Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1286

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
C/18/200870 / FA RK 20-2187
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ambtshalve berekening alimentatie ten aanzien van een minderjarige en twee jongmeerderjarigen. Jongmeerderjarigen geen verweer gevoerd, rechter bekijkt ambtshalve.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummer: C/18/200870 / FA RK 20-2187

beschikking van de enkelvoudige kamer van 13 april 2021 in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna ook te noemen de man,

advocaat mr. J. van Dijk, kantoorhoudende te Scheemda,

tegen

1 [de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. K.B. Spoelstra, kantoorhoudende te Groningen,

2 [Jongmeerderjarige 1] ,

wonende te [woonplaats 3]

hierna ook te noemen [Jongmeerderjarige 1] ,

en

3 [Jongmeerderjarige 2] ,

wonende te [woonplaats 4]

hierna ook te noemen [Jongmeerderjarige 2] .

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 het verzoekschrift van de man, binnengekomen bij de rechtbank op 7 september 2020;

 het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, binnengekomen bij de rechtbank op 2 november 2020;

 Aanvullende (financiële) stukken van de vrouw, binnengekomen op 11 januari 2021;

 Aanvullende (financiële) stukken van de man, binnengekomen op 12 januari 2021;

1.2.

De rechtbank heeft de zaak op 22 januari 2021 behandeld. Tijdens deze mondelinge behandeling zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, verschenen en gehoord.

1.3.

Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft de rechter gesproken met [de minderjarige] .

1.4.

De rechtbank heeft de man na de mondelinge behandeling een termijn gegeven om ten aanzien van een transitievergoeding stukken in het geding te brengen en aan de vrouw de gelegenheid gegeven om hierop te reageren.

1.5.

Op 27 januari 2021 heeft de rechtbank een brief met bijlage van de man ontvangen.

1.6.

Op 1 februari 2021 heeft de rechtbank een antwoordakte van de vrouw ontvangen.

1.7.

Op 9 februari 2021 heeft de rechtbank een F9-formulier van de man ontvangen met daarbij gevoegd zijn salarisspecificatie van januari 2021.

1.8.

Tenslotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

2.2.

Partijen zijn gehuwd geweest. Het huwelijk van partijen is op 10 maart 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 1 maart 2005 van deze rechtbank.

2.3.

Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende kinderen geboren:

[Jongmeerderjarige 1], geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2000 te [geboorteplaats] , die meerderjarig is geworden op [datum 1] ;

[Jongmeerderjarige 2], geboren op 20 februari 2002 te [geboorteplaats] , die meerderjarig is geworden op [datum 2] , en

[de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2004 te [geboorteplaats] .

2.4.

[Jongmeerderjarige 1] , [Jongmeerderjarige 2] en [de minderjarige] wonen bij de vrouw. Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.5.

Bij echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 1 maart 2005 is conform het door partijen opgestelde echtscheidingsconvenant bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen aan de vrouw telkens bij vooruitbetaling een bedrag van € 135,-- per kind per maand moet betalen, vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die de man op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van deze minderjarigen kan of zal worden verleend.

2.6.

Bij beschikking van 27 februari 2007 van deze rechtbank is het verzoek van de man, om de bij beschikking van 1 maart 2005 vastgestelde onderhoudsverplichting van € 135,-- per kind per maand te wijzigen naar € 16,-- per kind per maand, afgewezen.

2.7.

Geïndexeerd betaalt de man thans een bijdrage van in totaal € 174,80 per kind.

3 Het verzoek

3.1.

De man verzoekt de rechtbank, om bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, (bedoeld zal zijn) de man op te leggen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dan wel de kosten van studie en levensonderhoud (hierna onderhoudsbijdrage) van de kinderen, [Jongmeerderjarige 1] , [Jongmeerderjarige 2] en [de minderjarige] , met ingang van 3 augustus 2020, althans indiening onderhavig verzoekschrift een bedrag van € 103,-- per maand aan [Jongmeerderjarige 1] te betalen, € 141,-- per maand aan [Jongmeerderjarige 2] en € 141,-- per maand voor [de minderjarige] , bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen en tevens voor recht te verklaren dat de man de onderhoudsbijdrage voor [Jongmeerderjarige 2] en [de minderjarige] over de periode dat [Jongmeerderjarige 2] bij hem woonachtig was niet verschuldigd is en hetgeen reeds - onterecht - door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO) geïncasseerd is, inclusief opslag door de vrouw aan hem dient te worden terugbetaald.

