Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:126

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
25-01-2021
Zaaknummer
C/17/170785 / HA ZA 20-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

zorgplicht adviseur, hogere maandlasten als berekend, risico gevolgen van niet voorziene fiscale aspecten, grondslag schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/170785 / HA ZA 20-1

Vonnis van 20 januari 2021

in de zaak van

1 [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [B],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. R.I.A. Dijkstra-Paul te Heerenveen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NBG B.V.,

gevestigd te Nuenen,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Wolf te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [A] c.s. en NBG genoemd worden. De eisende partijen zullen met [A] of [B] worden aangeduid als zij individueel worden bedoeld.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 juni 2020

  • -

    de akte tot overlegging nadere producties van de zijde van [A] c.s.

  • -

    de akte wijziging (vermeerdering) van eis

  • -

    de op voorhand ingezonden pleitaantekeningen van mr. Dijkstra-Paul

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 29 oktober 2020

  • -

    de akte wijziging van eis

  • -

    de akte na mondelinge behandeling van [A] c.s.

  • -

    de akte na mondelinge behandeling van NBG

  • -

    de akte uitlating van [A] c.s.

  • -

    de antwoordakte van NBG.

1.2.

Vervolgens is wederom vonnis bepaald.

1.3.

Naar aanleiding van de beslissing tot het toestaan van oproeping in vrijwaring van een derde heeft NBG bij exploot van 11 april 2020 de besloten vennootschap Intersoftware B.V. (hierna: Intersoftware) in vrijwaring gedagvaard. In deze zaak, die bij de rechtbank bekend is onder zaaknummer C/17/172826/HA ZA 20-99, is heden separaat vonnis gewezen.

2 De feiten

2.1.

[A] c.s. was eigenaar van een woning waarop een hypotheek rustte. In 2017 heeft [A] c.s. de mogelijkheden willen verkennen om de maandlasten te verlichten. [A] c.s. is in dit kader in contact gekomen met NBG en heeft op een zeker moment een adviserend gesprek gevoerd met de heer [C] (hierna: [C] ), medewerker van NBG. Naar aanleiding van dit gesprek is door NBG op 23 oktober 2017 een adviesrapport opgesteld. [A] c.s. heeft hiervoor € 295,-- betaald. NBG afficheert zich blijkens haar adviesrapport met: "Wij regelen het. Hypotheken/financieel advies".

2.2.

Dit adviesrapport bevat, voor zover in deze procedure van belang, het navolgende:

"1 UW WENSEN EN DOELSTELLINGEN

U hebt ons benaderd met één of meerdere concrete wensen en doelen waarvoor u ons om advies hebt gevraagd. In dit hoofdstuk vindt u die terug.

1.1.

AANLEIDING

U hebt de volgende aanleiding van het gesprek aangegeven:

▪ Maandlastenverlichting

U hebt de volgende financiële wensen en doelen aangegeven:

1. Nu lekker kunnen leven, geld opzij leggen voor inkomen later is minder belangrijk

2. Een zo laag mogelijke maandlast

3. Stabiele maandlasten gedurende een lange(re) periode

U verwacht het volgende financiële toekomstperspectief:

▪ Inkomen dhr. [A] ontwikkelt zich: Gelijkblijvend

▪ Inkomen mevr. [B] ontwikkelt zich: Gelijkblijvend

▪ Verwacht u een wijziging van werkgever binnen de komende 5 jaar: Nee

▪ Verwacht u een wijziging in de gezinssituatie: Nee

▪ Hoelang verwacht u in de woning te blijven wonen: 7 jaar

▪ Verwacht u de komende jaren een financiële meevaller: Nee.

(…)

3 ONS ADVIES

Op basis van uw wensen, doelen en huidige situatie hebben we ons een oordeel gevormd over de wijzigingen in uw situatie. Op basis van dat oordeel komen we tot ons advies dat u in dit hoofdstuk kunt lezen.

3.1

ADVIESSAMENVATTING

(…)

onderwerpen huidige situatie na advies

(…)

Bruto maandlasten € 952 € 698

Netto maandlasten € 719 € 586

Bruto inkomen € 3.383 € 3.383

Netto besteedbaar inkomen € 1.924 € 2.057

(…)

2.3.

