Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1271

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
18/125340-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft een 22-jarige man veroordeeld wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte heeft zich als beroepschauffeur zeer onvoorzichtig en onoplettend gedragen en op de Afsluitdijk een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft zijn telefoon gebruikt tijdens het rijden en heeft onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer. Hierdoor heeft hij een (oplossende) file te laat opgemerkt en is hij met een zwaar beladen vrachtwagencombinatie met onverminderde snelheid op een andere auto ingereden. De twee inzittenden van deze auto hebben hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank heeft overwogen dat verdachte als beroepschauffeur een extra zorgplicht heeft ten aanzien van andere medeweggebruikers. Desalniettemin heeft verdachte tijdens het besturen van een vrachtwagen handelingen verricht met zijn mobiele telefoon en heeft hij niet goed opgelet waardoor hij met hoge snelheid op een andere auto is gebotst, met alle gevolgen van dien. Het letsel van de bestuurder van de Alfa Romeo bestond uit gebroken nekwervels, een gebroken elleboog en neus en meerdere gebroken ribben. De bijrijder heeft een klaplong en een gebroken linkerarm bij de botsing opgelopen. Verdachte heeft met zijn onverantwoordelijke gedrag veel schade en leed veroorzaakt bij de slachtoffers. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting in aanmerking genomen.

Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uur. Daarnaast is aan verdachte een rijontzegging opgelegd voor de duur van een jaar. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend, mede gelet op het tijdsverloop in deze zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/125340-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 maart 2021. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.R. Stoeten, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Rademacher.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 april 2019 te of bij Breezanddijk, (althans) in de gemeente Súdwest-Fryslân als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een vrachtauto ( [type] gekentekend [kenteken] en een aanhangwagen/oplegger merk/type [type] gekentekend [kenteken] )), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A7 (de Afsluitdijk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, niet voortdurend de aandacht aan de weg en/of aan het verkeer besteed en/of het door haar bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of niet voortdurend de handeling(en) verricht die van haar, verdachte, als bestuurder van een motorrijtuig werden vereist, immers heeft hij, verdachte, op zijn mobiele telefoon gekeken en/of zijn mobiele telefoon gebruikt, terwijl meerdere voertuigen op de rijbaan vóór hem, langzaam (in een file) reden en/of stil stonden, met het door hem, verdachte bestuurde
motorrijtuig (met een snelheid van (ongeveer) 80 km/uur en/of met onverminderde snelheid), in botsing of aanrijding is gekomen met het, vóór hem, verdachte langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer, in elk geval heeft hij, verdachte, niet (tijdig) opgemerkt dat het verkeer vóór hem langzaam reed en/of stilstond en/of zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of (vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met het, vóór hem, verdachte, langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer, waardoor, althans mede waardoor, een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten wervelkolomfracturen en/of ribfracturen en/of een elleboogfractuur en/of een neusfractuur, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of waardoor, althans mede waardoor, een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk, te weten een klaplong en/of een gebroken arm en/of bloedverlies werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 19 april 2019 te of bij Breezanddijk, (althans) in de gemeente Súdwest-Fryslân als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een vrachtauto ( [type] gekentekend [kenteken] en een aanhangwagen/oplegger merk/type [type] gekentekend [kenteken] )), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A7 (de Afsluitdijk), niet voortdurend de aandacht aan de weg en/of aan het verkeer besteed en/of het door haar bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of niet voortdurend de handeling(en) verricht die van haar, verdachte, als bestuurder van een motorrijtuig werden vereist, immers heeft hij, verdachte, op zijn mobiele telefoon gekeken en/of zijn mobiele telefoon gebruikt, terwijl meerdere voertuigen op de rijbaan vóór hem, langzaam (in een file) reden en/of stil stonden, met het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (met een snelheid van (ongeveer) 80 km/uur en/of met onverminderde snelheid), in botsing of aanrijding is gekomen met het, vóór hem, verdachte langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer, in elk geval heeft hij, verdachte, niet (tijdig) opgemerkt dat het verkeer vóór hem langzaam reed en/of stilstond en/of zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of (vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met het, vóór hem, verdachte, langzaam rijdende en/of stilstaande verkeer, door welke gedraging(en) van verdachte een aanrijding is ontstaan tussen de door verdachte bestuurde auto en een motorrijtuig (met inzittenden, te weten: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) en/of (aldus) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair tenlastegelegde. Volgens de officier van justitie is er sprake geweest van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag waardoor verdachte schuld heeft aan een ernstig verkeersongeval. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Dat de Alfa Romeo plotseling voor verdachte invoegde en remde, zoals door verdachte wordt beweerd, is onaannemelijk op basis van het rapport van de verkeersongevallenanalyse (hierna: VOA), het onderzoek aan de telefoon van verdachte en de tachograafgegevens, de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], alsmede de verklaring van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft kort voor het ongeluk, 300 meter voor de plaats van het ongeval, zijn telefoon vastgehouden en gebruikt om een foto te maken en deze via WhatsApp te verzenden. Verdachte heeft daardoor niet constant voor zich gekeken en heeft niet tijdig geanticipeerd op het verkeer voor hem, terwijl hij dat wel had moeten doen. Hiermee heeft verdachte een ongeval veroorzaakt met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair aangevoerd dat vrijspraak moet volgen indien de verklaring van verdachte door de rechtbank wordt gevolgd. In dat geval kan verdachte namelijk geen verwijt worden gemaakt, omdat de Alfa Romeo volgens verdachte voor hem is ingevoegd en daarna onmiddellijk remde. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat van roekeloosheid in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet geen sprake is. Vastgesteld kan worden dat verdachte 13 seconden voor het ongeval een foto heeft verzonden met zijn mobiele telefoon. De afstand tot de locatie van de botsing bedroeg op dat moment ruim 300 meter. Dit maakt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het telefoongebruik van verdachte een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de botsing. Er zit immers de nodige tijd tussen het verzenden van de foto en het daadwerkelijke ongeval. De raadsman heeft zich met betrekking tot het bestanddeel ‘aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid’ gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.1