3.2.

De man heeft het volgende, samengevat weergegeven, aan zijn verzoeken ten grondslag gelegd. Volgens de man stond [Jongmeerderjarige 2] in de periode van 24 oktober 2018 tot en met 2 september 2019 op het adres van de man ingeschreven. Partijen hebben daarom voor die periode afgesproken dat de man geen onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] aan de vrouw zou betalen en dat de vrouw geen onderhoudsbijdrage voor [Jongmeerderjarige 2] aan de man zou betalen. De vrouw heeft vervolgens, toen [Jongmeerderjarige 2] weer bij haar ging wonen, de man gevraagd om de volgens haar ontstane achterstand van de onderhoudsbijdragen van [Jongmeerderjarige 2] en [de minderjarige] aan haar te betalen. Zonder enig overleg heeft de vrouw vervolgens het LBIO ingeschakeld waardoor de man niet alleen ten onrechte de onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] en [Jongmeerderjarige 2] heeft moeten betalen, maar ook de door het LBIO gehanteerde opslag. De man vindt dat de vrouw dit terug moet betalen. Daarnaast vindt de man dat de door hem te betalen onderhoudsbijdragen gewijzigd moeten worden, omdat de draagkracht van de vrouw sinds 2005 aanzienlijk is verbeterd. Volgens de man heeft hij een draagkracht van € 460,-- en heeft de vrouw een draagkracht van € 649,--. De man heeft berekend dat hij € 103,-- per maand voor [Jongmeerderjarige 1] , € 141,-- voor [Jongmeerderjarige 2] en € 141,-- voor [de minderjarige] kan betalen.

4 Het verweer

4.1.

De vrouw voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de verzoeken van de man. Bij zelfstandig verzoek, verzoekt de vrouw, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de man aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van € 1.301,39 ter zake door de man ontvangen kinderbijslag over het laatste kwartaal 2019 (€ 316,41) en ter zake de door de vrouw voldane, maar door de man verschuldigde kosten voor de studie van hun zoon [Jongmeerderjarige 2] (€ 984,98).

4.2.

De vrouw heeft het volgende, samengevat weergegeven, aangevoerd. Ten aanzien van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage voor de kinderen vindt de vrouw dat er onvoldoende sprake is van een wijziging van de omstandigheden. De vrouw betwist daarnaast dat haar draagkracht zou zijn verbeterd. Volgens de vrouw was haar bruto-inkomen in 2019 een bedrag van € 37.422,00, maar is de draagkracht van de man voldoende om het inmiddels geïndexeerde bedrag aan onderhoudsbijdragen voor [Jongmeerderjarige 2] en [de minderjarige] te voldoen. Volgens de vrouw is tussen partijen niet in geschil dat [Jongmeerderjarige 2] in de periode van 24 oktober 2018 tot en met 2 september 2019 bij de man heeft gewoond. In die periode is [de minderjarige] bij de vrouw blijven wonen. Gedurende de periode dat [Jongmeerderjarige 2] bij de man woonde, heeft de vrouw geen aanspraak gemaakt op de bijdrage van de man ter zake [de minderjarige] . Er waren volgens de vrouw geen afspraken om de bijdragen te verrekenen. De man is volgens de vrouw gewoon gestopt met betalen. Per 2 september 2019 woont [Jongmeerderjarige 2] weer bij de vrouw, vanaf dat moment heeft de vrouw weer aanspraak gemaakt op de alimentatie ter zake [Jongmeerderjarige 2] en [de minderjarige] . De man weigerde de alimentatie ter zake [Jongmeerderjarige 2] en [de minderjarige] te betalen waarna de vrouw zich genoodzaakt voelde het LBIO in te schakelen.