NBG heeft bij de in het adviesrapport gemaakte berekeningen gebruik gemaakt van een softwareprogramma van Intersoftware.

2.4.

De woning van [A] c.s. was bezwaard met een hypothecaire lening bij het Nationaal Restauratiefonds. De lening bestond uit drie delen, twee annuïteiten met rentepercentages van 4,1% en 1,5% en een aflossingsvrij deel met een rentepercentage van 4,1%. Per oktober 2017 beliep de lening € 224.960,-. Het netto besteedbaar maandinkomen was op dat moment € 1.924,-.

2.5.

Naar aanleiding van het advies van NBG is [A] c.s. een hypothecaire lening aangegaan bij Obivion voor een totaalbedrag van € 240.000,-, bestaande uit twee annuïteiten van 1,94% en een aflossingsvrij deel met een rentepercentage van 2,14%. Deze herfinanciering is eind november 2017 afgerond en is per 1 januari 2018 ingegaan.

2.6.

[A] c.s. heeft de woning per 1 maart 2019 verkocht en is per die datum verhuisd naar een huurwoning.

2.7.

NBG hanteert algemene voorwaarden. Artikel 8.5 van de algemene voorwaarden luidt:

"NBG is nimmer aansprakelijk voor welke schade dan ook die voortvloeit uit fouten in door NBG gebruikt software of andere computerprogrammatuur, tenzij deze schade door NBG kan worden verhaald op de leverancier van de betreffende software of computerprogrammatuur."

3 De vordering

3.1.

[A] c.s. vordert, na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat NBG toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst en uit dien

hoofde gehouden is de schade die [A] c.s. heeft geleden en nog zal lijden te vergoeden;

II. NBG te veroordelen tot betaling aan [A] c.s. van het bedrag van € 40.236,-, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2018, dan wel vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening;

III. NBG te veroordelen om aan [A] c.s. ter zake van buitengerechtelijke kosten te betalen, welke kosten conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten een bedrag groot € 1.277,36 bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening;

IV. NBG te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten.

3.2.

NBG voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna worden ingegaan.

4.1.

De beoordeling van het geschil

Algemeen

4.1.

[A] c.s. stelt dat NBG hem onjuist heeft geadviseerd. De uitkomst van het door NBG geadviseerde oversluiten van de hypotheek was volgens [A] c.s. dat het netto besteedbaar maandinkomen daalde, in plaats van dat het steeg zoals was beoogd. Verder bleek dat de terugverdientijd van de gemaakte kosten in verband met het oversluiten van de hypotheek langer zou zijn dan door NBG was voorgerekend. Volgens [A] c.s. is NBG daardoor toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen gesloten opdrachtovereenkomst en is zij aansprakelijk voor de schade die [A] c.s. daardoor heeft geleden.

4.2.

Op grond van hetgeen partijen hebben gesteld en aangevoerd constateert de rechtbank allereerst dat zij het er over eens zij dat er tussen hen een contractuele relatie bestond die kwalificeert als een overeenkomst van opdracht volgens artikel 7:400 e.v. Burgerlijk Wetboek (BW). Van deze overeenkomst is geen schriftelijk exemplaar overgelegd, maar uit de stellingen van partijen valt af te leiden dat de inhoud van de opdracht is weergegeven onder 2.2 van het adviesrapport.

4.3.

De grondslag voor de vordering van [A] c.s. is dat hij in vergelijking met de oude situatie, te weten die van vóór het advies van NBG en het oversluiten van de hypotheek, financieel slechter af was. Het komt erop neer dat [A] c.s. NBG verwijt dat hij in weerwil van zijn wens om lagere maandlasten te krijgen door het volgen van het advies van NBG juist met hogere maandlasten is geconfronteerd.

4.4.

