Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1235

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
18/830102-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor diefstal met geweld. Veroordeling voor mishandeling en diefstal tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830102-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 april 2021 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 maart 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.B. Flooren, advocaat te Groningen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M.H.G. Scharenborg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 maart 2019 te Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een televisie (merk LG, 42 inch, LED), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) uit het slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het gezicht en/of (elders) tegen het lichaam van die [slachtoffer] ;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

A.
hij op of omstreeks 20 maart 2019 te Groningen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen het hoofd en/of het gezicht en/of (elders) tegen het lichaam te slaan en/of te stompen;

B.
hij op of omstreeks 20 maart 2019 te Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een televisie (merk LG, 42 inch, LED), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte bij het plegen van het geweld het oogmerk had om het plegen van de diefstal van de televisie te vergemakkelijken. Door het plegen van het geweld heeft verdachte immers bewerkstelligd dat hij de televisie kon stelen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het subsidiair onder A en B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, waarbij zij opmerkt dat verdachte de televisie van aangever heeft meegenomen ter compensatie van de eerder door aangever verkochte kapotte televisie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij aangever – van wie hij een televisie had gekocht die kapot bleek te zijn – heeft opgezocht om verhaal te halen. Hij heeft hem bij de voordeur geslagen. Eerst nadat aangever de woning had ontvlucht kwam in hem op om een andere televisie van aangever mee te nemen. In het dossier bevindt zich geen bewijsmiddel waaruit kan worden afgeleid dat deze verklaring onjuist is. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte reeds bij het plegen van het geweld het vereiste oogmerk heeft gehad om de diefstal te plegen.

De rechtbank acht het subsidiair onder A en B ten laste gelegde bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 maart 2021;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 21 maart 2019, opgenomen op pagina 45 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019070262 d.d. 23 mei 2019, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair onder A en B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

subsidiair

A.
hij op 20 maart 2019 te Groningen, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] tegen het hoofd en het gezicht te slaan en te stompen;

B.
hij op 20 maart 2019 te Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een televisie (merk LG, 42 inch, LED), toebehorende aan [slachtoffer] .

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair:

A. mishandeling;

B. diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, alsmede oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie acht oplegging van een taakstraf niet passend gelet op de ernst van het geweld.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair gepleit voor oplegging van een taakstraf, alsmede eventuele oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte, alsmede het tijdsverloop, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de weg staan. Verdachte is sinds het begaan van het feit niet opnieuw met justitie in aanraking gekomen, is reeds gestart met een agressiebehandeling en is gemotiveerd om deze behandeling voort te zetten. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal deze positieve ontwikkelingen doorkruisen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het over verdachte opgemaakte rapportage van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling en diefstal. Verdachte had via marktplaats een televisie gekocht van het slachtoffer en deze televisie opgehaald bij het slachtoffer thuis. Diezelfde middag ondervond verdachte problemen met de televisie. Hij is vervolgens teruggegaan naar de woning van het slachtoffer en heeft, na een korte conversatie, het slachtoffer mishandeld en de televisie van het slachtoffer uit de woning weggenomen. Door op deze wijze voor eigen rechter te spelen heeft verdachte de grenzen van het toelaatbare fors overschreden. Hij heeft heftig geweld gebruikt, als gevolg waarvan het slachtoffer onder meer een gebroken kaak, jukbeen en oogkas heeft opgelopen. Ter zitting is naar voren gekomen dat het slachtoffer tot op heden de gevolgen van verdachtes handelen ondervindt. Voorts hebben de feiten plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer, bij uitstek een plek waar hij zich veilig zou moeten kunnen voelen.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank tevens het reclasseringsrapport van 18 december 2020 in aanmerking genomen. De reclassering adviseert oplegging van een deels voorwaardelijke straf met daaraan verbonden een verplichting tot ambulante behandeling en begeleiding en een meldplicht bij de reclassering. Daarbij wordt opgemerkt dat verdachte reeds is begonnen met de behandeling 'grip op agressie' en verdachte gemotiveerd is de behandeling voort te zetten.

Door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de reeds opgezette en noodzakelijk geachte behandeling worden doorkruist.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. De tijd die verdachte reeds in verzekering heeft doorgebracht komt in mindering op de taakstraf.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 779,17 ter vergoeding van materiële schade en € 1.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de materiële schadevordering op het standpunt gesteld dat deze kan worden toegewezen voor zover het de reiskosten, parkeerkosten en het eigen risico betreft. De schade voor de televisie moet worden afgewezen, nu niet kan worden vastgesteld wat de daadwerkelijke waarde van de televisie betrof. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de immateriële schadevordering op het standpunt gesteld dat deze moet worden afgewezen, nu sprake is van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder subsidiair bewezen verklaarde. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding voor de televisie overweegt de rechtbank dat ter terechtzitting duidelijk is geworden dat bij het gevorderde schadebedrag rekening is gehouden met de afschrijvingskosten en derhalve niet de nieuwprijs van de televisie is gevorderd. De rechtbank acht het gevorderde bedrag redelijk. De vordering zal daarom ook op dit punt worden toegewezen.

De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Bovendien acht de rechtbank het bedrag van € 1.500,- gelet op het door verdachte toegepaste forse geweld en het daardoor veroorzaakte letsel redelijk en billijk. De rechtbank zal daarom de gevorderde immateriële schadevergoeding toewijzen.

Tot slot verwerpt de rechtbank het verweer dat de benadeelde partij enige eigen schuld heeft aan het ontstaan van de schade.

Dit betekent dat de rechtbank de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] van in totaal € 2.279,17 integraal zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 maart 2019.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 300, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair onder A en B ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarde(n):

1. dat de veroordeelde zich meldt op afspraken met GGZ VNN Groningen, Laan Corpus den Hoorn 102, 9728 JR Groningen, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

2. dat de veroordeelde zich gedurende maximaal de duur van de proeftijd onder behandeling zal stellen van de AFPN Zorggroep Stad en Ommeland. Dat de veroordeelde zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. dat de veroordeelde zich gedurende maximaal de duur van de proeftijd laat begeleiden door Zorggroep Stad en Ommeland of een soortgelijke zorgverlener, zulks ter bepaling van de reclassering. Dat veroordeelde zich houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de begeleiding.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.279,17 (zegge: tweeduizend tweehonderdnegenenzeventig euro en zeventien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2019.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 2.279,17 (zegge: tweeduizend tweehonderdnegenenzeventig euro en zeventien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2019. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 45 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 779,17 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B.W. Venema, voorzitter, mr. S. Timmermans, en

mr. H. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. A. Bolding, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 april 2021.