden en, indien mogelijk, een maatregelenrapport op te stellen. De rechtbank zal daartoe het onderzoek schorsen tot een in overleg met de officier van justitie en raadsvrouw nader te bepalen datum en tijdstip, niet langer dan drie maanden na heden. De klemmende reden voor de duur van deze schorsing is dat het bovenbedoelde onderzoek naar verwachting niet op zeer korte termijn zal zijn afgerond.

Met betrekking tot de voorlopige hechtenis van verdachte overweegt de rechtbank, mede naar aanleiding van hetgeen de raadsvrouw ter terechtzitting heeft bepleit, nog het volgende. Gelet op de bewezenverklaring, die behelst dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig geweldsmisdrijf, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Voorts oordeelt de rechtbank dat in afwachting van het maatregelenrapport niet kan worden overgegaan tot een schorsing van de voorlopige hechtenis. De belangen van strafvordering, in het bijzonder het voorkomen van herhaling, hebben in deze situatie voorrang boven de persoonlijke belangen van verdachte. Dat betekent dat de rechtbank de voorlopige hechtenis zal laten voortduren.

Uitspraak

De rechtbank:

- heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd, niet langer dan drie maanden;

- stelt de stukken in handen van de officier van justitie, teneinde de reclassering nader onderzoek te laten verrichten naar de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een eventueel op te leggen maatregel tot terbeschikkingstelling met voorwaarden en, indien mogelijk, een maatregelenrapport op te laten stellen;

- beveelt de oproeping van verdachte, de raadsvrouw en de benadeelde partij tegen de nader te bepalen terechtzitting.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en
mr. C.J. Hoedt, rechters, bijgestaan door mr. H.A. Vonk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 april 2021.