De rechtbank zal allereerst het verschil in (maand)lasten tussen de oude en de nieuwe situatie in het jaar 2018 nagaan op grond van hetgeen daartoe door partijen is gesteld en aangevoerd. [A] c.s. stelt dat zijn netto maandlasten na het oversluiten van de hypotheek € 181,92 hoger werden. Hij onderbouwt dit als volgt. De netto maandlasten bij de oude hypotheek zouden in 2018 € 719,00 hebben bedragen. De netto maandlast zou volgens het rapport van NBG € 586,00 worden, maar werd € 698,00 (hetgeen volgens dit rapport de bruto maandlast was). Dit was nog een verschil van € 21,00 ten voordele van [A] c.s. [A] c.s. stelt echter dat hij over 2018 een voorlopige aanslag Inkomstenbelasting van € 2.435,00 kreeg, die inmiddels definitief is geworden, en dat kwam neer op een extra maandelijks te betalen bedrag van € 202,92. Het resultaat hiervan is volgens hem de gestelde maandlastenverhoging van € 181,92. NBG heeft de berekening niet betwist, maar daar tegenover gesteld dat het voordeel in ieder geval € 21,00 per maand bleef.

4.5.

De rechtbank leidt uit de stellingen van partijen af dat de hiervoor genoemde verschillen in de maandlasten een fiscale oorzaak hebben. [A] c.s. betaalde in de nieuwe situatie minder hypotheekrente. Als gevolg daarvan steeg het inkomen in box 1 en daarmee het belastbaar inkomen. Het gevolg daarvan was dat [A] c.s. niet meer in aanmerking kwam voor de ouderenkorting en heffingskorting die hij in 2017 kreeg en bij een onveranderde hypotheek ook in 2018 zou hebben gekregen. Dat was van invloed op de uiteindelijke netto maandlasten en daarmee het uiteindelijke netto maandinkomen.

Kwalificatie handelwijze NBG

4.6.

NBG erkent dat zij bij haar advies geen rekening heeft gehouden met een stijging van het belastbaar inkomen als gevolg van het verlagen van de hypotheekrente, maar stelt dat zij ook niet was gehouden om de eventuele gevolgen voor heffingskortingen in haar advies mee te nemen. Zij voert in dit kader aan dat van een hypotheekadviseur geen volledig fiscaal advies mag worden verwacht. Dit volgt volgens haar ook niet uit de door haar gehanteerde leidraad hypotheekadvisering van de AFM.

4.7.

De rechtbank volgt het standpunt van NBG niet en overweegt daartoe als volgt.

Als uitgangspunt geldt dat de adviseur op grond van artikel 7:401 BW bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen. Hij is aansprakelijk voor de negatieve gevolgen van zijn advies indien een ‘redelijk handelend en redelijk bekwaam’ adviseur dat advies niet zou hebben gegeven. Bij het oversluiten of het omzetten van een hypotheek houdt deze zorgplicht van de adviseur in dat hij moet onderzoeken of dit oversluiten of omzetten wel in het belang is van zijn cliënt (vergelijk Hoge Raad 6 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:CA1725, Rechtbank Rotterdam 9 maart 2016, ECLI:NL:RBROT: 2016:1693 en de AFM-leidraad zoals omschreven in Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR: BH2815).

4.8.

In dit geval betrof de adviesaanvraag van [A] c.s. niet de wens tot een andere hypotheek of een vraag om een fiscaal advies, maar de wens tot lagere (netto) maandlasten gedurende de circa 7 jaar dat hij nog in de woning wilde blijven wonen. Dit blijkt uit het adviesrapport. Het advies van NBG moest daarop gericht zijn. [A] c.s. was een eigen woning bezitter met hypotheekschuld, met een vast inkomen uit werk of uitkering. In een dergelijk geval worden de netto maandlasten in belangrijke bepaald door de hypotheeklasten. Het oversluiten van de bestaande hypotheek naar een hypotheek met een lagere rente zou een middel kunnen zijn om lagere maandlasten te bewerkstelligen.

4.9.