Op 19 april 2019 rijdt verdachte als bestuurder van een vrachtauto op de A7 (Afsluitdijk) in de richting van Kornwerderzand. Verdachte komt uit de richting van Den Oever en heeft zijn vrachtauto eerder die dag geladen in Alkmaar.2 Op dezelfde weg en in dezelfde rijrichting rijden op dat moment [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een personenauto van het merk Alfa Romeo.3 De auto wordt bestuurd door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] zit op de bijrijdersstoel. Vanwege een ongeval dat eerder die dag op de Afsluitdijk heeft plaatsgevonden is er sprake van een zich oplossende file.4 Wanneer [slachtoffer 1] het langzaam rijdende verkeer voor hem nadert, mindert hij snelheid.5 Kort daarna botst verdachte met zijn vrachtauto op de achterkant van de voor hem rijdende Alfa Romeo.6 Bij de aanrijding hebben zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen waaronder meerdere fracturen.78 Uit de telefoongegevens volgt dat verdachte op een afstand van circa ongeveer 312 meter voor de plaats van de aanrijding en 13 seconden voor de botsing, een foto heeft gemaakt met zijn telefoon en deze via WhatsApp naar een contact van hem heeft gestuurd.9 Het voertuig dat op deze foto is te zien komt op grond van kleurstelling, positie van de kentekenplaat en achterlichten en contouren vrijwel geheel overeen met de Alfa Romeo waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] reden.10

Verder is onderzocht met welke snelheid verdachte heeft gereden op het moment van de botsing. Hiervoor is aan de hand van de tachograafdata een berekening gemaakt waaruit volgt dat verdachte op het moment van de botsing minimaal 81 kilometer per uur reed.11 De tachograaf registreerde 13 seconden voor het ongeval, tevens het moment waarop verdachte met zijn telefoon een foto maakte, een snelheid van 85 kilometer per uur.12

Primair.

De rechtbank leidt uit voornoemde bewijsmiddelen af dat verdachte op 19 april 2019 te Breezanddijk als bestuurder van een motorrijtuig, een vrachtauto met oplegger, over de Afsluitdijk reed. Verdachte heeft een file niet tijdig opgemerkt en kon een botsing met de voor hem rijdende Alfa Romeo niet meer voorkomen. De rechtbank overweegt dat de aanloop naar de botsing zoals verdachte deze heeft geschetst niet aannemelijk is. Verdachte stelt dat de Alfa Romeo met wie hij in botsing is gekomen hem kort voor het ongeval inhaalde via de linker rijstrook, daarna enige tijd schuin voor verdachte bleef rijden en vervolgens voor verdachte is ingevoegd op de rechter rijbaan. Volgens verdachte heeft de Alfa Romeo kort na het invoegen plotseling hard geremd en kon verdachte niet op tijd meer reageren met een botsing tot gevolg. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] blijkt echter dat zij niet hebben ingehaald en op de rechter rijbaan reden. Dit wordt bevestigd door de getuigenverklaring van [getuige 2] die weliswaar achter verdachte reed, maar de Alfa Romeo niet heeft zien inhalen.13 Bovendien is op het ingezoomde beeld van de foto die verdachte kort voor het ongeval met zijn mobiele telefoon heeft gemaakt een zwarte auto te zien die overeenkomt met de Alfa Romeo van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Op de foto is zichtbaar dat de auto op de rechter rijbaan rijdt, op geruime afstand van verdachte. Ook anderszins zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat de [slachtoffer 1] voorafgaand aan het ongeval met zijn auto voor de vrachtwagen van verdachte invoegde en plotseling remde. De rechtbank volgt verdachte daarom niet in zijn verklaring en legt deze bij de verdere beoordeling naast zich neer.