5 De beoordeling

5.1.

De rechtbank zal moeten beoordelen of op grond van een wijziging van omstandigheden de onderhoudsbijdragen die bij beschikking van 1 maart 2005 zijn vastgesteld opnieuw moeten worden beoordeeld en, als dat het geval is, welke onderhoudsbijdragen de man dan moet betalen.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Uit rechtspraak over de toepassing van dit artikel van de Hoge Raad volgt dat voor wijziging vereist is een relevante wijziging van de omstandigheden ten opzichte van de omstandigheden, zoals die door de rechter ten tijde van diens beslissing zijn vastgesteld of door partijen zijn overeen gekomen. Van een dergelijke relevante wijziging is sprake als die leidt tot een verandering in de behoefte aan de zijde van de alimentatiegerechtigde, dan wel tot een verandering in de draagkracht van de alimentatieplichtige. In essentie gaat het hierbij om een verstoring van de balans tussen behoefte en draagkracht. Is zo’n relevante wijziging opgetreden, dan dient de alimentatierechter de alimentatie opnieuw en volledig te beoordelen (vergelijk o.a. HR 24 september 2010, LJN BM7672).

5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de man terecht dat de omstandigheden sinds het convenant en de beschikking van 1 maart 2005 zijn gewijzigd. Immers, aan de beschikking van 1 maart 2005 is een echtscheidingsconvenant gehecht waaruit blijkt dat de vrouw in 2005 een netto maandinkomen had van € 980,-- . De vrouw heeft niet betwist dat haar bruto jaarinkomen in het jaar 2019 € 37.422,-- bedroeg. Het inkomen van de vrouw is daarmee aanzienlijk gestegen. De man heeft daarentegen geen werk meer en ontvangt sinds januari 2021 een WW-uitkering. De rechtbank zal daarom overgaan tot een herbeoordeling van de onderhoudsbijdragen.

5.4.

De rechtbank zal de alimentatieverplichting beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn neergelegd in het Rapport Alimentatienormen (hierna: Alimentatienormen) zoals dit wordt gepubliceerd op www.rechtspraak.nl (het zgn. Trema-rapport). De rechtbank volgt deze aanbevelingen en zal steeds motiveren wanneer zij van die aanbevelingen afwijkt.

5.5.

De rechtbank stelt eerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de onderhoudsverplichtingen van de man aan de vrouw ter zake [Jongmeerderjarige 1] per [datum 1] en ter zake [Jongmeerderjarige 2] per [datum 2] zijn geëindigd vanwege hun meerderjarigheid op deze data en mogelijk zijn geconverteerd in een verlengde onderhoudsbijdrage aan [Jongmeerderjarige 1] en [Jongmeerderjarige 2] rechtstreeks. Vanaf 20 februari 2020 was de man slechts nog aan de vrouw verschuldigd de maandelijkse onderhoudsbijdrage ter zake [de minderjarige] .

De bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [Jongmeerderjarige 1] en [Jongmeerderjarige 2] en de bijdrage in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige]

5.6.

De rechtbank stelt vast dat [Jongmeerderjarige 1] en [Jongmeerderjarige 2] geen verweer hebben gevoerd tegen de door de man verzochte wijziging, zodat het verzoek strekkende tot wijziging van de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie als op de wet gegrond en niet weersproken in beginsel voor toewijzing gereed ligt. De rechtbank ziet echter aanleiding om de bijdragen ten aanzien van [Jongmeerderjarige 1] en [Jongmeerderjarige 2] ambtshalve ook te berekenen, omdat de man gedurende de procedure werkloos is geraakt en onverkorte toewijzing tot een mogelijk onredelijke uitkomst voor de man zou leiden, die hem meteen tot een nieuwe procedure noopt.

De ingangsdatum

5.7.