Binnen het fiscale systeem in Nederland zijn de waarde van de woning, in de vorm van het huurwaardeforfait, en de betaalde hypotheekrente, als gevolg van de hypotheekrenteaftrek, een factor bij de bepaling van het (belastbaar) inkomen en zijn daarmee van belang voor de vaststelling van de te betalen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. De hoogte van dit inkomen is tevens bepalend voor het al of niet in aanmerking komen voor heffingskortingen, hetgeen bepalend is voor de uiteindelijke netto maandlasten. Met andere woorden, de fiscale gevolgen van bepaalde keuzes zijn in belangrijke mate van invloed op de uiteindelijke (maand)lasten.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt bij een adviesopdracht zoals in dit geval de zorgplicht van een goed opdrachtnemer mee dat de hiervoor genoemde gevolgen op zijn minst worden onderkend. NBG had dit bij haar advisering moeten betrekken en, indien zij deze gevolgen niet precies kon berekenen, [A] c.s. hier in ieder geval op moeten wijzen. Dit betreft niet een volledig fiscaal advies, maar vloeit voort uit de advisering jegens [A] c.s. waartoe NBG zich had verbonden. NBG heeft erkend dat zij het hiervoor besproken aspect niet in haar advisering heeft betrokken en zij is daarmee naar het oordeel van de rechtbank jegens [A] c.s. tekort geschoten. Het argument dat door NBG ter verdediging is aangevoerd, inhoudende dat de door haar gebruikte software geen rekening hield met de zich hier voordoende (fiscale) gevolgen, overtuigt niet. Van NBG mag worden verwacht dat de door haar bij de advisering gebruikte computerprogrammatuur deugdelijk is. Ter vergelijking, een timmerman die een slecht bouwwerk aflevert komt ook niet weg met het excuus dat hij kromme spijkers gebruikt.

Los daarvan mag van NBG als financieel adviseur voldoende kennis worden verwacht om los van de gebruikte software de zich hier voordoende problematiek te onderkennen.

4.10.

Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat het door NBG aan [A] c.s. gegeven advies als onzorgvuldig moet worden aangemerkt, waarmee zij tekort geschoten in de uitvoering van de opdrachtovereenkomst. NBG heeft onvoldoende gesteld om te oordelen dat deze tekortkoming haar niet toerekenbaar is. NBG is daardoor aansprakelijk voor de schade die [A] c.s. heeft geleden en zal lijden als gevolg van het opvolgen van dit advies. De verklaring voor recht die [A] c.s. in dit kader heeft gevorderd zal worden toegewezen.

exoneratie

4.11.

NBG stelt zich op het standpunt dat sprake was van een voor haar niet kenbare fout in de software. Indien wordt geoordeeld dat zij onzorgvuldig heeft geadviseerd, komt haar een beroep op de exoneratieclausule toe die is neergelegd in artikel 8.5 van haar algemene voorwaarden. Volgens haar betreft het exoneratiebeding geen algehele uitsluiting van aansprakelijkheid, maar slechts een uitsluiting met betrekking tot fouten in de software. Als NBG mogelijk door haar te betalen schadevergoeding op Intersoft kan verhalen, zal zij het beding niet jegens [A] c.s. inroepen. Als Intersoftware jegens NBG een beroep kan doen op een exonoratieclausule die staat in de tussen hen gesloten overeenkomst, kan het volgens NBG niet zo zijn dat zij op haar beurt geen beroep op exoneratie tegen [A] c.s. kan doen. NBG zou dan tussen wal en schip raken en dat kan niet de bedoeling zijn.

[A] c.s. heeft zich beroepen op vernietiging van de algemene voorwaarden wegens het niet ter handstellen door NBG en verder op vernietiging op grond van het bepaalde in artikel 6:233 aanhef en onder a, BW en artikel 6:237 aanhef en onder f, BW, het onredelijk bezwarend beding.

4.12.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Volgens artikel 6:233 aanhef en onder b, BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Als de algemene voorwaarden voor of tijdens het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand zijn gesteld, is de hiervoor bedoelde mogelijkheid geboden (artikel 6:234 lid 1 BW). [A] c.s. heeft pas bij akte na mondelinge behandeling een beroep gedaan op dit artikel. De rechtbank stelt vast dat op het door [A] c.s. ondertekende exemplaar van het adviesrapport is vermeld dat hij de algemene voorwaarden al heeft ontvangen. De rechtbank zal het verweer van [A] c.s. passeren, gelet op de voormelde mededeling en het late tijdstip in de procedure waarop [A] c.s. dit verweer naar voren heeft gebracht.