De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld of verdachte schuld had aan dit verkeersongeval en zo ja, in welke mate. In het algemeen geldt dat voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) moet worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden met als gevolg dat iemand is overleden dan wel lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het juridische begrip 'schuld' in het kader van artikel 6 WVW houdt in dat voor strafbaarheid tenminste sprake moet zijn van een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Onvoorzichtig of onoplettend handelen is op zichzelf niet voldoende om tot een bewezenverklaring van 'schuld' te kunnen komen.

Bij de beoordeling van schuld in de zin van artikel 6 WVW komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt mee dat in zijn algemeenheid niet gesteld kan worden dat één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van voornoemde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voor schuld is derhalve meer nodig dan het veronachtzamen van de voorzichtigheid en oplettendheid die van een normaal oplettende bestuurder mag worden verwacht. Verder kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag in strijd met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte kort voorafgaand aan het ongeval zijn mobiele telefoon heeft gebruikt. Verdachte heeft 13 seconden voor de aanrijding met zijn telefoon een foto gemaakt van het verkeer en heeft deze via WhatsApp naar een bekende van hem gestuurd. Dit terwijl hij een beladen vrachtwagen bestuurde. De raadsman heeft aangevoerd dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het telefoongebruik van verdachte een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de botsing nu er nog enige tijd zit tussen het verzenden van de foto en het daadwerkelijke ongeval. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er weliswaar een aantal seconden zitten tussen het telefoongebruik van verdachte en de aanrijding, maar dat het telefoongebruik wel degelijk van invloed is geweest op het rijgedrag van verdachte. Verdachte had op het moment waarop hij de foto maakte, op een afstand van 312 meter tot de plaats van de uiteindelijke aanrijding, de veranderende verkeerssituatie op moeten merken en daarop moeten anticiperen. Dit heeft verdachte nagelaten nu hij met onverminderde snelheid is doorgereden. Uit de tachograafgegevens volgt immers dat verdachte op het moment van de aanrijding tenminste 81 kilometer per uur reed, terwijl zijn snelheid op het moment waarop de foto is gemaakt 85 kilometer per uur bedroeg. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte vrijwel geen snelheid heeft geminderd en daarmee niet heeft geanticipeerd op het langzaam rijdende verkeer voor hem dat op dat moment reeds voor hem zichtbaar moet zijn geweest. De rechtbank neemt daarbij de bewuste foto in aanmerking die door verdachte met zijn telefoon is gemaakt. Daarop is het langzamer rijdende verkeer op beide rijbanen voor verdachte al te zien, met op de rechter rijbaan de Alfa Romeo waarop verdachte is ingereden. Niet gebleken is dat verdachte na het nemen van de bewuste foto op enigerlei wijze heeft geanticipeerd op het langzamer rijdende verkeer voor hem. Dit terwijl verdachte vanuit zijn hoge positie in de cabine van de vrachtwagen goed zicht had op de weg en de verkeerssituatie voor hem goed kon overzien. Bovendien was het zicht die dag goed, van bijzondere weersomstandigheden was geen sprake.