De rechtbank zal de ingangsdatum bepalen op 3 augustus 2020, de datum van indiening van het verzoekschrift, zoals de man verzoekt en waartegen de vrouw geen verweer heeft gevoerd.

De behoefte

5.8.

De rechtbank stelt vast dat partijen het eens zijn over de behoefte van [Jongmeerderjarige 1] , [Jongmeerderjarige 2] en [de minderjarige] . De rechtbank zal de behoefte daarom vaststellen op € 383,-- per kind per maand.

De draagkracht

5.9.

Aangezien de rechtbank de ingangsdatum zal bepalen op datum indiening verzoekschrift, te weten 3 augustus 2020, is het volgende van belang. In de Alimentatienormen is de navolgende formule opgenomen voor berekening van de draagkracht: 70% x [NBI - (30% x NBI + 950)] in 2020 en 70% x [NBI - (30% x NBI + 1000)] in 2021. Toepassing van deze formule betekent dat de onderhoudsplichtige 30% van zijn NBI (Netto Besteedbare Inkomen) kan besteden aan woonlasten, zoals hypotheek- of huurlasten en overige lasten van een woning. Daarnaast wordt een bedrag van € 950,-- dan wel € 1000,- maandelijks geacht noodzakelijk te zijn voor de primaire kosten van levensonderhoud, waaronder de premie zorgverzekering. Van hetgeen vervolgens resteert blijft 30% voor de onderhoudsplichtige beschikbaar als zogenoemde "vrije ruimte" en wordt 70% geacht beschikbaar te zijn als draagkracht voor de onderhoudsverplichting. Het gaat derhalve om een gestandaardiseerde berekening met forfaitaire bedragen. Voor inkomens beneden een NBI van € 1.500,-- zijn vaste bedragen per categorie van toepasing.

De draagkracht van de man

5.10.

De rechtbank constateert dat de financiële situatie van de man sinds de beschikking van 1 maart 2005 is veranderd. De rechtbank stelt vast dat de man sinds 4 januari 2021 een WW-uitkering ontvangt. De rechtbank zal gelet op de door partijen gewilde ingangsdatum bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met de volgende twee verschillende perioden.

Periode I - 3 augustus 2020 tot 4 april 2021

5.10.1.

De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op basis van zijn cumulatieve bruto inkomen zoals blijkt uit de overlegde loonstrook van december 2020. Het cumulatieve bruto jaarinkomen van de man zou dan (afgerond)

€ 40.899,-- zijn. De man heeft op dit punt gesteld dat hierin ook een nabetaling van het FNV van € 4.404,-- en een uitbetaling van de vakantiedagen van € 2.672,-- zijn opgenomen. De man vindt dat het niet redelijk is om dit volledige bedrag bij zijn cumulatieve bruto jaarinkomen van 2020 op te tellen, nu deze bedragen een uitbetaling zijn van de afgelopen vier jaar. De vrouw heeft dit niet betwist. De rechtbank zal daarom een vierde deel van het totaalbedrag van € 4.404,-- + € 2.672,-- = € 7.076,-- / 4 = € 1.769,-- meenemen. Dat betekent dat de rechtbank aan de zijde van de man uitgaat van een cumulatief bruto jaarinkomen 2020 van € 35.592,--. De rechtbank houdt verder rekening met de inkomensheffing, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting en berekent het NBI van de man afgerond op € 2.329,-- per maand (berekening 1).

5.10.2.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat de man sinds 4 januari 2021 een

WW-uitkering ontvangt. Volgens een door de man overgelegde brief van het UWV ontvangt de man de eerste twee maanden, dus tot 4 maart 2021, een uitkering van 75% van het maandloon en daarna een uitkering van 70% van het maandloon. Uit de door de man overgelegde brief van het UWV blijkt dat het UWV het maandloon van de man heeft vastgesteld op € 2.857,95 bruto per maand. Ook blijkt uit diezelfde brief dat dit maandloon inclusief 8% vakantiegeld is. Het voorgaande betekent dat de man in januari en februari 2021 een inkomen had van 75% van het bruto maandloon, te weten (afgerond) € 2.143,-- bruto, inclusief vakantiegeld. De rechtbank heeft het NBI van de man in de maanden januari en februari 2021 daarmee berekend op € 1.561,--,-- (zie berekening 2). Vanaf 4 maart 2021 ontvangt de man een uitkering van 70% van het maandloon, te weten € 2.857,95 x 70% = (afgerond) € 2.000,-- bruto inclusief vakantiegeld. De rechtbank heeft daarmee het NBI van de man berekend vanaf maart 2021 op € 1.480,--. (zie berekening 3).