4.13.

De rechtbank oordeelt vervolgens dat het beroep op vernietiging van [A] c.s. op grond van artikel 6:237 aanhef en onder f, BW wel slaagt. Artikel 8.5 van de algemene voorwaarden leidt er toe dat [A] c.s. de mogelijkheid tot het vorderen van schadevergoeding wordt ontnomen en dat wordt volgens artikel 6:237 BW vermoed een onredelijk bezwarend beding te zijn. De rechtbank passeert het verweer van NBG dat, indien Intersoftare met succes een exoneratie jegens haar inroept, het niet redelijk is als zij de exoneratie volgens artikel 8.5 van de algemene voorwaarden niet kan uitoefenen ten opzichte van [A] c.s. Zij miskent daarbij dat, indien haar stellingname wordt gevolgd, uiteindelijk [A] c.s. met de schade blijft zitten. De rechtbank betrekt daarbij dat [A] c.s. geen contractspartij van Intersoftware was en buiten de contractuele relatie tussen NBG en Intersoftware staat, dat NBG zich kan verzekeren voor schadeclaims, en dit naar de rechtbank begrijpt ook heeft gedaan, alsmede dat [A] c.s. consument is en artikel 6:237 BW beoogt consumenten in een geval als het onderhavige een zekere mate van bescherming te verschaffen. NBG heeft niet aangetoond dat het beding van artikel 8.5 van de algemene voorwaarden in deze situatie gerechtvaardigd is en haar beroep hierop faalt daarom.

Algemene uitgangspunten bij de berekening van de schade

4.14.

[A] c.s. vordert schadevergoeding vanwege het door NBG gegeven onjuist en onzorgvuldig advies. Hij heeft bij de berekening van de schade een vergelijking gemaakt tussen de situatie dat de bestaande hypotheek onveranderd zou zijn gebleven en de situatie vanaf de effectuering van het advies van NBG tot het oversluiten van de bestaande hypotheek. De rechtbank acht dit juist. Vaststaat dat [A] c.s. gedurende de circa 7 jaren dat hij nog in de woning wilde blijven wonen een stabiele en zo laag mogelijke maandlast wilde hebben, om "nu lekker te kunnen leven". De netto maandlast is echter hoger geworden in plaats van lager, zodat aannemelijk is dat [A] c.s. de hypotheek niet zou hebben overgesloten als hij deugdelijk door NGB zou zijn geadviseerd. Het verweer van NGB dat bij de bepaling van de hoogte van de schade een vergelijking moet worden gemaakt tussen de werkelijke toestand waarin [A] c.s. te gevolge van het advies verkeert en de hypothetische situatie dat de fiscale aspecten wél in het advies zouden zijn betrokken gaat daarom niet op.

De gemaakte kosten

4.15.

[A] c.s. heeft de woning per 1 maart 2019 verkocht en is verhuisd naar een huurwoning. Niet in geschil is dat dit het gevolg is van de hogere maandlasten waar [A] c.s. na het oversluiten van de hypotheek mee is geconfronteerd. Dit brengt mee dat de kosten die [A] c.s. voor het oversluiten van de hypotheek heeft gemaakt, welke kosten bij een deugdelijk advies achterwege zouden zijn gebleven, voor vergoeding in aanmerking komen. Ook de hogere maandlasten komen voor vergoeding in aanmerking tot het moment dat de woning is verkocht.

4.16.