De rechtbank is van oordeel dat van verdachte als geschoold beroepschauffeur, rijdend in een beladen vrachtauto, juist extra voorzichtigheid en alertheid in het verkeer mag worden verwacht. Nu verdachte zijn aandacht niet voortdurend bij het verkeer op de weg heeft gehouden en als bestuurder handelingen met zijn telefoon heeft verricht, heeft hij het langzaam rijdende verkeer voor hem niet tijdig opgemerkt met als gevolg dat hij niet meer op tijd kon reageren en met zijn vrachtwagen op de Alfa Romeo voor hem is gebotst. Hiermee heeft verdachte een verkeersongeval veroorzaakt dat aan zijn schuld te wijten is. Ten gevolge van de aanrijding hebben de twee inzittenden van de Alfa Romeo zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het bovenstaande niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte roekeloos heeft gehandeld nu aan roekeloosheid in de jurisprudentie van de Hoge Raad bijzondere eisen zijn gesteld waaraan in dit geval niet wordt voldaan. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte door voornoemd gedrag in het verkeer zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. De rechtbank acht om die reden het primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 19 april 2019 bij Breezanddijk in de gemeente Súdwest-Fryslân als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een vrachtauto [type] gekentekend [kenteken] en een aanhangwagen/oplegger merk/type [type] gekentekend [kenteken] , daarmede rijdende over de Rijksweg A7 (de Afsluitdijk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden, niet voortdurend de aandacht aan de weg en aan het verkeer heeft besteed en het door hem bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en niet voortdurend de handelingen heeft verricht die van hem als bestuurder van een motorrijtuig werden vereist, immers heeft verdachte op zijn mobiele telefoon gekeken en zijn mobiele telefoon gebruikt, terwijl meerdere voertuigen op de rijbaan vóór hem langzaam in een file reden en met het door verdachte bestuurde motorrijtuig met een snelheid van ongeveer 80 km/uur en met onverminderde snelheid in botsing is gekomen met het vóór hem langzaam rijdende verkeer, en vervolgens in botsing is gekomen met het, vóór hem, verdachte, langzaam rijdende verkeer, waardoor [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten wervelkolomfracturen en ribfracturen en een elleboogfractuur en een neusfractuur werd toegebracht en waardoor een ander genaamd [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk, te weten een klaplong en een gebroken arm en bloedverlies werd toegebracht.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair. Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf en een rijontzegging voor een periode gelijk aan de periode waarin het rijbewijs van verdachte is ingevorderd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is gelet op het tijdsverloop in deze zaak en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich als beroepschauffeur zeer onvoorzichtig en onoplettend gedragen en een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft zijn telefoon gebruikt tijdens het rijden en heeft onvoldoende aandacht gehad voor het verkeer. Hierdoor heeft hij een (oplossende) file te laat opgemerkt en is hij met een zwaar beladen vrachtwagencombinatie met onverminderde snelheid op een andere auto ingereden. De twee inzittenden van deze auto hebben hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank overweegt dat verdachte als beroepschauffeur een extra zorgplicht heeft ten aanzien van andere medeweggebruikers. Desalniettemin heeft verdachte tijdens het besturen van een vrachtwagen handelingen verricht met zijn mobiele telefoon en heeft hij niet goed opgelet waardoor hij met hoge snelheid op een andere auto is gebotst, met alle gevolgen van dien. Het letsel van de bestuurder van de Alfa Romeo bestond uit gebroken nekwervels, een gebroken elleboog en neus en meerdere gebroken ribben. De bijrijder heeft een klaplong en een gebroken linkerarm bij de botsing opgelopen. Verdachte heeft met zijn onverantwoordelijke gedrag veel schade en leed veroorzaakt bij de slachtoffers. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Bij het bepalen van de straf hanteert de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Bij overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet waarbij sprake is van zwaar lichamelijk letsel en een ernstige mate van schuld, is een taakstraf voor de duur van 160 uur en een rijontzegging voor de duur van een jaar het uitgangspunt. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om van de oriëntatiepunten af te wijken. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend, mede gelet op het tijdsverloop in deze zaak. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom de zaak pas bijna twee jaar na het ongeval bij de rechtbank ter beoordeling is voorgelegd. Bij de bepaling van de straf is tevens het strafblad van verdachte in aanmerking genomen waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Tegelijkertijd volgt uit het dossier dat verdachte wel vaker zijn telefoon gebruikte, terwijl hij een auto bestuurde. Dit gedrag is volstrekt onacceptabel, omdat, zoals inmiddels wel genoegzaam bekend is, daarmee zeer gevaarlijke situaties ontstaan in het verkeer. Van iedere bestuurder mag worden verwacht dat zij uitsluitend aandacht hebben voor het verkeer en op dat moment niet met andere zaken bezig zijn. Verdachte heeft dit in het verleden kennelijk meerdere keren nagelaten en voor deze zaak geldt dat het telefoongebruik van verdachte een grote rol heeft gespeeld bij de toedracht van het verkeersongeval. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een deels voorwaardelijke rijontzegging op te leggen. Daarvoor is het bewezenverklaarde feit en het gedrag van verdachte te ernstig. Daarnaast zijn de persoonlijke omstandigheden van verdachte onvoldoende aanleiding om van de oriëntatiepunten af te wijken. De rechtbank acht daarom een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van een jaar passend.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 160 uur. Daarnaast zal verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen worden ontzegd voor de duur een jaar met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs van verdachte al ingevorderd is geweest.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 160 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van één jaar.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. M. Postma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 april 2021.

Mr. Van der Veen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL0100-2019098722, doorgenummerd 1 tot en met 160, met sluitingsdatum 10 juli 2019.

2 De door verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting van 19 maart 2021.

3 Verklaring [slachtoffer 2] , p. 150 en verklaring [slachtoffer 1] , p. 152.

4 VOA, p. 54.

5 Verklaring [slachtoffer 2] , p. 150.

6 VOA, p. 54.

7 Geneeskundige verklaring, p. 157.

8 Geneeskundige verklaring, p. 156.

9 VOA, p. 58.

10 VOA, p. 59.

11 VOA, p. 61.

12 VOA, p. 81.

13 Verklaring [getuige 2], p. 107.