5.10.3.

De man heeft in verband met het einde van zijn dienstverband een transitievergoeding ontvangen. De vrouw vindt dat de man deze transitievergoeding moet gebruiken om zijn WW-uitkering aan te vullen. De man heeft dit niet betwist. De man heeft een transitievergoeding ontvangen van € 4.227,53 bruto. Blijkens de in het geding gebrachte salarisspecificatie bedraagt het netto equivalent hiervan € 2.659,12. De rechtbank heeft een vergelijking gemaakt tussen het NBI van de man in 2020 en het NBI van de man in januari en februari 2021. Het NBI 2020 min het NBI van de man in januari en februari 2021 = € 2.329,-- - € 1.561,-- = € 768,--. Door de transitievergoeding te delen door het verschil tussen beide NBI's komt de rechtbank tot de conclusie dat de man zijn WW-uitkering in de maanden januari en februari 2021 kan aanvullen tot zijn 'oude' NBI in 2020 (2.659 : 768 = (afgerond) 3). De rechtbank heeft daarnaast een vergelijking gemaakt tussen het NBI van de man in 2020 en het NBI van de man vanaf maart 2021. Het NBI 2020 min het NBI van de man vanaf maart 2021 = € 2.329,-- - € 1.480,-- = € 849,--. De rechtbank stelt vast dat de man, nadat hij een deel van zijn transitievergoeding in de maanden januari en februari 2020 heeft gebruikt, nog € 2.659,-- - € 1536,-- = € 1.123,-- over heeft van zijn transitievergoeding. Dat betekent dat de man ook in maart 2021 zijn WW-uitkering nog kan aanvullen tot zijn 'oude' NBI in 2020. Het voorgaande betekent dat de rechtbank van 3 augustus 2020 tot (gemakshalve) 4 april 2021 uitgaat van een NBI van de man van € 2.329,--.

Periode II - Vanaf 4 april 2021

5.10.4.

De rechtbank stelt vast dat de man vanaf maart 2021 een bruto WW-uitkering van 70% van het maandloon zal ontvangen. De rechtbank stelt vast dat, gelet op hetgeen in r.o. 5.10.3. is overwogen, de man zijn WW-uitkering vanaf april 2021 niet meer (volledig) kan aanvullen met zijn transitievergoeding. Het voorgaande betekent dat de rechtbank vanaf (gemakshalve) 4 april 2021 zal uitgaan van een NBI van de man van € 1.480,--, zoals door de rechtbank is berekend in r.o. 5.10.2.

5.10.5.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank, onder verwijzing naar de bijgevoegde berekening(en), de draagkracht van de man als volgt becijfert.

 Periode I - 3 augustus 2020 tot 4 april 2021

Het NBI is € 2.329,-- zijn draagkracht bedraagt dan op basis van de draagkrachtformule 70% van [2.329,-- - (0,3 x 2.329 + 975)] = afgerond € 458,-- per maand, zijnde (afgerond) 152,-- per kind.

 Periode II: - vanaf 4 april 2021

Het NBI is € 1.480,-- zijn draagkracht bedraagt dan op basis van de draagkrachttabel € 65,-- voor de kinderen tezamen, zijnde (afgerond) € 21,-- per kind

De draagkracht van de vrouw

5.11.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw in 2020 een bruto jaarinkomen had van € 40.562,--. Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw neemt de rechtbank verder de gegevens van de salarisstrook van december 2020 als uitgangspunt.

De rechtbank heeft met deze gegevens een draagkrachtberekening gemaakt, die aan deze beschikking zal worden gehecht. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de premie OP en premie AP, maar niet met de door de vrouw opgevoerde 'ziekte kosten en overige lasten' Dit zijn kosten die al zijn meegenomen in de gestandaardiseerde, forfaitaire bedragen (zie r.o. 5.9. Uit deze berekening blijkt dat het huidige NBI van de vrouw € 2.744,-- per maand bedraagt (zie berekening 4.). Onder toepassing van de in de Alimentatienormen weergegeven forfaitaire draagkrachtformule wordt de draagkracht van de vrouw gesteld op € 645,-- per maand, zijnde € 215,-- per kind per maand.

De totale draagkracht

5.12.

Van 3 augustus 2020 tot 4 april 2021 bedraagt de totale draagkracht van partijen voor [Jongmeerderjarige 1] , [Jongmeerderjarige 2] en [de minderjarige] (€ 458,-- + € 645,--) € 1.103,--. Vanaf 4 april 2021 bedraagt de totale draagkracht van partijen (€ 65,-- + € 645,--) € 710,--. Nu partijen in beide periodes hiermee niet volledig in de behoefte van in totaal € 1.149,-- kunnen voorzien, dient ieder tot maximaal zijn draagkracht in die behoefte bij te dragen. Een draagkrachtvergelijking kan daarom achterwege blijven.

De zorgkorting

5.13.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de man geen omgang heeft met [Jongmeerderjarige 2] en [de minderjarige] en dat [Jongmeerderjarige 1] incidenteel bij de man op bezoek komt. De rechtbank stelt echter ook vast dat is gebleken dat zowel de man als [de minderjarige] open staan voor contact. Het is de rechter gebleken dat [de minderjarige] het jammer vindt dat zij haar vader weinig ziet. De rechtbank ziet daarin aanleiding om in ieder geval rekening te houden met een zorgkorting van 5%.

5.14.

De zorgkorting wordt in beginsel in mindering gebracht op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen. Op deze regel wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van de onderhoudsplichtigen tezamen onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. In dat geval wordt het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van het tekort in mindering komt op zijn zorgkorting. Aangezien de behoefte van [de minderjarige] € 383,-- per maand bedraagt, bedraagt de zorgkorting een bedrag van (afgerond) = € 19,--. De man kan de volgende bedragen aan zorgkorting verzilveren:

 In periode I: Het tekort aan draagkracht bedraagt € 1.149,-- - € 1.103,-- = € 46,--. De

helft van het tekort is dus € 23,-- en de zorgkorting bedraagt € 19,--, zodat de man de

korting niet kan verzilveren.

 In periode II: Het tekort aan draagkracht bedraagt € 1.149,-- - € 710,-- = € 439,--. De

helft van het tekort is (afgerond) € 219,-- en de zorgkorting bedraagt € 19,--, zodat de

man de korting niet kan verzilveren.

De slotsom ten aanzien van de kinderalimentatie

5.15.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man in periode I. genoeg draagkracht heeft om de door hem verzochte bedragen voor [Jongmeerderjarige 1] (€ 103,--) en [Jongmeerderjarige 2] ( € 141,--) te voldoen. Voor [de minderjarige] heeft hij dan nog voldoende draagkracht om het thans betaalde geïndexeerde bedrag (ad € 174,80) te blijven betalen. Zijn verzoek om de alimentatie voor [de minderjarige] te verlagen naar € 141,-- per maand zal dan ook, conform het verzoek van de vrouw, worden afgewezen. In periode II. heeft de man nog slechts een draagkracht van € 65,-- totaal per maand, dat is (afgerond) € 21,-- per kind per maand. Toewijzing van de door hem gevraagde bedragen voor [Jongmeerderjarige 2] en [Jongmeerderjarige 1] enkel omdat deze meerderjarige kinderen geen verweer hebben gevoerd komt de rechtbank onrechtmatig en niet redelijk voor. Dit zou immers tot een uitkomst leiden die zijn draagkracht ver overschrijdt. De rechtbank zal voor deze periode dan ook bepalen dat de man € 21,-- per kind per maand dient te betalen.

Verrekening van kosten over en weer

5.16.

Partijen hebben over en weer verzocht om gemaakte kosten te verrekenen. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn het er tijdens de mondelinge behandeling over eens geworden dat de man in de periode van april 2019 tot september 2019 te veel heeft betaald aan onderhoudsbijdragen aan de vrouw. Partijen zijn het er over eens geworden dat de vrouw een bedrag van 5 x 2 x €174,80 = € 1748,-- plus de opslagkosten die het LBIO bij de man in rekening heeft gebracht aan de man terug moet betalen. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de opslagkosten. De rechtbank stelt vast dat de opslagkosten 15% bedragen over een achterstand van minimaal € 19,-- (www.lbio.nl/hoeveel-bedragen-de-opslagkosten). Het voorgaande betekent dat de vrouw in totaal een bedrag van € 2.010,-- moet betalen aan de man.

5.17.

Partijen zijn het er tijdens de mondelinge behandeling voorts over eens geworden dat de man de door hem ontvangen kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2019 ter zake [Jongmeerderjarige 2] aan de vrouw moet terugbetalen. Het voorgaande betekent dat de man nog een bedrag van € 316,41 aan de vrouw moet betalen.

De kosten van de opleiding van [Jongmeerderjarige 2]

5.18.

De vrouw vindt dat de man de door haar betaalde kosten (€ 984,91)van de opleiding van [Jongmeerderjarige 2] moet vergoeden, omdat deze kosten zijn ontstaan in de periode dat [Jongmeerderjarige 2] bij de man woonde. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de vrouw een Nationaal Spaarfonds hebben afgesloten bij OHRA ten behoeve van de studiekosten van [Jongmeerderjarige 2] . In het echtscheidingsconvenant, aangehecht aan de beschikking van 1 maart 2005, hebben partijen afgesproken dat deze spaarpolis aan de vrouw wordt toegedeeld. Uit de overgelegde stukken en tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat het gaat om een OHRA Polis van € 12.737,-- die vrijkomt op 20 februari 2021. De rechtbank volgt de stelling van de vrouw, dat de man dit aan haar moet vergoeden dan ook niet, nu het geld wat partijen daar samen voor hebben gespaard beschikbaar is voor de vrouw. Overigens: al zou de vrouw dit bedrag niet ter beschikking staan dan betekent dit niet dat de man automatisch voor deze kosten zou moeten opdraaien. Het betreft een opleiding van vier jaren die is gestart toen [Jongmeerderjarige 2] al weer bij de vrouw woonde. Het enkele feit dat [Jongmeerderjarige 2] zich voor deze opleiding heeft ingeschreven in de periode dat hij bij de man verbleef betekent nog niet dat de man deze studiekosten voor de komende vier jaren zou moeten dragen. De man betaalt/betaalde bovendien kinderalimentatie.

Slotsom ten aanzien van de gemaakte kosten over en weer

5.19.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de vrouw een bedrag van

€ 2.010,-- min € 316,41 = € 1.693,59 aan de man dient te betalen.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van 1 maart 2005 en het daaraan gehechte echtscheidingsconvenant en bepaalt dat de man:

met ingang van 3 augustus 2020 tot 4 april 2021

 een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud aan [Jongmeerderjarige 1] dient te betalen van

€ 103,-- per maand;

 een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud aan [Jongmeerderjarige 2] dient te betalen van € 141,-- per maand;

 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de vrouw dient te betalen van € 174,80 per maand;

met ingang van 4 april 2021

 een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud aan [Jongmeerderjarige 1] dient te betalen van

€ 21,-- per maand;

 een bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud aan [Jongmeerderjarige 2] dient te betalen van € 21,-- per maand;

 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de vrouw dient te betalen van € 21,-- per maand.

bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 1.693,59 aan de man dient te betalen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Groningen door mr. T. ter Brugge, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden.

GH.