[A] c.s. heeft gesteld dat de door hem gemaakte kosten bestaan uit de kosten van de hypotheekakte, € 650,00, taxatiekosten, € 395,00, advieskosten NBG, € 1.545,00, bemiddelingskosten ten behoeve van de geldlening, € 755,00 en de boeterente voor het aflossen van de oude hypotheek, € 13.569,00. Het totaalbedrag beloopt € 16.914,00. [A] c.s. heeft daarop een eenmalige belastingteruggave van € 4.169,00 in mindering gebracht, zodat resteert een bedrag van € 12.745,00. Vast staat dat [A] c.s. de gestelde kosten heeft gemaakt in verband met het oversluiten van de hypotheek, waartoe hij na het advies van NBG is overgegaan. Het verweer van NGB ziet er kort gezegd op dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat deze na het oversluiten van de hypotheek via de lagere maandlasten van [A] c.s. in de loop van de tijd zouden worden 'terugverdiend'. Dit verweer snijdt echter geen hout. De rechtbank heeft hiervoor (in r.o. 4.14.) al geoordeeld dat de uitgangspunten die NGB bij de berekening van de schade hanteert als onjuist moeten worden aangemerkt. Bovendien zijn de maandlasten niet lager maar hoger geworden. De discussie over de vraag of deze kosten binnen de door NGB gestelde termijn hadden kunnen worden terugverdiend behoeft daarom geen bespreking.

De extra maandlasten

4.17.

De hogere maandlasten waarmee [A] c.s. werd geconfronteerd vanaf 1 januari 2018 bestaan uit het verschil tussen de netto maandlasten na het oversluiten van de hypotheek en de netto maandlasten in de situatie waarbij de oude hypotheek zou zijn gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [A] c.s. voldoende aannemelijk gemaakt en onderbouwd dat de maandlasten € 181,92 hoger waren geworden. Over 2018 bedraagt de schade € 2.183,04 (12 x € 181,92). Over 2019, tot datum verkoop woning, heeft [A] c.s. onbetwist gesteld dat toen ook sprake was van een bedrag van € 181,92 aan hogere maandlasten. De rechtbank zal daarvan uitgaan. Dit brengt mee dat aan schadevergoeding vanwege hogere maandlasten zal worden toegewezen een bedrag van € 2.546,88 (€2.183,04 + 2 x € 181,92).

4.18.

[A] c.s. heeft verder de (makelaars)kosten in verband met de verkoop van de woning, € 6.125,00 gevorderd. Voor toewijzing van deze kosten is geen grondslag. Uit het adviesrapport blijkt dat [A] c.s. voornemens was om over een zevental jaren de woning te verkopen, zodat zij op enig moment voor deze kosten geplaatst zouden worden. Er is geen grond om NBG daarvoor nu aansprakelijk te achten.

4.19.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om nog een deskundige te benoemen om schade te bepalen.

Conclusie

4.20.

Toegewezen zal worden een bedrag van € 15.291,88 (€ 12.745,00 + € 2.546,88). De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 12 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

4.21.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen. Het door [A] c.s. gevorderde bedrag van € 1.277,36 komt gelet op het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten niet bovenmatig voor en zal worden toegewezen. De gevorderde rente over de incassokosten zal worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat deze kosten al door [A] c.s. zijn voldaan.

4.22.

NBG zal is de voornamelijk in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Aan de zijde van [A] c.s. worden de proceskosten vastgesteld op:

explootkosten € 104,54

griffierecht € 937,00

salaris advocaat € 1.629,00 (tarief II, 3 punten)

totaal € 2.670,54.

NBG zal eveneens worden veroordeeld in de nakosten, begroot op € 157,00, te vermeerderen met € 82,00 in geval van betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat NBG toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst en uit dien hoofde gehouden is de schade die [A] en [B] hebben geleden en nog zullen lijden te vergoeden,

5.2.

veroordeelt NBG tot betaling aan [A] en [B] van een bedrag van

€ 15.291,88, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt NBG tot betaling aan [A] en [B] van een bedrag van

€ 1.277,36 vanwege buitengerechtelijke incassokosten,

5.4.

veroordeelt NBG in de proceskosten, aan de zijde van [A] en [B] vastgesteld op € 2.670,54,

5.5.

veroordeelt NBG in de nakosten, begroot op € 157,00, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en te vermeerderen met € 82,00 in geval van betekening van dit vonnis,

5.6.

verklaart dit vonnis ten aanzien van 5.2 tot en met 5.5 uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 20 januari 2021.1

1 type: 439 coll: